Crisis in GriekenlandHet wordt al een tijdje aangekondigd: de meeste Europese landen, waaronder België, staan voor enorme besparingsrondes. Het Generatiepact en het Globaal Plan in het kwadraat, wordt wel eens gezegd. In Griekenland zien we al wat dat kan betekenen. We kennen de structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF al lang. Nu worden gelijkwaardige ingrediënten toegepast in een ontwikkeld, Europees land, en niet in de ‘derde wereld’: privatiseren, lonen knippen, sociale uitgaven terugschroeven. Griekenland moet zijn overheidstekort reduceren van 13,6% van het BNP in 2009 tot 3% tegen 2014, via enorme besparingen op de uitgaven en de lonen, via de invoering van hogere pensioenleeftijden, privatiseringen, extra BTW enzovoort. Ambtenaren verliezen het equivalent van twee maandlonen. Tegen 2013 wordt verwacht dat meer dan 100.000 Grieken die in de publieke sector werken hun job zullen verliezen.[i] Vier op vijf ambtenaren worden niet vervangen. Er wordt gestreefd naar lineaire besparingen in alle ministeries van 10% en meer (voornamelijk in lonen). De arbeidsflexibiliteit zal nog toenemen, het wordt gemakkelijker om werknemers te ontslaan. Transport, energie en een aantal andere publieke functies zullen worden geprivatiseerd. De financiële sector wordt ondertussen verder ondersteund met een hulpfonds, met de steun van de EU en het IMF. Eind 2009 lag de officiële Griekse werkloosheid op 10,6%, maar de reële werkloosheid wordt geschat tegen de 20%. Dat cijfer zal de komende periode ongetwijfeld nog fel stijgen. “Van Griekenland wordt geëist dat het land hetzelfde doet als Latijns-Amerika in de jaren 1980,” schrijft Martin Wolf in de Financial Times. “Dat leidde tot een verloren decennium, waarvan buitenlandse kredietverleners de profiteurs waren.”[ii] Structurele oorzaken: Europese integratieGriekenland kampt met hoge begrotingstekorten en een enorme schuldenlast. Reeds voor de crisis zagen de cijfers er niet zo goed uit, maar de economische crisis van 2008 betekende nog een flinke hap in de begroting. Net zoals in veel andere landen kwam de overheid er massaal tussen om de banken te redden. Dat de vorige regering verkeerde begrotingscijfers voorlegde, helpt niet om het zogenaamde ‘vertrouwen’ te herstellen. Dat ze de begrotingen opsmukte met behulp van Goldman Sachs, ook al niet. Via schimmige constructies opgezet met de hulp van de Amerikaanse megabank verkocht de regering de toekomstige inkomsten van de luchthavens en de loterij. Goldman Sachs verdiende hier naar verluidt 300 miljoen dollar mee. De bank ligt momenteel overigens zwaar onder vuur in de VS omdat hij via quasi frauduleuze constructies grote winsten maakte toen de huizenprijzen in mekaar stortten. Het Griekse tekort wordt ook voor een deel toegeschreven aan de politiek van de afgelopen jaren om grote belastingverminderingen toe te kennen aan hogere inkomens en grote bedrijven. Het land is daarenboven berucht voor zijn omvangrijke zwarte economie en voor het feit dat rijke Grieken kampioenen zijn in belastingontduiking. Griekenland heeft ook een relatief omvangrijke publieke sector, en dat is altijd een geliefkoosd mikpunt voor harde neoliberalen. Zij spreken ongegeneerd over een ‘bananenrepubliek’. De rechterzijde in Europa hanteert een dubbel discours. Enerzijds kunnen ze niet anders dan tussenkomen in Griekenland, want het zijn de eigen banken die in gevaar zijn als Griekenland in mekaar zou stuiken (daarover straks meer). Anderzijds klinkt het dat wij niet moeten betalen voor ‘Griekse arbeiders die al op hun 53ste op pensioen gaan’. Vooral het Duitse patronaat hanteert dit soort vergiftigd discours, dat er eigenlijk op neerkomt dat men niet solidair kan zijn met landen die niet ver genoeg zijn gegaan in de neoliberale besparingspolitiek. Een aantal linkse economisten van het netwerk ‘Research on Money and Finance’ (RMF) trachtten dieper te graven in de structurele oorzaken van de crisis van de eurozone, in een belangrijk rapport van maart 2010 met de titel ‘Eurozone Crisis: Beggar Thyself and Thy Neighbour.’ De aanleiding van de huidige problemen, zo stellen ze, is uiteraard de economische crisis van 2007-2009. Maar de reden waarom ze zich eerst voordoen in Griekenland heeft niet zozeer te maken met een aantal kenmerken van de Griekse overheid en de staatsschuld. Die zijn zelf maar het gevolg van een onderliggende structurele realiteit, namelijk de wijze waarop landen uit de Europese periferie (Griekenland, Spanje, Portugal, Italië, Ierland enzovoort: landen met een zwakkere economische structuur, lagere productiviteit enzovoort) geïntegreerd zijn geworden in de eurozone. De Euro werd niet enkel ingevoerd om een Europese eenheidsmarkt mogelijk te maken, maar ook en vooral om de internationale (imperialistische) concurrentie aan te gaan met de VS en de Amerikaanse dollar. De bedoeling was om van de euro een mondiale munt te maken. Om dit mogelijk te maken, moest de euro een sterke en stabiele munt worden. Dat veronderstelt dat een heel stringent neoliberaal fiscaal en monetair beleid zou worden gevoerd, maar ook dat de landen uit de Europese periferie die zouden toetreden tot de euro dat zouden doen aan een relatief hoge wisselkoers. Dat was vooral een Duitse eis. Op die manier wilde men inflatie vermijden, want die zou de concurrentiepositie van de euro ten opzichte van de dollar immers hebben verzwakt. Doordat landen uit de Europese periferie aan hoge wisselkoersen in de Euro stapten, werd hun concurrentiepositie op de euromarkt uiteraard diepgaand aangetast. De realisatie van de Europese eenheidsmarkt had als gevolg dat de concurrentie tussen de lidstaten enkel zou toenemen. Daarenboven heeft de invoering van de euro een bijkomend effect. De euro zorgde ervoor dat eurolanden hun competitiviteit enkel nog zouden kunnen versterken door de lonen te matigen en aan de arbeidsvoorwaarden (flexibiliteit, sociale zekerheid enzovoort) te morrelen, of door ‘de efficiëntie van de overheid’ te verbeteren (lees: te privatiseren, marktmechanismen in te voeren in de openbare sector enzovoort). Men kon niet meer competitiever worden via monetair of fiscaal beleid, want op die terreinen werd Europa bevoegd of legde Europa een keurslijf rond het nationale beleid. De euro zou dan ook een enorme druk zetten op de klassenverhoudingen binnen de lidstaten. Het gevolg kennen we: in heel Europa werd een politiek van loonmatiging gevoerd ‘in naam van de concurrentie’. Het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen daalde in de hele eurozone, maar in de ene lidstaat al meer dan in de andere. Een belangrijke vaststelling die hierbij gemaakt moet worden, zo stellen de onderzoekers van RMF, is dat Duitsland deze ratrace overtuigend heeft gewonnen. Onder meer met dank aan de sociaal-democratische SPD, die met de beruchte Hartz plannen de lonen heel fel onder druk zette. Nergens in Europa werd met zoveel succes een loonmatigingspolitiek gevoerd. Door die loonmatigingen en door zijn omvang werd de Duitse economie overtuigend competitiever dan die van veel andere eurolanden. Tussen 2000 en 2007 daalden de nominale arbeidskosten per eenheid product in Duitsland met 0,2% per jaar, terwijl ze stegen met 2% in Frankrijk, 2,3% in Groot-Brittannië, tussen 3,2 en 3,7% in Italië, Spanje, Ierland en Griekenland, vaak ook als gevolg van inflatie.