[Startpagina] [Wat is de SAP] [Meer info] [Webwinkel] [Zoeken & archief] [Links] [Internationaal] [Email]
Grenzeloos | nummer 63 A, november - december 2001 |
Ruzies en crises als beleid
Gesprek met François Vercammen
Redactie De Internationale 06-11-2001

In december 2001 zal de Europese top de Verklaring van Laken aannemen. Met die verklaring worden de bakens uitgezet voor een herziening van de Europese verdragen in 2004. Ondertussen gaat de Europese Unie uitbreiden naar Oost en Centraal Europa, lopen we binnenkort allemaal met Euromunten op zak, en treedt Groot-Brittannië na de verkiezingen van juni misschien tot de Euro toe. Er is ook goed nieuws. Steeds meer mensen in Europa zien in dat verzet en organisatie over de grenzen heen nodig zijn. Reden voor een interview met François Vercammen, lid van de SAP/POS, de Belgische sectie van de Vierde Internationale en expert in Europese zaken.


De Europese Unie toont een tegenstrijdig beeld: enerzijds een opeenvolging van crises, botsingen en halve mislukkingen; anderzijds, als je het van een afstand bekijkt, een doelgericht proces, een gestage opbouw, stap voor stap.... zeker sinds het midden van de jaren tachtig, de eenheidsakte...

Zo lijkt het inderdaad. Beslissingen worden niet uitgevoerd, er zijn conflicten tussen het ene en het andere land,... Prodi kent als nieuwe voorzitter van de Europese Commissie een goede start, met een brede consensus rond zijn figuur, behalve in Frankrijk, en dan, enige tijd later, geluiden dat hij toch niet voldoet, enzovoort.

Aan de andere kant is er spectaculaire vooruitgang, bijvoorbeeld, de muntunie. Velen, en niet de minsten, waren sceptisch. De Financial Times hield jaren vol dat de muntunie er niet zou komen omdat de landen economisch en sociaal te veel van elkaar verschilden. Opeens schreef dezelfde Financial Times in een redactioneel dat de muntunie toch ging komen, met als ondertoon: ze zijn zot geworden, maar ze gaan het doen, dus Britse burgerij, bereidt u er maar op voor.

Nog een voorbeeld: Nice. Volgens de publieke opinie en de journalisten was het een mislukking. Maar ik denk dat de politici en beleidsmakers kregen wat ze wilden, namelijk een versterkte samenwerking tussen groepen lidstaten; een tussentijdse hervorming van de instellingen, met op korte termijn al het akkoord over een soort grondwetgevend congres, ergens in 2004. Het werd afgedwongen door Duitsland en is door bijna iedereen gevolgd, met tegenzin ook door Frankrijk.

Hoe verloopt dat eigenaardig proces van besluitvorming?

Er bestaan verschillende niveaus: de praktische beslissingen, de politieke manoeuvres, de ideologische manoeuvres, enzovoort. Eerste niveau: daarin telt vooral het praktische resultaat. Op een bepaald moment acht men de tijd rijp concrete punten binnen te halen die een volgende stap mogelijk maken.

Interessant is de manier waarop men met mislukkingen omgaat. Men kondigt dingen aan die niet gehaald worden. Niet getreurd, want onmiddellijk daarna wordt de zaak opnieuw voorgesteld. Crises en ruzie zijn bijna tot een methode van besluitvorming verheven. Juist door de onenigheid werd in Nice vooruitgang geboekt. Onder het Zweeds voorzitterschap was die vooruitgang minder zichtbaar. Maar de Belgische premier Verhofstadt verrichtte in Nice met steun van Duitsland veel voorbereidend werk, zodat de Europese Unie met de Duitsers stevig in het zadel in Brussel een stap vooruit kan zetten.

Er wordt veel politiek gemanoeuvreerd.

Een tweede niveau betreft inderdaad de politieke manoeuvres. Ze zijn ogenschijnlijk bedoeld voor binnenlandse consumptie, maar dienen ook om het betrokken land in Europa te positioneren. Een voorbeeld is de tekst Hombach - Mandelson - de verklaring van de Duitse en Britse sociaal democraten over de 'derde weg'. De conservatieve Spaanse Minister van Buitenlandse Zaken liet in Le Monde optekenen dat het alleen in schijn ging om een ideologische debat binnen de sociaal democratie. In feite kwam het neer op een manoeuvre om Frankrijk opzij te schuiven. Door het akkoord Blair (premier van Groot-Brittanie) - Aznar (premier van Spanje) dat de basis legde voor de verklaring van Lissabon en voor de politiek van de actieve welvaartsstaat, werd Jospin (premier van Frankrijk) wederom buiten spel gezet. Het kon rekenen op de discrete maar reële steun van de Italianen. Ik denk dat ook Schröder (bondskanselier ofwel premier van Duitsland) het met deze manoeuvre eens was, al kon hij zich er niet openlijk voor uitspreken. In Duitsland staat de welvaartsstaat nog voor een groot deel overeind.

Veel principes komen er niet aan te pas?

Toch wordt er veel ideologisch gemanoeuvreerd. Iedere lidstaat heeft de behoefte te doen voorkomen dat er in Europa waarden aan te pas komen. De sociaal democratie meer dan anderen, omdat ze de vakbonden moet zien te winnen. Fischer (minister van buitenlandse zaken van Duitsland, lid van de Groenen) kreeg - volgens goed ingelichte kring - van Schröder het groene licht om in het debat over de toekomst van Europa na Nice, het spits af te bijten. De Groenen zaten in de penarie. Bovendien verdienden ze een beloning omdat ze instemden met het optreden van het Duitse leger in de Balkan, dat wil zeggen een optreden voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog buiten Duitslands grenzen.

Het debat na Nice werd gelanceerd door die fameuze toespraak van Joschka Fischer. Je stond er erg sceptisch tegenover?

Ik heb de tekst grondig gelezen. Hij staat bol van het woord democratie. Maar wanneer mag het volk beslissen? Pas als de verdragen zijn uitgewerkt, als alles in kannen en kruiken is, pas dan wordt eindelijk misschien de bevolking geraadpleegd.

Maar kern van de zaak is dat de top van de Europese burgerij en de multinationals een verenigd Europa willen met een Europese regering en een parlement. Daar ben ik van overtuigd.

Tot voor kort werd dat betwijfeld, ook in onze kring.

Dat is waar. Een belangrijke kwestie, ook voor mij, is de dynamiek van de fusieprocessen van de multinationals. Verkeren we in een fase van hoofdzakelijk Europese concentratie van kapitaal, of overheerst de tendens van een fusie van Europees en Amerikaans kapitaal? Dat was de discussie.

Ik heb geen recente statistiek gezien, maar de twee soorten fusieprocessen gaan voort. Aanvankelijk waren er fusies van Europees met Amerikaans kapitaal onder invloed van de economische expansie in Amerika. Het kapitaal stroomde naar de Amerikaanse beurzen, maar nam ook de vorm aan van echte investeringen om toegang te forceren tot de grote - afgeschermde - Amerikaanse markt. De tweezijdigheid van die situatie werd niet altijd duidelijk gezien. We trokken uit dat proces vooral conclusies over de kracht van het Amerikaans kapitalisme, die onloochenbaar is. Maar het zegt ook iets over de capaciteit van de grote Europese groepen om op die markt een voet aan de grond te krijgen en echte multinationale bedrijven uit te bouwen. Een sprekend voorbeeld is Daimler - Chrysler. Daar zijn de Duitsers beslist niet opgegeten door de Amerikanen. Dat is voor mij een belangrijk signaal geweest.

De European Round Table (ERT, de Europese Ronde Tafel) van industriëlen is meer dan ooit actief - en meer dan ooit openlijk - in de Europese Unie. Ze streven naar gunstige voorwaarden voor de Europese multinationals. Zij oefenen invloed uit op de Europese richtlijnen, op de harmonisering van de financiële markten, op de fiscaliteit, het statuut van de Europese NV, enzovoort. De heersende klassen hebben duidelijk gekozen voor de uitbouw van een supranationaal Europa.

De instabiliteit en de risico's van een geglobaliseerde wereld, zetten hen daar toe aan: recent de Aziatisch Russische financiële crisis... En nu misschien de Amerikaanse recessie. De Amerikaanse multinationals beschikken over een sterk staatsapparaat en zijn niet zo onbaatzuchtig om dat in te zetten ter wille van het hogere belang van het wereldkapitalisme. De agressieve politiek van Bush speelt een katalyserende rol.

Ook al is het kapitaal op wereldschaal sterk vervlochten, als de Amerikaanse multinationals een sterke staat hebben, kunnen de Europese multinationals niet achterblijven op straffe van weggedrukt te worden...

Inderdaad. Theoretisch gezien is de vraag waar het zwaartepunt van de multinationals ligt. Voor een groeiend aantal Europese multinationals ligt het zwaartepunt van commerciële activiteit niet meer in eigen land. Maar daar staat tegenover dat de eigendomsstructuur nog altijd nationaal is. En daarnaast is er het leidinggevende personeel dat nauw verbonden blijft met het leidend politieke kader van het land in kwestie.

De vraag is hoe een heersende klasse zich definieert. Een Duitse manager bij Ford zal zich identificeren met de Duitse heersende klasse... Het is niet alleen een kwestie van kapitaalsstructuur, maar ook van identiteit, geschiedenis,...

Regelmatig staan in kranten verhalen over Amerikaanse managers die in Europa worden gedetacheerd maar zich niet kunnen aanpassen. Desondanks wint de Amerikaanse bedrijfscultuur zeker veld in Europa.

Ondanks de duidelijke koersrichting zijn er in de Europese Unie voortdurend botsingen en crises. Wat is daar de oorzaak van?

Er zijn twee fundamentele problemen. In de eerste plaats is er geen Europese natie. Het is moeilijk om een staat te vestigen terwijl een nationaal gevoel ontbreekt. Het nationaal gevoel speelt in de lidstaten een belangrijke rol. De regering is de regering, ook al verzet je je ertegen. Kijk naar de grote sociale conflicten. Als de mobilisatie wegebt komt er altijd een regering die zegt, 'om de rust te herstellen, om het leven weer mogelijk te maken, gaan we nu dit en dit doen'. Nederlaag, wrange gevoelens, al wat ge wilt, maar het leven neemt zijn loop. In sommige landen is dat sterk, in andere minder. Dat heeft te maken met de geschiedenis van de vorming van het staatsapparaat. Maar wanneer verschillende Europese staten samengaan, wordt dat nationaal gevoel niet vanzelf overgeheveld naar het Europees niveau.

