Pour Dieu, een beetje onzekerheid in het leven!
Barend de Voogd
De 'utopies socialisten' Saint Simon en Fourier droomden al rond
1800 van een samenleving gebaseerd op rechtvaardigheid, gelijkheid
èn andere sekseverhoudingen. In haar boek 'Tegen conventioneel
fatsoen en zekerheid' stelt Saskia Poldervaart dat dat feminisme
bij latere socialistiese stromingen verloren is gegaan. Ze wil er
opnieuw de aandacht op vestigen. Om het huidige socialisme te
inspireren, maar ook om het 'utopies feminisme' de plaats te geven
die het toekomt: als eerste feministiese golf.
Graaf Claude-Henri de Saint Simon (1760-1825) was een kind van de
Franse Revolutie. Een opstandig kind, dat wel. Aan de ene kant
verwierp hij de nadruk die de Verlichting legde op de rationele
individuele mens en stelde daar een gevoelige mens, die in sociale
verbanden leeft, tegenover. Tegelijkertijd had hij wel groot
vertrouwen in de mogelijkheden van industrie en wetenschap. De
klasse die daarmee verbonden was, 'la classe industrielle',
waaronder hij zowel arbeiders en -sters als fabrikanten en
handelaren rekende, zou de macht moeten veroveren op de 'oisifs'
(de gepriviliseerde adel en de soldaten), de niet produktieven. Het
zou een vreedzame evolutie moeten zijn door het uitbreiden van
associaties, leef- en werkgemeenschappen. Het moest leiden tot 'het
Evangelie', zijn Utopia waarin mensen 'kollaborators' zouden zijn;
rationele, gevoelige en liefdevolle wezens. Een 'nieuw christendom'
zou mensen samenbrengen in onderlinge liefde. Saint Simons utopie
voorzag een Europees 'parlement' waarin niet de politiek van de
macht, maar de politiek van de kwaliteiten bepalend zou zijn.
Administratieve maatregelen zouden afdoende zijn om het welzijn van
ieder te garanderen.
Familiehuizen
In Saint Simons werk zijn nauwelijks feministiese trekken te
vinden. Toch stelt Poldervaart dat het belang dat hij aan gevoel
en liefde hechtte, de basis heeft gelegd voor het feminisme van
zijn volgelingen. Die konkludeerden na Saint Simons dood, dat dat
bij uitstek 'vrouwelijke' kwaliteiten waren. Vrouwen lieten zien
wat de weg naar de menselijke bevrijding was: vrouwelijkheid. In
de preken die deze discipelen van het 'nieuwe christendom' hielden
werden het gezin en de huishoudelijke slavernij van vrouwen
aangevallen en werden mannen aangemoedigd hun emoties te uiten. In
Saint-Simonistiese 'Familiehuizen' werden huishoudelijke taken
gelijk verdeeld. Ze trotseerden de spot van het publiek: in een
bekende spotprent zien we Saint-Simonistiese mannen koken en
poesten. Twee van hen knopen elkaars vest dicht: De Saint-Simonisten hadden een kostuum ontworpen waarbij de knopen aan de
rugzijde zaten. Het Saint-Simonistiese principe was immers dat je
je steeds moest 'associëren', zelfs bij het aankleden.
Poldervaart legt veel nadruk op het aksent op seksuele
uitdagendheid en plezier dat bij de utopisten alom aanwezig is. Zo
ontplooide Père Enfantin, de geestelijk opvolger van Saint Simon,
in 1831 zijn 'nieuwe moraalleer'. De christelijke moraal, die 'de
zonde van het vlees' verwierp, gooide hij op z'n kop: "Tot nu toe
hebben koketheid, frivoolheid, schoonheid en uitdagendheid alleen
aanleiding gegeven tot hypokrisie, overspel enzovoort omdat de
maatschappij niet in staat was om deze menselijke kwaliteiten te
reguleren of bevredigen. Daarom zijn deze kwaliteiten bronnen van
aanstootgevende wanorde geweest, in plaats van wat ze zouden moeten
zijn; bronnen van plezier en geluk." Uitdagendheid was een
onmisbare kwaliteit in het 'Evangelie', ook voor mannen.
