|
Sinds jachtgezelschappen in het Paleolithicum voor het eerst diersoorten uitroeiden wordt Homo Sapiens geconfronteerd met de gevolgen van haar ingrijpen in de natuur. Maar pas sinds de jaren zeventig worden die gevolgen gezien als een grote ecologische crisis die het voortbestaan van de soort zelf in gevaar kan brengen. In die dagen werd de moderne milieubeweging geboren, een beweging die met Earth Day, Groene partijen en talloze NGO's liet zien dat er een nieuw ecologisch besef was ontwaakt en dat de confrontatie met de bedreiging voor onze planeet zou worden aangegaan. |
|
|
Het optimisme van die vroege jaren is nu grotendeels verdwenen. Ondanks dat ze enkele nuttige resultaten heeft geboekt, zoals een meer uitgebreide recycling van afval en het instellen van natuurgebieden, wordt het steeds duidelijker dat deze verzameling wetten, ecologische NGO's en academische programma's niet in staat is het ecologische verval af te remmen. Sinds de dag dat de eerste Earth Day werd uitgeroepen is op belangrijke punten als de uitstoot van koolzuur gassen, het verdwijnen van koraalriffen en de ontbossing van de Amazone de achteruitgang nog verder versneld, soms zelfs exponentieel. Hoe kunnen we deze sombere werkelijkheid verklaren? Het is een werkelijkheid waarvan het besef ons ertoe zou moeten aanzetten om ons uiterste best te doen de beperkingen van de huidige milieu-beweging te overstijgen. Misschien kunnen we nuttig advies krijgen van Margaret Thatcher. In de late jaren zeventig, hetzelfde tijdvak waarin het ecologische besef opkwam, propageerde de 'Iron Lady' de opkomst van TINA – There Is No Alternative: geen alternatief voor de bestaande maatschappijvorm, en zeker niet in de vorm waar de eerste golf van milieu-activisten op hoopte. De milieubeweging begreep niet wat er aan de hand was en hield zich bezig met externe symptomen in plaats van naar de ziekte zelf te kijken. Thatcher zei het niet hardop maar het was niet missen waar ze voor stond: er was geen alternatief voor kapitalisme – om meer precies te zijn, voor het gerevitaliseerde, harde kapitalisme dat gedurende de jaren zeventig het welvaartsmodel van kapitalisme begon te vervangen. Deze stap was een weloverwogen antwoord op een ernstige crisis van kapitaal-accumulatie, een crisis die leiders van de wereldeconomie dwong om wat we nu neoliberalisme noemen te installeren. Samen met Ronald Reagan was Thatcher symbolisch voor het politieke gezicht ervan. Neoliberalisme betekent een terugkeer naar de pure logica van het kapitaal: het is geen tijdelijke turbulentie maar de kern van onze wereld. Het heeft de maatregelen die de agressiviteit van het kapitaal indamden opzij geveegd en deze vervangen door de onverholen uitbuiting van mens en natuur. Het neerhalen van de beperkingen en limieten aan de opeenhoping van kapitaal wordt 'globalisering' genoemd. Ideologen als Thomas Friedman vieren een nieuw tijdperk van de universele vooruitgang, gebracht door de vrije markt die alles tot koopwaar maakt. Deze Blitzkrieg, dit bombardement, maakte korte metten met de halfslachtige hervormingen die de milieubewegingen van de jaren zeventig ingesteld hadden om het ecologische verval in de hand te houden. En omdat deze bewegingen bijna of geen kritiek hadden geformuleerd op het kapitalisme raakten ze stuurloos terwijl de aftakeling versnelde. Het is nodig om te volstrekte ontoereikendheid van de basisprincipes en organisatievormen van de eerste golf van milieu-activisme te erkennen. Daar is het hoog tijd voor want het menselijke bestaan staat als gevolg van de ecologische crisis zeer diepgaande veranderingen, vernaderingen zonder weerga, te wachten. Dat we nu met dit vooruitzicht geconfronteerd worden is te danken aan kapitalisme zelf dat ons op een pad naar ecologische chaos geplaatst heeft. De verantwoordelijkheid van kapitalisme voor de economische crisis is complex maar er is een allesoverheersende tendens zichtbaar: in het kapitalisme is een oneindige groei van de productie een noodzaak en omdat deze groei in dienst staat van het kapitaal en niet in die van menselijke behoeften resulteert zij in de verstoring van de intrinsieke relatie van mensen met de natuur. De reden hiervoor ligt in het grote verschil van kapitalisme ten opzichte van alle andere productie modellen, namelijk dat het georganiseerd is rondom de productie van kapitaal zelf – een puur abstract, numeriek wezen zonder een interne limiet. En daarom is het gedoemd om de materiële natuur, die wel degelijk limieten kent, met zich mee te sleuren in haar krankzinnige jacht op waarde en toegevoegde waarde. De ecologische crisis is de voorbode van radicale verandering, of we dat nu willen of niet. Maar we kunnen wel kiezen welke verandering we krijgen, of het leven of dood zal zijn. In de woorden van Ian Angus op zijn e-maillijst: de keuze is simpel genoeg: 'ecosocialisme of barbarisme: er is geen derde weg' (om meer te weten te komen over deze lijst kun je Angus contacteren via ecosocialism@gmail.com) Deze uitspraak parafraseert een gezegde van Rosa Luxemburg: aan het begin van de twintigste eeuw stelde zij dat de werkelijke keuze waar de mensheid voor stond die tussen 'socialisme of barbarisme' was. Dit bleek zeker waar te zijn. Het falen van de socialistische revolutie - zowel onmiddellijk in het geval van Luxemburg en de opstand van de Spartakisten in Duitsland en later het falen van de andere modellen voor socialisme in de twintigste eeuw, in het