[Startpagina] [Wat is de SAP] [Meer info] [Webwinkel] [Zoeken & archief] [Links] [Internationaal] [Email]
Grenzeloos | nummer 72, juli - augustus 2003 |
De oorlog die nooit ophoudt
Antifascisme in crisis
Koen Haegens 01-07-2003

Begin jaren negentig gingen tienduizenden mensen de straat op om te demonstreren tegen racisme en uitsluiting. Radicale antifascisten maakten het extreemrechtse groepen onmogelijk om te vergaderen of zich te manifesteren. Tien jaar later, rond de opkomst van Pim Fortuyn, bleef het angstvallig stil. De moord op de controversiële politicus vormde daar geen uitzondering op. Volkert van der G.'s wanhoopsdaad is tekenend voor de crisis van het antifascisme in Nederland.


Terwijl Fortuyns verkiezingscampagne op volle toeren draaide en de peilingen voor hem tot in de hemel reikten, keek links verslagen toe. Op een enkele, afgelaste demonstratie na, bleef men steken in de discussie over hoe het fenomeen Fortuyn te beoordelen. ‘Stop de Hollandse Haider’, stelden de Internationale Socialisten (IS). ‘Fortuyn had veel rechtse ideeën, maar evengoed ook een aantal linkse’, relativeerde Alex van Veen in 'actieblad' Ravage; volgens hem was de politicus in ieder geval ‘geen racist’.

Inhoudelijke beoordelingen waren schaars. Het debat spitste zich toe op de kwestie, of Fortuyn wel of geen rechtsextremist was. Omdat daar geen eensgezind antwoord op gevonden werd, bleef de beweging langs de zijlijn staan. Waar sommigen Fortuyn met alle middelen in de hoek van traditioneel extreemrechts trachtten te plaatsen, bagatelliseerden anderen het fenomeen, als ware er niets aan de hand. Dat roept de vraag op, of een rechts persoon of organisatie, per se banden moet hebben met het traditionele fascisme of nationaal-socialisme, om een politieke reactie op te roepen. En, minstens zo belangrijk, wat verstaan we daar nu precies onder, wanneer is iemand een 'fascist' of een 'rechtsextremist'?

Kale schurken

Inhoudelijke criteria voor de stempels 'fascistisch' en 'extreemrechts' ontbreken doorgaans. Maar al te vaak wordt er gewerkt met clichés en stereotypen. Een rechtsextremist is dan - enigszins overdreven gesteld - een blanke man, van middelbare leeftijd, met een kaalgeschoren hoofd en getooid met zwarte legerkistjes. Of: fascisten, dat zijn Hitler aanhangers, de mensen die 'ons' land bezet hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens dergelijke redenaties zouden partijen en personen pas extreemrechts zijn, wanneer een verband aangetoond kan worden met ofwel Hitlers nationaal-socialisme, of met het fascisme van Mussolini.

Dat beeld doet geen recht aan de werkelijkheid. Op de vraag naar wat rechtsextremisme precies is of hoe we fascisme en nationaal-socialisme moeten definiëren, kan binnen het beperkte kader van dit artikel geen antwoord gegeven worden. Voor dit moment voldoet het er op te wijzen, dat het hier tenminste gaat om een patroon van waarden en normen, dat zich op verschillende manieren en in verschillende combinaties kan manifesteren. Nationaal-socialisten, nationaal-bolsjewisten, christenfundamentalisten, libertariërs, allemaal bevinden ze zich aan de rechterflank van het politieke spectrum. Toch hebben ze soms totaal verschillende opvattingen. Die kunnen zelfs zover uiteenlopen, dat de vraag gerechtvaardigd is, of het stempel extreemrechts wel een zinvol etiket is om de bonte verzameling mee aan te duiden. Fascisten en nationaal-socialisten dromen van een organische, harmonische 'volksgemeenschap'; voor libertariërs staat de ongeremde vrijheid van het individu - lees: het recht van de sterkste - in een vrije markteconomie voorop. De verschillen kunnen zich ook concreter manifesteren. Waar sommige rechtsextremisten zonder voorbehoud de politiek van de Verenigde Staten en Israël steunen, flirten anderen met het islamitisch fundamentalisme en prediken zij de wereldwijde Jihad.