Seksueel minimum
Het meest uitbundig is het toekomstige plezier beschreven door
Charles Fourier (1772-1837), bijtende satirikus van de hypokrisie,
het monogame gezin en de vrouwenonderdrukking. In duizenden
pagina's tekst, tekeningen en architektoniese ontwerpen komt een
overdekte (want regen, hagel en guur weer werkten verstorend)
toekomst, de 'Harmonie', naar voren. Liefde en werk zouden daar
onmetelijke genietingen zijn. Gelijkheid vervloekte hij echter als
een 'politiek gif'. Klassen zouden blijven bestaan, mannen en
vrouwen bleven verschillend. Juist verschillen, en het genieten
daarvan, moesten de Harmonie aantrekkelijk maken. In de 'wet van
de aantrekkingskracht van de hartstochten' stelde hij dat
hartstochten niet onderdrukt moesten worden, maar uitgeleefd.
Fourier stelde voor mensen in leefgroepen, 'Phalanstères', en
kleinere eenheden, de 'harmoniese groepen' (van zeven tot negen
personen, in tegenstelling tot het benauwde gezin) te laten leven.
In die harmoniese groepen zouden mensen met dezelfde hartstocht die
met elkaar kunnen delen. Maar, er moest aan drie voorwaarden worden
voldaan. De eerste was het recht op werk (gelijk verdeeld, en niet
meer dan twee uur hetzelfde werk achtereen) en een inkomen; het
sociaal minimum. Ten tweede moest er een 'seksueel minimum'
gegarandeerd zijn. In het 'Hof der Liefde' zou iedereen aan haar
of zijn trekken komen onder leiding van een hofdame die voor
iedereen spelletjes, intriges en dergelijke organiseerde. Fourier
was niet preuts, alles kon. De gedachte hierachter was dat de
liefde pas werkelijk tot ontplooiing kon komen als ze zou zijn
bevrijd van iedere dwangmatige fixatie op koïtus. Subtielere vormen
van liefde konden dan opbloeien.
Tot slot was een radikale verandering van de positie van de vrouw
een absolute voorwaarde. Wilde men samen de amoureuze wereld van
de Harmonie binnentreden dan moest men inzien dat "De vrouw (...)
geen objekt van genot, maar aktieve deelgenote" is. Meer dan dat,
net als Saint Simons volgelingen, zag Fourier dat vrouwen de
vreedzame weg van de associatie naar de Harmonie, als draagsters
van de positieve kwaliteiten van vrouwelijkheid en uitdagendheid,
zouden leiden.
Autonome vrouwenbeweging.
'Père' (vader) Enfantin, de volgeling van Saint Simon, ging in zijn
'nieuwe moraalleer' verder dan zijn leermeester. Vrouwelijkheid als
positieve kwaliteit moest, stelde hij, niet gekoppeld worden aan
vrouwen. Als mannen gaan bepalen wat 'de vrouw' is kan dat alleen
maar onderdrukkend uitpakken. "Ik zeg dat iedere man die
pretendeert een wet over vrouwen te maken, zich niet als een Saint-Simonist zal ontwikkelen" schreef hij. Daarom bevatte zijn 'nieuwe
moraalleer' een oproep aan 'de' vrouw: "Een vrouw moet opstaan die
zichzelf aan het hoofd van de mensheid plaatst en die zegt wat ze
voelt (...)". Er moest een vrouwelijke Messias van het 'nieuwe
christendom' opstaan; een 'Mère', naast de Père. Enfantin trok de
konsekwentie en pleitte ervoor dat vrouwen zich apart zouden
organiseren.
Een autonome vrouwenbeweging zou niet lang op zich laten wachten.
De revolutie van juli 1830 (die verder weinig veranderde) bracht
persvrijheid, zo'n zeventig vrouwenbladen ontstonden. Le Conseiller
des Femmes van Eugénie Niboyet, is typies voor het soort
vrouwenblad van die tijd. Het was geen radikaal feministies blad
maar populariseerde de gelijkheidsgedachte (maar binnen het
gezin!).