bijzonder die welke georganiseerd waren rondom de Sovjet-Unie en China – waren een voorwaarde voor de huidige triomf van barbaars kapitalisme. Kapitalisme met eindeloze oorlogen, de consumptienachtmerrie, een groeiende kloof tussen rijk en arm – en het meest veelbetekenend, de ecologische crisis. De keuze blijft hetzelfde, met dien verstande dat kapitalistische barbarij tegenwoordig een ecologische catastrofe betekent. De aarde is niet langer in staat om de gevolgen van de menselijke productie op te vangen, overweldigt als zij is door de chaos van dit productiesysteem. Tegenwoordig moet elke beweging voor sociale verandering dit gegeven de hoogste prioriteit geven want het bestaan zelf van een toekomst hangt er vanaf of we een uitweg kunnen vinden. Een socialisme dat de naam waardig is moet daarom ecologisch zijn, of meer precies gezegd, eco-centrisch – het zal een eco-socialisme moeten zijn dat erop gericht is onze band met de natuur te herstellen. Het onderscheid tussen eco-socialisme en de vormen van socialisme van de twintigste eeuw is niet slechts een verschil in naam, het betekent niet dat we slechts arbeiderscontrole over de industrie plus wat goede milieu-wetgeving nodig hebben. We hebben arbeiderszelfbeheer nodig, net zo goed als in de twintigste eeuwse vormen van socialisme, want zolang de producenten niet vrij zijn kunnen we kapitalisme niet overwinnen. Maar het ecologische aspect brengt nieuwe factoren naar voren die het nodig maken dat we met een kritisch oog kijken naar de aard van productie zelf. De kapitalistische productiewijze, met haar eindeloze zucht naar winst, maakt alles tot koopwaar. Alleen op deze manier kan de opeenhoping van kapitaal oneindig worden uitgebreid. Door ons te bevrijden van het privé-bezit van de productiemiddelen maakt socialisme en eco-socialisme het ons mogelijk om deze groei, die zich verspreid als een kanker en voortgestuwd wordt door de concurrentie tussen fracties van kapitaal die allemaal op zoek zijn naar een steeds groter wordend deel van het marktaandeel, te onderbreken. Maar het geeft geen antwoord op de vraag wat en hoe er geproduceerd zal worden in een eco-socialistische samenleving. Het is duidelijk dat productie niet langer bepaald zal moeten worden door de verkoop – door de handel in koopwaar – maar dat er voor gebruik geproduceerd moet, voor de bevrediging van menselijke behoeften. Maar dit werpt de vraag op hoe we menselijke behoeften kunnen definiëren en in de context van de ecologische crisis kan 'gebruik' slechts duiden op die behoeften die samen deze crisis kunnen bezweren. Want dat is de grootste behoefte van de beschaving en van iedereen die er deel van uitmaakt. Dit houdt in dat menselijke wezens zich alleen kunnen ontplooien in omstandigheden waarin de schade die het kapitaal heeft toegebracht aan de natuur teniet is gedaan, bijvoorbeeld door het stoppen van het vrijlaten van koolzuur in de atmosfeer. De 'natuur' is alle onderling verbonden eco-systemen en productie in eco-socialisme zou er op gericht moeten zijn om de schade aan eco-systemen te herstellen, meer nog, op het creëren van bloeiende eco-systemen zelf. Dit zou bijvoorbeeld ecologisch verantwoorde boerderijen kunnen betekenen of – omdat wijzelf ook natuurlijke wezens zijn die deel uitmaken van een gemeenschappelijk ecosysteem – ecologisch gerichte relaties tussen mensen, inclusief het opvoeden van kinderen, de verhoudingen tussen genders, de hele spirituele en esthetische kant van het leven. Om op alle deze punten in te gaan zou veel meer ruimte kosten dan mogelijk is in dit artikel. Maar het zal duidelijk zijn uit wat er tot nu toe gezegd is dat als als we spreken van eco-socialisme we niet alleen bedoelen dat we onze economie of techniek moet veranderen. Eco-socialisme is net zomin een puur economische kwestie als socialisme of communisme dit was in de ogen van Marx. Eco-socialisme moet de radicale omvorming van de samenleving – en de menselijke gemeenschap – zijn die Marx zich voorstelde als de volgende stap in de menselijke evolutie. Om de ecologische crisis te overleven zullen we zo'n verandering nodig hebben. Eco-socialisme betekent kortom het creëren van een geheel nieuwe productiewijze waarin een vrijwillige associatie van arbeid bloeiende eco-systemen in plaats van koopwaar produceert. Dit werpt allemaal meer vragen op dan dat het beantwoord. Deze vragen alleen al laten zien hoe ingrijpend de ecologische crisis is. Per slot van rekening, hoe zou ons leven eruit zien als we op hielden met het in de atmosfeer pompen van koolzuurgassen en we het klimaats-ecosysteem toelieten om weer in evenwicht te geraken, om te herstellen? Hoe zullen we bevredigende, menselijke levens leiden, geconfronteerd met de verschrikkingen die nu deel uitmaken van onze samenleving? Het antwoord is onzeker. Maar er is een zekerheid die we zullen moeten bouwen: er moet een alternatief zijn. Op 7 oktober zal er in Parijs een bijeenkomst plaatsvinden om een internationale eco-socialistische organisatie op te richten. Voor meer informatie over deze bijeenkomst kun je contact opnemen met Joel via jskovel@earthlink.net of Ian Angus via ecosocialism@gmail.com Joel Kovel is lid van de Amerikaanse Green Party. Hij is onder andere auteur van The Enemy of Nature en hoofdredacteur van Capitalism Nature Socialism. Dit artikel verscheen eerder in New Socialist Magazine |
|
|
|
|
|
Bijdrage van Willem de Vroomen op 04-11-2008: De kapitalistische economie.
