
|
De plaatselijke politie-korpsen hielden die informatie eigenlijk liever voor zichzelf. En overal en nergens bleken in het staatsapparaat zelf mensen te zitten die geen behoefte hadden aan een centraal registratiesysteem voor homoseksuelen. In 1954 kreeg het bureau een nieuwe naam - het ‘Centraal Bureau voor de Homofilie’ - en een nieuwe chef, Hein Heerema. Heerema verbeterde aan de ene kant de relatie met de plaatselijke politie-korpsen -ze mochten gewoon zelf blijven registreren- en legde tegelijkertijd contacten met het kleine groepje progressieve geestelijken en voormalige revolutionair socialisten die zich eind jaren vijftig het lot van de ‘homofiele’ medemens aantrokken. Heerema moest dus veel reizen. Van zijn eigen geld onderhield hij een auto met chauffeur. Als de protestant Heerema in het katholieke Brabant en Limburg onderweg was, zorgde hij er altijd voor dat zijn auto begeleid werd door een marechaussee op een motor. ‘De Rijkshomofiel‘ zoals Heerema soms lachend genoemd werd, was een geliefde verschijning en als hij bij ons in de buurt was, mocht ik meerijden. Ik zat dan glunderend naast hem. Is er iets heerlijker dan de overheid? De doelstelling van het Centraal Bureau voor de Homofilie hing ondertussen nog steeds in de lucht. In Den Haag ging het gerucht dat de katholieke minister van Maatschappelijk Werk Marga Klompé - die volgens het gerucht vond dat Nederland misschien een vrijere houding ten aanzien van homoseksualiteit moest aannemen - en haar even katholieke collega van Binnenlandse Zaken Struyken - die vond dat het misschien toch maar het veiligst was om het beleid niet te veranderen - bij een bespreking over de toekomst van C.B.H drie kwartier zwijgend en zuchtend tegenover elkaar hadden gezeten. Mijn vader hield zich ondertussen met onderzoek bezig. Daar doe je niemand kwaad mee en het geeft je als ambtenaar bovendien de gelegenheid om je als intelligent en energiek te profileren. Eerst deed mijn vader onderzoek naar de mogelijkheid van het opzetten van ‘Dorpssteunpunten voor de homofilie’. In elk dorp en elke buurt zou iemand moeten wonen die brochures en boeken over homofilie in huis zou hebben. Boven die ‘Dorpssteunpunten voor de homofilie’ zou op provinciaal niveau nog een zogenaamde ‘Rijksconsulent voor de homofilie’ aangesteld moeten worden. Bij een poging hem te polsen voor de functie van Rijksconsulent voor de homofilie in de provincies Gelderland en Overijssel (RCHP G&O) ontmoette mijn vader Kees Vissers. Vissers wees mijn vader op het bestaan van zogenaamde ‘buurthomo’s’, een verschijnsel waarnaar hij in de Jordaan onderzoek had gedaan. Sommige Jordaanse jongens die nadat ze met hun meisje waren gaan dansen en daarna waren gaan zoenen, werden daar opgewonden van. Zo opgewonden dat ze zich in een portiek vervolgens graag lieten afzuigen door homoseksuele mannen in de buurt. Die mannen noemde Vissers ‘buurthomo’s’. Renske Doodkorte, een jong veelbelovend SP raadslid uit het hoge noorden, maakt zich zorgen over de vernielingen die jongens aanrichten nadat ze op zaterdagavond uit zijn geweest. ‘Het zijn altijd jongens die er niet in geslaagd een meisje te versieren op bijvoorbeeld een schuimparty. Tja, die jongens zijn dan hartstikke opgewonden en die kunnen dat dan nergens kwijt en worden dan agressief. Daarom vertellen wij in de buurten tegen de mensen in de buurten dat de overheid moet zorgen dat de buurthomo terugkomt in de buurten.’ Tijdens een politieke café verklaart een hoogbejaarde Kees Vissers, CDA lid en inmiddels gepensioneerd hoogleraar stadssociologie, (de plaatselijke SP heeft er voor gezorgd niet alleen de linkse usual suspects uit te nodigen): ‘Buurthomo’s spelen een belangrijke rol bij het behoud van de sociale cohesie in de buurten’. Reinier Schipperweert, gemeenteraadslid in een middelgrote gemeente in Limburg waar de SP sinds kort meeregeert twijfelt: ‘Tijdens een buurtenquette hebben we ontdekt dat mensen zich ergeren aan vlekken op de stoep. En wie geeft ons de garantie dat zo’n buurthomo altijd alles doorslikt. Ik vind dat wij de mensen in de buurten de zekerheid moeten kunnen bieden dat er geen nieuwe vlekken op de stoep komen. Bij ons in de gemeente hebben we er voor gezorgd dat als er voor hangjongeren een jongerenontmoetingsplek (JOP) wordt ingericht, ze tegelijkertijd een convenant ondertekenen waarin ze aangeven dat ze elkaar alleen nog maar op de jongerenontmoetingsplek tegenkomen. Mischien moeten we ook wel een jongensafzuigplek (JAP) inrichten en de buurtjongens dan ook een convenant laten ondertekenen dat ze zich alleen op de JAP door de buurthomo laten afzuigen. De buurthomo moet er dan samen met de buurtregisseur en de stadsmarinier op toezien dat die jongens zich daar aan houden.’ Ik leun zachtjes achterover in mij stoel. Is er iets heerlijker dan de overheid? |