Wie was... Johan Roebers
Christine Otten
Het is 22 juni 1941. In alle vroegte rijden enkele Deventer
politiemannen naar de Middelweg. Voor nummer 51 stoppen ze. De
gordijnen zijn nog gesloten. De familie Roebers, die op dit adres
woont, ligt nog rustig te slapen. De agenten komen voor de vader,
voor Johannes Roebers. Voor hem is het niet helemaal een
verrassing. Hij staat op, kleedt zich aan, eet rustig een boterham
en gaat dan mee naar het buro. Enkele dagen later zit Johan Roebers
in kamp Amersfoort.
Als ik in november 1984 de trein vanuit Utrecht naar Deventer neem,
is het nog niet precies duidelijk wat ik zoek. In Deventer ben ik
geboren en achttien jaar heb ik er gewoond.
En door de jaren heen hoorde ik ervan: dat Deventer eens bruiste
van arbeidersverzet, dat de straten op één mei rood zagen van de
vlaggen en dat Deventer de bijnaam 'Moskou aan de IJssel' had
gehad. In 1909 al, liet men een histories moment voor de
Nederlandse arbeidersbeweging in Deventer plaatsvinden: de
scheuring tussen de SDAP en de radikalere SDP (Sociaal
Democratische Partij, de latere Kommunistiese Partij) had zich in
de Buitensociëteit van Deventer voltrokken.
Het waren waren verhalen, feiten die zich in mijn geheugen hadden
vast gebeten.
Maar belangrijker was de sfeer, de vage vertelsels van familieleden
over weer andere - overleden - familieleden die eens lid waren
geweest van de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij
(RSAP). Die in de oorlog pamfletten en boekjes in de tuin onder de
grond stopten uit angst voor de bezetters. Die familieleden droegen
een gulden per week af aan de partij, terwijl ze zelf nauwelijks
voldoende te eten hadden.
En vooral fascineerde mij, dat het na de oorlog over was, dat de
verhalen daar ophielden.
Gemeentearchief
"De RSAP? Wat was dat? Een vereniging, een partij?" De jongen
achter het buro in het gemeentearchief van Deventer kijkt me wat
bevreemd aan.
Een archief van de partij is er niet.
Er zijn notulen van raadsvergaderingen - honderden - keurig per
jaar ingebonden. Bij de band van 1941 hapert het systeem, de
verslagen gaan tot half in dat jaar. Een paar jaar zijn er helemaal
geen verslagen, maar bij de (dunne) band van 1945 kunnen we de
draad weer rustig oppakken.
Er is ook nog een privé-archief van de heer Beerents, oud-SDAP-voorman in Deventer, vertelt de jongen van het archief. "Dat is
alles, misschien heeft u er wat aan."
De naam van J.H.E. Roebers komt veelvuldig voor in de notulen van
de gemeenteraad. Johannes Roebers was dè man van de RSAP in
Deventer, wist ik van mijn vader. Bij alle verhalen over deze
uiterst linkse organisatie was het telkens de naam van Roebers die
opdook.
Roebers had in de raad gezeten. Roebers was de leider. Als er wat
was, gingen de mensen naar de familie Roebers. Maar wie was
Roebers?
Naar Zandvoort
"Hij was sigarenmaker, gewoon in dienst bij verschillende bazen.
Maar dan kwamen er stakingen en als die afgelopen waren, was er
voor iedereen werk. Behalve voor hem." Dat zegt Gerrie Roebers,
dochter van Johannes. Roebers leidde de stakingen, waardoor hij in
de ogen van de werkgevers een oproerkraaier was. Daarom hoefde hij
na zo'n arbeidskonflikt niet op zijn werk terug te komen. Roebers
begon als sigarenfabrikant voor zichzelf en stond op zaterdagen op
de grote markt van Deventer.
In ontmoet Gerrie en haar man Theo van Veen in hun flat in
Zandvoort, niet ver van de zee. Ze wonen al vanaf 1946 in deze
kustplaats. "Terug naar Deventer? Nee, daar is het toch allemaal
wat konservatiever dan hier", vindt Gerrie.
Gerrie was nooit zo politiek, althans niet partijpolitiek. Het
voorbeeld van haar vader lokte haar niet zo: iedere avond was hij
weg. Naar raadsvergaderingen, kommissievergaderingen,
aktiebijeenkomsten of partijmeetings. En als hij er was, dan las
hij. Kranten, verslagen, vergaderstukken.