Dit argument moeten we preciseren. Om een Europese staat te consolideren hoeft op Europees niveau niet eenzelfde soort nationaal gevoel tot stand te komen als in de afzonderlijke landen. We zien soms hoe een Europees gevoel een aspect kan worden van een nationale identiteit. Schotten, Vlamingen hebben een gevoel buiten de nationale Britse of Belgische staat te kunnen, en daarbij de gedachte, 'wij zijn geen nationalisten, wij zijn Europeanen'. Dat kom je ook tegen in Baskenland, in Catalonië, in Beieren, overal waar de nationale staat een zwak karakter heeft

Het nationaal gevoel verschilt sterk van land tot land.

Frankrijk kent ongeveer duizend jaar geschiedenis. In Nederland heeft het koningshuis de burgerlijke revolutie tegen de Spaanse overheersing geleid. Engeland idem dito. Pruisen heeft ook een lange geschiedenis, in tegenstelling tot Duitsland. Kijk naar Noord Italië, waar Berlusconi (premier van Italië) nu zogenaamde kantonale structuren opzet. Die lange nationale geschiedenissen bemoeilijken de Europese opbouw. Voor zover er een Europees gevoel is, gaat het om een negatief gevoel: het gevoel geen Amerikaan of Japanner te zijn... We kunnen bogen op sociale zekerheid, een lange Europese geschiedenis, beschaving en verfijning. Vergelijk dat eens met 'de rijk geworden cowboys van over de oceaan'...

Kan zo'n 'negatief' Europees gevoel de basis vormen voor een Europees zelfbewustzijn?

De rivaliteit met Amerika, dat op een brutale en eigengereide manier optreedt in eigen land maar ook in het buitenland, zal een stimulans vormen voor de vorming van een Europese staat. Om die te stimuleren zal men een Europees chauvinisme bevorderen, investeren in een leger, sociale concessies doen; dat alles 'om Europa te redden' in wedijver met de VS.

Of dat zal lukken, blijft de vraag. Wat gaat de jeugd doen, voor wie het verleden geschiedenis is en die een van de grootste generatiekloven meemaakt die de twintigste eeuw heeft gekend. Hoe ontwikkelt die jeugd zich? De jeugd is sterk kosmopolitisch en internationaal gericht, met een bredere kijk dan voorgaande generaties. Hoe gaat dat zich in concrete politieke termen uitdrukken?

Er was een tweede fundamentele hindernis in de uitbouw van de Europese Unie.

Dat is het probleem van de staatsapparaten, die een nationaal bestaan hebben. Hier zien we hetzelfde als bij het nationaal bewustzijn. De staatsapparaten zijn ouder dan de burgerij en kennen een lange geschiedenis. De burgerlijke revoluties hebben het personeel en de instellingen van het toenmalige staatsapparaat weliswaar aangepast, maar er bleef een grote continuïteit bestaan, ook op het vlak van de psychologie en de vooroordelen: Duitsland versus Frankrijk. Bij veel mensen leeft de idee: Frankrijk en Duitsland zijn al duizend jaar met elkaar in oorlog. Engeland versus Frankrijk: de Engelsen, de eerste echte wereldveroveraars, tegenover de arrogante Fransen... Die visies worden door de staatsapparaten en het politiek personeel uitgedragen. Als ze gedronken hebben en hun zelfbeheersing verliezen komt dat vanzelf naar boven.

Het is een gevaarlijke kwestie en men probeert het te overwinnen. Zie eens hoeveel hoge functionarissen van de lidstaten de Europese instellingen zijn gepasseerd, en hoe dit hen heeft veranderd. Er bestaat een groep hoge Franse ambtenaren, die in de Europese instellingen hebben gewerkt, en die hun nationaal gevoel overstegen hebben in de overtuiging dat het Franse belang het best gediend is met Europa. Het anti-Amerikanisme en de voortdurende conflicten met Amerika spelen in die ontwikkeling een belangrijke rol.

Maar het blijft een van de moeilijkheden in de uitbouw van de Europese Unie.

Dus toch voortdurend crises in de ontwikkeling van de Europese Unie.

Om het paradoxaal uit te drukken. Er zijn voortdurend crises, maar de burgerij kan zich die crises veroorloven. Er is zo weinig druk van onderop. Van een interventie van de civiele maatschappij of de vakbonden om tegenover hun Europa een ander Europa te plaatsen, is nergens sprake.

Daarom werkt het. Ze streven naar een Europese staat. Ze hebben geen echt project, maar ze weten wat ze willen. Intellectuelen spelen in dat streven een belangrijke rol. Ze halen nauwelijks de pers, maar er worden massa's nota's geproduceerd en colloquia georganiseerd, waar al debatterend belangen gekoppeld worden aan een visie. Die discussie komt niet in de openbaarheid. We zagen al een begin tijdens de eerste Europese oorlog van 1870-1871. Toen riepen Franse intellectuelen al in naam van het oude Middeleeuwse Europa, dat nog geen natiestaten kende: 'het continent is verdeeld, we moeten het opnieuw een maken, we moeten vrede maken'.

De Europese idee wordt dus gevoed door een aantal denktanks. Die van Blair bijvoorbeeld heeft een dun maar peperduur boekje gepubliceerd over het Europees leger. Daarin vind je feiten en cijfers, genereus, geen kleingeestig gekonkelfoes, neen, ingebed in een weids perspectief: Europa, het grote Europa, heeft een leger nodig.

Maar zo'n proces kan toch niet alleen gestuurd worden door grootse ideeën op colloquia...

Men beseft dat er regels moeten komen om de diep gewortelde, eeuwenoude tegenstellingen te overwinnen. Men stemt er mee in zichzelf normen op te leggen en men trekt vrijwillig een dwangbuis aan om de onderlinge contradicties onder controle te houden. Een andere oplossing bestaat niet.

Als voorbeeld kan wederom het tot stand komen van de Euro dienen. De achtergrond is de economische ontwikkeling geweest, meer in het bijzonder de globalisering van de economie. Maar een factor was ook de val van de Berlijnse muur.

Toen stelde zich de vraag: blijft Duitsland ingebed in Europa, of gaat het uitbreiden naar het Oosten via investeringen, handel en economische overheersing. Duitsland schittert in Europa en kent een groot overwicht wat betreft bevolking, bruto binnenlands product, productiviteit,... De spanning groeide, want Frankrijk kan een sterk Duitsland dat zijn eigen weg gaat, net zo min dulden als de Engelse burgerij.

In zijn enige jaren terug gepubliceerde memoires vertelt De Michelis, de voormalige Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, hoe Mitterand (ex-president van Frankrijk) aan de dis met zijn Europese collega's eiste dat Duitsland een gemeenschappelijke munt zou aanvaarden, en een bank om die munt collegiaal te leiden.

Dus: regels. Zij weten dat ze onontbeerlijk zijn, en beseffen tegelijk dat ze weinig meer doen dan het strijdterrein afbakenen. Zo proberen ze de tegenstellingen in bedwang te houden. Ze stellen normen, maar leggen zich ook vervaldata op om het beslissingsproces in een keurslijf te dwingen. Delors (toenmalige voorzitter van de Europese Commissie) deed dat met het Witboek over de eenmaking van de Europese markt met als vervaldatum 1 januari 1993. Ze kiezen bewust voor een crisis in de hoop dat er een oplossing uit de bus rolt.

De Euro was zonder die aanpak nooit tot stand gekomen.

De tegenstelling met Amerika gaat in dat proces een grote rol spelen.

Europa is een imperialistische mogendheid in de goede traditioneel marxistische zin van het woord. Het wil een gewaarborgde toegang tot grondstoffen, waarborgen voor export van kapitaal, afzetgebieden... De wereld is eindig geworden, de globalisering graaft steeds dieper, alles wordt koopwaar, één grote markt. De tegenstellingen onderling nemen toe.

Na de val van de Duitse muur en het verdwijnen van de stalinistische bureaucratie wordt de wereldsituatie niet langer bepaald door de koude oorlog. Daarvoor waren alle maatschappelijke verschijnselen, de strijd en contradicties gevat in een structuur, die bestond uit de stalinistische staatsbureaucratie aan de ene kant, en het Amerikaans en Europees imperialisme aan de andere kant. Die structuur is doorbroken. Het is nog wachten op China, dat de bocht nog niet heeft genomen omdat aan de top twee of drie groepen bureaucraten het niet met elkaar eens kunnen worden wie welk deel van de koek krijgt.

Dat is zeker geen pijnloze of conflictloze evolutie, om een aantal redenen.

De geschiedenis kent een bepaalde inertie. In zekere zin blijft de koude oorlog voortbestaan, omdat de macht van de voormalige bureaucratie van de Sovjetunie geweldig beperkt is, minder militair, maar vooral economisch (het BBP - Bruto Binnenlands Product - is ongeveer 10 procent van het Amerikaanse). Rusland beschikt dus over veel minder middelen. Het blijft een land met geschoolde arbeiders, natuurlijke rijkdommen,... maar het is een gefrustreerd land. Om het Amerikaanse en Europese imperialisme het hoofd te bieden en om een eigen kapitalistische dynamiek op gang te brengen, zijn alle middelen geoorloofd. Vandaar dat Rusland gemeenschappelijk optreedt met China, en met de zogenaamde gangsterstaten zoals Amerika ze betiteld: Libië, Irak, Noord-Korea,... Het wekt de schijn dat de koude oorlog door gaat.

De klassenstrijd, de tegenstelling tussen de grote sociale klassen, is fundamenteel. Maar de politiek-militaire contradicties in de wereld blijven uiterst belangrijk.

Bush heeft voor de optie gekozen een flinke dosis spanning in de wereld te creëren om het overwicht van het Amerikaanse imperialisme duidelijk te maken. Tegenover Rusland en China, maar ook tegenover de zogenaamde bondgenoten in Europa en de derde wereld... Dat Clinton hier onvoldoende in was geslaagd, kwam hem op zware kritiek van een deel van de Amerikaanse elite te staan. De strategische lijn van Clinton was overigens niet anders dan die van Bush, namelijk de wereld kapitalistisch maken en daar Amerika de overheersende rol in laten spelen.