Wanneer ondernemers zich zorgen maken over “onze” economie, beweren ze vaak dat de productiviteit te laag is. Ze bedoelen daarmee dat het verschil tussen kosten en opbrengsten van werknemers te klein is. Twee oplossingen: kosten verlagen of opbrengsten verhogen.
Kosten verlagen kan op verschillende manieren. De lonen en salarissen verlagen of in ieder geval niet laten stijgen, dat is een eerste. En tweede is de arbeidstijd te verlengen, de werknemers langer laten werken dan b.v. acht uur per dag. Of het aantal vakantiedagen te verminderen.
Ook voor het vergroten van de opbrengsten hebben ondernemers mogelijkheden. De eerste is investeren in arbeidsbesparende machines. Dat mes snijdt aan twee kanten: er zijn minder werknemers nodig, dus de loonkosten dalen. Maar ook: door het gebruik van machines kan er meer en goedkoper geproduceerd worden dan door de concurrentie. Met andere woorden: de opbrengsten nemen toe. Een tweede is de inzet van beter geschoolde werknemers. Beter geschoolde werknemers produceren beter en kunnen ook de vaak ingewikkelde machines bedienen. Ook dat leidt weer tot hogere opbrengsten.
Toen Karl Marx en Friedrich Engels ruim 150 jaar geleden de toenmalige kapitalistische economie analyseerden, beschreven zij ook de hierboven genoemde processen. Ze gebruikten andere termen. Spraken niet over werknemers, maar over arbeidersklasse. Niet over werkgevers, maar over kapitalistenklasse of bourgeoisie. Het verschil tussen dat wat een arbeider nodig heeft om met zijn gezin van te leven en het door hem geproduceerde, noemden Marx en Engels “meerwaarde”. Die meerwaarde ontdekten zij als de bron van de winst. De toename van de productiviteit zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, noemden zij de groei van de meerwaarde.
De strijd om lonen en werktijden, tussen arbeiders en kapitalisten, noemden Marx en Engels “klassenstrijd”. Die strijd dwingt de ondernemers hun productie steeds te moderniseren om arbeidskosten te besparen. Daarom is klassenstrijd eigenlijk de motor van de economische en maatschappelijke vooruitgang. Maar tegelijk roept vooruitgang zelf weer nieuwe problemen op. Ten eerste daalt door modernisering de winst. Omdat arbeid de bron is van meerwaarde en winst, zorgen arbeidsbesparende machines voor een daling van de winst. Machines zelf leveren geen meerwaarde. En dus ook geen winst. Ze maken alleen de werknemer productiever. Een tweede probleem is dat door machines overbodige werknemers geen loon of salaris meer ontvangen en dus de geproduceerde goederen niet meer kunnen kopen. Dankzij machines wordt er veel meer geproduceerd, maar minder geconsumeerd: Overproductie en onderconsumptie. Dalende winsten, overproductie, te weinig consumptie, verminderde economische groei, allemaal oorzaken en symptomen van de steeds weer terugkerende crises en recessies in de kapitalistische economie.
Globalisering.
Oplossingen werden en worden gezocht door kapitaal buiten de grenzen te investeren, op zoek naar grondstoffen, arbeidskrachten en nieuwe afzetmarkten. Deze eerste globalisering van de kapitalistische economie aan het eind van de negentiende eeuw leidde tot spanningen en tegenstellingen vergelijkbaar met die van de huidige globalisering. Toen die globalisering, zich manifesterend in kolonialisme en imperialisme, geen duurzame oplossing bood voor de problemen van de kapitalistische economie, bleef de alles verwoestende oorlog tussen concurrerende kapitalistische landen een laatste redmiddel: in de loop van de vorige eeuw alleen al twee wereldoorlogen. Plus koloniale en onafhankelijkheidsoorlogen in gebieden buiten Europa en Amerika.