[iii] Dat betekent hoegenaamd niet dat de Duitse economie ook in het algemeen beter presteerde, integendeel zelfs. De groei bleef er de afgelopen jaren laag, de productiviteitsgroei zwak en de werkloosheid hoog. Het is opmerkelijk dat veel landen uit de Europese periferie het op dat vlak veel beter deden, hoewel hun arbeidskosten en inflatie hoger bleven. De ‘sterkte’ van de Duitse economie hangt bijna volledig af van de export (op basis van hun sterkere concurrentiepositie), en nauwelijks van de binnenlandse vraag. Die situatie verstrekte het al bestaande structurele onevenwichtigheid binnen de eurozone, waarbij Duitsland massaal exporteert (twee derde van de Duitse export blijft binnen de eurozone), en dus een overschot heeft op de handelsbalans. De Duitse export is groter dan de import, waardoor buitenlands geld Duitsland binnenstroomt, dat vervolgens terug naar de periferie vloeit via kapitaalexport (onder de vorm van directe investeringen en bankleningen). Op die manier krijgen we een typische verhouding van afhankelijkheid tussen het Europese centrum en de periferie: door ongelijke handelsverhoudingen stroomt geld van de periferie naar het centrum, waarna het centrum het opgepotte kapitaal kan inzetten om zijn greep op de economieën van de periferie te versterken.[iv] Het moet daarbij opgemerkt worden dat de Duitse positie geen model kan zijn voor andere landen, aangezien ze per definitie niet veralgemeenbaar is. De lonen drukken om de export te verhogen is iets wat onvermijdelijk winnaars en verliezers oplevert. De landen uit de Europese periferie worden op die manier voor een stuk importmarkten voor goederen uit de kernlanden, zonder dat de EU hen een reëel perspectief biedt om hun achterstand op te halen. De zogenaamde structuurfondsen zijn een doekje voor het bloeden als er geen politiek wordt gevoerd om de onderliggende, structureel ongelijke verhoudingen weg te werken. Het gevolg is dat de landen uit de periferie grote tekorten kregen op hun handelsbalans, en ze hun groei voor een stuk realiseerden via toenemende (private en/of publieke) schulden (Griekenland en Portugal) of immobiliënspeculatie (Spanje en Ierland). Tegelijk namen ze hun toevlucht tot frauduleuze technieken om hun statistieken beter voor te stellen dan ze in werkelijkheid waren. Dat soort fenomenen zijn niet meer dan oppervlakteverschijnselen, waarop men zich nu blind staart om de fundamentelere vragen niet te moeten stellen. De huidige problemen zijn dus niet louter het gevolg van de neiging van de Griekse en andere Zuid-Europese regeringen om veel uit te geven, maar van de fundamentele structurele verhoudingen in de Eurozone: “het is verkeerd om de crisis te interpreteren als het resultaat van inefficiënte perifere economieën die niet in staat zijn om te gaan met de efficiënte Duitse economie,” stellen de economisten van RMF. Het is de omvang van de Duitse economie en zijn exportgerichtheid (op basis van sterke loonmatiging) die het Duitsland mogelijk maakten de eurozone te domineren. De conclusie van het rapport is scherp: Duitsland kon zijn buren (de Europese periferie) verarmen precies omdat het zo ver ging in de verarming van zijn eigen werkende klasse: “Monetary union is a ‘beggar-thy-neighbour’ policy for Germany, on condition that it beggars its own workers first.” Europese reactieDat Griekenland van alle perifere landen van de eurozone het eerst getroffen werd, is geen noodzaak. Daarbij speelt speculatie een belangrijke rol. Steeds meer financiële spelers gingen ervan uit dat Griekenland zijn schuld niet langer zou afbetalen, of ze zou herstructureren (wat onvermijdelijk een verlies met zich meebrengt voor