|
Al voor zijn ziekte was het duidelijk dat Fidel Castro niet meer het gehoor had van vroeger, dat hij minder aanzien genoot. Zijn politieke verhaal is los komen te staan van de dagelijkse problemen van de meerderheid van de Cubanen. Om de crisis - die het gevolg was van het wegvallen van de steun van de Sovjet Unie - het hoofd te bieden heeft Castro economische hervormingen doorgevoerd, die geleid hebben tot zeer sterke ongelijkheid onder de Cubanen. In Europa wordt de ernst van de sociale crisis op het eiland vaak onderschat. Sinds de Amerikaanse dollar in 1993 de tweede muntsoort werd is de vroegere salarisstructuur die gekenmerkt werd door geringe inkomensverschillen, verdwenen. Het systeem van twee munten (tegenwoordig de CUC - Cuban Convertible Peso - en de peso) is nadelig voor de Cubanen die in de publieke sector werken en uitbetaald worden in peso’s. Er is een grote kloof tussen de mensen die door overmakingen van familie in het buitenland of omdat ze werkzaam zijn in de toeristenindustrie over dollars beschikken en de rest van de bevolking. Door gebrek aan investeringen is het openbaar vervoer enorm achteruitgegaan. Er is grote woningnood en de staat van de woningen is erbarmelijk. Levensmiddelen zijn duur en het maandelijkse distributieboekje voor eerste levensbehoeften is slechts voldoende voor tien of twaalf dagen. De infrastructuur, waaronder de drinkwatervoorziening, is in een slechte staat en soms is er uren geen elektriciteit. Het systeem van gezondheidszorg - dat op een zeer hoog niveau stond – is aangetast omdat heel veel artsen tegenwoordig in het buitenland werken. Vooral de armste groepen in de maatschappij - die tot aan het uitbreken van de crisis het meest geprofiteerd hebben van de revolutie - hebben het nu heel zwaar. De sociale gelijkheid is vergooid en daarmee de waarden en de ethiek van de revolutie. De culturele en politieke kloof tussen de generatie van de revolutie en de meerderheid van de bevolking die na 1959 werd geboren is toegenomen. De jongeren hebben de dictatuur van Batista niet meegemaakt en kennen alleen de huidige crisis. De sociale verworvenheden – gratis scholing en gezondheidszorg en volledige werkgelegenheid - die voortdurend door Fidel worden aangehaald spreken hun minder tot de verbeelding. ProblemenVoor de opvolgers van Fidel Castro zijn de problemen van verschillende orde. In de eerste plaats moet de levensstandaard verhoogd worden. Welke economische hervormingen moeten er doorgevoerd worden? Tegen welke sociale prijs? Er moet vervolgens op middenlange termijn een nieuwe institutionele legaliteit komen, gebaseerd op een werkelijke deelname van de bevolking aan het besluitvormingsproces. Het is niet een mogelijkheid om, nu Fidel Castro van het toneel is verdwenen, het bestaande politieke systeem door te laten draaien. Al deze economische en politieke veranderingen moeten doorgevoerd worden onder de dreiging van inmenging door de regering Bush. Raúl Castro neemt de leiding van het land over in een paradoxale situatie. Er is sprake van een zekere opleving van de economie. Cuba is een belangrijke exporteur van nikkel en de nikkelprijs is op dit moment hoog. De toeristenindustrie blijft groeien. Er is een voordelige (ruil)handel met Venezuela en China. Maar de 75 procent van de bevolking die in de staatssector werkt en degenen die afhankelijk zijn van een zeer karig pensioen profiteren daar niet van. Aan de andere kant bestaat er een groep ‘nieuwe rijken’, zoals ze in de officiële terminologie worden omschreven: mensen die hebben geprofiteerd van de liberaliseringsmaatregelen van de jaren negentig: kleine ambachtslieden en privé-ondernemers, bijvoorbeeld eigenaars van kleine restaurantjes en boeren die hun producten voor hoge prijzen verkopen. Latijns Amerikaanse integratieHoe kan dit kleine land zich ontwikkelen en zijn onafhankelijkheid ten aanzien van de VS behouden? Cuba gokt op een proces van Latijns Amerikaanse integratie. Vooral met Venezuela en Bolivia ontwikkelt het hechte banden door middel van het zogenoemde ‘Bolivariaanse alternatief’. Maar er is meer. Het laatste publieke optreden van Fidel Castro in het buitenland vond plaats in Buenos Aires bij de dertigste top van de zuid Amerikaanse gemeenschappelijke markt Mercosur. Fidel was daar samen met de presidenten van de vijf lidstaten van de Mercosur: Argentinië, Brazilië, Uruguay, Panama en Venezuela, dat onlangs ook lid is geworden. Ook de presidenten van Chili en Bolivia, landen met een associatie-verdrag met de Mercosur, waren aanwezig. Op die bijeenkomst werd door de Cubaanse leider een economisch samenwerkingsverdrag met Mercosur getekend dat in Havanna als een van de belangrijkste verdragen van de afgelopen decennia