Naast de overblijfselen van de koude oorlog is er de globalisering. In zijn economische vorm is dit in wezen om een regionaal continentale globalisering. Dat is goed te merken in Europa. Kijk naar de fusieprocessen in de belangrijkste economische sectoren. Op een enkele uitzondering na verkeren we in Europa nog altijd in de fase van het maken van de 'nationale kampioenen'. In de banksector bijvoorbeeld bestaan nog geen echte Europese multinationale banken.

De mondialisering is regionaal, maar open. De handel van sommige Latijns Amerikaanse landen met Europa is sterker dan met de Verenigde Staten. Mexico niet, maar Brazilië wel. Ook in Mexico zijn een aantal grote ondernemingen opgekocht door Europese bedrijven. De NAFTA, het initiatief van Bush sr dat nu voortgezet wordt door zijn zoon, is er een antwoord op. Bush liet al tijdens zijn verkiezingscampagne horen dat de prioriteit van de buitenlandse politiek in Latijns Amerika ligt.

Omdat Amerika zo krachtig en brutaal optreedt, wordt door de Europese burgerij, ook naar een krachtig staatsapparaat gestreefd.

Dat geldt ook voor Japan?

Ook daar is de kwestie van een sterk staatsapparaat aan de orde. Niet alleen tegenover Amerika en Europa, maar ook tegenover China, dat samen met Hong Kong en Taiwan een grootmacht vormt. Hong Kong is een belangrijk financieel centrum en concurreert op een aantal gebieden met Amerika. Taiwan heeft bijna vrije toegang tot de Chinese provincie Shezuan, dat al kapitalistisch is. Wat gebeurt er als dat geheel verder in één staat wordt verenigd? Het is voor Japan de belangrijkste kwestie die moet worden aangepakt.

Het Japanse imperialisme is op een typisch oppervlakkige journalistieke manier uit het nieuws verdwenen, nadat het Toyotisme de wereld had veroverd. Het Toyotisme was het zeer vroeg op massale schaal introduceren van elementaire robotten. Daardoor kon Japan een enorme sprong vooruit maken in de arbeidsproductiviteit. De industriële productiecapaciteit van het huidige Japan is groter dan die van de Verenigde Staten. Japan heeft ook voldoende geld, massaal veel geld zelfs, het is de houder van de Amerikaanse schuld.

De grote hinderpaal is de eigenaardige familiale structuur van de heersende klasse met al zijn vertakkingen in de politiek, het bankwezen en de grote industrie en met alle risico's van speculatie en faillissementen van dien. Die institutionele problemen moeten opgelost worden. Het vraagt om het rationaliseren van de economie, privatiseringen en fusies en het openen van de grenzen voor Europees en Amerikaans kapitaal. Daarvan zal snel een felle concurrentiestrijd met de Europeanen en Amerikanen het gevolg zijn.

Het is moeilijk zich van de nieuwe wereld een voorstelling te maken. We gaan in zekere zin terug naar de wereld van voor 1917, van na de industriële revolutie, met Engeland, Duitsland, Amerika, ... maar dan in een nieuwe explosief tijdperk.

We hebben toch al elementen van die nieuwe wereldorde?

Er doen twee mystificerende ideeën de ronde, die weliswaar op een stukje waarheid berusten, maar dat op een absurde manier uitvergroten.

De eerste mythe is dat de nationale staat is verdwenen, of machteloos is geworden. Akkoord, de staat is teruggedrongen door de neoliberale politiek, en komt minder tussenbeide op economisch en sociaal vlak. Op sociaal vlak komt dat een deel van de bourgeoisie goed uit. Maar de rol van de imperialistische staat is verre van uitgespeeld, noch in de concurrentie van de verschillende imperialistische mogendheden, noch in de strijd tegen de arbeidersklasse.

Een tweede mythe wil ons doen geloven dat de reële economische macht nu financieel is en bepaald wordt door het bezit van monetaire producten. Dat klopt niet. Men mag het belang van de materiële productie niet onderschatten. De huidige terugval op de beurs van de 'nieuwe economie', de informatica, de telecom en nieuwe media, is het gevolg van een overproductie van materiële producten, van waren en niet zozeer een crisis van startups en windbuilen.

Er wordt een Europese staat uitgebouwd met een originele structuur. Niet zoals we ons een staat voorstellen met een parlement en een regering. Er vallen termen zoals intergouvernementalisme...

Het tot stand komen van Europa is een product van de geschiedenis en de door haar overgeleverde structuren. De geschiedenis heeft ons nationale staten nagelaten. Die opereren de laatste vijftig jaar economisch en maatschappelijk op terreinen die naar elkaar toe groeien. Dat is zeer concreet en praktisch. Neem België. Een groot deel van de bevolking werkt voor de export naar andere Europese landen. Dat wordt in een vreemde munt gefactureerd. In contracten wordt daarom een clausule opgenomen om de schommeling van wisselkoersen op te vangen. Dat is absurd. Een eenheidsmarkt heeft een eenheidsmunt nodig. Daar zit een zekere rationaliteit in.

Noteer verder dat die eenheidsmarkt gemaakt wordt. Ze is deels een spontaan gevolg van bredere behoeften, van de uitbreiding van het gamma van goederen en diensten, en van de ontwikkeling in het transport. Maar om die ontwikkeling te optimaliseren, zeker in een hoog ontwikkeld kapitalisme, is men verplicht regels te maken. En wie regels zegt, die zegt staat, die zegt: algemene regels, 'neutrale' regels, die bij overtreden gehandhaafd worden met rechtbanken, enzovoort.

Zodra men een stap zet verder dan een douane-unie, zoals vroeger de Benelux, en men kiest voor een echte eenheidsmarkt, is er eigenlijk al een elementair niveau van staatsregulatie.

Het is allemaal begonnen met de EGKS?

Precedent was inderdaad de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), die een product was van de Tweede Wereldoorlog. De oorlog, de EGKS, de val van de muur, de muntunie, er bestaat in de Europese ontwikkeling een voortdurende wisselwerking van economie en politiek. De EGKS was met zijn Hoge Autoriteit een echte supranationale instelling met supranationale macht, waaraan bevoegdheden waren afgestaan om productievolumes van staal en steenkool vast te stellen, met boetes als regels werden overtreden.

Achteraf beschouwd was de Europese Unie tot 1985 een secundair, weinig tastbaar gebeuren, zowel in de politiek als in de economie. Dat veranderde met het opzeggen van de akkoorden van Bretton Woods. De Amerikaanse regering heeft toen, vanuit kapitalistisch oogpunt, een unfaire daad gesteld door de dollar niet meer omwisselbaar te maken in goud. Dat resulteerde in vlottende, onstabiele wisselkoersen. Het Europese antwoord was de muntslang.

De monetaire politiek zou een sleutelrol blijven spelen.

De idee van een Europese staat is meer dan een eeuw oud. Er is altijd een discussie geweest over de vraag hoe men tot zo'n staat moest komen. Pas recent is dat opgehangen aan de munt. Delors en anderen hebben dat actief gestimuleerd. Aanvankelijk ging de discussie over de vraag of de Europese munt een eenheidsmunt moest worden, of een gemeenschappelijke munt naast de nationale munten. De achterliggende idee was: als we maar vast over een gemeenschappelijke munt beschikken, dan hebben we een begin van een gemeenschappelijk staatsapparaat. Dat is een juiste gedachte. Een munt is niet alleen een middel om te ruilen of te investeren, het is ook het attribuut van een staatsapparaat. Gezien de gecompliceerde werking van het kapitalisme, speelt geldpolitiek in het laatkapitalisme een belangrijke rol.

Het welslagen van de overgang naar de eenheidsmunt, bracht een luidruchtige euforie teweeg. Ik denk dat ze ettelijke dagen champagne hebben gedronken. De stemming was: nu we dit bereikt hebben, komt een inwendige dynamiek op gang die zich uitbreidt naar andere terreinen. Dat blijkt niet helemaal waar te zijn, er is dynamiek, maar die kan telkens opnieuw stokken. In het kielzog van de EGKS is al eens geprobeerd een Europees leger te maken, de Europese Defensie Gemeenschap, aan het begin van de jaren vijftig. Die is toen gestuit op de herbewapening van Duitsland. De Amerikanen waren daar voorstander van met het oog op een Derde Wereldoorlog.

De invoering van de Euro is dus een moment van stroomversnelling?

Met de munt hebben we een kern van een staatsapparaat. Wie zegt dat dit een uitbreidingsdynamiek op gang brengt, heeft in zekere zin gelijk. Men kan echter beter zeggen: een uitbreidingsnoodzaak. Of daarvoor voldoende dynamiek bestaat, is iets anders.

Waaruit bestaat die uitbreidingsnoodzaak? Die houdt verband met de discussie over een 'economische regering'. In de moderne kapitalistische wereld is het ondenkbaar dat de centrale bank monetaire beslissingen neemt en daar tegelijkertijd allerlei politieke of economische beschouwingen aan vastknoopt. Elke verklaring van de Centrale Bank wordt door de beurs gezien als een praktische signaal. Met de groei van de financiële sfeer en de volatiliteit kan dit een ontredderend effect sorteren. Duisenberg (directeur van de Europese Centrale Bank) moet zijn mond houden. Hij zwijgt inderdaad, maar niemand anders treedt als woordvoerder op. In ieder geval geen regering. Er is wel iets dat er op lijkt, namelijk de Ecofin, de Raad van ministers van Economie en Financiën, die toeziet op de naleving van het verdrag van Maastricht en het stabiliteitspact. De Ecofin heeft sanctionerende bevoegdheden en kan boetes opleggen als normen worden overtreden... Maar dat zijn nationale ministers. Welke minister gaat in naam van Europa spreken? Vandaar de moeilijkheid.

Met de Centrale Bank bestaat er een allereerste begin van een supranationale staat, een protostaat. Ik gebruik 'supranationaal' niet in de journalistieke zin van 'alles wat de natie te boven gaat is supranationaal', maar in de echte conceptuele betekenis van het woord: supranationaal in de zin van een constitutionele overdracht van nationale soevereiniteit. De Bank beslist soeverein, daar komt geen lidstaat aan te pas. Voor de Ecofin is dat niet het geval.

Het ander stukje supranationaliteit van oudere datum is de Commissie. Maar die heeft geen normerende bevoegdheid. De Commissie mag wel normen ontwikkelen om de eenheidsmarkt te waarborgen, maar die behoeven altijd het akkoord van de Ministerraad. De commissie beslist dus niet; dat doen de ministers, het intergouvernementele niveau dus. Pas als er een richtlijn is, kan de Commissie actief optreden en een land verplichten de richtlijn toe te passen. Desnoods kan ze de zaak voor het Europees Hof van Justitie brengen.