de kredietverleners). De interest op overheidsobligaties steeg, en de prijs om de schuld te verzekeren (de zogenaamde Credit Default Swaps) evenzeer. Een land is echter geen bedrijf, een nationaal bankroet is iets anders dan een faillissement van een private onderneming. Een staat heeft een veel grotere ruimte om extra belastingen te heffen, of te knippen in kosten, zodat het veel moeilijker failliet kan gaan. Of dat gebeurt, hangt volledig af van de politieke capaciteit van een staat. Speculatie tegen Griekenland is dus speculatie tegen de politieke capaciteit van het land om zijn financiën op orde te krijgen. Het is niet toevallig dat in de internationale economische pers steeds weer wordt onderstreept dat Griekenland een relatief sterke linkerzijde en strijdbare vakbeweging heeft, in tegenstelling tot pakweg Ierland, waar besparingsplannen de voorbije jaren veel vlotter doorgang konden vinden. Griekenland kende de afgelopen jaren daarentegen een aantal enorme verzetsbewegingen, tegen de hervorming van de universiteiten, rond arbeidsgerelateerde thema’s, tegen politierepressie (denk aan de scherpe protesten toen de politie een jonge anarchist in Athene had neergeschoten in december 2008). Speculanten en beleggers maken ook een politieke inschatting. De absurditeit van het huidige systeem gaat zelfs zo ver dat degenen die speculeren op een Grieks bankroet winst trachten te pakken door te gokken op het succes van stakingen tegen regeringsplannen om een soberheidsbeleid op te leggen. Dat betekent winst maken op basis van sociaal protest, en dat protest tegelijk in een houdgreep nemen. De reactie van de andere eurolanden, zo weten we nu, kwam te laat. De zwakte van de Europese constructie blijkt hier eens te meer, net als hoe diep bepaalde politieke keuzes verankerd zijn in neoliberale dogma’s. De Europese Centrale Bank (ECB) intervenieerde bijvoorbeeld massaal om de banken te redden in 2007-2009. Zij konden met hulp van het geld van de ECB hun balansen schoonmaken, terwijl ze tegelijk zelf minder leningen gaven aan bedrijven, en hierdoor de economische crisis verder versterkten. Tijdens de Griekse crisis blijft de ECB echter afzijdig. Dat is geen toeval: de Europese verdragen verbieden de ECB om publieke schuld op te kopen. Het is het neoliberalisme ten top. De ECB redt de private banken, en staat toe te kijken hoe de banken en speculanten vervolgens de publieke financiën ondermijnen. De toestand is niet minder dan wraakroepend: overheden waren overal tussengekomen om de crisis van het financiële systeem te lijf te gaan, en moesten daarvoor zelf schulden maken, precies op het slechtste moment om nieuwe leningen aan te gaan. Banken waren erg terughoudend om geld te lenen, intrestvoeten gingen de lucht in, met de bekende gevolgen voor de overheidsbegrotingen. De banken waren door de overheden gered, en kunnen vervolgens die overheden zelf droog leggen of nog eens extra uitmelken. Ze kunnen bij de Europese Centrale Bank lenen aan 1 % om vervolgens leningen te verschaffen aan staten aan veel hogere rentevoeten. Maar de slinger zou opnieuw kunnen keren als een land als Griekenland zou ophouden met zijn schulden terug te betalen. Een hele reeks Europese banken zou dan massaal opnieuw in de problemen komen. In 2007-2008, toen de economische crisis al was losgebarsten, bleven banken uit de Europese kernlanden (waaronder België) leningen verstrekken aan landen uit de Europese periferie, tot 1,5 biljoen euro, of drie keer het kapitaal van de banken uit de kern. Vandaar het gevaar van besmetting van de Griekse crisis naar de rest van de eurozone. Frankrijk, Duitsland en de andere kernlanden kunnen het zich niet permitteren dat Griekenland zijn schulden niet langer terugbetaalt, zo niet dreigen ze zelf opnieuw te moeten tussenkomen om hun eigen banken te redden. Ook Belgische banken kochten Griekse staatsobligaties: KBC voor 1,2 miljard euro, BNP Paribas Fortis voor 1,5 miljard euro, verzekeraar Fortis (nu Ageas) voor 4,1 miljard euro.