Krediet.
Door de onvermijdelijk voortdurende dalende winsten blijft er onvoldoende kapitaal over om opnieuw te investeren. Als reactie daarop wordt in de kapitalistische economie het moderne kredietsysteem op steeds grotere schaal toegepast. In feite is dat niets anders dan investeren van kapitaal dat nog niet in de productie is verdiend, er wordt een voorschot genomen op toekomstige productie.
Dat daar op de langere duur grenzen aan zijn, kan ieder mens met een gezond verstand begrijpen. De tegenwoordige ‘kredietcrisis’ is daarvan een illustratie.
China.
Bankiers en financiers zijn er lang in geslaagd de fundamentele tegenstelling tussen groeiend aanbod en stagnerende vraag (overproductie en onderconsumptie!) te overbruggen. Dat houdt onder meer verband met de enorme economische groei in China in de afgelopen jaren. Tegen zeer lage lonen worden in China veel consumptiegoederen geproduceerd. Maar juist door de lage lonen zijn de Chinese arbeiders niet in staat die goederen ook zelf te kopen. Dus wordt een groot deel van die productie uitgevoerd, naar Amerika, maar ook naar Europa en andere landen in de wereld. Die invoer in Amerika en andere landen wordt aan China betaald in dollars. China en de rest van de wereld beschikken dus over een enorme hoeveelheid dollars die voor een groot deel weer worden uitgeleend aan de Amerikaanse regering en aan Amerikaanse banken en bedrijven. Met die dollars wordt de Amerikaanse staatsschuld (en de Amerikaanse oorlogsvoering!) gefinancierd. Een staatsschuld van duizenden miljarden dollars. Via banken en financiers werd de Amerikaanse bevolking in staat gesteld op grote schaal op krediet te consumeren, ondanks de ook in Amerika dalende inkomens van de werkende bevolking. Het is duidelijk dat Amerika nooit werkelijk in staat zal zijn die enorme schulden af te lossen. Er komt een moment dat de kunstmatige koers van de dollar instort, met een diepe economische crisis op wereldschaal als resultaat.
Dollar ‘wereldmunt’.
Dit proces kon lange tijd doorgaan doordat de dollar sinds de tweede wereldoorlog als ‘wereldmunt’ gehanteerd wordt. Bijna alle betalingen tussen landen worden gedaan in dollars, met als bekendste voorbeeld de betalingen voor olieleveranties. Door de status van de dollar als ‘wereldmunt’ blijft de koers van de dollar kunstmatig op peil. Dit alles wordt nog verergerd door het feit dat banken en financiers niet alleen in Amerika maar over de hele wereld ertoe over zijn gegaan nieuwe financieringen op te zetten met bestaande schuldpapieren, onder andere met hypotheken. Nog slechts een klein deel van de huidige kredieten wordt dus gedekt door werkelijke productie in het heden en de nabije toekomst. Bron van financiering kunnen naast bedrijfswinsten eigenlijk alleen spaargelden zijn, naast pensioengelden als uitgestelde loonbetaling of uitgestelde consumptie. Daarnaast mogelijk nog betaalde premies voor verzekeringen en de betaalde lonen en salarissen op de particuliere lopende rekeningen. In werkelijkheid zijn de praktijken van de kredietverstrekkers bijna volledig los geraakt van de maatschappelijke en economische werkelijkheid. De zogenaamde zakenbanken die samenwerken met beleggingsfondsen hebben helemaal geen spaargeld als basis voor hun financieringen, eigenlijk helemaal geen reëel geld. Zij lenen het geld van andere banken en financiers, die dat geld op hun beurt ook weer geleend hebben. Want die andere banken die wel een dergelijke basis moeten aanhouden kunnen volstaan met slechts 8 tot 10 en soms zelfs met maar 4 tot 6 procent dekking met reëel geld. Tegelijkertijd hebben die zelfde kredietverstrekkers door hun financiële en economische macht een onvoorstelbare en niet te controleren invloed op die maatschappelijke en economische werkelijkheid. Dat dit systeem moet vastlopen en in elkaar klappen zien we nu in de huidige economische crisis gebeuren.
Groei.
Ook de kwestie van de ‘economische groei’ hangt hiermee samen. In de aanvang ontwikkelt een kapitalistisch economisch systeem zich razendsnel, met groeicijfers van wel tien procent of meer per jaar. Tot de problemen van overproductie, onderconsumptie, dalende winsten, minder kapitaal beschikbaar om te investeren, zich aandienen en de economische groei begint te stagneren. Als reactie gaan ondernemers en investeerders op zoek naar nieuwe terreinen om kapitaal (op krediet) winstgevend te maken. Dat is de achtergrond van het neoliberale beleid om nieuwe gebieden onder de werking van de markt te brengen en ook publieke diensten meer en meer te privatiseren of te verzelfstandigen: energie, openbaar vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, post.
