
|
Eens stroomde de rivier waar de ander naar kijkt als hij ‘s avonds op zijn akker werkt aan de andere van de wereld. Zijn opa en oma, vader en moeder, zijn tantes en ooms, hadden in de jaren dertig een akker in het bos aangelegd. Op de akkers groeiden groente en bonen, boven de akkers bloeiden na een paar jaar de koffiebomen. Eén keer per jaar verkocht je de koffie in de stad. In de stad kocht je messen, spijkers, hamers, medailles van de maagd Maria, textiel uit Medellin, soms ook een pistool. In het bos jaagde je op zwijnen. Als zijn opa naar de markt ging, dronk hij altijd een kop koffie in hetzelfde café. Een oude man met een zijden strop das las daar altijd de krant voor. ‘Een goede krant, een liberale krant’, zei mijn vader dan altijd. Op een dag was het café gesloten. Ik stelde mijn opa voor om in het café aan de overkant iets te drinken, het was een normaal café, daar bedienden ze ook zwarten, maar mijn vader werd boos. Dat café was een conservatief café, zei hij kwaad, daar ging je niet heen als je aanhanger was van de liberalen. We gingen dus direct naar huis. Ik ving dat jaar mijn eerste zwijn, begon me voor meisjes te interesseren. Het was niet gemakkelijk om met een meisje te vrijen, de ouders hielden hun dochters goed in de gaten. Maar jongens, daar kon je wel mee vrijen. Vrijen met een vrouw vind ik leuker, maar met een man is het ook niet slecht. Toen ik met de leider van de liberalen in de stad naar de provinciehoofdstad ging, heb ik ook veel met die man gevreeën. Het hoorde een beetje bij mijn werk, net zoals ik zijn schoenen poetste ging ik met hem naar bed, omdat zijn vrouw bij de kinderen moest blijven. Ik leerde wat het betekende om liberaal te zijn en wat het betekende om conservatief te zijn, dat het partijen waren die streden om de macht in de staat. Daarvoor wist ik helemaal niet wat dat was, de staat. Kinderen hier hebben het gemakkelijker om te begrijpen wat de staat is. Hier zien kinderen brandweer- en vuilnisauto’s door de straat rijden, maar bij ons in het dorp zag je de staat niet. Toen de burgeroorlog begon wilde een conservatieve grootgrondbezitter ons van onze grond verdrijven. Onze liberale vrienden kwamen toen met een groep gewapende mannen ons helpen. Jaren later werd het geweld toch te erg, zijn we naar de stad gegaan. We hadden het niet slecht in Medellin. We hadden een televisie en een ijskast. Ik herinner me dat mijn vader de televisie in een doos naar ons huis bracht en dat ik samen met mijn zusje de hele avond naar de doos heb zitten kijken. Er stond een blonde dame op die doos, ik wilde niets liever dan die dame zijn. In de stad kon je over alles meepraten, ik volgde de de oorlog in Vietnam. Colombia is een democratie, je hebt er vrijheid van meninsguiting. Je zit met de ander op een bankje en kijkt naar de ondergaande zon over de rivier. Ik kruip tegen zijn grote lijf aan. Ik ruik het zweet van zijn oksels, de vieux die hij drinkt. Ik vermoed dat hij nog steeds een hij is. Er was ooit sprake van een reis naar Nederland om een geslachtsoperatie te ondergaan, maar daar is ook de klad in gekomen. Verliefd geworden op een stukje grond bij een rivier. Ik weet niet of hij een hij is, ik weet niet of ik deze omhelzing seks moet noemen. Maar het is aangenaam, ik heb zin in het leven. Ik pak bij het viaduct de goederentrein terug. In de goederentrein zit je in het donker, je leest geen gratis kranten, het geluid van de trein als hij over een brug reist, is overweldigend. Bij het emplacement vlak bij mijn huis stap ik uit. De volgende dag ontvang ik een pakketje van de kabelmaatschappij. Zevenennegentig zenders heb ik nu. Ik kan nu meepraten, Palestina, homo’s in Iran, het ding van Depla, vrijheid van meningsguiting. Ik maak de doos niet open en blijf een uur voor die doos zitten kijken. Er staat een blonde jongen op die doos. Ik loop terug naar het emplacement. Er staat een container op een trein. Letters. Maersk. Contains various commodities. Even later ben ik één van die commodities. Of ben ik er nog nooit zo weinig ééntje geweest. |