Spanningsveld

Een beoordeling op basis van stereotypen maakt het niet alleen moeilijk de verschillende verschijningsvormen van een rechts-extremistisch gedachtegoed te verklaren. Het geeft ook een verkeerd beeld van de plaats van rechtsextremisme in onze samenleving.

Wat dat betreft is er sprake van een netelig spanningsveld. Het Franse anarchistische blad Le Libertaire reageerde op de 'Anschluß', het opgaan van Oostenrijk in Nazi-Duitsland, met de opmerking dat het ‘Duitse imperialisme noch meer noch minder doet dan zijn rol te spelen (..). In dit geval, is het nauwelijks van belang of het betreffende imperialisme is getooid met een swastika of niet.’ Het idee van fascisme en nationaal-socialisme, als een voortzetting van het kapitalisme met andere middelen, was niet ongebruikelijk onder bepaalde communistische en anarchistische groeperingen. Er schuilt niettemin weinig waarheid in. Het kapitalistische systeem in Duitsland had geen zes miljoen vermoorde Joden nodig om te kunnen overleven. Nationaal-socialistische en fascistische bewegingen brengen waarden in de praktijk die (bij uitzondering) zelfs regelrecht in kunnen druisen tegen het belang van de burgerlijke elite.

Dat gezegd hebbende, belanden we vanzelf aan de andere kant van het spanningsveld. Daar bagatelliseert men op een andere manier. Niet door kapitalisten en fascisten op één hoop te gooien, maar door middel van 'exorcisme'. Alle waarden en praktijken waar men niet mee vereenzelvigd wenst te worden, projecteert men op één soort volmaakte schurk: de kale neonazi. Daarmee wordt de mogelijkheid uitgesloten, dat gewone burgers - of erger, wij zelf - bepaalde waarden hebben geïncorporeerd, zoals racisme, antisemitisme of (hetero)seksisme. Dat dergelijk gedachtegoed niet voorbehouden is aan extreemrechts, is bijvoorbeeld terug te zien in de huidige massacultuur, de moderne 'scheppingsverhalen' van deze samenleving. Star Wars of Lord of the Rings: het goede is het witte; de man de held; de vrouw de beloning; en het zwart vertegenwoordigt het eeuwige kwaad. De fundamenten van de Westerse maatschappij zijn op deze racistische en patriarchale dichotomieën gebouwd.

De aanwezigheid van deze 'grondstoffen', wil niet zeggen dat de Westerse cultuur fascistisch is. Rechtsextremisme is meer dan de som der afzonderlijke delen. De burgerlijke maatschappij levert weliswaar de voedingsbodem voor fascisme of nationaal-socialisme, het blijven niettemin specifieke stromingen, die in principe haaks kunnen staan op de belangen en waarden van liberalen of christenen. Een antifascistische beweging moet zich bewust zijn van dit spanningsveld, en hier voorzichtig in manoeuvreren. Enerzijds dreigt een paranoïde beeld van 'wij tegen alle anderen', anderzijds een weinig productief aanhollen achter een meute gemarginaliseerde neonazi's. Helaas lijkt het evenwicht zoek te zijn, en concentreert men zich vrijwel uitsluitend op de laatste groep. Hoe vergezocht misschien ook, de reden daarvan kan gevonden worden in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

Helden en boeven

Het hierboven genoemde exorcisme maakt deel uit van het dagelijks leven in een burgerlijke maatschappij. Maar het vormt ook een centraal onderdeel van het 'grote verhaal' van de recente Nederlandse historie. Volgens de historicus Chris van der Heijden is in de officiële geschiedschrijving de Tweede Wereldoorlog ‘een oorlog van helden en boeven’. Je had de nazi's, geholpen door wat laffe Nederlandse NSB'ers. Daartegenover stond een omvangrijk, heldhaftig verzet, massaal gesteund door het Nederlandse 'volk'. In die visie is de bezetting een tijdelijke, radicale breuk, met alle waarden die de Nederlandse samenleving zouden kenmerken.

Of het door Van der Heijden geschetste beeld van de geschiedschrijving juist is, valt te bezien. In ieder geval was er veel meer sprake van continuïteit tussen de periode vóór de oorlog en de bezetting. Gedurende de jaren dertig lag de democratie voortdurend onder vuur, met name vanuit rechts. Dat veranderde pas door de externe dreiging van nazi-Duitsland. Deze maakte de democratie tot symbool van nationale zelfstandigheid. Daarmee verdween de twijfel over de democratie als systeem niet, zij werd slechts afgeleid.