Er waren ook radikalere bladen. In 1832 richtten twee Saint-Simonistes de Tribune des Femmes op. Autonomie van de vrouwen stond
centraal. Zo werden artikelen met de voornaam ondertekend omdat,
zo schreven de vrouwen, "Als wij voortgaan de namen van mannen te
gebruiken, zullen we slaven blijven". Het Saint-Simonistiese
gedachtengoed was overduidelijk aanwezig. Niemand kon zeggen wat
'de' vrouw was. Ze zagen alle vrouwen, ongeacht klasse, als moreel
superieur, de leidsters naar 'het Evangelie'. Het blad ijverde hard
voor vrouwenassociaties.
In navolging van de 'nieuwe moraalleer' eisten de vrouwen het recht
op vrije seksualiteit, het recht op plezier en veranderlijkheid op:
"Pour Dieu, een beetje onzekerheid in het leven!" Dat was niet
zonder risiko. Het echtpaar De Mauchamps, uitgevers van de Gazette
des Femmes moest hun explicite artikelen over sexualiteit bekopen
met gevangenisstraf. De meeste vrouwenbladen verdwenen snel. De
persvrijheid onder de juli-monarchie was maar van korte duur.
Revolutie van 1848
De revolutie van 1848 zorgde voor een volgende opleving. De tweede
Republiek trad aan. De (ex-)Saint-Simonisten Louis Blanc en
Hippolyte Carnot namen belangrijke posities in. Vol hoop startte
het dagblad Voix des Femmes, onder redaktie van Niboyet met
medewerking van vele 'Tribune'- en 'Gazette'-vrouwen. Het blad was
al de eerste dag uitverkocht. Er waren grote verwachtingen. "Het
rijk van de Republiek is ons rijk" juichte ze. Vrouwen werden
opgeroepen een deel van hun loon aan de regering af te staan. De
eis van ekonomiese onafhankelijkheid voor vrouwen, door de
'Tribune' eerst in het algemeen gesteld, werd nu aan de regering
gesteld. Helaas, toen de staat in 1849 drie miljoen franc uittrok
om associaties te ondersteunen, ging dat bijna geheel naar
associaties van mannen.
Poldervaart geeft aan hoe in dit blad een mix van de ideeën van de
Saint-Simonisten, Fourier en de gematigde vrouwenbladen van 1830
ontstond. Ze verloor het radikale feminisme van de 'Tribune', ten
gunste van een veel breder gehoor. Zo werd aan de ene kant het werk
dat het blad opeiste weer beperkt tot typiese 'vrouwenberoepen',
terwijl aan de andere kant de utopisten werden geprezen. De 'Voix'
streefde naar socialisme, dat ze definieerde als "de demokratie van
de liefde, die niets en niemand zijn zorg onthoudt". Alle seksuele
radikaliteit van weleer verdween. De leidende rol die vrouwen bij
de utopisten hadden werd teruggebracht tot een gezamenlijke strijd
van mannen en vrouwen, die elkaar door hun verschillende
kwaliteiten aanvulden. De vrouwen klaimden hun rechten vanuit de
rol die vrouwen als 'sociale moeder' speelden, als arbeidster en
opvoedster. De kritiek op het gezin verdween. Het ideaal was nu het
'nieuwe huwelijk' waarbinnen mannen en vrouwen zich vrijwillig
zouden associeren op basis van gelijkheid.
Na de verkiezingen in april 1848 veranderde het politieke klimaat.
Bijeenkomsten van de Voix des Femmes werden door schreeuwende
mannen verstoord. Kort daarop sloot de politie de klub van de
'Voix'. De opvolger Politique des Femmes werd na twee nummers
verboden. Het begrip 'politiek' werd niet voor vrouwen geschikt
geacht.
Het marxisme.
Poldervaart's boek geeft een boeiend beeld van deze eerste
feministiese golf die moeizaam haar programma voor emancipatie
zocht. Wat echter stoort is Poldervaart's stelling, die door het
hele boek loopt, dat het marxisme het belang van het feminisme voor
de socialistiese beweging zou hebben miskent. De band die de
utopisten daartussen legden heeft het marxisme, in haar ogen,
verbroken. Die onhoudbare stelling doet afbreuk aan het verder
uitstekende boek. Marx en Engels, die - naast kritiek - grote
bewondering hadden voor de utopisten deelden hun feministiese
kritiek. In De oorsprong van het gezin, van de partikuliere
eigendom en van de staat valt Engels bijvoorbeeld genadeloos het
gezin aan, dat "berust op de open of verkapte huisslavernij van de
vrouw."
