De Indonesië-weigeraars
Vijftien eeuwen straf...
Honderden ongezuiverde SS-ers werden bij de 'politionele
akties' mee naar Indonesië gestuurd. Vermoedelijk werd ergens
op politiek of militair nivo een beslissing genomen die deze
'rehabilitatie' voor de ex-SS-ers mogelijk maakte. Voor Indonesië-weigeraars is er nooit zo'n rehabilitatie geweest. Henny
Zwart, vroeger journaliste van 'de Waarheid', schreef een boek
over hen.
Theunis Stelling
Over de Indonesië-weigeraars zijn in het verleden verschillende artikelen en enige doktoraal-skripties geschreven. Een boek
verscheen echter pas in 1989. De journalisten Kees Bals en
Martin Gerritsen schreven toen voor de Vereniging Dienstweigeraars De Indonesië-weigeraars. Het werk beschrijft de belevenissen van enkele weigeraars en pleit voor eerherstel voor
alle 'deserteurs'.
Rehabilitatie is ook de primaire doelstelling van het begin
april verschenen boek Er waren er die NIET gingen. De ondertitel - 'vijftien eeuwen straf voor Indonesië-weigeraars' -
slaat op de opgelegde en geheel uitgezeten gevangenisstraf
voor alle veroordeelden tesamen. Maar daar waar Bals en Gerritsen alleen de geschiedenis van de weigeraars beschrijven,
beschrijft Henny Zwart ook het historiese kader waarin de
massale desertie plaatsvond. De koloniale geschiedenis komt
aan de orde. Een antwoord wordt gegeven op het hoe en waarom
van het Nederlandse optreden tussen 1945 en 1949. Het resultaat is een aardig werkje, waarin korte histories beschrijvende hoofdstukken worden afgewisseld met interviews met weigeraars en hun vrouwen.
Tweede Wereldoorlog
Begin maart 1942 werd Nederlands-Indië bezet door Japan. Het
Koninklijk Nederlands-Indisch leger (KNIL) werd binnen zeven
dagen verpletterend verslagen. Japanse bestuurders namen de
plaats van de Nederlandse kolonialen in. Zo'n honderdduizend
Nederlanders werden geïnterneerd; dertienduizend Nederlanders
kwamen om. De slachting onder de Indiese bevolking was echter
vele malen groter. Geschat wordt dat 4 miljoen van hen omkwamen. Het Japanse fascistiese regime was dus een schrikbewind,
niet alleen voor de Nederlanders.
Psychologies gezien was voor de Indonesiërs echter de Japanse
bezetting een keerpunt: de nieuwe heerser was geen westerling.
Een Japanse arbeider vertelde in 1985 hierover: "Geen enkele
Indonesische partij was toen pro-Japans. Maar ze wilden desnoods met de duivel samenwerken om van de Hollanders af te
komen". Een SDAP-kamerlid konstateerde al in 1939: "Tegenover
de Japanner wordt de Indonesiër niet gehandicapt door een
gevoel van minderwaardigheid".
Van de Japanse bezetter leerde men, dat de blanke koloniaal
niet onoverwinnelijk en niet superieur was. De bezetting werd
als een tussenfase ervaren. Nadat Japan verslagen zou zijn,
zouden de Nederlanders niet mogen terugkeren. Indonesië zou
onafhankelijk worden, hetgeen ook geschiedde. Japan kapituleerde op 15 augustus 1945. Twee dagen later werd de Republik
Indonesia uitgeroepen.
De Nederlandse regering wilde niets van een onafhankelijk
Indonesië weten en weigerde met haar leiders Soekarno en Hatta
te praten. "Indië verloren, rampspoed geboren" was hier het
motto. De Republik Indonesia werd afgeschilderd als een Japans
brouwsel, Sukarno was een kollaborateur. De inlandse bevolking
zou een krachtdadig optreden tegen de republiek op prijs
stellen. Orde en rust, in principe de vooroorlogse situatie,
diende hersteld te worden.
Indië gaf de Nederlandse elite status. Hun land was door deze
enorme kolonie een wereldmacht, zo dacht men. Nog belangrijker
was het ekonomiese belang. Fabrieken, rijstvelden, plantages
en olievelden moesten weer in Nederlandse handen komen. De
kaitalistiese ekonomie kon na de Tweede Wereldoorlog een
steuntje in de rug goed gebruiken. De geleden materiële schade
was zeer groot, naar later bleek zo'n 2,5 miljard gulden. Het
was met name hierom dat de regering voor oorlog koos.