Ondanks het latere cordon sanitaire rond de Nationaal Socialistische Beweging (NSB), als vijfde colonne van de Duitse dreiging in Nederland, stonden grote groepen niet afkerig tegenover onderdelen van de fascistische of nationaal-socialistische ideologie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de door de historicus Lou De Jong beschreven reacties in de Nederlandse dagbladen op de opkomst van Hitler en zijn nationaal-socialisten. De Telegraaf schreef waarderend dat Hitler ‘het bolsjewistisch gevaar in Duitsland had vernietigd, nog voor hij rijkskanselier werd’. Eenzelfde geluid was te horen bij de religieuze dagbladen. De antirevolutionaire Standaard zag in de Sovjet-Unie een groter gevaar dan in Duitsland, bovendien verwierp men de republiek van Weimar. Deze ‘gaf veel te veel vrijheden, naaktgymnastiek en goddeloosheid namen toe en van de vrijheid werd niets dan misbruik gemaakt.’ Ook het katholieke De Tijd was het ‘geheel met Hitler eens, wanneer hij verklaart dat de ingezette strijd tegen het marxisme een strijd is op leven en dood’.

Antifascisme of nationalisme?

Van een antifascistische grondhouding was geen sprake in het Nederland van de jaren dertig. Er bestond brede sympathie voor elementen uit het fascisme en het nationaal-socialisme. Het 'kordate' optreden van Hitler en Mussolini ten aanzien van links wekte bewondering. Ook de kritiek op de democratie en het gebrek aan gemeenschapszin deelde men met extreemrechts. Dat de steun voor de NSB beperkt bleef werd dan ook niet veroorzaakt door afkeer van fascisme of antisemitisme, laat staan uit liefde voor de democratie. Na een aanvankelijke winst, bleef een electorale doorbraak uit. Niet in de laatste plaats omdat liberalen en confessionelen tal van programmapunten kopieerden, daarmee de nationaal-socialisten de wind uit de zeilen nemend. Zelfs in sociaal democratische kring werd het volkssocialisme populair.

Toen de verwachte successen bij de verkiezingen uitbleven, ging de NSB zich steeds meer op nazi-Duitsland richten. Daarmee groeide de NSB uit tot een exponent van het agressieve Duitse buitenlandse beleid, dat in toenemende mate een bedreiging vormde voor de nationale onafhankelijkheid. Vanaf dat moment kon de NSB op scherpe afkeuring rekenen in de media en in burgerlijke kring. Aanvankelijk namen de gevestigde partijen standpunten van de NSB over, later voegde men zich uit nationalistische overwegingen in een cordon sanitaire. Dat heeft weinig van doen met antifascisme.

Neem het voorbeeld van minister-president Colijn, hét gezicht van de jaren dertig in de Nederlandse politiek. Reeds voor de oorlog was hij een van de mensen die zich in zijn optreden en uitspraken veelvuldig op het randje van de parlementaire democratie bewoog. Die lijn zette hij consequent voort na de Duitse inval. Tijdens de bezetting publiceerde Colijn een boekje waarin hij zijn antidemocratische opvattingen vrijelijk verkondigde. Daarin stond niets wat hij tevoren niet verkondigd had, stelt ook Van der Heijden. Hij komt zelfs tot de slotsom, dat ‘tal van denkbeelden die later met het fascisme geassocieerd werden, voor 1940 in ruime kring verbreid waren.’ De grens van het aanvaardbare lag niet bij fascist of antifascist zijn, maar of men deze opvattingen binnen of buiten het kader van de nationale gemeenschap definieerde. Volgens de vooraanstaande nationalistische, zelf niet van het Mussolini-fascisme afkerige denkers Gerretson en Geyl, was de NSB met haar pro-Duitse koers hierin te ver gegaan. Want, ‘wie zijn normen van elders ontleende, wie de basisprincipes van de Nederlandse samenleving zoals uitgedrukt door koningshuis en landgrens (...) verwierp, was buitengesloten. Wie Oranje en grens aanvaardde, was deel van de Nederlandse gemeenschap, ook al was hij antidemocraat’, aldus Van der Heijden.

