|
De wil van de kiezer en de daadwerkelijke politiek bewandelen echter ook in Duitsland doorgaans gescheiden wegen. Wat betreft de Duitse 'Sonderweg' in de houding ten aanzien van de Irak-oorlog - dit is zeker een spectaculaire breuk met de traditie van onvoorwaardelijke Duits-Amerikaanse vriendschap. Maar hoe lang deze breuk zal aanhouden? Daarover twijfelen niet alleen linkse mensen. Politieke drukKanselier Schröder en zijn rood-groene regering hebben in hun verkiezingscampagne iedere deelname aan een dergelijke oorlog afgewezen, ook in het geval van een VN-mandaat. Hiermee lukte het hen de tot dan toe matte verkiezingsstrijd te polariseren. Bovendien slaagden zij er zo in de eigen, tot op dat moment passieve achterban gedeeltelijk te mobiliseren. Een grote meerderheid van de Duitsers wijst een oorlog tegen Irak af. Omdat echter de twijfels of Schröder en zijn SPD werkelijk willen en kunnen volharden in een consequent anti-oorlog standpunt, even gerechtvaardigd als wijdverbreid zijn, werkte deze mobilisering vooral gunstig uit voor Bündnis '90/De Groenen. Deze partij dicht men doorgaans edelere motieven inzake het vraagstuk van de oorlog toe. De regering heeft ook na de verkiezingen haar positie inzake de Irak-oorlog bekrachtigt. Een goede uitgangssituatie, waar een Duitse anti-oorlogsbeweging bij zou kunnen aanknopen. De politieke druk op rood-groen om haar standpunt inzake de oorlog te wijzigen is na de verkiezingen echter al flink gegroeid. NeoliberaalMeer nog dan bij de kwestie van de oorlog, is de valse hoop ten aanzien van de sociale en economische politiek, het tweede grote verkiezingsthema, immens. Sociaal-democratie en Groenen staan, sinds de val van Oskar Lafontaine in de lente van 1999, voor een weliswaar zacht, maar in de praktijk niettemin dwingend neoliberalisme. De diepe teleurstelling en ontnuchtering over deze politiek heeft vooral bij de proletarische bastions van de SPD tot apathie, stemonthouding of een keuze voor de CDU/CSU geleid. Kanselierskandidaat Edmund Stoiber en zijn CDU/CSU pikten de thema's van de economische crisis en de aanhoudende massawerkloosheid succesvol op en wonnen daarmee met name onder het SPD electoraat. Het is de sociale kwestie die de meerderheid van de mensen van dag tot dag bezighoudt. Dat dit desalniettemin niet voldoende was voor een regeringswisseling, heeft niet alleen iets met de discussie over de oorlog te maken, maar ook met de doorgaans aanwezige scepsis of de recepten van de conservatieven wel een werkelijk alternatief bieden. Hoe zeer ook de verkiezingsuitslag geïnterpreteerd kan worden als een pleidooi voor gematigd links, dit mandaat is zwak en buitengewoon diffuus omdat de neoliberale hegemonie sterker gevestigd is in het publieke politieke denken dan in 1998/99. Met hun in de verkiezingsstrijd luidruchtig gelanceerde concept van een hervorming van de arbeidsmarkt beweegt rood-groen zich volkomen op neoliberale grond. Niet de kapitalistische economie wordt verantwoordelijk gehouden voor de crisis, maar de 'luie werklozen' en 'sociale parasieten', die door middel van dwangmiddelen tot grotere mobiliteit en bescheidenheid opgevoed moeten worden! En anders dan in Oostenrijk of Tsjechië waren discussies, of men de Oost-Duitse watersnoodramp door middel van leningen en speciale belastingen (of zelfs bezuinigingen op het oorlogsbudget) bestrijden moest, een absoluut taboe. In hoeverre hier de na de verkiezingen en met het oog op gaten in de begroting, opgekomen roep om belastingverhogingen een ommekeer kan betekenen, is onzeker. Geen oppositieDe eerste plannen van de nieuwe regering spreken een duidelijke taal: de arbeidsmarkt moet grondig gedereguleerd, de gezondheidszorg verregaand geprivatiseerd en het onderwijs gecentraliseerd en aan economische imperatieven onderworpen worden. In het algemeen moet men rekening houden met sterkere druk tot privatisering van de publieke sector. Een noemenswaardige oppositie, die deze neoliberale logica fundamenteel ter discussie stelt, bestaat niet. Duits links ter linkerzijde van rood-groen is verdeeld en programmatisch ontbreekt het aan ideeën. Het zichtbare bewijs van deze politieke nederlaag levert het voor velen verassende falen van de PDS. Het aantal stemmen voor de post-communisten stagneerde in het westen en stortte in het oosten van Duitsland zo dramatisch in, dat de partij nu niet meer in het parlement vertegenwoordigd is. De helft van de verloren stemmen belandde bij de SPD, de rest bij de niet-stemmers. Teruggeworpen op haar posities in de oostelijke regionale parlementen, wordt de volkomen vergrijsde PDS nu geconfronteerd met de vraag, waar zij in de toekomst voor wil staan. De tegenstelling gaat tussen een Oost-Duitse - en daarmee specifieke belangen vertegenwoordigende - regionale partij, en een organisatie, die zich in politiek-ethisch opzicht als socialistisch alternatief blijft presenteren. Dit dilemma vraagt nu om een keuze. Zo leveren de Duitse verkiezingen een tegenstrijdig resultaat op. Centrum-links en de conservatieven hebben aan kracht gewonnen. De neoliberale FDP en 'links links' zijn daarentegen ingezakt. Of tegen deze achtergrond de vakbonden sterker dan tot nu toe de kristallisatiekern van een linkse oppositie kunnen worden, blijft de vraag, gezien hun verregaande inkapseling in het sociaal-democratische corporatisme. Aan de andere kant biedt de situatie, waarin linkse ventielen binnen het parlementaire systeem dichtgedraaid worden, mogelijkheden voor een hernieuwde buitenparlementaire oppositie van links. |