Het is dus een ingewikkeld verhaal: de Commissie is supranationaal, maar heeft geen beslissende bevoegdheid. Zij heeft alleen een uitvoerende bevoegdheid in het kader van wat de Europese Raad van ministers haar toevertrouwt.

Als supranationaal kan dus worden aangemerkt: de muntpolitiek in handen van de Europese Centrale Bank (ECB), plus de toepassing van beslissingen door de Commissie. Blijven de lidstaten het voor de rest voor het zeggen hebben?

Onder het supranationale niveau ligt een ander beslissingsniveau, het intergouvernementalisme. Daarvan moeten we het specifiek eigen karakter onderkennen. De regeringen zitten samen aan tafel en nemen beslissingen. Ze hebben er belang bij dat de beslissingen een Europees draagvlak krijgen. Als iedereen akkoord is, leggen ze zichzelf regels op.

De richtsnoeren, bedoeld voor de arbeidsmarkt zijn een goed voorbeeld hoe ondoorzichtig en eigenlijk illegaal het Europees beleid functioneert. De richtsnoeren kwamen tot stand op de top van Luxemburg onder het mom van de strijd tegen de werkloosheid. Kwesties in verband met de arbeid waren grotendeels buiten het eerder gesloten Verdrag van Amsterdam gehouden. Men rekende het niet tot de bevoegdheid van de Europese Unie. Men sprak liever van subsidiariteit, onder het mom dat de zaak te dicht bij de mensen staat, ware het beter als de lidstaten zelf beslissen. Die gedachte kwam goed uit omdat het uitblijven van Europese regelgeving de concurrentie onder de arbeiders in Europa vergroot, hetgeen een spontane dynamiek van dumping van arbeidsrechtenrechten op gang brengt.

De regulatie van de arbeidsmarkt behoorde dus niet tot de bevoegdheid van de Europese Unie. Terwijl de criteria van Maastricht en het stabiliteitspact met hun gevolgen voor de sanering van de overheidsfinanciën indirect wel effect hebben op de sociale zekerheid. Nu heeft men onder elkaar beslist om de problematiek van de werkloosheid, de lonen, enzovoort, te behandelen als hervorming van de arbeidsmarkt. Niet de ministers van Arbeid, maar de Raad van ministers van Economische Zaken en van Financiën, de Ecofin moesten zich hierover uitspreken. En deze hebben onder elkaar beslist dat er over de materie unanimiteit moet zijn. Onder peers, onder gelijken, zo verklaarden ze, is het gewoonte met unanimiteit te beslissen. De neoliberale maatregelen werden op die manier natuurlijk gemakkelijk doorgevoerd.

Onder het supranationale niveau hebben we hier een niveau dat we 'versterkte coördinatie' kunnen noemen. Deze 'versterkte coördinatie' wordt omkaderd door de strikte neoliberale criteria van de verdragen. Het neoliberalisme is de overheersende politiek van dit moment, en men voelt de druk van de concurrentie met Amerika en Japan. Zo wordt de 'versterkte coördinatie' van het arbeidsmarktbeleid een machtig wapen tegen de arbeidersbeweging.

Hier hebben we dus een niveau dat formeel intergouvernementeel is, maar dat de facto aansluit bij het supranationale. We hebben hier in feite het begin van een Europese regering voor het beheer van de arbeidskracht.

Met name de grote lidstaten behouden de controle?

Het is de vraag welke richting het opgaat. Is de dynamiek intergouvernementeel met het risico dat de lidstaten uit elkaar drijven, al is dat op dit moment niet waarschijnlijk? Of is er een centraliserende tendens aan het werk? Ik denk dat alles wijst in de richting van een centraliserende tendens, maar dat die centraliserende tendens op intergouvernementeel niveau blijft steken.

Een symptoom is dat ze voor de buitenlandse politiek een Hoge Autoriteit hebben aangewezen, Solana. Hij is verantwoording verschuldigd aan de Ministerraad, niet aan de Europese Commissie. Hij gaat voortdurend met Europees Commissaris Patten op reis, maar het is Solana die de politiek bepaalt. Voor de Ecofin denken ze aan iets vergelijkbaars, een Hoge Autoriteit van de muntunie die als woordvoerder optreedt van Ecofin en dan ook rechtstreeks commentator wordt op het terrein van de economische, financiële en monetaire politiek. De Belgische Minister van Financiën Reynders heeft dat verdedigd, en ook de Duitsers zijn ertoe genegen. Ook worden er geluiden gehoord om op andere terreinen een Hoge Autoriteit te benoemen. Het leger zou een volgende stap kunnen zijn. Nu denk ik niet dat we daar snel naar supranationaliteit gaan, want het leger is wel het laatste dat een land afstaat. Bovendien spelen ook economische factoren een rol. Maar veel wijst wel in die richting.Het zijn allemaal stappen. Maar eens moet er geconsolideerd worden om aan het geheel samenhang en stabiliteit te geven. Dus valt het niet uit te sluiten dat er een Commissie komt met ruimere bevoegdheden op voorwaarde dat de grote lidstaten de controle niet verliezen. Chirac (president van Frankrijk) kaartte het in Nice al aan, maar door de arrogante manier waarop hij aan de lidstaten een rangorde oplegde, is zijn voorstel snel afgeschoten. Het probleem is nu gekoppeld aan de uitbreiding van de Unie. Een oplossing kan zijn dat iedere lidstaat minstens één commissaris heeft, en dat een presidium van de Commissie wordt gevormd. Chirac stelde voor dat in ieder geval de belangrijkste landen in dat presidium zitting hebben, met daarnaast eventueel een beurtrol. Zo'n presidium met een sterke voorzitter en met daaronder een versterkt intergouvernementalisme, plus wat Hoge Autoriteiten op een aantal terreinen zou best kunnen werken.

Een dergelijk schema lijkt me geloofwaardig. Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat met Groot-Brittannië een federale structuur mogelijk is. Het zal eerder om een versterkte confederale structuur, om intergouvernementalisme gaan. Naarmate de Unie groeit, moet dat allemaal dichter bij elkaar komen, met daarboven sterke organen die de zaak leiden.

Het Parlement staat in dat alles buiten spel. Zijn medebeslissingsrecht is beperkt. Kijk hoe Lamfalussy de regeling van de financiële markten aan het Europees Parlement tracht te onttrekken. Het zou te belangrijk zijn om aan de volksvertegenwoordigers over te laten..

Wat betekenen de voorstellen van Schröder? Hij stelt naast het Europees Parlement een Tweede Kamer voor, waarin de regeringen van de lidstaten vertegenwoordigd zijn. Dat is je reinste federalisme?

Aan de ene kant is er de terminologie, aan de andere kant de realiteit. Federalisme staat tegenover confederalisme. Er zijn hele debatten gevoerd tussen juristen en specialisten in internationaal recht om definities te ontwikkelen, waarin de Europese Unie vervat moest worden.

Ik denk dat we met Europa voor een geval apart staan. Na tweehonderd jaar ontwikkeling van burgerlijke staten vindt er nu een overdracht plaats naar het Europese niveau van vier of vijf centrale pakketten van wat traditioneel een staatsapparaat uitmaakt. Die overdracht geschiedt niet op dezelfde manier als in de eerste helft van de negentiende eeuw toen bijvoorbeeld België en Duitsland als nationale staat gevormd werden.

Evenmin lijkt die overdracht op de manier waarop decentralisatie in verschillende Europese staten tot stand komt (België, Spanje, Groot-Brittannië, ...). Voor het omgekeerde, de overdracht van bevoegdheden naar boven, bestaat niet direct een model. Er zijn voorbeelden van staatsvorming in Duitsland, Zweden en Amerika, maar die stammen allen uit vroegere tijden. Duitsland geeft een bepaalde richting. Ge kunt dat federaal noemen...

Maar waarom doet Schröder een voorstel waarvan hij weet dat het door Jospin en Blair onmiddellijk afgeschoten wordt?

Dat is tactiek voor binnenlands gebruik. Het profileert de sociaal democratie. Het is overigens niet zonder risico, want de Duitse bevolking is niet zonder meer voor Europa, zeker niet als het om zoiets concreets gaat , als het opgeven van de Duitse Mark. Maar Schröder sluit wel aan bij het gevoel dat Duitsland zich als Europees land moet profileren als het opnieuw zijn macht wil tonen - dit is de arrogante versie - of weer aanvaardbaar wil worden na twee wereldoorlogen en het fascisme. Het adagium is Europeanen allen te samen. Federalisme suggereert die evenwaardigheid. Als de Euro werkt kan Schröder met dat Europese profiel binnenlands en buitenlands aan machtspolitiek doen. De Duitse burgerij is daar voorstander van, de bevolking misschien ook ('we laten ons niet opzij zetten', of 'het Duitse sociale model verdedigen'). Pleiten voor federalisme versterkt de dynamiek in de richting van Europa, en is een manier om een positie te verwerven.

Wat heeft Chirac allemaal niet verklaard? Op een gegeven moment gebruikte hij het woord avant-garde. Zo'n woord valt slecht, en Chirac weet dat. Waarom gebruikt hij het dan? Waarom raden zijn specialisten in communicatie hem dat aan? Het gaat erom duidelijk te maken dat Duitsland én Frankrijk de motor van Europa vormen. Dat wil Chirac markeren. Frankrijk onmisbaar maken, dat gooit binnenlands hoge ogen, omdat het Frankrijk opwaardeert, hoewel het slechts vergeleken met de grote drie, Amerika, Japan en Duitsland een juniorkapitalisme is.

Maar het is toch niet alleen propaganda en positionering; ze proberen toch ook de dingen te zeggen die ze werkelijk willen?

Voor een deel is het allemaal duister. Herinner u zich Fischer. Ook zijn toespraak bevatte het idee van een federatie van staten. Die zou beperkt kunnen zijn tot een bepaalde groep van staten, enzovoort.

Zoals dikwijls steekt in alle ideologische mystificatie een rationele kern.

Op hoog niveau wordt intensief over de uitbreiding nagedacht. Alle landen van de oude Sovjetunie, de Oekraïne, Kazakstan,... ze willen er alle bij. Met sommige bestaan al stevige economische banden. Een federale structuur lijkt gepast. Maar dan hebben alle landen op gelijke manier toegang tot het beslissingsapparaat.