De bittere waarheid

Na de Duitse inval pasten de meeste mensen zich aan en gingen verder met het leven van alledag. De situatie verslechterde aanvankelijk ook niet dramatisch - voor de meeste Nederlanders dan. Vooral het bedrijfsleven vaarde wel bij de nauwe banden met de Oosterburen. En er was toch maar mooi orde en veiligheid, zo meenden velen.

In plaats van goed tegen kwaad, zwart tegen wit, pleit Van der Heijden dan ook voor een onderscheid in grijstinten, bij een analyse van de houding van de Nederlandse bevolking tijdens de Duitse bezetting. Niemand had het volledig bij het rechte eind; niemand was volledig en overtuigd fout, aldus zijn conclusie. Hoewel een welkome correctie op de burgerlijke, nationalistische geschiedschrijving, draaft de historicus hier door. Allereerst waren er wel degelijk mensen die nee zeiden, die zich verzetten. Weliswaar met relatief kleine aantallen, vochten antifascisten als Sneevliet in het Marx-Lenin-Luxemburg-Front vanaf het begin van de bezetting terug tegen het nationaal-socialisme. Ook de Februaristaking en het massale verzet van communisten was legendarisch. Voorts hielden het joodse verzet; de knokploegen; hulp aan onderduikers; het kunstenaarsverzet en dergelijke, het vaandel hoog. Dat niet erkennen, is het nationalistische beeld, van het heldhaftige Nederlandse volk tijdens de bezetting, vervangen door die andere nationalistische mythe van de ‘bezadigde natie’, waarin iedereen rustig en tevreden is.

Een minstens zo belangrijke kritiek betreft Van der Heijdens weigering een ethisch oordeel te vellen over de daden van Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij wil slechts 'begrijpen'. Maar het nationaal-socialisme begrijpen en hier lessen uit trekken, is niet mogelijk zonder moreel oordeel. Zo'n benadering leidt tot een relativering van de misdaden van hen die fout waren. Stellen dat er geen zwart of wit, geen goed en kwaad was, kan tot tegengestelde conclusies leiden. Blijkbaar is het ene grijs het andere niet is. Zien we de periode van de jaren dertig en de oorlog onder ogen zoals het was, dan is er geen plaats voor relativering. Inderdaad, het kwaad was niet slechts het product van enkele superschurken. Maar daaruit volgt geen vrijspraak voor allen.

De schaamte voorbij

Na de oorlog volgde een periode van verdringing. Echte analyses van hoe het allemaal had kunnen gebeuren, bleven uit. Niet de samenleving die het rechtsextremisme had gebaard werd voor het gerecht gedaagd. Het bleef bij de, overigens terechte, veroordeling van enkele prominente nazi's.

Later, vanaf de jaren zestig volgde de schaamte. Dit collectieve schuldcomplex van de Nederlandse samenleving had op het eerste gezicht niet zulke negatieve gevolgen. Toen eind jaren zeventig, begin jaren tachtig extreemrechtse partijen als de Nederlandse Volks Unie (NVU) en de Centrum Partij (CP) wederom in omvang groeiden, was de reactie massaal en radicaal. ‘Nooit meer fascisme’, was een leus die velen op de been bracht. Naast solidariteit met vluchtelingen en afkeer van racisme, zal voor grote groepen de al dan niet indirecte herinnering aan de oorlog hierbij een grote rol hebben gespeeld.

Maar terwijl het slinkende restant van de buitenparlementaire beweging de rechts-extremisten op de hielen bleef zitten, kwam gedurende de jaren negentig een dramatisch wijziging in de publieke opinie aan het licht. Intolerantie, vreemdelingenhaat en repressiedenken bleken wijdverbreid te zijn, tot ver buiten de kringen van traditioneel extreemrechts. De beleving van de Tweede Wereldoorlog veranderde. Men was de schaamte voorbij, het grijze relativeren begon. Nu bleek ook hoezeer het 'antifascisme uit schuld' een lege huls was geweest. Achteraf kan men stellen dat dit misschien wel altijd het geval was. In het Nederland van de jaren tachtig was het mogelijk ‘nooit meer fascisme’ te roepen, om tegelijk zonder blikken of blozen over de buitenlandse buurman te roddelen. Van een antifascisme op inhoud was voor grote groepen geen sprake geweest. Dat moest de linkse beweging vroeg of laat opspelen. Terwijl de dreiging groeide van een nieuw, populistisch rechts dat zich buiten de geijkte bruine kaders kon bewegen, verloor nu zelfs het bestrijden van de meer traditionele, de meest extreme splintergroeperingen aan kracht. Door de inhoudelijke verschraling binnen de antifascistische beweging was men zich steeds meer gaan beperken tot een appèl op het trauma van de bezetting. Maar wat doe je als die herinnering uitgewerkt is; zijn emotionele aantrekkingskracht verliest? En hoe moet je een beweging als het Fortuynisme aanpakken, die niet of nauwelijks aantoonbare banden heeft met het traditionele fascisme van de Tweede Wereldoorlog?