Theo van Veen was wel van de partij. Bezield lid was hij:
"Eigenlijk hebben we na de oorlog nooit meer iets gevonden waar we
ons thuis in voelden. Wij zijn politiek dakloos." Het enige
ontmoetingspunt voor de oude RSAP-kaders en sympatisanten nu, is
de jaarlijkse Henk Sneevliet-herdenking op 13 april. "Dat is
heerlijk, kind, dat is een happening voor ons". Het is via het
Sneevliet Herdenkingskomitee, dat ik op het spoor van het echtpaar
gekomen ben.
Henk Sneevliet was de voorman van de RSAP. Hij had in de jaren
dertig zelfs voor korte tijd in de Tweede Kamer gezeten voor de
partij. In 1935 was de partij ontstaan uit een fusie tussen de
Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP) en de Revolutionair
Socialistische Partij (RSP). Sneevliet kwam uit de RSP en werd de
voorman van de nieuwbakken organisatie. Reden van bestaan van de
partij was: de SDAP was als arbeiderspartij niet radikaal genoeg
en had zich teveel aangepast aan het burgerlijk systeem. De CPN
was stalinisties. En voor RSAP-ers was socialisme iets anders dan
de burokratiese heerschappij, zoals die zich in de Sovjet-Unie
ontwikkelde.
In de raad
In Deventer had de RSAP veel aanhang. Relatief veel voor zo'n
uiterst linkse organisatie: in 1939 werden maar liefst drie kaders
van de partij in de raad gekozen. In 1935 waren dat er zelfs vier
geweest. Onder hen: J.H.E. Roebers. "Als liefhebberij gaf de heer
Roebers, die de vorige week na een operatie het ziekenhuis verlaten
heeft, op: politiek." Het schrijfsel dateert van 16 juni 1939. het
is een bijschrift bij een foto van hem in De Koerier - Deventer
Dagblad, net na de gemeenteraadsverkiezingen. De nieuwe raad wordt
aan de Deventer bevolking gepresenteerd.
De foto laat het beeld zien van een blonde man, bril op, haar naar
achteren gekamd en tegen het hoofd geplakt, zoals toen de mode was
(of gewoon prakties?). Een wat peinzende blik in de ogen. Een
zachte gelaatsuitdrukking.
Het moet ongetwijfeld méér dan een hobby geweest zijn. Roebers was
altijd op stap voor de partij. "Het belang van de arbeiders stond
nummer één", zegt Theo van Veen over zijn schoonvader en diens
kameraden. Uit de raadsverslagen valt op te maken dat dat ook zo
geweest moet zijn. Grote zaken als het lot der arbeidende klasse
en de strijd voor het socialisme werden keer op keer vertaald naar
de dagelijkse praktijk, het dagelijkse leven van de gewone mensen
in Deventer.
Zo was op 15 oktober 1938, op dinsdagmiddag twee uur, de kleding
van de bejaarden in het Tehuis voor Ouden van Dagen aan de orde in
de raad. Roebers had geklaagd over het slechte schoeisel dat de
oudjes moesten dragen. Het bestuur van het Tehuis was beledigd en
stelde dat Roebers zich niet ter plekke op de hoogte had gesteld
van de stand van zaken rond het schoeisel. De notulist van de raad
tekende op: "Spreker heeft advies ingewonnen bij een paar
vrouwen... . Spr. [Roebers] heeft een onderzoek ingesteld; de
schoenen waren ruw en spr. zou willen dat die knapen, die dit
durven zeggen, in die schoenen moesten lopen."
RSAP en SDAP
Twee jaar later - op 19 maart 1940 - zei J.H.E. Roebers in de
gemeenteraad: "De vorige week werden uiterst links georiënteerde
arbeiders opgeroepen en werd gevraagd, of zij tot de uiterste
groepen behoorden. Als hierop bevestigend werd geantwoord, kwamen
zij niet in aanmerking om werk te verrichten voor de gemeente
Deventer. Zo leven wij, aldus spr., in een democratische tijd en
onder leiding van een democratisch college... , zo wordt in een
zogenaamde democratische staat met fascistische middelen de
arbeidersjeugd kneedbaar gemaakt onder leiding van de sociaal-democraten en vrijzinnig-democraten." Roebers eindigt zijn betoog:
"Bah, voor een dergelijke democratie."
Het was een gevoelige relatie, die tussen revolutionairen en
sociaal-demokraten. Leider van de sociaal-demokraten (SDAP) was de
heer Th.H. Beerents. Het boterde niet tussen hem en Johannes
Roebers. Uit het archief dat Beerents bijhield en dat na zijn dood
in handen kwam van de gemeente Deventer, is nu nog op te maken hoe
het ongeveer toeging tussen beide partijen.
In juni 1939 werden gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Aan de
vooravond daarvan bestreden kommunisten, sociaal-demokraten en
revolutionair-socialisten elkaar om het hardst. We schrijven dan
1939, één jaar voordat de bezetters ons land binnen vielen.