Het is dus rationeel te gokken op een soort Parlement met twee Kamers. Eén Kamer wordt de uitdrukking van het Europees burgerschap, door alle burgers van de Unie op gelijke voet verkozen; de andere Kamer wordt er een van de staten, die over corrigerende bevoegdheden beschikt met regels en blokkeringmechanismen. Het geheel krijgt zo een zekere rationaliteit van vooruitgang en efficiëntie.

Hoe meer lidstaten en hoe meer macht de Unie belichaamt, hoe meer conflictstof zich ophoopt in de Unie en in de wereld. Des te nijpender stelt zich het probleem van leadership.

Laat ons kijken naar de vier of vijf basale taken waarmee een staat zich moet bezighouden. De munt als eerste. Nemen alle landen in de beheerraad van de ECB plaats? Zo niet, wie wel en wie niet? De sterke landen moeten er hoe dan ook in, dus een beurtrol lost niets op. Hetzelfde geldt voor het leger, de buitenlandse politiek, het politioneel optreden,...

Bovendien moeten we rekening houden met een objectief gegeven, namelijk de graad van spontane integratie, die erg varieert. Scandinavië is weer een apart geval omdat het Scandinavisch bewustzijn groter is dan het Europees bewustzijn.

Blijkbaar heeft men gekozen voor een territoriale uitbreiding. Men had ook kunnen kiezen voor een kern, laten we zeggen van 15 lidstaten, en daar rond associatieverdragen. In de meeste Oost Europese landen is de Duitse Mark de gangbare munt, in Kosovo zelfs officieel. In Litouwen zijn het de Dollar en de Mark. Het mechanisme van de associatie werkte al volop.

Maar de keuze voor uitbreiding is gemaakt.

Die is gemaakt. Maar daarmee zijn de problemen nog niet opgelost. Het beschikbare budget is belachelijk klein. Schröder vindt dat de bemoeienis met de landbouw gedecentraliseerd moet worden. De landbouw is nu een communautaire bevoegdheid. Schröder wil zo geld beschikbaar krijgen voor de uitbreiding. In Frankrijk staan ze natuurlijk op hun achterste benen. De helft van het EU budget is bestemd voor landbouw, en het grootste deel daarvan gaat naar Frankrijk. Het moet snel worden opgelost, want binnen vijf jaar is de uitbreiding een feit.

In het debat over het federalisme is dat wel komisch. Het minimum minimorum van een federale staat is geld. Maar het beschikbare geld is te verwaarlozen, minder dan 2 procent van het BBP van de EU. Europa hoeft niet zo'n voldragen staatsapparaat te hebben als op nationaal vlak noodzakelijk is, maar zelfs dan schiet het beschikbare geld te kort. Daar komt de financiering van een Europees leger bij, militair van belang, maar ook economisch, omdat één leger de eenmaking van de economie bevordert.

Om het leger een te maken, moet men namelijk een eigen homogene technologie ontwikkelen die opgewassen is tegen die van Amerika. In de militaire commissie van de Franse senaat heeft men al beslist daarnaar te streven.

De uitbreiding van de EU is een belangrijke beslissing, maar ze wordt onopvallend genomen. Ik kan mij het moment niet herinneren waarop daartoe is besloten. Het lijkt bijna in tegenspraak met een sterk daadkrachtig Europa. Men kan zich toch nauwelijks voorstellen dat de VS zullen uitbreiden met Mexico....

In de recente geschiedenis van de Europese Unie ging het om een geschilpunt dat bijna ononderbroken in debat is geweest. Door de invoering van de Euro is de kwestie van de uitbreiding wat naar de achtergrond gedrongen.

De Britten hebben steeds de prioriteit van de uitbreiding verdedigd...

Maar alleen als middel om een sterke centralisatie van de Europese Unie te dwarsbomen...

Zo is het voorgesteld. Een grote eenheidsmarkt als alternatief voor het federalisme in Europa. De uitbreiding stond steeds een Europese Unie in de weg. De Britten hebben altijd voorrang gegeven aan de economie. Dat verraadt een liberale visie op de markt, met een staat die alleen op de achtergrond een beetje reguleert.

De Duitsers konden de Britten een eind volgen. Ook zij waren voorstander van uitbreiding, want ze zitten er vlak op en beschikten over een sterke productieve economie die uitbreiding mogelijk maakte. Al lang onderhouden ze intensieve relaties met Polen. Na de val van de Berlijnse muur kwam de Duitse uitbreiding naar Oost Europa direct op de agenda. Men sprak van een Sonderweg, over Duitsland dat een eigen weg in sloeg, zonder dat het duidelijk was wat dat institutioneel en staatkundig betekende. Men wist dat het veel geld zou kosten omdat Oost Europa een echte omwenteling doormaakte. Het Duitse imperialisme had de kans een periferie op te bouwen à la de derde wereld. Daarom werd het idee van uitbreiding, ook al was de financiële prijs enorm, op de dagorde gezet.

Maar de Benelux en andere kleine landen zagen niets in een uitbreiding die ten koste ging van de Unie. De Fransen evenmin. De Fransen hebben altijd benadrukt dat er een politiek Europa moet komen. Vergeet niet dat de oorlog en de Duits - Franse verhoudingen een belangrijke rol spelen. De angst dat Duitsland Frankrijk overvleugelt, speelt nog steeds. Dat de Duitsers keer op keer verzekeren dat 'wij in een normaal land leven' en dat 'een nieuwe generatie is opgestaan'... willen de Fransen niet horen.

De Fransen zijn ook feller in hun anti-Amerikanisme. Ze streven naar een tegenwicht. De Britten daarentegen koesteren een halffictief, halfreëel idee van een 'special relationship' met de Verenigde Staten. Zij blijven zich beschouwen als een wereldimperium in het kielzog van de Amerikanen. Dat weerspiegelt zeker een reële toestand. De Britten zijn financieel en monetair in de gehele wereld actief, vergelijkbaar met de Amerikanen, zo niet in volume, dan toch in spreiding. Koppel daaraan een superioriteitsgevoel tegenover de Amerikanen, het jonge broertje dat nog in zijn 'Sturm und Drang' periode verkeert, terwijl wij Britse aristocraten...

Het is wel een erg ingewikkeld debat.

Dat komt omdat de term federalisme historisch beladen is. De idee van een politiek Europa is altijd beschouwd in termen van federale structuren, en daarmee verbonden met Jean Monet, een van de 'grondleggers' van Europa. Diens methode bestond erin alles te europeaniseren wat geëuropeaniseerd kon worden. Nu gaat men anders te werk. Men vraagt zich af wat rationeel gezien noodzakelijk is voor een sterk Europees staatsapparaat. Dat wordt supranationaal gemaakt met een stevige coördinatie en voor de rest is het subsidiariteit wat de klok slaat. Volgens de aanpak Monet was de jacht een Europese bevoegdheid. Waarom, in godsnaam? Waarom gaat de Europese Unie aan Franse boeren in dorpen in de Savoie of de Pyreneeën voorschrijven hoe en wanneer gejaagd mag worden? Dat is absurd. Het eerste referendum waarin de Zweden 'neen' hebben geantwoord tegen Europa werd gehouden omdat Europa de Zweden wilden verbieden te sjieken. Crazy.

Er moet een herschikking komen van bevoegdheden. Of dat lukt is een andere vraag.

Als alternatieven werden vroeger 'vrijhandelszone of federalisme' voorgesteld. Ik denk dat men het nu grotendeels eens is over een confederale structuur. Een volgende stap wordt genomen als Groot-Brittannië toetreedt tot de Euro, hetgeen voor de EU betekent dat een indrukwekkend financieel centrum wordt toegevoegd. Britten en Fransen zijn het ook goeddeels eens over de verdere vorming van een leger. De overeenstemming dateert van de eerste Balkanoorlog in 1990-1991.

De uitbreiding heeft niet alleen een economische, maar ook een politieke dimensie.

Er speelt zeker een politieke factor. Het Oostblok valt uit elkaar en staatsapparaten fragmenteren, dus gevaar. Hoe de stabiliteit van Europa te garanderen?

De NAVO is een tweesnijdend zwaard. Daarmee reguleer je geen maatschappij. Als Irak één ding heeft bewezen, is het dat. Je kan een land platbombarderen, maar je kan niet zomaar een politiek systeem veranderen en controleren. De Balkanoorlog heeft de idee van de uitbreiding van de Europese Unie opnieuw een belangrijke impuls gegeven.

De Russische kwestie speelt een rol, en dus ook de rivaliteit tussen Amerika en Europa. De Amerikanen hebben op een brutale manier Polen ingepalmd voor de NAVO, en hebben direct een herstructurering aan de strijdkrachten opgelegd met aankoop van Amerikaans materiaal onder het mom van standaardisatie. Rusland wil niet dat de NAVO tot aan zijn grens uitbreidt. Een koppeling aan het uitbreidingproces van de Europese Unie geeft in zekere zin een normaler en vreedzamer karakter aan de uitbreiding van de NAVO. In de economische rivaliteit met Amerika biedt het Europa en vooral Duitsland de kans de samenwerkingskaart met Rusland te trekken. De staatsschuld van Rusland wordt voor de helft gedragen door Duitsland. Duitsland heeft in de Club van Parijs voorgesteld de schuld geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden in ruil voor aandelen van Gazprom. De Duitsers bezitten in Polen de banken en de staalsector, de Fransen de telecom,... We zien dus een politiek van uitbreiding van het Europese kapitalisme met één oog gericht op de rivaliteit met Amerika, en met het andere op de pacificatie van Europa.

De agressieve politiek van Bush staat haaks op de uitbreidingspolitiek van de Europese Unie. Vanuit kapitalistisch oogpunt is het verstandig regels te ontwerpen die een relatief rustige en conflictloze uitbuiting van de arbeid garanderen. Maar vanzelf komt dat niet. Polen heeft een arbeidswetgeving die op een aantal vlakken uitermate progressief is. Maar als Polen lid wordt van de Europese Unie vindt het de Amerikanen tegenover zich. Bovendien betekent uitbreiding dat het gewicht van de EU in de wereld wordt vergroot.

Ze moeten daarvoor een prijs betalen. Hoe dat in de praktijk toegaat, weten we niet.

En Rusland in die relatie? Is een samengaan van de Europese Unie met Rusland tegen Amerika mogelijk?