Rechtspopulisme

Fortuyn was geen fascist. Dat wil niet zeggen dat hij het niet waard was bestreden te worden. Zijn extreem neoliberale denkbeelden, zijn racisme, vrouwvijandigheid en autoritarisme waren elk op zich gevaarlijke ideeën voor progressief Nederland. Dat is de inhoud waarop een dergelijk fenomeen bestreden dient te worden. Hardnekkig blijven proberen een verband te leggen met traditioneel extreemrechts of de Tweede Wereldoorlog is een zwaktebod. Juist omdat het rechtspopulisme daar weinig verwantschap mee had, en omdat het zijn ideeën binnen het kader van het Nederlandse nationalisme formuleerde, kon het een serieuze politieke kracht worden, met een invloed die tot diep in de andere, grote politieke partijen reikte.

Terug naar de inhoud dus. En meer aandacht voor de racistische, antisemitische en patriarchale normaliteit. Opnieuw analyses maken van rechtse bewegingen, niet enkel er op gericht om een verband leggen met traditioneel extreemrechts, maar bovenal om ze te begrijpen in al hun facetten. Zo'n analyse zal vanzelf mogelijke samenwerkingspartners aanwijzen, want verbreding van de antifascistische beweging is noodzakelijk. Niet alleen anarchisten, autonomen of communisten; ook migrantengroepen, vrouwenorganisaties en vakbonden zijn gediend bij een sterk antifascistisch en antiracistisch geluid. Natuurlijk blijft het bestrijden van traditioneel extreemrechts noodzakelijk. Niet alleen omdat deze groepen vaak een directe, fysieke bedreiging vormen voor links, ook omdat die strijd een kapstok kan zijn voor antifascistische bewustwording. Daarvoor is wel een verzet op basis van inhoud nodig, niet op basis van stereotypen.

Grenzeloos nr. 110
Een mooie, sombere film
Jasper Blom (red.) De kredietcrisis, een politiek economisch perspectief
Kritiek: jaarboek voor socialistische discussie en analyse
Ulrike Meinhof
Meer artikelen...
Archief nieuwsberichten ->
International Viewpoint

International Viewpoint is het maandelijkse engelstalige magazine van de Vierde Internationale. De SAP is aangesloten bij deze internationale organisatie. IVP geeft een blik op radicale alternatieven wereldwijd; nieuws, analyse en debatten vanuit alle delen van de wereld.

IV433 - February
Greece - Statement of the assembly of migrant hunger strikers
Egypt - Whither Egypt?
Ireland - Vote for the United Left Alliance

IV432 - January
Tunisia - "I know now that revolution is possible"
Tunisia - The revolution is on the march!
Indonesia - Remembering mass-murder
Debt - The people of Europe should audit the debt
Tunisia - All victory to the Tunisian Revolution; the forefront of the revolution in North Africa and the Middle East
Algeria - No to neoliberalism! No to the free market! For a politics that serves the needs of the people!
Ireland - The Irish crisis: a complete failure for neo-liberalism
Tunisia - "Ben Ali assassin, Sarkozy accomplice"
Tunisia - The social and democratic revolution is on the march!
Mexico - Not one single more death!
Mexico/Climate - "Before COP 16 and its false solutions, for an eco-socialist alternative."