Politionele Akties
Tussen 1946 en 1949 werden in totaal 120.000 militairen naar
Indnesië gezonden. Van hen kwamen er meer dan 6150 om het
leven. De Indonesiese verliezen waren veel groter. Naar schatting sneuvelden tussen de 100.000 en 150.000 republikeinen.
Intussen probeerde de Nederlandse regering de bevolking hier
voor te houden dat er "iets groots" werd verricht. Telefoonleidingen werden hersteld en zwaar verwaarloosde plantages op
orde gebracht. En wat waren de 'inlanders' dankbaar voor het
Nederlandse optreden.
Door toedoen van kritiese soldaten kwamen er echter ook minder
fraaie feiten aan het licht. Al in 1947 verschenen soldatenbrieven in de Waarheid. Het meest bekend geworden feit is het
brute optreden van kapitein Westerling en zijn Speciale Troepen tegen de bevolking van Celebes. De Nederlandse regering
noemde het een exces. Dat was het niet. De soldatenbrieven
geven aan dat wreedheden op grote schaal plaatsvonden.
Op 28 februari 1948 verscheen bijvoorbeeld een brief, waarin
onder andere het volgende stond: "Je hebt hier een zogenaamde
Inlichtingendienst, die arresteert lui die verdacht worden van
verzet of spionage. Nu, dat is op zichzelf zo erg niet, maar
nu moeten die lui vertellen over hun vriendjes en of ze nog
meer 'ploppers' kunnen aanwijzen; net als bij ons in de tijd
van de moffen met de SD. Ze mishandelen de gevangenen op een
beestachtige manier. Vanavond hebben ze weer een vent te
pakken gehad, die misschien wat wist. Die hebben ze een gat in
z'n kop geslagen, daar werd je gewoon beroerd van, zo bloedde
dat..."
De meeste oorlogsmisdadigers zijn nooit voor de rechter gedaagd. De krijgsraad heeft slechts 42 militairen voor moord of
doodslag veroordeeld. Eén van hen kreeg de doodstraf: een
soldaat van Ambon. De overigen kregen gevangenisstraffen
variërend van twee tot twaalf jaar. Alle veroordeelden hadden
een lage rang. Het hogere kader ontsprong de dans.
Verzet in Nederland
Het is de Nederlandse regering nooit gelukt de hele bevolking
achter het militaire optreden te krijgen. In een opiniepeiling
gehouden in augustus 1946 bleek dat 42 procent van de ondervraagden niet wilde dat het Nederlandse leger in Indië ging
vechten. Voor het grootste gedeelte zullen de tegenstanders
"neen" gezegd hebben, omdat ze de oorlog beu waren. Een kleiner deel was principieel tegen het voeren van een koloniale
onderdrukkingsoorlog.
Vlak voor en na de inscheping van het eerste troepentransport
op 24 september 1946, was er sprake van massaal protest. Er
vonden in Amsterdam grote demonstraties plaats, waartegen de
politie hard optrad. Eén demonstrant werd doodgeschoten. Op de
dag van inscheping brak eveneens in Amsterdam een staking uit.
Tienduizenden haven- en metaalarbeiders, maar ook gemeenteambtenaren namen hier aan deel.
De CPN, die in 1946 bij de Tweede Kamer-verkiezingen tien procent van de stemmen behaalde, voerde samen met haar jeugdbeweging ANJV de verzetsbeweging aan. Ze riepen dienstplichtigen
op om de dienst in Indië te weigeren. Later veranderde men van
koers. Dienstweigering werd een individuele aktie genoemd en
het was beter om onder de soldaten te werken en dus gewoon
naar Indonesië te gaan.
Naast CPN en ANJV zetten zich nog vele andere organisaties en
aktiegroepen voor de goede zaak in. Eén ervan was de Nederlandse Bond van Militairen (NBM), waarvan het voor Nederlandse
militairen in 1946 verboden werd om lid van te zijn. Maar de
CPN was de enige politieke partij die zich tegen de Nederlandse Indië-politiek keerde. Anderen moesten hun politieke
nest verlaten om strijd te voeren. Hetgeen soms gebeurde. Na
de eerste 'politionele aktie' werd de PvdA opgeschrikt door
legio bedankjes.
De weigeraars
Toen op 17 september 1946, één week voor uitzending, de eerste
ploeg dienstplichtigen zich moest melden, bleek dat 38 procent
niet was komen opdagen. Uiteraard veronrustte dit de legerleiding, die via radio-boodschappen met strenge straffen begon te
dreigen, zelfs met de doodstraf. Want Nederland had nog geen
vredesverdrag met Duitsland en op desertie in oorlogstijd
stond de doodstraf...