Het antwoord hangt af van de vraag hoe het kapitalisme er in de toekomst uit ziet, en welke positie Rusland daarin verwerft. Rusland zal zeker kapitalistisch worden; er is geen weg terug. Vanuit het oogpunt van de rijken, de heersende klasse in de maak, gaat dat betrekkelijk vreedzaam. Maar er is een mafiafase. De privatiseringen zijn een dekmantel voor regelrechte diefstal, en ze gaan gepaard met allerlei vormen van geweld.

We staan nu misschien voor de eerste recessie van het 'globale kapitalisme', zoals The Economist onlangs schreef. We zullen zien hoe de wereld daaruit komt. Het vormingsproces van de nieuwe wereld is nog volop in beweging. De eerste crisis moet nog komen, en dan kunnen we zien hoe stevig een en ander is. Dat geldt ook voor de Euro. We zullen zien waar de nieuwe breuklijnen liggen, wat stand houdt en wat niet. De eerste schok is al geweest, in Azië en daarna in Rusland en Brazilië.

Misschien bevinden we ons in een nieuwe fase van kapitalistische expansie, in een nieuwe Kondratief-golf (een lange golf in de economie). Maar zo'n nieuwe expansie is niet het gevolg van een inwendige wetmatigheid van de kapitalistische economie, maar van uitwendige factoren. Welke factoren spelen een rol? Zij oefenen invloed uit op de structuur van de Kondratief. De Amerikanen hebben gewonnen. Dankzij een nederlaag van het proletariaat op wereldvlak hebben ze een globalisering kunnen doorvoeren op neoliberale grondslag. Dat geeft het kader voor de hiërarchiesering van de verschillende landen. Inprecor heeft in dat verband een interessant artikel gepubliceerd over Latijns Amerika, over welke landen in de jaren tachtig ondanks alles een beetje zijn meegetrokken en zijn geïndustrialiseerd, en welke niet. Als er een nieuwe expansie komt, die niet globaal zal zijn maar ongelijk, hoe gaan Rusland, en binnen tien jaar China, daarin hun plaats vinden? Welke betrekkingen ontstaan er, is er sprake van continentalisering van de wereldeconomie, komen er oorlogen en opstanden...?

Vijf jaar geleden waarschuwde Foreign Affairs (ministerie van buitenlandse zaken in de VS), de bourgeoisie dat het zo niet verder kon, zonder een tegenreactie uit te lokken. Sociale opstanden zijn niet uitgesloten. Alle staten boetten aan geloofwaardigheid in. De Europese staat kent nauwelijks erkenning. Als ge ziet hoe weinig mensen er stemmen in Amerika, de verkiezingsaffaire met Bush De Verenigde Staten zijn materieel wellicht nog nooit zo sterk geweest, maar de politieke en ideologische legitimiteit weegt daar niet tegen op.

Zal Rusland de tijd krijgen om een sterke kapitalistische klasse te ontwikkelen? Het veronderstelt een volwaardig productief apparaat, dat er niet is. Bovendien bestaat er geen traditie waar ze op terug kan vallen. Het is koffiedik kijken.

Kan de West Europese arbeidersbeweging in die ontwikkeling nog een rol van betekenis spelen?

De toestand van de vakbeweging is triest, ondanks de tientallen miljoenen leden. Er heerst een totaal onvermogen om Europese strijd voor Europese eisen te voeren. De reden is geen mysterie. De vakbonden volgen de weg van de sociaal democratie, waarvan het apparaat van de vakbonden in de regel deel uitmaakt.

Dat is geen nieuws...

Ja, maar de sociaal democratie heeft tot in de jaren tachtig een zekere autonomie behouden, blijkens haar verdediging van de sociale zekerheid, van de openbare diensten, van staatsinterventie, enzovoort. Dat stond weliswaar ten dienste van het kapitalisme, maar door een expansieve economische politiek werd ruimte geschapen voor de groei van welvaart. Dat programma is op nationaal vlak verdwenen. De sociaal democratie is gezwicht voor het neoliberalisme. In de Labourparty werd Tony Benn, die bijna voorzitter was geworden, ter zijde geschoven. Er kwamen leiders als Kinnock, Smith en tenslotte Blair die stelselmatig het sociaal democratisch programma liquideerden. Mitterand besliste al enkele weken na zijn verkiezing de confrontatie met Europa over de monetaire politiek uit de weg te gaan.

De sociaal democratie krabbelde dus - zoals altijd - terug. Ze besefte dat er een nieuwe situatie ontstond met Thatcher en Reagan, niet zomaar een andere economische koers, maar een andere kijk op de wereld, een andere samenhang in de burgerlijke politiek. Samengevat: er ontplooide zich een enorm offensief van de heersende klasse dat voor het eerst sinds de oorlog succes had.

De sociaal democratie komt niet in verzet?

Land na land geeft ze haar programma uit handen. Zodra ze dat gedaan heeft, probeert ze terug te vallen op haar eigen 'utopie', en dat is Europa.

Die 'utopie' was aanvankelijk geen pure fictie. Het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) heeft in 1987-1989 gepoogd om op Europees vlak een reeks sociale regels af te dwingen. Delors is naar het EVV-congres van Stockholm geweest en heeft daar beloofd dat er naast de financiële en economische regulatie een sociale regulatie zou komen. Met de val van de muur in Berlijn, en de verandering van het ideologisch klimaat en als gevolg van de weerstand van Major, hebben ze beslist het niet te doen. Dat was een belangrijke overwinning van de burgerij, die in het Verdrag van Maastricht is vastgelegd.

De sociaal democratie verkeerde toen op een absoluut dieptepunt. Direct na de val van de muur zat ze nog in de lift, met Gorbatchov, de Palestijnen, de vroegere revolutionairen van Latijns Amerika, Maar toen de recessie van 1993 volgde en de verkiezingen in nederlagen eindigden, knakte er iets in de sociaal democratie. Dat heeft zijn weerslag gehad op de vakbeweging. De vakbondsbureaucratie mikte niet meer op strijd om krachtsverhoudingen op te bouwen.

Toch blijven ze hopen op Europa.

Zij klampen zich vast aan Europa. En richten zich volledig op de Europese Commissie vanuit de gedachte dat de commissie Europa belichaamt tegenover het 'nationalisme' van de regeringen. Zo hebben ze ongeveer alles geslikt wat op het menu werd gezet.

Nationale vakbonden die niet achter de Commissie aanlopen, lopen achter hun regering aan.

De sociaal democratie heeft een nederlaag geleden, en ze heeft die nog verdiept door er geen verzet tegen te bieden.

Het is een wel erg neerslachtig verhaal.

Ik denk dat de slinger weer de andere kant opgaat. De arbeidersklasse is de traumatische schok van de nederlagen aan het verwerken. De sociale strijd laait weer op. De laatste opstoot van de hoogconjunctuur heeft de mensen ertoe aangezet strijd te voeren voor loonsverhogingen en betere arbeidsvoorwaarden. Plots verandert er iets in het bewustzijn. We zagen dat al met Renault, toen er een breed besef ontstond dat Europa helemaal niet sociaal is.

De neoliberale politiek gaat voort, maar de neoliberale ideologie valt ook uiteen. Vakbondsstrijd heeft weer een grotere legitimiteit. Ook andere sociale bewegingen worden door de publieke opinie weer als juist en goed ervaren. We treden een nieuwe periode binnen waarin iedereen een recht van bestaan heeft, ook de partijtjes die jarenlang gekleineerd zijn en beschimpt. Al dragen ze nog steeds dezelfde naam en vertonen ze nog steeds hetzelfde gezicht, plotseling wordt er op gestemd.

De Euromarsen zijn een goed voorbeeld. Eerst in Frankrijk en daarna in Europa, gingen werklozen en kansarmen de straat op. In een klimaat van onbeschaamde rijkdom zette dat een morele kwestie op de agenda. In Parijs sterven daklozen in de winter van de kou.

De marsen zijn overgegaan in de mobilisaties tegen de globalisering, tegen instellingen als het IMF en de Wereldbank. De sociaal democraten zijn vandaag verplicht met die beweging rekening te houden. Jospin is naar Porto Alegre in Brazilië gereisd met een even ijdel als cynische voornemen. Hij wilde absoluut gefilmd worden bij een gekraakte krotwoning. Tot nog toe heeft hem dat niet veel opgeleverd.

Welke toekomst staat ons te wachten

Een antwoord is moeilijk te geven.

De jeugd heeft geen banden met de georganiseerde arbeidersbeweging. Zij komt in ongereguleerde arbeidssituaties terecht. Zij heeft niet het bewustzijn en de traditie daartegen te vechten.

Uit de zelfactiviteit van mensen zal blijken met welk bewustzijn, met welke energie en met welke politieke opties ze die nieuwe situatie tegemoet treden. Het ligt open.

Het positieve is de uitdaging aan de antikapitalistische linkerzijde. De sociaal democratie heeft haar geboorterecht afgezworen, namelijk uitdrukking en spreekbuis te zijn van de eisen van mensen, van de arbeiders. Zij heeft geen eigen programma meer, geen economisch voorstel, geen aanpak, geen plan, geen politiek die ervoor kan zorgen dat gewone mensen het materieel goed hebben. Zij heeft dat niet alleen opgegeven. Ze heeft er actief toe bijgedragen mensen te demoraliseren. Het valt niet te verwachten dat ze haar jasje keert. Welke deel van de sociaal democratie is daartoe bereid? Uit niets blijkt dat er op dit ogenblik zelfs maar een aanzet bestaat. Er zijn linkse mensen, maar er is geen linkerzijde.

De antikapitalisten hebben dus de taak onverkort de eisen van de mensen te vertolken, en die te richten tegen het kapitalisme.

Geen gemakkelijke opdracht voor betrekkelijk kleine organisaties en stromingen.

Het impliceert verschillende zaken. In de eerste plaats moet een bewuste politiek van antikapitalistische krachtenbundeling op gang worden gebracht. We denken dat alleen revolutionairen daartoe het initiatief nemen. Niemand anders doet het. In geen enkel land van West Europa neemt een links-reformistische kracht het initiatief voor zo'n bundeling.

