Een eeuw sociaal-demokratie
De illusie van een roemrijk verleden
Jan-Willem Stutje
Schrijven over de sociaal-demokratie is een tijdverdrijf waarin
men tot de nodige zelfkwelling bereid moet zijn. Want, om maar
met de deur in huis te vallen, we weten eigenlijk niet zo goed
wat de SDAP en in haar kielzog de PvdA voor partij geweest is. We
weten wel dat de sociaal-demokratie nooit die partij was waarvoor
veel leden, geïnteresseerde tijdgenoten, en een enkel journalist
ook nu nog, haar hield; zelfs de jonge SDAP was nimmer een partij
die het kapitalistiese karakter van de maatschappij beoogde aan
te vallen.
Luisteren we naar Pieter Wiedijk, kriticus en scherpzinnig
marxist, dan bleek deze toenmalige tegenstrever van Troelstra
niet ontgaan te zijn dat 'het werkmanspak' waarin de SDAP zich
stak maar nauwelijks haar kapitalistiese aard verhulde. Een
vaststelling die vijftig jaar later herhaald werd door de Sam de
Wolff. Ook deze ekonoom en bovenal fijnzinnig stilist signaleerde
dat onder de naam van 'socialisme' een min of meer burgerlijke
hervormingspolitiek werd voorgestaan.
Als het oordeel van deze kritici juist is, dan nog rijst de vraag
of we bij al het reformisme en opportunisme, bij het
ministerialisme en de eindeloze één-tweetjes met de bourgoisie -
al vroeg populair in de sociaal-demokratie - te maken hadden met
betreurenswaardige dwaalwegen dan wel met een politieke lijn die
voortspruitte uit het wezenlijke karakter van de partij zelf.
Voor Wiedijk, misschien meer nog dan voor De Wolff werd de SDAP
inderdaad een partij die zich steeds minder begon te
onderscheiden van radikale liberale groeperingen als de
Vrijzinnig Democratische Bond. Terwijl hij nog in 1902 had
betoogd dat het 'kapitalistiese koekoeksei' uit het
'socialistiese nest' geworpen moest worden, karakteriseerde hij
de SDAP in 1909 als de uiterste linkervleugel van het
liberalisme. Voor deze redaktiesekretaris van het marxistiese
periodiek De Nieuwe Tijd leidde de weg van Troelstra c.s. dus
niet 'Op naar het licht', zoals het in een befaamd strijdlied
optimisties klonk, maar veeleer 'uit het licht' naar - zoals
Domela het ooit uitdrukte - de duisternis van de reformistiese
grafkelders.
Het gouden verleden
In 1909 was voor Wiedijk het glorierijke verleden van de SDAP zo
goed als van alle glans en perspektief ontdaan. Hij sloot zich
aan bij de Tribunisten die in De Schouwburg te Deventer onder
leiding van Wijnkoop, Van Ravesteyn en Jan Ceton de SDP
oprichtten, het embryo dat na de Eerste Wereldoorlog zou
uitgroeien tot de Communistische Partij in Nederland. Niettemin,
ook voor Wiedijk bestond er ooit een roemrijk en lichtend begin
en misschien is dat wel de hardnekkigste legende rond de sociaal-demokratie.
In de voorstellingswereld van socialisten bestaat behoefte aan
een beeld van een nieuwe verheven maatschappij als
toekomstperspektief. Maar even sterk lijkt soms de behoefte aan
een vergelijkbaar beeld van het verleden, een verleden vol
heroïek, solidariteit en strijdbaarheid. Het geeft mensen de
mogelijkheid kontinuïteit in de geschiedenis te zien en zich
daarin een plaats te geven. Daar is niets op tegen, ware het niet
dat in de herinnering van mensen de legende vaak de werkelijke
geschiedenis vervangt. Bijvoorbeeld met het beeld dat het
socialisme zo rond de eeuwwisseling radikaal en zuiver was;
waarin de toenmalige leiders tegelijk tribuun en martelaar waren;
waarin zich kortom 'de belle epoque' van de socialistiese
beweging voltrok, de romantiese jongelingsjaren waarin het
voorzichtige streven naar lotsverbetering van het proletariaat
nog niet als in een zompig moeras het 'grote idee' verzwolgen
had.
Als we dat idealiserende beeld op zijn houdbaarheid onderzoeken,
valt het onmiddellijk in duigen. Natuurlijk, er gaapt een afgrond
tussen de hartstochtelijke diskussies en polemieken in de SDAP
van weleer en het ontredderd voortdobberende dodenschip van Kok
en Wallage, waaruit nog niet het minste gepruttel opstijgt of het
zou een suspekte beschouwing moeten zijn over zogezegde
illegalen, allochtonen of ander arme drommels.
Een wereld van verschil, dat zeker. Maar daaruit mag niet
gekonkludeerd worden dat de SDAP - met een radikaal marxisties
program geboren - pas in de loop der tijd reformistiese trekken
begon te ontwikkelen, waarbij bijvoorbeeld het Deventer-schisma
van 1909 de definitieve breuk betekende met dit revolutionair-marxistiese verleden. Want kijken we naar de praktijk van de
partij dan valt daar ook in de eerste vijftien jaar niet zo
vreselijk veel revolutionairs in te ontwaren.