Er zit ook nog een tweede kant aan dat kredietsysteem. Door de overproductie en de dreigende onderconsumptie is er bij de consumenten met hun relatief (en vaak ook absoluut) dalende inkomens onvoldoende mogelijkheid de door de werknemers geproduceerde goederen aan te schaffen. Als oplossing worden die consumenten ertoe verleid en verplicht om veel op krediet te kopen: huizen, auto’s, huishoudelijke apparatuur enz. Ook dat is een onderdeel van de ‘kredietcrisis’. Beide kanten van die crisis manifesteren zich op dit moment het sterkst in Amerika, maar ook Groot-Brittannië en Europa ontkomen er niet aan. Ook China en andere goedkoop producerende landen ondervinden er de gevolgen van. De stagnerende export heeft in China al sluiting van bedrijven en groeiende werkeloosheid veroorzaakt. Verhoging van de lonen om zo de consumptie te stimuleren is onmogelijk, want dat leidt ook in het kapitalistische China tot vermindering van de meerwaarde en tot daling van de winsten. Zo is de cirkel rond en stort de kapitalistische economie de wereld in een economische crisis vergelijkbaar met de depressie in de jaren dertig van de vorige eeuw.
Het “reserveleger”.
Als in de kapitalistische economie de werkeloosheid groeit, leidt dat vaak tot vreugde bij de investeerders en tot stijging van koersen op de beurzen. Dat lijkt merkwaardig, maar dat is het niet. Toenemende werkeloosheid leidt immers tot veel aanbod van en een verminderde vraag naar arbeidskrachten. De prijs daalt. Lonen dalen, of stijgen in ieder geval niet. Dat leidt zoals gezegd direct weer tot een nieuw probleem: lagere lonen betekenen verminderde consumptie. Allereerst vooral bij bedrijven die produceren voor de binnenlandse markt of zich bezig houden met de distributie en verkoop van goederen. Een ondernemer betaalt zijn personeel graag weinig loon, maar hoopt dat zijn concurrenten hoge lonen moeten betalen. En hoopt ook dat die hogere lonen aan zijn producten uitgegeven worden. Die steeds weer terugkerende werkeloosheid levert dus een probleem aan de kant van de consumptie. Maar aan de kant van de productie is het onmisbaar: een groot aantal werkelozen drukt het loonpeil. Marx en Engels gebruikten voor deze in de kapitalistische economie onmisbare werkelozen de term “industrieel reserveleger”. Natuurlijk moet dat reserveleger wel beschikbaar zijn voor de productie, vandaar dat er zo veel energie besteed wordt aan scholing, bijscholing, omscholing van mensen zonder werk. Wat weer een nieuwe tegenstrijdigheid oplevert: die mensen produceren niet, maar kosten wel geld. Dat moet betaald worden uit belastinggeld, maar ondernemers betalen niet graag belasting, want dat gaat ten koste van de winsten en van het voor investeringen benodigde kapitaal. Ondernemers doen voortdurend een beroep op de overheid (in de kredietcrisis gaat het om honderden miljarden!), maar willen (en vooral: kunnen) aan dat overheidswerk niet mee betalen. Zij hebben behoefte aan goed geschoolde werknemers, maar willen en kunnen geen geld aan onderwijs en scholing besteden of er belasting voor betalen.
Werkende vrouwen.
Interessant aan de kwestie van het reserveleger is ook de positie van vrouwen. Als mannen en vrouwen met kinderen beide werken neemt de omvang van het reserveleger toe en daarmee de neerwaartse druk op de lonen. Tegelijk nemen de gezinsinkomens toe wat weer gunstig is voor de groei van de consumptie. Natuurlijk moeten die vrouwen ook geschoold zijn en moeten er voorzieningen zijn voor kinderopvang. Zaken die geld kosten, geld dat niet geconsumeerd of als kapitaal geïnvesteerd kan worden. De druk op vrouwen om te werken heeft dus weinig van doen met emancipatie, maar is een noodzakelijke druk vanuit de kapitalistische economie. En heeft al helemaal niets te maken met pleidooien voor ‘meer vrouwen in de top’. Alsof het werkende mensen iets zou interesseren of hun baas een man is of een vrouw. Een simpel uitgangspunt zou moeten zijn dat in een gezin met kinderen één van de partners het gezinsinkomen moet kunnen verdienen. En dan maakt het verder niets uit of dat de man of de vrouw is. Maar dat simpele uitgangspunt botst met de wetten van de kapitalistische economie. Ook de roep om langer doorwerken en verhoging van de pensioenleeftijd moet vanuit het perspectief van het reserveleger begrepen worden.
Conclusie.
Al met al kan geconcludeerd worden dat de marxistische analyse van de kapitalistische economie ondanks alle veranderingen nog steeds nuttig en bruikbaar is.