Er moet samengewerkt worden. Dat vereist dat het diepgeworteld sektarisme in de revolutionaire organisaties afgebroken moet worden. Het sektarisme is ongelijk verspreid. De Vierde Internationale heeft een lange traditie van politiek niet-sektarisme, voor eenheid en pogingen tot samenwerking, enzovoort. Ons sektarisme bestond vooral uit zelfproclamatie, uit het zichzelf uitroepen tot dé revolutionairen die erin zullen slagen dé revolutionaire partij te maken en dé revolutionaire internationale. Dat is niet gebeurd. Het had kunnen gebeuren in de periode 1968-1975, maar het is niet gelukt. We hebben dat vastgesteld en er conclusies uit getrokken.

Het trotskisme is, zoals we in resoluties hebben uiteengezet, een erfenis, die tot het verleden behoort. Het bevat belangrijke instrumenten van analyse en zijn historisch verleden behoort tot ons erfgoed, ook omdat mensen zich daarvoor hebben ingezet. Maar met onze maatschappij, met de huidige arbeidersbeweging en de revolutionaire beweging bestaat geen continuïteit meer. We moeten met die bagage als revolutionairen werken in een nieuwe maatschappij, met de contradicties en de moeilijkheden van vandaag, en met een open kijk op de wereld. We moeten dus in het bijzonder een niet sektarisch beeld hebben van andere revolutionairen en van andere trotskisten bij het opgang komen van een antikapitalistische hergroepering. Wij zullen daarin een belangrijke, interessante maar niet-exclusieve rol spelen.

Een politiek van hergroepering is op zich niet voldoende. De herschikking moet gericht zijn op een brede waaier van mensen, arbeiders, jeugd, vrouwen, migranten, enzovoort, die de impasse en de negatieve gevolgen van de neoliberale politiek ondervinden, en die inzien welke fnuikende rol de sociaal democratie speelt. Die mensen voelen dat de neoliberale politiek moeilijkheden ondervindt, op obstakels botst en ergens in crisis komt. Ze voelen dat het mogelijk wordt het neoliberalisme op bepaalde punten te stoppen. De alternatieven zullen dan zijn: ofwel een voortzetten van het neoliberalisme, al dan niet sociaal begeleid, ofwel antikapitalisme. De keuze is dus niet hervorming of revolutie. Dat is vandaag niet aan de orde, en zal dat ook een periode lang niet zijn.

Eenheid is dus werkelijk een centrale kwestie.

Het zoeken naar samenwerking maakt deel uit van het programma van een moderne revolutionaire organisatie. Het is een politieke opdracht die niet vanzelf ingelost wordt. De eenheid komt niet voort uit urenlange discussies over programma's. De eenheid sluit aan bij het dagelijks bestaan van de werkende klasse en de jeugd. Die bepalen hoe de eisen en voorstellen geformuleerd worden, welke concrete stappen gezet worden, zoals hoe deel te nemen aan verkiezingen of hoe te werken in de vakbonden. Al die zaken moeten samen gedaan worden met mensen die niet revolutionair zijn. Die methode is absoluut fundamenteel.

Dat is de dialectiek die we moeten oppikken. De ene pool is de ontbinding van de neoliberale politiek, het groeiend bewustzijn bij mensen dat hun dagelijkse problemen alleen maar opgelost kunnen worden met antikapitalistische eisen. De andere pool is dat er een politieke herschikking moet plaatsvinden; dat er een beweging, een uitdrukking, een partij moet komen, die breed, pluralistisch, representatief is, waarin gediscussieerd kan worden. En die aan verkiezingen deelneemt, omdat het verkiezen van mensen de belangrijkste democratische daad is die mensen kunnen stellen.

We hebben dus een dialectiek nodig van de antikapitalistische linkerzijde met de sociale beweging.

De meest energieke militanten in de sociale beweging gaan door de dynamiek zelf met de neus op de politieke problemen gedrukt worden. Maar het verband tussen die twee is voor de meerderheid niet vanzelfsprekend. Ze is dat nooit geweest, ook niet in de begintijd van de sociaal democratie. De overgang van vakbondswerk naar politieke activiteit is nooit eenvoudig geweest. Tegenwoordig is dat zelfs moeilijker dan ooit. De politiek is in diskrediet, en ook revolutionair links wordt beschouwd als voorbij.

Er bestaat geen enkel automatisme tussen engagement en politisering aan de ene kant, en lid worden van een revolutionaire of een brede antikapitalistische formatie aan de andere kant. We zitten nog in een etappe waarin het in zekere zin interessanter is om actief te zijn en discussie te voeren zonder zich politiek te binden. Een voorbeeld daarvan is Attac in Frankrijk, dat meer dan veertigduizend betalende leden heeft. Die doen aan politiek, maar zijn geen partij omdat ze geen lijsten neerleggen voor de verkiezingen... Kijk ook naar de bewegingen tegen de globalisering, die dikwijls actief zijn rond één thema, maar waarbij het thema tegelijk hefboom is om over allerlei kwesties te discussiëren. De Tobintax is daar een voorbeeld van; het werpt alle vragen op die men zich maar kan stellen: hoe het kapitalisme functioneert, wat de weerstanden zijn, en hoe die weerstanden overwonnen kunnen worden.

Op die manier is er een nieuwe politieke cyclus begonnen van bewustzijn, activiteit en organisatie.

De rivaliteit Europa - Amerika

Als de Europese burgerlijke klassen erin slagen een echte Europese staat te consolideren, dan is dit een politieke verandering van historische en mondiale betekenis. Er duikt dan een staatsmacht op die de economische kracht van Europa vertaalt in een centraal politiek instrument. Die kracht is min of meer vergelijkbaar met die van de VS.

Alleen al het feit dat de Europese burgerij voort gaat met de opbouw van een eigen staatsapparaat, vereist een nieuw evenwicht met de VS. Dat zal voelbaar zijn.

De rivaliteit Europa - VS zal meer op de voorgrond treden. Dit zal belangrijke politieke en ideologische gevolgen hebben. De Europese burgerij moet immers instemming verwerven voor haar doel. Zij moet de bevolking overtuigen dat de EU verdedigd moet worden tegen de VS.

Vandaar de voortdurende inspanning van de Europese Unie om zich via de media, TV en radio tot ons, burgers van Europa, te richten.

Een lange geschiedenis

Parvus, een der leermeesters van Trotsky, stelde in 1898 als eerste dat het kapitalisme uit zijn voegen barst en dat de nationale staat een voorbije zaak is. Als vaak met visionaire prognoses blijken die pas een eeuw later een politieke kwestie te worden.

Trotsky wierp het vraagstuk op van de Verenigde Staten van Europa. Hij meende dat niet het kapitalisme, maar het socialisme Europa een zou maken. De tegenstellingen waren zo scherp dat de verschillende Europese imperialistische landen er volgens hem niet in konden slagen Europa een te maken. Wij hebben met die traditie verder geleefd: een kapitalistische eenmaking van Europa leek onmogelijk.

Ernest Mandel heeft deze analyse steeds op sleutelmomenten getoetst. Na de crisis van de jaren dertig (protectionisme) heeft de internationalisering van de economie zich opnieuw doorgezet. De internationale handelsrelaties namen sterk toe. Bovendien ontstond de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), die toen al met de Hoge Autoriteit een kern van een supranationale staatsstructuur bezat.

Mandel vroeg zich af of bij een volgende recessie de Europese landen terug zouden vallen op protectionisme. Toen de diepe recessie van 1980-81 uitbrak, koos men in de verschillende landen ondanks heftig debat niet voor protectionisme. Dat is een van de elementen die de Europeanisering vooruit heeft gestuwd. Bovendien is de recessie gebruikt om de arbeidersklasse aan te vallen. Die twee elementen zijn steeds zichtbaar gebleven in de uitbouw van de EU.

Na de recessie is in 1985 het Witboek voor de eenheidsmarkt verschenen.

De burgerij stond voor een volgende hindernis: een eenheidsmunt of niet. Zowel de burgerij als wij hebben een publiek debat gevoerd over de haalbaarheid daarvan.

De Euro is er gekomen. Een succes waarvan de oorzaak niet in de economie ligt maar in de politiek, dat wil zeggen bij de val van de muur. Het voerde de spanning tussen Frankrijk en Duitsland hoog op. Zou het machtige Duitsland een eigen weg gaan met investeringen en handel gericht op het Oosten? Zou een combinatie van D-Mark en Dollar de feitelijke Europese eenheidsmunt worden? Frankrijk en Mitterand hebben uiteindelijk Kohl de eenheidsmunt opgelegd.

Hoe regeert de burgerij?

What does the ruling class do when it rules? Wat is het verband tussen de invoering van de Euro en de val van de muur? De burgerij denkt niet alleen in termen van economie, maar ook vanuit de eigen geschiedenis met in het achterhoofd de Europese oorlogen. Ze is tot de conclusie gekomen dat ze zichzelf dwingende regels moet opleggen om de onderlinge naijver in bedwang te houden. De Europese geschiedenis van de laatste eeuwen bepaalt de richting waarlangs de Europese Unie voort moet gaan: crises moeten worden beheerst, zo niet, dan is er voor de Europese burgerij geen rol weggelegd als grote internationale kracht.

De sociaal democratie

Vanaf de jaren twintig wees Trotsky er op dat de sociaal democratie alleen kan bloeien in een kader van vrede, democratie en economische vooruitgang. Daarom verdedigt zij de nationale staat, maar ook het sterkste imperialisme, omdat dit een waarborg vormt voor stabiliteit. Zo trok de sociaal democratie na de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse kaart. Ze was de 'Amerikaanse' partij in Europa.

Dat verandert nu Europa sterker wordt. Europese eenmaking is haar utopie geworden. Maar waarom drukt ze die eenmaking niet sterker door, nu ze in zoveel lidstaten de macht heeft? Omdat ze verbonden blijft met de eigen staat en de belangen van de eigen nationale burgerij. Dat maakt het ingewikkeld.

Het linkse reformisme

Het linkse reformisme is niet hetzelfde als de sociaal democratie. Hun vertegenwoordigers huldigen de visie van een gradualistische, etappegewijze ontwikkeling. Telkens zeggen ze: akkoord, het is niet goed, maar het is toch al een stap in de goede richting. Zij rekenden op een 'politiek Europa'. Maar toen de markt dreigde te overheersen, zeiden ze: 'Niet erg, de markt is er, de politiek zal volgen'. Nu de politiek er is, maar in strijd blijkt met alle democratische traditie, zelfs despotisch is, zoals vóór de Engelse en Franse revoluties, luidt het laconieke commentaar: 'Niet erg, al zijn de instellingen niet democratisch, ze bestaan en we zullen ze democratisch maken'.