Het is ongetwijfeld een privé-tikseltje van Beerents, een koncept
voor een pamflet, waarin hij schrijft: "De RSAP... dat zijn de
revolutionairen van Roebers, hebben een pamflet verspreid. In de
Tweede Kamer zijn ze niet te vinden, alleen in Deventer zit nog
zo'n haard." Deze taal moet de partijgenoten van de SDAP-voorman
toch wat te boud en te cynies in de oren hebben geklonken. In het
officiële pamflet staat namelijk alles wat de heer Beerents al had
uitgedacht, maar één zin ontbreekt: die over het uitroeien van
RSAP-ers.
Een dreigende oorlog kon de gezamenlijke linkse partijen niet
verzoenen. Integendeel, nu het om zulke fundamentele zaken ging
als hoe zich als arbeiderspartij op te stellen in een
imperialistiese orlog, liepen de meningsverschillen hoog op.
In juni 1939, net na de gemeenteraadsverkiezingen, werd er in de
raad druk gediskussieerd over de samenstelling van het nieuwe
Kollege van B & W. Het werd wederom een kollege van sociaal-demokraten en vrijzinnig-demokraten. Roebers stelde in die
raadsvergadering dat het standpunt ten aanzien van de samenstelling
van het kollege voldoende aan de leden van de raad bekend was,
zodat hij daar niet verder op in wilde gaan.
Voor de RSAP was bestuursverantwoordelijkheid, binnen een
burgerlijk systeem, volksbedrog. Binnen de marges van het systeem
kon men te weinig ten gunste van de arbeidersklasse veranderen.
Roebers zei wel: "Er is een andere reden om een verklaring af te
leggen. In deze tijd van mobilisatie wordt er gesproken over
samenwerking en nu heeft men kunnen lezen dat de SDAP een oproep
heeft gedaan om haar leden te bewegen lid te worden van de
burgerwacht. Die is in 1918 opgericht tegen revolutiepogingen van
Troelstra en nu zullen in de komende tijden, als de arbeiders in
verzet komen tegen honger en ellende, de vertegenwoordigers van de
SDAP met het geweer in de hand tegenover de arbeiders komen te
staan."
De verdwenen raadsleden
Het staat niet in De Koerier - Deventer Dagblad van 31 juli 1940,
wèl in de notulen van de raadsvergadering van de 30e juli: "In
verband met een schrijven van den Commissaris der Koningin d.d.
1940... werd de vergadering niet bijgewoond door de leden P. Bosma,
A.J. Gerards, A.J.G. Gerritsen en J.H.E. Roebers, die zich volgens
genoemd schrijven moeten onthouden van deelneming aan enige
werkzaamheid van den Raad."
In De Koerier van 31 juli staat wèl vermeld dat de heer Eggink,
een liberaal, afwezig was op de vergadering en dat de burgemeester
nog immer ziek was en zodoende niet ter vergadering kon
verschijnen. Geen woord over de vier 'verdwenen' raadsleden: drie
revolutionairen en één kommunist.
Ook in het verslag van de raadsvergadering van 30 juli staat verder
op geen enkele plaats iets over dit opmerkelijke feit. Men
vergaderde - getuige de verslagen - 'gewoon' over de dagelijkse
beslommeringen van een provinciestad. Benoemingen van leraren,
kredietverleningen... dat waren zaken die aan de orde kwamen.
Wellicht is er door de andere raadsleden iets over gezegd of wilde
men er iets over zeggen. Maar op 25 juni van dat jaar had
burgemeester Wittewaal - onder druk der omstandigheden - al in een
speech tot de raad gezegd: "Men wake er ten stengste voor dat toon
en inhoud der beraadslagingen tot aanstoot aanleiding geven."
De heer Beerents en andere SDAP-leden zaten in juli 1940 nog wel
in de raad. Beerents werd zelfs - bij afwezigheid van burgemeester
Wittewaal - gepromoveerd tot plaatsvervangend burgemeester.
Onderduiken?
"Onderduiken? Dat deed mijn vader niet. Waarom niet? Misschien
omdat hij voor ons wilde blijven zorgen.", zegt Gerrie van Veen.
Overbodig te zeggen dat het geen gemakkelijke tijd moet zijn
geweest voor Roebers en zijn kameraden. De RSAP werkte in de oorlog
ondergronds verder onder de naam Marx-Lenin-Luxemburg-Front (MLL-Front). Maar ondergronds gaan betekende wèl moeizamer kunnen
werken. En niet automaties deed ieder lid ondergronds òòk mee. En
voortdurend lag het gevaar op de loer.