[v] 70% van de Griekse staatsobligaties is in buitenlandse handen, voornamelijk in Europa. Een vierde is vermoedelijk in Franse handen, zo’n 15% zit in Duitsland.[vi] Het is overigens opmerkelijk, zo stipte The Economist aan, dat de lening van 30 miljard euro die de eurolanden aanvankelijk hadden beloofd aan Griekenland ongeveer overeenstemt met wat Europese banken, vooral in Duitsland en Frankrijk, zouden verliezen als Griekenland zou ophouden zijn schuld te betalen. De eurolanden zouden dus tussenkomen om op een indirecte manier hun eigen banken buiten schot te houden. Zo staat het letterlijk in Britse lijfblad van de City: “Regeringen van de eurozone staan dus klaar om geld te lenen aan Griekenland zodat het zijn investeerders uit de eurozone kan terugbetalen, waaronder veel banken die door diezelfde regeringen worden ondersteund. In feite bieden ze aan om zichzelf vrij te kopen.”[vii] De Europese landen gaan nu samen met het IMF 110 miljard euro lenen aan Griekenland. Dat bedrag is groter dan eerst naar voor geschoven werd. Maar dat stelde de financiële markten niet gerust: de hoogte van het bedrag jaagt hen nog meer de vrees aan dat het probleem wel eens nog veel groter zou kunnen zijn dan eerst gedacht. De lening wordt verstrekt aan 5% intrest. De Franse minister van financiën Christine Lagarde berekende al dat dit Frankrijk een winst van 150 miljoen euro per jaar zou kunnen opleveren. Ook Leterme rekent op winst. De banken en kernlanden zouden winst maken op de rug van de Griekse bevolking. Maar dat blijkt intussen wellicht een al te optimistisch scenario, aangezien ‘de markten’ negatief reageren, en de vrees voor besmetting naar andere landen toeneemt. Van bij het begin was duidelijk dat het hulpplan niet zou volstaan, en dat Griekenland verschillende jaren na mekaar serieuze injecties zou nodig hebben. “Griekenland heeft zoveel geld nodig dat het enige wat nog de stopzetting van de afbetaling van de schuld kan verhinderen onbeperkte financiering door het IMF en de rest van de eurozone is,” zo stelde The Economist recent.[viii] De som die Griekenland nu ontving, is voldoende om het land twee jaar onafhankelijk te maken van de financiële markten. Maar daarmee is fundamenteel niets opgelost. Het hulpplan is dan ook vooral een poging om tijd te kopen en te verhinderen dat andere landen meegesleurd worden in de maalstroom. Vooral Portugal en Spanje zijn kwetsbaar, omdat veel van hun schulden ook in buitenlandse handen zijn. Als zij in een gelijkaardige situatie zoals Griekenland verzeild zouden raken, dreigen de grote EU-landen en het IMF hier niet langer tegen opgewassen te zijn. Griekenland, Spanje en Portugal hebben samen 1,2 biljoen euro schuld bij buitenlandse banken, in hoofdzaak Europese (waaronder een vijfde Duitse banken).[ix] Er wordt nu vooral naar Portugal gekeken. De schuld en het overheidstekort vallen er al bij al nog mee in vergelijking met Griekenland, maar Portugal kent een lage economische groei. Opnieuw zien we hetzelfde probleem als hierboven beschreven werd: “de lage groei weerspiegelt een dramatisch verlies aan concurrentiekracht sinds het land de euro invoerde.”