Bijdrage van op 22-07-2007:
Slecht Nederlands!
Bijdrage van Jochem Visser op 15-08-2003:
Fascisme en Fortuyn

Het is van groot belang om de politieke beweging van Pim Fortuyn te analyseren in het licht van de huidige opvattingen over de aard en karakter van het fascisme. Het fortuynisme is de eerste beweging geweest na 1945 die extreemrechtse populistische opvattingen heeft verkondigd welke door groot aantal kiezers werd ondersteund. Een reactie op het artikel van Koen Haegens is daarom gepast.

Het is een knap lastige zaak om het fascisme van een goede definitie te voorzien. Iedereen heeft ongeveer wel een idee wat het zo moeten zijn, maar een eensluidende karakterisering ontbreekt. Antifascisten worden zodoende voor problemen geplaatst. Relatief eenvoudig is het in die situatie waarbij het fascisme duidelijk zijn kop op steekt. In de jaren dertig was er een breed antifascistisch front in Europa. Een echo hiervan was er in de jaren tachtig toen er tegen de opkomst van rechts-extreme splinterpartijen flink verzet werd geboden door de Antifa-beweging. Als er groeperingen zijn die zich overduidelijk manifesten met hakenkruizen, runentekens en haatleuzen is het niet zo lastig om 'Anti' te zijn. Veel moeilijker is het te reageren op het brede racisme dat onder een groot deel van de bevolking bestaat. Zeker als door politici juist van dit volkse racisme op een handige manier gebruik gemaakt wordt om gewin te behalen.

Fortuyn een fascist? Om een dergelijke vraag te beantwoorden is het noodzakelijk voor links te kijken naar de bestaande analyses, typeringen en omschrijven bezien om het fascisme beter te omschrijven. Natuurlijk is hier slechts sprake van een korte aanzet van aantal elementen, niets uitputtends dus.

Opvallend was Fortuyns wens om eindelijk eens op te ruimen met de bestaande politieke kaste. De Haagse politiek diende vernieuwd te worden. Hij sprak in dit verband over de wel bekende 'puinhopen'. Fortuyn als de spreekbuis van het burgerlijke ongenoegen. Zoals zijn critici al direct zeiden waren zijn ideeën een ratjetoe van opvattingen die ogenschijnlijk niet met elkaar in overeenstemming te brengen. Een goed voorbeeld was zijn technisch onuitvoerbare idee voor minder bureaucratie, minder ambtenaren, maar tegelijkertijd wel meer en betere zorg en onderwijs.

Maar dit soort zaken waren voor Fortuyn slechts kleine kwesties die door hem, als het eenmaal zo ver zou zijn, gemakkelijk konden worden opgelost. Deze politieke houding om in een handomdraai oplossen van gecompliceerde zaken is een typisch ideologisch kenmerk van een fascistische beweging. Namelijk dat de materie onderschikt is aan de wil en het inzicht van een enkele leidsman. Hij, bijgestaan door een select gezelschap deskundige doeners, zouden op alle maatschappelijke vragen een passend antwoord weten. De politieke avant-garde van gelijkgestemde weldoeners dus.

Verder heeft de LPF zich laten leiden door een politiek van wrok. Fortuyn heeft een 'rancuneleer' (om Ter Braak aan te halen) verkondigd tegenover de politieke elite en de migranten. Fortuyns opvattingen over de democratie zijn zeker fascistoïde te noemen. Weliswaar vormde de democratie stelsel een verworven recht, maar zij geldt alleen voor diegenen die tot het besef gekomen zijn dat een herstel van de Nederlandse waarden en normen noodzakelijk is en bovendien ervan doordrongen zijn dat de westerse cultuur superieur is aan bijvoorbeeld de islamitische cultuur. In lijn hiermee sta ook het uitgangspunt dat de wensen van het volk door een politiek leider, beter kan worden gediend dan door de oude verdeelde politiek. Een leider die intelligent is, een opvallende persoonlijkheid is en weet wat er onder de mensen speelt. Iemand bovendien die op een moderne manier communiceert met de kiezers. Per talk show, televisiequiz en interviews de bevolking op een directe manier in de huiskamer weet te bereiken. De perfecte vorm van directe democratie. Een politieke attitude geheel in lijn met Carl Schmitt.