Dat was 150 jaar geleden ook de kracht van het werk van Marx en Engels: een analyse van de toenmalige economie en de daaraan gekoppelde maatschappelijke verhoudingen. Over de uitweg uit de kapitalistische tegenstrijdigheden, socialisme, hebben zij wel iets geschreven, maar alleen in zeer algemene termen. Onze visie kan samengevat worden in de woorden “alleen het socialisme biedt een toekomst”. Maar over de precieze inhoud van dat socialisme kan niet veel gezegd worden, ook wij ontwerpen geen blauwdruk. Maar de weg er naar toe eist veel inzet en elan van mensen die zich socialist durven en willen noemen. En zonder intensieve, georganiseerde contacten met gewone werkende mensen loopt die weg dood.
De kapitalistische economie.
Wanneer ondernemers zich zorgen maken over “onze” economie, beweren ze vaak dat de productiviteit te laag is. Ze bedoelen daarmee dat het verschil tussen kosten en opbrengsten van werknemers te klein is. Twee oplossingen: kosten verlagen of opbrengsten verhogen.
Kosten verlagen kan op verschillende manieren. De lonen en salarissen verlagen of in ieder geval niet laten stijgen, dat is een eerste. En tweede is de arbeidstijd te verlengen, de werknemers langer laten werken dan b.v. acht uur per dag. Of het aantal vakantiedagen te verminderen.
Ook voor het vergroten van de opbrengsten hebben ondernemers mogelijkheden. De eerste is investeren in arbeidsbesparende machines. Dat mes snijdt aan twee kanten: er zijn minder werknemers nodig, dus de loonkosten dalen. Maar ook: door het gebruik van machines kan er meer en goedkoper geproduceerd worden dan door de concurrentie. Met andere woorden: de opbrengsten nemen toe. Een tweede is de inzet van beter geschoolde werknemers. Beter geschoolde werknemers produceren beter en kunnen ook de vaak ingewikkelde machines bedienen. Ook dat leidt weer tot hogere opbrengsten.
Toen Karl Marx en Friedrich Engels ruim 150 jaar geleden de toenmalige kapitalistische economie analyseerden, beschreven zij ook de hierboven genoemde processen. Ze gebruikten andere termen. Spraken niet over werknemers, maar over arbeidersklasse. Niet over werkgevers, maar over kapitalistenklasse of bourgeoisie. Het verschil tussen dat wat een arbeider nodig heeft om met zijn gezin van te leven en het door hem geproduceerde, noemden Marx en Engels “meerwaarde”. Die meerwaarde ontdekten zij als de bron van de winst. De toename van de productiviteit zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, noemden zij de groei van de meerwaarde.
De strijd om lonen en werktijden, tussen arbeiders en kapitalisten, noemden Marx en Engels “klassenstrijd”. Die strijd dwingt de ondernemers hun productie steeds te moderniseren om arbeidskosten te besparen. Daarom is klassenstrijd eigenlijk de motor van de economische en maatschappelijke vooruitgang. Maar tegelijk roept vooruitgang zelf weer nieuwe problemen op. Ten eerste daalt door modernisering de winst. Omdat arbeid de bron is van meerwaarde en winst, zorgen arbeidsbesparende machines voor een daling van de winst. Machines zelf leveren geen meerwaarde. En dus ook geen winst. Ze maken alleen de werknemer productiever. Een tweede probleem is dat door machines overbodige werknemers geen loon of salaris meer ontvangen en dus de geproduceerde goederen niet meer kunnen kopen. Dankzij machines wordt er veel meer geproduceerd, maar minder geconsumeerd: Overproductie en onderconsumptie. Dalende winsten, overproductie, te weinig consumptie, verminderde economische groei, allemaal oorzaken en symptomen van de steeds weer terugkerende crises en recessies in de kapitalistische economie.
Globalisering.
Oplossingen werden en worden gezocht door kapitaal buiten de grenzen te investeren, op zoek naar grondstoffen, arbeidskrachten en nieuwe afzetmarkten. Deze eerste globalisering van de kapitalistische economie aan het eind van de negentiende eeuw leidde tot spanningen en tegenstellingen vergelijkbaar met die van de huidige globalisering. Toen die globalisering, zich manifesterend in kolonialisme en imperialisme, geen duurzame oplossing bood voor de problemen van de kapitalistische economie, bleef de alles verwoestende oorlog tussen concurrerende kapitalistische landen een laatste redmiddel: in de loop van de vorige eeuw alleen al twee wereldoorlogen. Plus koloniale en onafhankelijkheidsoorlogen in gebieden buiten Europa en Amerika.
Krediet.
Door de onvermijdelijk voortdurende dalende winsten blijft er onvoldoende kapitaal over om opnieuw te investeren. Als reactie daarop wordt in de kapitalistische economie het moderne kredietsysteem op steeds grotere schaal toegepast. In feite is dat niets anders dan investeren van kapitaal dat nog niet in de productie is verdiend, er wordt een voorschot genomen op toekomstige productie.
Dat daar op de langere duur grenzen aan zijn, kan ieder mens met een gezond verstand begrijpen. De tegenwoordige ‘kredietcrisis’ is daarvan een illustratie.
China.