[x] Scenario’sDe tussenkomsten van het IMF en de eurolanden vormen uiteraard geen fundamentele oplossing voor het onderliggend probleem. Integendeel, ze maken het probleem van de enorme sociale en regionale ongelijkheden in de eurozone enkel nog groter. Ook dat kennen we al langer : in tal van landen heeft het IMF de structurele problemen en ongelijkheden eerder vergroot dan ze op te lossen. Volgens de economisten van het netwerk ‘Research on Money and Finance’ zijn er grosso modo drie mogelijke scenario’s voor het verdere verloop van de Griekse crisis. De eerste optie is een onverbiddelijk soberheidsbeleid in Griekenland, met loondalingen, besparingen in publieke uitgaven en eventueel belastingverhogingen, aangevuld met meer flexibiliteit, privatiseringen, langer werken enzovoort. Deze optie draagt de voorkeur weg van de heersende elites. Dat deze politiek de recessie nog aanwakkert, de sociale ongelijkheid versterkt, en de ongelijke verhoudingen binnen de Eurozone ongemoeid laat, nemen ze erbij. De tweede optie is de hervorming van de eurozone: een eigen fiscaal beleid van de EU, met fiscale transfers binnen Europa, een Europese investeringsstrategie, een Europees minimumloon, het opgeven van het stabiliteitspact enzovoort. Het risico van zo’n hervormingsstrategie is dat deze de internationale status van de euro dreigt te ondergraven, zeker wanneer de strikte fiscale discipline die vandaag in de EU geldt, wordt opgegeven. Het derde alternatief is dat landen als Griekenland de eurozone verlaten, zodat een devaluatie mogelijk wordt en op die manier competitiviteit herwonnen kan worden. Dat kan op een conservatieve basis, gecombineerd met soberheidsbeleid en liberaliseringen, of op een progressieve basis. In die laatste optie zou gekozen moeten worden voor schuldherstructurering of het stopzetten van de terugbetaling van de schuld, nationalisatie van de banksector, controle op kapitaalsstromen en publieke initiatieven op het vlak van infrastructuur, groene economie enzovoort. Het probleem bij deze optie is de vraag hoe de financiële markten hierop zullen reageren, en vooral of hiervoor de krachtsverhoudingen wel bestaan. ConclusieBij het uitbarsten van de financiële crisis in 2007-2008 was de vrees voor een echte ‘meltdown’ reëel. Toen het grootste gevaar geweken was, kwamen we in een nieuwe fase van de crisis: de strijd rond wie de lasten zal dragen. Zoals altijd werd die last voor een stuk doorgeschoven ‘naar beneden’: naar de wereld van de arbeid en naar de periferie van het systeem. De neoliberale argumenten over de hoge loonlasten en de ontvetting van de staat waren snel terug van nooit weggeweest. Hoe sneller we het vertrouwen van de financiële markten kunnen herstellen, hoe sneller de economie opnieuw kan opveren, zo stelt de Griekse minister van financiën George Papaconstantinou.[xi] Dat is het recept van de voorbije dertig jaar dat niet gewerkt heeft: eerst de banken en beleggers tevreden stellen, en daar volgt de rest wel uit voort: groei en jobs. Dat is een impasse. Sommigen prijzen nu het voorbeeld van Letland, dat in zware problemen kwam door de economische crisis. Het land realiseerde een zogenaamde ‘reële devaluatie’, niet door aanpassingen van de wisselkoers, maar door enorme dalingen van de lonen en de publieke uitgaven, met als neveneffect weliswaar een daling van het BNP van 25% in twee jaar en een werkloosheid van bijna 23 percent in 2009. Als Griekse, Letse en Duitse toestanden ons de nabije toekomst tonen, lijkt er niet veel reden tot optimisme te zijn. Tal van mainstream economisten zijn het erover eens dat de situatie in Europa er voor de komende jaren niet rooskleurig uitziet: lage groei, massawerkloosheid, en enorme besparingsprogramma’s. De zware aanpassingen als gevolg van de crisis dreigen gedragen te moeten worden door de wereld van de arbeid. Dit is het gevolg