De dreigementen hielp, want toen daadwerkelijk werd ingescheept, was het aantal wegblijvers nog maar 18 procent. Toch
was ook dit percentage nog opmerkelijk hoog, ongetwijfeld een
gevolg van de brede stroming, die tegen de oorlog in Indonesië
was. Tienduizenden hebben in eerste instantie geweigerd om
uitgezonden te worden. Uiteindelijk zetten 4000 dienstplichtigen hun wil door en doken onder. Ongeveer 2600 van hen werden
berecht en veroordeeld tot straffen varirend van twee maanden
tot vijf jaar celstraf.
Een opmerkelijk feit is dat de uitzending van de eerste dienstplichtigen onrechtmatig was. Artikel 192 van de Grondwet
luidde namelijk dat dienstplichtigen niet dan met hun toestemming naar overzeese gebiedsdelen gezonden konden worden.
De politiek was bezig met een grondwetswijziging, maar die zou
pas in augustus 1947 worden gepubliceerd en rechtsgeldig
worden. Uiteraard is getracht om op grond van artikel 192
onder uitzending uit te komen. Dat dit zonder sukses gebeurde,
geeft aan hoe het met de rechtstaat Nederland anno 1946 was
gesteld. Toen in augustus 1947 het nieuwe grondwetsartikel in
werking trad en uitzending zonder toestemming mogelijk werd,
zaten al bijna 100.000 dienstplichtigen in Indonesië.
Iedere weigeraar had zijn eigen motieven om niet te gaan. Of
het nu religieuze, politieke of puur persoonlijke (angst!)
redenen waren, het maakte voor de Nederlandse overheid niet
uit. Desertie moest keihard worden aangepakt. Persoonlijke
omstandigheden en het tijdstip waarop de weigeraar nog gepakt
werd, waren bepalend voor de strafmaat. Nog in 1957 werd een
onderduiker opgepakt en tot vier maanden celstraf veroordeeld!
Hoewel langdurig onderduiken geen pretje was, zijn degenen die
nog tijdens de oorlog werden opgepakt, het slechtst af geweest. Zij konden namelijk terechtkomen in het depot Nazending
Schoonhoven, dat in 1947 door de legerleiding was opgezet,
niet alleen omdat de gevangenissen te vol zaten, maar ook om
de Indonesië-weigeraars een speciale behandeling te geven. Men
wilde er de oorzaken van desertie wegnemen om daarna de rekruten alsnog naar Indonesië te sturen. De weigeraars kregen drie
maanden de tijd om van hun 'dwaling' terug te keren. Geen
intimidatiemiddel was de leiding van het tuchtkamp te dol. Eén
weigeraar kreeg zo een brief van zijn ouders, die in werkelijkheid bleek te zijn geschreven en ondertekend door een
militair. De inhoud van dit schrijven laat zich raden... Bij
velen heeft de heropvoeding er inderdaad toe geleid dat zij
alsnog 'vrijwillig' naar Indonesië vertrokken.
Zij die ook Schoonhoven doorstonden konden kennismaken met de
sfeer in de Nederlandse gevangenissen. Daar kwamen zij te
zitten tussen mensen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog fout
waren geweest. Wat opviel was, dat deze NSB-ers en SS-ers
beter behandeld werden dan zijzelf. Ook kwamen zij vaak eerder
vrij. Velen kregen graite. Dat zat er voor de Indonesië-weigeraars niet in, omdat zij nooit spijt hadden van hun handelen.
Na de celstraf was er dan nog de problematiese terugkeer in de
samenleving. Het zoeken naar werk en woning viel dan niet mee.
Want wie wilde er nu een ex-gevangene, die geweigerd had om
naar Indonesië te gaan, in dienst nemen? De Indonesië-weigeraars hadden immers aan de 'verkeerde' kant gestaan...
Dit en vele andere informatie maakt het boek van Henny Zwart
interessant voor wie weinig over deze periode weet. Maar veel
nieuwe feiten biedt het niet. Jammer is dat het boek weinig
statistiese gegevens bevat. Nam het aantal weigeraars per
troepenzending gedurende de periode 1946-1949 toe of af?
Hoeveel mensen hebben in totaal in Schoonhoven gezeten en
hoeveel van hen hebben hun aktie doorgezet? Zulke vragen
worden niet beantwoord.
Henny Zwart, Er waren er die NIET gingen; vijftien eeuwen
straf voor Indonesië-weigeraars. Stichting Solidariteit,
Amsterdam 1995.