Arbeiderspartij?
Neem bijvoorbeeld de befaamde spoorwegstakingen van 1903. Dit
hoogtepunt in de vooroorlogse klassenstrijd is voldoende
gedokumenteerd om te mogen konkluderen dat de koers van de partij
niet geleid werd door overwegingen die een versterking van de
arbeidersstrijd beoogden. Troelstra vertrouwde ook toen al liever
op diplomatie en de burgerlijk liberale oppositie in het
parlement dan op de strijdbaarheid van de arbeiders.
Nee, de partij was verre van een revolutiepartij. En een
arbeiderspartij? Sociologies viel dat nog te bezien. Het
industriële kapitalisme was aan het begin van deze eeuw nog zo
zwak ontwikkeld dat de SDAP lange tijd nauwelijks of geen
aansluiting vond bij het fabrieksproletariaat dat toch beschouwd
werd als de drager van de beweging.
Daar kwam bovendien de religieuze segmentatie bij. Versterkt door
de ekonomiese achterlijkheid bleven de konfessionele invloeden in
de arbeidersklasse lange tijd voelbaar. Een ekonomiese
achterlijkheid die overigens niet alleen de kontinuïteit van de
konfessionele greep op de volksmassa's bevorderde, maar ook
binnen 'links' veel ruimte liet voor het in stand houden van
allerlei radikale, ten dele pre-industriële tradities, hun
uitdrukking vindend in de beweging van Domela Nieuwenhuis en het
NAS.
Het zijn deze faktoren die maken dat de SDAP al in een vroeg
stadium - en wellicht reeds vanaf haar eigenlijke konceptie niet
meer was dan een hervormingsbeweging, die van een principiële
strijd tegen het kapitalisme niet wilde weten. De SDAP werd
vanuit de rechtervleugel van de oude Sociaal Democratische Bond
opgericht uit onvrede met haar radikalisme en anti-parlementarisme. Maar in weerwil van wat haar oprichters hoopten,
oefende de nieuwe partij weinig aantrekkingskracht uit op het
Nederlandse proletariaat. En dat is nog voorzichtig uitgedrukt
voor een groep die zeker in het begin in het westen van het land
en onder industriearbeiders helemaal geen weerklank vond. In zijn
memoires verhaalt J. H. Schaper van de eerste openbare
bijeenkomst van de SDAP in Amsterdam op 1 oktober 1894 in gebouw
Constantia aan de Rozengracht. De nieuwe groepering werd er
weggehoond. Vliegen en Troestra voerden er met moeite het woord
en kregen het zwaarwegende verwijt de organisatie van de
arbeiders gebroken te hebben. De vergadering eindigde in een
fikse vechtpartij.
Een bezield debat
Van begin af aan is door tijdgenoten gediskussieerd over het
karakter van de sociaal-demokratie. Het hier ingenomen standpunt
dat de SDAP al in haar ontstaan een hervormingspartij was, werd
ook rond de eeuwwisseling breed uitgemeten, bijvoorbeeld door
Pannekoek. Daar stonden andere opvattingen tegenover, waarin tot
ver in de jaren dertig benadrukt werd dat de SDAP een echte
socialistiese partij was met sterke referenties aan het
revolutionair-marxisme. Ook in de (auto)biografie van haar
leiders, Troelstra, Vliegen, Schaper overheerst dit zelfbeeld,
ondanks de erkenning van aanpassingen van leer en strategie aan
de veranderde maatschappelijke kondities.
Hoe het ook zij, we kunnen een eind meegaan met de vaststelling
van Bart Tromp, een vooraanstaand lid van de PvdA, dat voor de
oorlog door tallozen met ernst deelgenomen werd aan het debat
over het karakter van de sociaal-demokratie. Van een scheiding
tussen (beroeps)politici, intellektuelen en het 'gewone'
partijlid was geen sprake. Het publiek debat binnen de SDAP was
werkelijk het platform waarin over de koers en de ziel van de
partij gesproken werd.
Wat een verschil met de huidige PvdA, waar de hooggeplaatsten
zich grotere politici achten naarmate ze beter buiten het toch al
beperkte debat in de partij weten te blijven. Waar onder de
bezielende leiding van Rottenberg nu definitief afgerekend is met
de geheiligde symbolen van een beweging die in werkelijkheid
sinds jaar en dag de hare niet meer was. Waar de omhelzing van de
kapitalistiese markt - het medicijn voor alle kwalen - inniger
dan ooit geworden is. En waar de technokratiese 'nieuw-flinksheid' van het moderne yuppie-dom de dragende basis lijkt te
gaan vormen van de partij die, mede om deze reden, elk kontakt
met haar vroegere achterban verliest of al verloren heeft. Deze
breuk met het eigen verleden heeft zodanige vormen aangenomen dat
ook de laatste barrières voor een onderdompeling in het
liberalisme aan het verdwijnen zijn. Het kan het einde betekenen
van de sociaaldemokratiese beweging.