Het debat met hen draait altijd om de angst voor crisis van de instellingen die ze ten koste van alles willen vermijden. Ze oefenen harde kritiek uit, dreigen zelfs, maar uiteindelijk binden ze in, en wordt het gevecht ter wille van de stabiliteit uitgesteld tot de volgende ronde.

De nationalistische linkerzijde

In België of Nederland bestaat die stroming niet, omdat die landen zo klein zijn dat hun toekomst rechtstreeks afhangt van Europa.

Dat ligt anders in de grote lidstaten. Het ligt ook anders in de Scandinavische landen, die minder opgenomen zijn in de Europese Unie en een gemeenschappelijke Scandinavische identiteit hebben. In die landen bestaat een links verzet dat vaststelt dat de EU tegen hun eisen is en dat daarom meent dat de nationale staat een beter kader verschaft om sociale, democratische of ecologische eisen te verdedigen.

De Franse revolutionaire organisatie Lutte Ouvrière heeft een andere positie. Zij zeggen: als iedereen in eigen land strijdt tegen het kapitalisme, dan strijden we in Europa samen tegen het kapitalisme. Ze integreren in hun analyse niet het specifieke element dat een Europees kapitalistisch staatsapparaat wordt opgebouwd, dat kracht geeft aan de burgerij. Het standpunt van D'Orazio (stakingsleider uit Wallonië) was gelijkaardig. Het probleem is dat het de linkerzijde opsluit in een nationaal kader. In de maoïstische stromingen komt men het dikwijls tegen. De Noorse maoïsten zeggen uitdrukkelijk dat zij de Noorse staat en het Noorse leger verdedigen omdat het instrumenten zijn van nationale zelfbeschikking en soevereiniteit (Noorwegen is geen lid van de EU).

In de Scandinavische landen is het bewustzijn van progressieve mensen een combinatie van nationaal bewustzijn - ze zijn Deens, Zweeds, enzovoort - en een Scandinavisch bewustzijn. Als ze in een breed kader denken is dat meteen breder dan de Europese Unie. De bevolking in hun landen is niet voor de EU en dat geeft moed. Maar Scandinavisch links onderschat de kracht van de Europese Unie en denkt dat als bijvoorbeeld Denemarken de monetaire unie verlaat, er binnen de EU direct een zware crisis uitbreekt. Onze Scandinavische vrienden zeggen: 'als iedereen in eigen land strijdt om de EU te verlaten, dan valt de EU uiteen'. Maar in België klinkt het idee de EU te verlaten om ervan af te zijn even dwaas als het idee België te verlaten om van de problemen van België verlost te zijn. Strijden tegen de EU is voor mensen in België dus strijden voor een hervorming van de EU.

Nationale staten

Een probleem dat de heersende klasse altijd bezig houdt is dat van de burgerlijke staat.

De staat in de vorm van geweldsmonopolist in een afgebakende geografische ruimte ontstaat in de 10e-11e eeuw. De burgerlijke staat zoals we die kennen, vindt zijn oorsprong aan het begin van de negentiende eeuw, toen het nodig werd grote legers op de been te brengen en de bevolking te registreren. Toen de burgerij de macht greep nam ze het bestaande staatsapparaat over, inclusief het politiek personeel, de ideologie, en de lange voorgeschiedenis.

Er zijn treffende verschillen. Pruisen heeft een lange geschiedenis, Duitsland niet. De Duitse regering moet nog steeds over van alles en nog wat onderhandelen met de Länder. Frankrijk, maar ook Spanje, zijn daarentegen sterke staten. Spanje werd geboren in een periode van vroege economische expansie, in de tijd van de verovering van Amerika en de inquisitie waarin het staatsapparaat gecementeerd is. Het Baskisch nationalisme heeft het niet gemakkelijk.

Vergelijk België met Nederland. In Nederland nam het koningshuis het initiatief in de burgerlijke revolutie tegen de Spaanse overheersing.

In dat licht staat dus de EU. Oude nationale staten met eigen belangen en een eigen geschiedenis moeten fuseren tot een supranationale staat.

Er is geen Europese burgerij, al kunnen we die uitdrukking voor het gemak gebruiken. Het fusieproces van het kapitaal in de belangrijkste sectoren verkeert nog steeds in het stadium van de vorming van 'nationale kampioenen'. Tegelijkertijd zijn er fusies en overnames over de grenzen van de EU heen, in Amerika en Japan,... De situatie is nog verre van stabiel. De grote multinationals zijn niettemin voorstander van de EU. De ERT is hun politieke partij, die met alle kracht heeft geijverd voor de invoering van de Euro.

De rivaliteit tussen de EU en de VS zal een belangrijke motor worden om - tegen de stroom in - de uitbouw van de EU vooruit te stuwen. Wie zal zich de mooie brokken in Rusland toe-eigenen?

Strategie

Welke krachten kunnen de confrontatie met de Europese Unie aangaan?

Een deel van de vakbeweging, van de sociale beweging en van de linkerzijde is bang voor de EU. Zij verlangen dat er wetten komen, een wet over dit en een wet over dat. Elke stap vooruit is belangrijk. Het is te vergelijken met het reformistisch standpunt van de arbeiders aan het eind van de negentiende eeuw die sociale wetten eisten, toegang tot het parlement en tot de regering verlangden, enzovoort. Omdat ze zich keren zich tegen de huidige ontwikkeling van de EU, moeten we met die stromingen wel een dialoog aangaan.

Daarnaast is er de jeugd. Die generatie is het nationalisme voorbij. Ze is kosmopolitischer dan ooit. Haar referenties zijn meer communicatie, meer banden, meer ruimte De EU alleen aanklagen, zal begrepen worden als een verdediging van de nationale staat. Daarom moeten wij benadrukken dat wij niet tegen Europa zijn, maar voor een ander Europa, tegen de globalisering van het kapitaal en voor een andere globalisering.

De kern van onze strategie is de vaststelling dat de europeanisering van onze maatschappij onvermijdelijk is. Een crisis die dit proces doorkruist, is niet geheel uit te sluiten, maar onwaarschijnlijk.

Voor ons revolutionairen bestaat er echter een ingewikkelde tegenstelling. Enerzijds liggen de oplossingen voor de grote problemen in onze landen op Europees niveau en de mensen voelen dat aan. Anderzijds blijft de klassenstrijd hoofdzakelijk nationaal gevoerd worden.

De meest waarschijnlijke variant van een sociale en politieke crisis in de EU treedt op als de arbeidersklasse in een der lidstaten eisen stelt op het sociaal vlak en botst met haar nationale regering. Die regering is verplicht zich aan de Europese kaders te houden. De regering heeft dan de keuze. Ofwel toegeven, maar dan overtreedt zij Europese regels (Er bestaat een ontsnappingsclausule die een regering kan inroepen indien het nationale belang van een lidstaat daarom vraagt. Balladur deed een beroep op die clausule toen Bretonse vissers het Bretons parlement in brand staken.); ofwel de confrontatie aangaan. Dat is een kwestie van krachtsverhoudingen.

In Frankrijk kan zich zo'n situatie zeker voordoen. Een sleutelkwestie is dan de as Frankrijk - Duitsland. Als er ooit een semi-revolutionaire crisis ontstaat die in Frankrijk begint, hoe kan zich in Europa dan een alternatieve macht vestigen? Niet door in alle lidstaten tegelijk verkiezingen te organiseren, zo werkt het niet. Een mogelijke hefboom is dan Frankrijk - Duitsland, een congres van de arbeiders van Frankrijk en Duitsland, samen met anderen

Er is ook de kwestie van het Europees eisenprogramma.

Dat is ingewikkeld. Het is moeilijk concrete eisen te stellen die in alle landen worden begrepen. Neem de arbeidsduurverkorting, en de leuze van de 35 urenweek. Die slaat in Portugal niet aan omdat de productiviteit er te laag ligt.

We hebben niet alleen sociale, maar ook democratische eisen nodig. Het is niet voldoende eisen te formuleren voor het democratisch functioneren van bewegingen, we moeten ook normen hebben die het werk van de instellingen democratisch regelt. De staat Europa is despotisch. Die schept een gevoel van onmacht. We kunnen daartegenover zetten de eis van 'een democratisch congres van de volkeren van Europa'. Het is een manier om 'stop' te roepen, om een breuk te forceren. Het is een alternatief voor een leus als 'de hervorming van het Europees Parlement'. De EU zal hervormd worden, gedeeltelijk 'gedemocratiseerd', maar het zal een sterke staat zijn, met een overwicht van de uitvoerende macht. Wij hebben een radicaal democratisch eis nodig. Alle burgers, alle volkeren uit Oost en West moeten zich kunnen uitspreken hoe Europa er uitziet.

Grenzeloos nr. 110
Een mooie, sombere film
Jasper Blom (red.) De kredietcrisis, een politiek economisch perspectief
Kritiek: jaarboek voor socialistische discussie en analyse
Ulrike Meinhof
Meer artikelen...
Archief nieuwsberichten ->
International Viewpoint

International Viewpoint is het maandelijkse engelstalige magazine van de Vierde Internationale. De SAP is aangesloten bij deze internationale organisatie. IVP geeft een blik op radicale alternatieven wereldwijd; nieuws, analyse en debatten vanuit alle delen van de wereld.

IV433 - February
Greece - Statement of the assembly of migrant hunger strikers
Egypt - Whither Egypt?
Ireland - Vote for the United Left Alliance

IV432 - January
Tunisia - "I know now that revolution is possible"
Tunisia - The revolution is on the march!
Indonesia - Remembering mass-murder
Debt - The people of Europe should audit the debt
Tunisia - All victory to the Tunisian Revolution; the forefront of the revolution in North Africa and the Middle East
Algeria - No to neoliberalism! No to the free market! For a politics that serves the needs of the people!
Ireland - The Irish crisis: a complete failure for neo-liberalism
Tunisia - "Ben Ali assassin, Sarkozy accomplice"
Tunisia - The social and democratic revolution is on the march!
Mexico - Not one single more death!
Mexico/Climate - "Before COP 16 and its false solutions, for an eco-socialist alternative."


Mijn reactie op dit artikel ...
Naam:
Email adres:
Reactie:
De inhoud van reacties vallen niet onder verantwoordelijkheid van de Grenzeloos-redactie. Bijdrages van lezers met een sexistische of discriminerende inhoud worden van de Grenzeloos site verwijderd. De schrijver (indien bereikbaar) van de reactie krijgt bericht van de verwijdering.