Indien er in Nederland gesproken wordt over het begrip fascisme komen automatische de sproken van de bezettingstijd te voorschijn. Dit is een probleem bij de politieke typering van de Fortuynbeweging. Terecht zijn types als Glimmerveen, Janmaat of Kusters in het publieke denken in de verdomhoek gesteld. Zij waren duidelijk fout. Maar het denken in goed en fout á la Lou de Jong heeft de discussie over extreemrechts geheel beheerst en in een sterk moreel kader gesteld. Het gevolg hiervan was dat ‘links’ geen goede, nuchtere analyse heeft kunnen maken van het rechtspopulisme van Fortuyn.

Fortuyn werd in de verkiezingscampagne door menigeen geassocieerd met politiek van de nazi’s. Zo vergelijking is dan wel overtrokken en feitelijk incorrect, maar dit wil niet zeggen dat de opvattingen van Fortuyn geheel smetvrij zijn geweest. Misschien is een vergelijking met iemand als Mussolini ook te veel eer voor Fortuyn. Hij leek eigenlijk veel meer op iemand als de Britse fascistenleider Oswald Mosley. Hij was in de jaren twintig iemand die zijn ontevredenheid met de oude politieke orde in Groot-Brittannië om wilde zetten in een nieuwe politieke beweging. Een nieuwe, moderne politiek in tred met de tijd. Om de ontevreden massa’s in East End op zijn hand te krijgen leende hij de opvattingen uit het fascistische Italië en later uit Nazi-Duitsland. Fortuyn leende op zijn beurt van Berlusconi, Haider en De Winter.

Wat maakt Fortuyn niet tot een fascist? Allereerst het ontbreken van geweld. De fascistische beweging maakt traditioneel gebruik van politiek geweld. Via eigen clubjes, organisaties wordt er straatgeweld gecreëerd. Geweld is een typisch fenomeen van het traditionele fascisme. Men heeft het kunnen zien in Italië, Duitsland, Spanje en later ook in Argentinië.
Bij het fortuynisme ontbreekt het geweld, althans in buitenwettelijk geweld.
Maar een krachtige politiebeleid wordt juist toegejuicht. Ook de politie maakt gebruik van geweld, bij de uitzetting van zogeheten illegalen en bij het handhaven van de orde. De LPF is positief geweest om bestaande opvattingen over de geweldstoepassing door de staat te veranderen. Met de eventuele toepassing van de doodstraf (Nawijn) als ultieme statelijke geweldsdaad.

De moeilijkheid voor de antifascistische beweging om de opkomst van Fortuyn en de verrechtsing van de burgerlijke politieke partijen te duiden heeft niet alleen te maken met een vermindering van historisch bewustzijn rond de oorlog en de jodenvervolging. Veeleer is het feit dat het bestaande politieke stelsel in steeds sneller tempo erodeert. De liberaal-democratische instellingen, uit de negentiende eeuw en de sociale verzorgingstaat uit de twintigste eeuw hebben bieden geen volledige garantie voor politieke participatie en betrokkenheid van mensen bij de samenleving. De invloed van de mondialisering dient hierbij niet te worden onderschat.
Het neoliberalisme vreet langzaam de arrangementen van de verzorgingsstaat weg en veroorzaakt zodoende nieuwe sociaal-economische onzekerheden. Onzekerheden waar mensen in de volksbuurten last van hebben, maar zeker ook de middenklasse. Een middenklasse die zich de laatste jaren blind hebben geconsumeerd en nu opgezadeld is met grote schulden.
Daarom werd door veel mensen aan de woorden van Fortuyn waarde gehecht. Zijn politieke sprookje, waarin alle complexe maatschappelijke problemen snel zouden verdwijnen door middel een vernieuwde Nederlandse identiteit en een wijgevoel, werd maar graag geloofd.

Het kapitalisme is geen fascisme. Maar als de invloed van het bedrijfsleven groeit en de bestaanszekerheid, door migratie, werkloosheid en rechteloosheid wordt bedreigd. De internationalisering van het kapitaal vormt in Europa wel de voedingsbodem voor nieuwe fascistoïde politieke stromingen, ook na de vroegtijdige dood van Fortuyn.


15-8-2003
Mijn reactie op dit artikel ...
Naam:
Email adres:
Reactie:
De inhoud van reacties vallen niet onder verantwoordelijkheid van de Grenzeloos-redactie. Bijdrages van lezers met een sexistische of discriminerende inhoud worden van de Grenzeloos site verwijderd. De schrijver (indien bereikbaar) van de reactie krijgt bericht van de verwijdering.