Het was kommissaris Van Tricht van de Deventer politie die
inspekteur Weltevreden, eveneens een lid van het Deventer korps,
erop attent maakte dat de heer Roebers en zijn kollega's geen
kommunisten waren. Ze waren geen lid van de kommunistiese partij
en het woord kommunisme kwam niet voor in hun organisatienaam van
vóór de bezetting.
Inspekteur Weltevreden was een streng gereformeerd man. Hij werkte
liever zonder de Duitse bezetters, maar nu ze er toch waren, leek
het hem het beste toch maar te doen wat zij wilden. En
oproerkraaiers, die moesten de Duitsers hebben. Nou waren Roebers
en co dan misschien geen kommunisten, oproerkraaiers waren het in
ieder geval.
Toen op 22 juni 1941 agenten op de deur van de familie Roebers
bonkten om Johannes op te komen halen, was dat dan ook onder meer
het gevolg van het aktieve optreden van de volgzame inspekteur.
Roebers en de andere revolutionair-socialistiese en kommunistiese
raadsleden werden opgepakt in de week dat in Deventer de jaarlijkse
grote kermis zou gaan draaien.
Dat jaar was er voor het eerst sinds mensenheugenis geen kermis op
de Deventer Brink.
Kamp Amersfoort
Roebers komt, samen met andere kameraden, terecht in kamp
Amersfoort, dat toen mede onder de fanatieke leiding van Kotälla
stond. Vrouwen en kinderen mochten niet op bezoek komen. Het enige
wat zij van hun gevangen vaders en echtgenoten hoorden, ging via
gecensureerde brieven. In één zo'n brief schrijft Johan Roebers dat
hij een nieuw gebit heeft gekregen van de bezetter. Het verbaasde
Gerrie en haar moeder hogelijk, want pa had altijd goede tanden
gehad. In zijn afscheidsbrief - gedateerd 16 oktober 1942 -
schrijft Johannes Roebers aan zijn vrouw en dochters het volgende:
"Wat jullie waarschijnlijk nooit gedacht zullen hebben, zal morgen
om acht uur gebeuren: ik zal worden doodgeschoten. Niet omdat ik
zelf wat gedaan heb, maar omdat er door anderen daden van sabotage
zijn gepleegd. Met vijftien man waaronder Gerritsen en A. Banning
en nog enige andere Deventenaren, zullen we worden gefussileerd.
Als jullie deze brief ontvangen, ben ik er niet meer en kan dus
niet meer voor jullie zorgen en zul je dus verder op jezelf zijn
aangewezen. Rouw niet om mij, ik ben gestorven in de volle
overtuiging van mijn plicht te hebben gedaan. Ik heb de mensheid
willen dienen door te strijden voor een samenleving waarin voor
ieder mens vrijheid en welvaart zou zijn en waar voorgoed alle
oorlogen waren uitgebannen. Ik heb het niet mogen beleven. Het zij
zo... Ik gevoel mij volkomen rustig. Ik heb niet gedacht dat
sterven mij zo gemakkelijk zou vallen."
In de vroege ochtend van 16 oktober wordt Johannes Roebers
gefussileerd.
Op 13 april 1942 waren Henk Sneevliet, Ab Menist en andere RSAP-leiders al doodgeschoten. Het was het begin van het einde van de
RSAP en het MLL-Front.
Nog één keer komt de naam J.H.E. Roebers voor in de notulen van de
raadsvergadering van Deventer. Het is op 26 november 1945.
Nederland is bevrijd. De ontbonden gemeenteraad funktioneert -
alhoewel wat provisories - weer. De tijdelijk burgemeester C.A.
Doets houdt een speech: "Moge ik thans nog een woord van dank
uitspreken voor al hetgeen de leden van den ouden afgetreden raad
in het belang van de gemeente en de bevolking hebben gedaan en u
verzoeken u van uw zetel te verheffen."
De gevallen raadsleden worden herdacht; het zijn - als enigen -:
A.J. Gerritsen, P. Bosma en J.H.E. Roebers.
Uit: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, juni 1992
Tijdens de voorbereidingen van de vijftigjarige herdenking door
het Sneevliet Herdenkingskomitee gaf Theo van Veen, de schoonzoon
van Johan Roebers, Dick de Winter bovenstaande schets van zijn
schoonvader. Die schets bleek al in 1984 geschreven door Christine
Otten, toen studente aan de School voor Journalistiek. Familieleden
in Deventer, partijgenoten van Roebers, hadden haar op dit spoor
gezet.
In de negen jaren, die er tussen het schrijven van dit stuk en nu
liggen, is Gerrie, die dochter van Roebers en toen de echtgenote
van Theo van Veen, overleden. Van Veen hertrouwde met Sima
Sneevliet, de dochter van Henk Sneevliet.