Los daarvan, de vraag is natuurlijk of de analyses van de utopisten
beter geschikt waren voor vrouwenbevrijding dan die van Marx.
Poldervaart stelt die vraag nergens. Ze bejubelt de heldenrol die
de utopisten de vrouw in hun teksten toebedeelden, en verwerpt Marx
en Engels op grond van citaten die alleen bewijzen dat de heren
niet vrij zijn gebleven van de heersende vooroordelen. Nergens
vraagt ze zich af wat de mooie woorden van de utopisten, of de
minder mooie woorden van Marx, voor de werkelijke vooruitgang van
vrouwen opleveren. Omdat Poldervaart die vraag ontwijkt grijpt ze
de mogelijkheid niet aan die de gebeurtenissen van 1848 haar boden
om de utopistiese ideeën aan de praktijk te toetsen. De strategie
van de utopisten, een geleidelijke verandering door associaties,
leek sukses te krijgen. De Tweede Republiek, de 'classe
industrielle', was aan de macht gekomen. De Saint-Simonisten Louis
Blanc en Carnot in de regering zouden met goede voorstellen komen.
Kortom, het 'Evangelie' of de 'Harmonie', en daarmee de bevrijding
van de vrouw, was niet ver meer. Die verwachting kwam niet uit. De
regering van de 'classe industrielle' bleek niet de belangen van
de gehele aktieve bevolking tegen de 'oisifs' te verdedigen maar
slechts die van een deel daarvan, de industriëlen en handelaren,
tegen de arbeiders en -sters. Ook voor vrouwen verbeterde er bitter
weinig. De Tweede Republiek maakte korte metten met de strategiese
geloofsartikelen van de utopisten: de 'classe industrielle', met
aan het hoofd de vrouwen, als drijvende kracht achter
maatschappelijke verbeteringen, en een geleidelijke verandering
door het promoten van vrouwelijkheid en associatie.
De ideeën over hóe de wereld veranderd moest worden, leverden de
utopisten dat predikaat 'utopies' op, niet hun schetsen van een
mogelijke toekomst. Iedereen die werkt aan verandering droomt van
een andere wereld, en de visioenen van de utopisten van
samenlevingen vol plezier en vrije liefde spreken aan. Marx en
Engels hebben zich zelden gewaagd aan bespiegelingen op de
toekomst. Socialisme was voor hen niet iets dat je kunt
'ontwerpen', maar dat wordt vormgegeven door de toekomstige
generaties zelf. Anderen binnen dezelfde traditie deden wel
voorspellingen. De Russiese revolutionaire Alexandra Kollontaï
bijvoorbeeld, voorzag in 1923 in haar boek De nieuwe moraal en de
arbeidersklasse de komst van de 'nieuwe vrouw'. Het uitdagende
feminisme, het 'plezier in verschil' van Fourier komt daar weer
terug. Maar ook zij stelde, net als Fourier, haar voorwaarden:
alleen omdat de revolutionaire Sovjet-Unie produktiepatronen afbrak
die mannen en vrouwen in rolpatronen drukt; alleen omdat er strijd
gevoerd was tegen het kapitalisme; alleen omdat er abortusklinieken
en kantines werden ingericht, konden vrouwen zich bevrijden van de
dwang van kind en huishouden, en kon de 'nieuwe vrouw' ontstaan.
Het boek van Poldervaart is een mooie historiese studie, naar mooie
idealen. Het doet dromen. Dat is de kracht ervan, en tegelijkertijd
de zwakte. Het politieke statement voor een herwaardering van de
utopisten, dat het bevat, is ongenuanceerd, omdat Poldervaart geen
onderscheid maakt tussen de inspirerende toekomstbeelden en de
achterhaalde ideeën over hoe dat te bereiken.
Door alleen te dromen, worden dromen nog niet waar. Maar zonder
dromen begin je niets.