Bankiers en financiers zijn er lang in geslaagd de fundamentele tegenstelling tussen groeiend aanbod en stagnerende vraag (overproductie en onderconsumptie!) te overbruggen. Dat houdt onder meer verband met de enorme economische groei in China in de afgelopen jaren. Tegen zeer lage lonen worden in China veel consumptiegoederen geproduceerd. Maar juist door de lage lonen zijn de Chinese arbeiders niet in staat die goederen ook zelf te kopen. Dus wordt een groot deel van die productie uitgevoerd, naar Amerika, maar ook naar Europa en andere landen in de wereld. Die invoer in Amerika en andere landen wordt aan China betaald in dollars. China en de rest van de wereld beschikken dus over een enorme hoeveelheid dollars die voor een groot deel weer worden uitgeleend aan de Amerikaanse regering en aan Amerikaanse banken en bedrijven. Met die dollars wordt de Amerikaanse staatsschuld (en de Amerikaanse oorlogsvoering!) gefinancierd. Een staatsschuld van duizenden miljarden dollars. Via banken en financiers werd de Amerikaanse bevolking in staat gesteld op grote schaal op krediet te consumeren, ondanks de ook in Amerika dalende inkomens van de werkende bevolking. Het is duidelijk dat Amerika nooit werkelijk in staat zal zijn die enorme schulden af te lossen. Er komt een moment dat de kunstmatige koers van de dollar instort, met een diepe economische crisis op wereldschaal als resultaat.
Dollar ‘wereldmunt’.
Dit proces kon lange tijd doorgaan doordat de dollar sinds de tweede wereldoorlog als ‘wereldmunt’ gehanteerd wordt. Bijna alle betalingen tussen landen worden gedaan in dollars, met als bekendste voorbeeld de betalingen voor olieleveranties. Door de status van de dollar als ‘wereldmunt’ blijft de koers van de dollar kunstmatig op peil. Dit alles wordt nog verergerd door het feit dat banken en financiers niet alleen in Amerika maar over de hele wereld ertoe over zijn gegaan nieuwe financieringen op te zetten met bestaande schuldpapieren, onder andere met hypotheken. Nog slechts een klein deel van de huidige kredieten wordt dus gedekt door werkelijke productie in het heden en de nabije toekomst. Bron van financiering kunnen naast bedrijfswinsten eigenlijk alleen spaargelden zijn, naast pensioengelden als uitgestelde loonbetaling of uitgestelde consumptie. Daarnaast mogelijk nog betaalde premies voor verzekeringen en de betaalde lonen en salarissen op de particuliere lopende rekeningen. In werkelijkheid zijn de praktijken van de kredietverstrekkers bijna volledig los geraakt van de maatschappelijke en economische werkelijkheid. De zogenaamde zakenbanken die samenwerken met beleggingsfondsen hebben helemaal geen spaargeld als basis voor hun financieringen, eigenlijk helemaal geen reëel geld. Zij lenen het geld van andere banken en financiers, die dat geld op hun beurt ook weer geleend hebben. Want die andere banken die wel een dergelijke basis moeten aanhouden kunnen volstaan met slechts 8 tot 10 en soms zelfs met maar 4 tot 6 procent dekking met reëel geld. Tegelijkertijd hebben die zelfde kredietverstrekkers door hun financiële en economische macht een onvoorstelbare en niet te controleren invloed op die maatschappelijke en economische werkelijkheid. Dat dit systeem moet vastlopen en in elkaar klappen zien we nu in de huidige economische crisis gebeuren.
Groei.
Ook de kwestie van de ‘economische groei’ hangt hiermee samen. In de aanvang ontwikkelt een kapitalistisch economisch systeem zich razendsnel, met groeicijfers van wel tien procent of meer per jaar. Tot de problemen van overproductie, onderconsumptie, dalende winsten, minder kapitaal beschikbaar om te investeren, zich aandienen en de economische groei begint te stagneren. Als reactie gaan ondernemers en investeerders op zoek naar nieuwe terreinen om kapitaal (op krediet) winstgevend te maken. Dat is de achtergrond van het neoliberale beleid om nieuwe gebieden onder de werking van de markt te brengen en ook publieke diensten meer en meer te privatiseren of te verzelfstandigen: energie, openbaar vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, post.
Er zit ook nog een tweede kant aan dat kredietsysteem. Door de overproductie en de dreigende onderconsumptie is er bij de consumenten met hun relatief (en vaak ook absoluut) dalende inkomens onvoldoende mogelijkheid de door de werknemers geproduceerde goederen aan te schaffen. Als oplossing worden die consumenten ertoe verleid en verplicht om veel op krediet te kopen: huizen, auto’s, huishoudelijke apparatuur enz. Ook dat is een onderdeel van de ‘kredietcrisis’. Beide kanten van die crisis manifesteren zich op dit moment het sterkst in Amerika, maar ook Groot-Brittannië en Europa ontkomen er niet aan. Ook China en andere goedkoop producerende landen ondervinden er de gevolgen van. De stagnerende export heeft in China al sluiting van bedrijven en groeiende werkeloosheid veroorzaakt. Verhoging van de lonen om zo de consumptie te stimuleren is onmogelijk, want dat leidt ook in het kapitalistische China tot vermindering van de meerwaarde en tot daling van de winsten. Zo is de cirkel rond en stort de kapitalistische economie de wereld in een economische crisis vergelijkbaar met de depressie in de jaren dertig van de vorige eeuw.