wordt beschouwd. In het proces van eenwording van Latijns Amerika speelt de Venezuelaanse bondgenoot Hugo Chávez een centrale rol. Op zich is het verstandig om de ontwikkeling van Cuba te zien als een onderdeel van de opbouw van Latijns Amerika. De regionale ontwikkeling van de energiesector is daarbij van het grootste belang. Venezuela en Bolivia bezitten samen 65 procent van de bekende olie- en gasvoorraden in Latijns Amerika. Het in 2005 ondertekende Petrocaribe akkoord voorziet Cuba op gunstige voorwaarden van Venezuelaanse olie. Maar is het verstandig alle kaarten op Venezuela te zetten? Daarmee wordt Cuba wel erg afhankelijk van de toekomst van Hugo Chávez. Hetzelfde geldt voor één van de andere peilers van de Cubaanse economie: de samenwerking met China. De samenwerking met dit Aziatische land op het vlak van de biotechnologie en de samenwerking tussen Chinese en Cubaanse onderzoeksinstituten lijkt veelbelovend, maar de relatie tussen Cuba en China is altijd aan grote schommelingen onderhevig geweest. De partijEen andere belangrijke uitdaging is hoe de revolutionaire legitimiteit die belichaamd werd door Fidel Castro vervangen kan worden door een nieuwe legaliteit zonder dat de verworvenheden van de revolutie ontmanteld worden. Raúl Castro omschreef de communistische partij van Cuba (PCC) als ‘de enige waardige erfenis van Fidel, (...) de georganiseerde revolutionaire voorhoede die voor alle tijden de garantie vormt voor de eenheid van de Cubanen.’ Maar de PCC heeft de afgelopen tien jaar geen enkel congres gehouden. Het dagblad Granma, orgaan van het Centraal Comité van de partij, doet zelden verslag van de bijeenkomsten en de beslissingen van de partijleiding. De PCC functioneert als administratief raderwerk en aandrijfriem van de staatsbureaucratie, maar is geen organisatie die het maatschappelijk debat organiseert. Sinds de ineenstorting van de USSR is de PCC een partij zonder een echte ideologische samenhang. Alle draden kwamen samen bij Fidel Castro, die feitelijk buiten alle instellingen - inclusief die van de PCC - om regeerde. Zal het vacuüm dat door het wegvallen van Fidel is ontstaan, gevuld kunnen worden door een nieuw collectief leiderschap van de PCC? Het legerNaast de partij is het gedisciplineerde leger de belangrijkste institutionele peiler van het bewind. Raúl Castro was van 1959 tot februari van dit jaar minister van defensie en is nog steeds de hoogste generaal van het land. Veel politieke analyses speculeren over de rol die het leger gaat spelen. Het 50.000 manschappen tellende leger is hoe dan ook een belangrijke economische macht. Het heeft geïnvesteerd in het toerisme, de landbouw, de industrie en de telecommunicatie en controleert twee derde van de economie. Door sommige waarnemers wordt het leger al gezien als ‘één van de pioniers van het Cubaanse kapitalisme’. Onder leiding van Raúl Castro is het leger eind jaren tachtig, begin jaren negentig, begonnen met een proces van ‘verbetering van de staatsbedrijven’ met de bedoeling de arbeidsproductiviteit te verhogen. Deze aanpak werd doorgevoerd in de bedrijven die door het leger werden gecontroleerd. Daarbij werd gebroken met de politiek van volledige werkgelegenheid. Dankzij de discipline die inherent is aan het leger leidde deze aanpak tot resultaten. Maar het algemeen toepassen van die aanpak zou gevaarlijke sociale consequenties hebben en bij verschillende vakbondsleiders stuitten ze op verzet. Deze hervormingen lijken nu afgeblazen te zijn. Nieuwe institutiesIn 2002 heeft Fidel de grondwet aan laten passen en er een passage in laten opnemen over het ‘onomkeerbare karakter van het socialisme’. Toch voelde hij zich genoodzaakt om drie jaar later op te roepen tot waakzaamheid om te voorkomen dat het systeem in elkaar zou storten. De nu gevolgde weg van vervanging van Fidel door Raúl is op langere termijn geen oplossing. Op termijn moeten er nieuwe instituties ontstaan. Dat is geen gemakkelijke taak want er moeten zowel een nieuwe economische politiek als een alternatief democratisch project gevonden worden. En dat met behoud van de verworvenheden van de revolutie. De charismatische en paternalistische relatie van de leider met het volk zal vervangen moeten worden door nieuwe politieke organen en processen. En dan is er nog de vraag hoe de Cubaanse emigranten in Florida op dit alles gaan reageren. Cuba gaat roerige tijden tegemoet. Dit artikel is een sterk ingekorte en bewerkte versie van een analyse van de Franse Cuba specialiste Janet Habel die in september 2006 gepubliceerd werd onder de titel ‘Het castrisme na Fidel’. Bij de bewerking is ook gebruik gemaakt van recentere artikelen van- en interviews met Habel. Vertaling en bewerking: Willem Bos. |