|
Na het repressieve bewind van Koning Hassan II, waarin dissidente geluiden met harde hand werden gesmoord, lijkt het regime van zijn zoon Mohammed IV liberaler en milder te zijn. ‘Op het eerste gezicht wel’, zegt El Manouzi, ‘en aan dat imago heeft hij dan ook hard gewerkt. Zijn vader stond tegenover een sterke oppositie en heeft hard en zichtbaar moeten optreden. Mohammed heeft het slimmer aangepakt en de oppositie aan zich weten te binden door kleine hervormingen. Zo heeft hij de vrouwenbeweging ingepakt door hun positie op minieme punten iets te verbeteren. Bijvoorbeeld door enkele beperkingen aan de polygamie op te leggen, zonder deze echt af te schaffen. Ook kan een vrouw nu zonder toestemming van haar echtgenoot een arbeidscontract afsluiten. Zo heeft hij de vrouwenbeweging een been toegeworpen, zonder de conservatieven voor het hoofd te stoten. Van een daadwerkelijke verbetering van de positie van de vrouw is geen sprake. Ook heeft hij zich willen presenteren als ‘de koning van de armen’ door hier en daar wat werkgelegenheidsprojecten te starten en dat breed uit te laten meten in de media. Het buitenland valt misschien voor de charmes van Mohammed IV, de armen in Marokko niet. Die weten beter.’ Marokko voert als een keurige schooljongen de neoliberale politiek van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) uit, die in ruil voor steun verregaande economische hervormingen eist. El Manouzi: ‘Dit heeft overal in de Derde Wereld, en dus ook in Marokko, geleid tot privatisering van onderwijs, zorg, watervoorziening en bovenal lagere lonen, het opdrijven van productie en uitbuiting in de bedrijven.’ ‘Het werkloosheidscijfer in Marokko is ongeveer twintig procent’, vervolgt El Manouzi. ‘Niet alleen werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt hebben moeite werk te vinden, ook hoger opgeleiden komen niet aan de slag. Er wordt veel gewerkt met tijdelijke contracten en het kan zomaar gebeuren dat mensen van de ene op de andere dag op straat komen te staan of gewoon niet betaald krijgen. Wie protesteert is zijn baan kwijt. Sinds kort krijgen ook de werknemers in de publieke sector, met name in het hoger onderwijs, met flexcontracten te maken.’ Van de vakbeweging hoeven mensen niet veel te verwachten, weet El Manouzi. De twee grote vakbonden volgen vrijwel zonder morren de lijn van de monarchie. ‘Binnen de gelederen heersen corruptie en vriendjespolitiek. De Union Marocain de Travail (UMT) staat bekend als erg bureaucratisch en rigide. De voorzitter is al in functie sinds 1955. Hij moet wel de oudste vakbondsvoorzitter ter wereld zijn – dik in de tachtig en nooit vervangen. De UMT is vergeven van de baantjesjagers. Fondsen verdwijnen in de zakken van de leiders.’ De Conféderation Démocratique de Travail (CDT), een afsplitsing van de UMT is weliswaar relatief strijdvaardig op de werkvloer, maar laat in de richting van de overheid haar tanden niet zien. ‘Ook het CDT heeft de privatiseringen zonder mopperen laten gebeuren. Ook toen arbeidsovereenkomsten werden opengebroken en veel rechten werden afgeschaft, bleef de CDT stil.’ Ondanks dat het regime van de vakbonden niets te duchten heeft, is er een wetsvoorstel in de maak dat stakingen verbiedt en de vakbeweging nog meer aan banden legt dan al het geval is. Uit het parlement komt geen enkel tegengeluid, meent El Manouzi: ‘Marokko heeft in feite twee regeringen. De façade regering en de echte. De façade zijn het parlement en de gemeenteraden, die geen enkele reële macht hebben. Iedere wet moet namelijk goedgekeurd worden door de ministerraad, die voorgezeten wordt door de koning. De ministers zijn door hem persoonlijk benoemd en hij kan ze naar believen ontslaan. Ook kan hij het parlement ontbinden wanneer hij dat maar nodig vindt. Niets in Marokko gebeurt zonder goedkeuring van Mohammed IV. Voor de goede sier bestaan er instituten als de Raad voor de Mensenrechten en het Koninklijk instituut voor de Amazigh, de Berbers. Dat zijn instituten die een zogenaamde ‘adviserende functie’ hebben maar naar wie nooit geluisterd wordt. De directies van die instituten alsmede de parlementariërs hebben er alle belang bij om hun baantjes te houden, en doen hun mond dus nooit open om te protesteren.’ Als de politiek en de vakbeweging het laten afweten, wie staat er dan op en zegt: ‘genoeg’? ‘Het volk. De arbeiders, de werklozen en de studenten. Steeds vaker gaan mensen spontaan de straat op. De angst voor repressie is afgenomen en mensen vechten tegen de onderdrukking. Overal waar problemen zijn, op het gebied van gezondheidszorg of werkgelegenheid zijn er demonstraties. Hele steden lopen dan uit. Die demonstraties worden vaak door de politie uit elkaar geslagen en demonstranten worden gearresteerd. Maar de mensen gaan door.’ Hebben die demonstraties ook effect? ‘Ja. In Tata bijvoorbeeld, een stad van ongeveer 16.000 inwoners, werd massaal gedemonstreerd tegen een wetswijziging die het einde betekende van gratis gezondheidszorg. Het protest hield dagenlang aan. De wetswijziging is er gekomen, maar de inwoners van Tata kregen een zogenaamd certificat d’indigence, een verklaring van financieel onvermogen, waardoor ze toch nog gratis zorg krijgen.’ Ook het verzet tegen de explosief gestegen kosten voor levensonderhoud bleek succesvol. ‘Het rommelde al een tijdje’, herinnert El Manouzi zich, ‘de druppel die de emmer deed overlopen was de stijging van de broodprijs. Hele steden gingen de straat op. Met name in de stad Sefrou is de opstand met kracht neergeslagen. Mannen een vrouwen werden uit hun huizen gesleurd en meegenomen door de gendarmerie.’ Toch bleek het regime te zijn geschrokken van de koninkrijkbrede uitbarstingen van woede. De broodprijzen bleven wat ze waren en er ging zelfs extra geld naar een subsidiefonds dat is bedoeld om de prijs van levensmiddelen te stabiliseren. El Manouzi: ‘De opstand kwam voor de overheid als een volslagen verrassing. En dat uitgerekend in een klein, ingedut stadje als Sefrou de vlam in de pan heeft kunnen slaan, heeft het regime wel degelijk angst aangejaagd.’ Marokko zal het moeten hebben van de grassroots beweging, weet El Manouzi. ‘Het verzet is weliswaar ongeorganiseerd en plaatselijk en zet politiek gezien niet echt zoden aan de dijk. Maar het is een begin. In alle gelederen van de samenleving wordt men geconfronteerd met de gevolgen van het afbraakbeleid van de koning. De verontwaardiging van mensen moet worden omgezet in een politieke visie. En uiteindelijk in een samenleving waar gelijkwaardigheid en menselijke waardigheid heersen.’ Christine de Vos werkt als free-lance journalist. |