van de kapitalistische crisis, maar ook van politieke keuzes over hoe Europa er uitziet. Willen we een Europa met de munt van een echte grootmacht? Een Europa dat banken prioriteit geeft boven sociale uitgaven? Een Europa dat steeds diepere structurele ongelijkheden kent, zowel tussen de klassen als tussen een kern-Europa en een periferie? Wat er ook verder gebeurt met de Griekse crisis, meer dan ooit is het Europese project in crisis. De Europese grondwet werd door de bevolking verworpen, de landen van de eurozone waren niet in staat om op een solidaire manier tussen te komen in de crisis, de interne ongelijkheden en tegenstellingen van de Europese constructie vergroten alleen maar. Binnenkort krijgt de Belgische regering (als we er al één zullen hebben) deze hete patat op zijn bord. Vanaf juli is België voorzitter van de EU. Een uitgelezen kans voor de linkerzijde hier om het protest te organiseren, in solidariteit met de Duitse werkende klasse, wiens verlies aan lonen en sociale rechten mee aan de oorsprong ligt van de huidige onevenwichtigheid, en met het sociaal verzet in Griekenland en de andere landen van de periferie die zich verweren tegen draconische besparingsplannen. Het gaat hier niet om een crisis van het overheidsbudget, maar over een echte klassenstrijd rond de vraag wie de last van de zwaarste economische crisis sinds 1929 zal dragen. Het IMF waarschuwde al: de ‘gezondmaking’ van de Europese economie na de crisis zal ‘extreem pijnlijk zijn’. De verdere ontmanteling van de welvaartstaat staat op de agenda. Maar dat zal niet zonder slag of stoot gebeuren. Mathhias Lievens is actief voor de Vlaamse organisatie Socialisme21 en auteur van de boeken Het neoliberale bedrog en Socialisme en democratie in de 21ste eeuw. Dit artikel werd eerder gepubliceerd op: www.socialisme21.be. Voetnoten:[i] Neither a borrower not a lender be, The Economist, 1 mei 2010, p. 67. [ii] A Bail-out for Greece is just the beginning, Martin Wolf, The Financial Times, 5 mei 2010, p. 9. [iii] Fiscal Crisis or crisis of redistribution?, Özlem Onaran, International Viewpoint, http://www.internationalviewpoint.org/spip.php?article1856. Dat betekent dus niet dat er geen loonmatiging was in die laatste landen, integendeel. [iv] Je zou de ongelijke verhouding tussen de Europese kern en de periferie een beetje kunnen vergelijken met die op wereldniveau, waarbij Duitsland de positie van China inneemt als exporteur, en de landen uit de Europese periferie net als de VS hun import betalen via oplopende schulden. Met dit verschil uiteraard dat de omvang en de machtspositie van de VS van een totaal andere orde zijn. [v] Cf. Griekenland, Portugal, en volgende? Zo wordt winst gemaakt op landen, De Wereld Morgen, http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2010/04/30/griekenland-portugal-en-volgende-zo-wordt-winst-gemaakt-op-landen [vi] Still in a Spin, The Economist, 17 april 2010, p. 65. [vii] Still in a Spin, The Economist, 17 april 2010, p. 65. De andere optie is dat men toelaat dat Griekenland de terugbetaling van zijn schulden stopzet, en de Europese banken die daardoor verlies lijden, helpt. Daarvoor zou zo’n goeie 50 miljard euro nodig zijn (The cracks spread and widen, The Economist, 1 mei, p.66). Maar daarmee zijn de overheidstekorten nog niet opgelost, laat staan dat de kans dat andere landen ten prooi vallen aan speculatie daarmee is weggenomen. [viii] The cracks spread and widen, The Economist, 1 mei, p.65. [ix] Still in a Spin, The Economist, 17 april 2010, p. 66. [x] The importance of not being Greece, The Economist, 24 april 2010, p. 27. [xi] A Heraclean Task, The Financial Times, 6 mei 2010, p. 9. |