Het “reserveleger”.
Als in de kapitalistische economie de werkeloosheid groeit, leidt dat vaak tot vreugde bij de investeerders en tot stijging van koersen op de beurzen. Dat lijkt merkwaardig, maar dat is het niet. Toenemende werkeloosheid leidt immers tot veel aanbod van en een verminderde vraag naar arbeidskrachten. De prijs daalt. Lonen dalen, of stijgen in ieder geval niet. Dat leidt zoals gezegd direct weer tot een nieuw probleem: lagere lonen betekenen verminderde consumptie. Allereerst vooral bij bedrijven die produceren voor de binnenlandse markt of zich bezig houden met de distributie en verkoop van goederen. Een ondernemer betaalt zijn personeel graag weinig loon, maar hoopt dat zijn concurrenten hoge lonen moeten betalen. En hoopt ook dat die hogere lonen aan zijn producten uitgegeven worden. Die steeds weer terugkerende werkeloosheid levert dus een probleem aan de kant van de consumptie. Maar aan de kant van de productie is het onmisbaar: een groot aantal werkelozen drukt het loonpeil. Marx en Engels gebruikten voor deze in de kapitalistische economie onmisbare werkelozen de term “industrieel reserveleger”. Natuurlijk moet dat reserveleger wel beschikbaar zijn voor de productie, vandaar dat er zo veel energie besteed wordt aan scholing, bijscholing, omscholing van mensen zonder werk. Wat weer een nieuwe tegenstrijdigheid oplevert: die mensen produceren niet, maar kosten wel geld. Dat moet betaald worden uit belastinggeld, maar ondernemers betalen niet graag belasting, want dat gaat ten koste van de winsten en van het voor investeringen benodigde kapitaal. Ondernemers doen voortdurend een beroep op de overheid (in de kredietcrisis gaat het om honderden miljarden!), maar willen (en vooral: kunnen) aan dat overheidswerk niet mee betalen. Zij hebben behoefte aan goed geschoolde werknemers, maar willen en kunnen geen geld aan onderwijs en scholing besteden of er belasting voor betalen.
Werkende vrouwen.
Interessant aan de kwestie van het reserveleger is ook de positie van vrouwen. Als mannen en vrouwen met kinderen beide werken neemt de omvang van het reserveleger toe en daarmee de neerwaartse druk op de lonen. Tegelijk nemen de gezinsinkomens toe wat weer gunstig is voor de groei van de consumptie. Natuurlijk moeten die vrouwen ook geschoold zijn en moeten er voorzieningen zijn voor kinderopvang. Zaken die geld kosten, geld dat niet geconsumeerd of als kapitaal geïnvesteerd kan worden. De druk op vrouwen om te werken heeft dus weinig van doen met emancipatie, maar is een noodzakelijke druk vanuit de kapitalistische economie. En heeft al helemaal niets te maken met pleidooien voor ‘meer vrouwen in de top’. Alsof het werkende mensen iets zou interesseren of hun baas een man is of een vrouw. Een simpel uitgangspunt zou moeten zijn dat in een gezin met kinderen één van de partners het gezinsinkomen moet kunnen verdienen. En dan maakt het verder niets uit of dat de man of de vrouw is. Maar dat simpele uitgangspunt botst met de wetten van de kapitalistische economie. Ook de roep om langer doorwerken en verhoging van de pensioenleeftijd moet vanuit het perspectief van het reserveleger begrepen worden.
Conclusie.
Al met al kan geconcludeerd worden dat de marxistische analyse van de kapitalistische economie ondanks alle veranderingen nog steeds nuttig en bruikbaar is.
Dat was 150 jaar geleden ook de kracht van het werk van Marx en Engels: een analyse van de toenmalige economie en de daaraan gekoppelde maatschappelijke verhoudingen. Over de uitweg uit de kapitalistische tegenstrijdigheden, socialisme, hebben zij wel iets geschreven, maar alleen in zeer algemene termen. Onze visie kan samengevat worden in de woorden “alleen het socialisme biedt een toekomst”. Maar over de precieze inhoud van dat socialisme kan niet veel gezegd worden, ook wij ontwerpen geen blauwdruk. Maar de weg er naar toe eist veel inzet en elan van mensen die zich socialist durven en willen noemen. En zonder intensieve, georganiseerde contacten met gewone werkende mensen loopt die weg dood.
|
|
|
|
|
|
De inhoud van reacties vallen niet onder verantwoordelijkheid van de Grenzeloos-redactie. Bijdrages van lezers met een sexistische of discriminerende inhoud
worden van de Grenzeloos site verwijderd. De schrijver (indien bereikbaar) van de reactie krijgt bericht van de
verwijdering.
|
|
|
|