|
22 jaar later is er veel veranderd in de financiële wereld. Niet alleen in Londen maar wereldwijd zijn sinds de jaren ’70 de waarden die verhandeld worden, in de verschillende financiële markten, onophoudelijk en in een steeds hoger tempo gegroeid. Het lijkt wel een exponentiële groei van vraag en aanbod. Waar komt dat toch vandaan die vraag en dat aanbod? En hoe zit dat met de huidige ‘krediet crisis’ die in respectabele zakenkranten door sommige commentatoren wordt vergeleken met de krach die voorafging aan de depressie van de jaren 30’? Om deze vragen te beantwoorden wil ik eerst een verklaring formuleren voor de financiële revolutie in de laatste drie decennia, vervolgens wil ik een kort overzicht geven van een aantal veranderingen. Als laatste ga ik in op de huidige financiële crisis. In de naoorlogse Bretton Woods periode (genoemd naar het conferentieoord waar in 1944 een internationale politiek voor de valuta transacties werd afgesproken) was de mobiliteit van kapitaal beperkt. Het fenomeen wat we nu kennen als “flitskapitaal” was toen iets uit het verre verleden, van voor 1929. Beleidsmakers en politici hadden geleerd van de jaren van chaos en oorlog uit de eerste helft van de 20e eeuw. De sociaal-democratie had om een nationaal georiënteerd economische beleid te voeren,. het kapitaal aan banden gelegd en protectionistische muren om de landsgrenzen opgeworpen Toen deze gouden periode tot een eind kwam en de bewegingsvrijheid van het kapitaal in de jaren ‘70 toenam, begonnen tal van zaken in beweging te komen: de omzet en winst van de banken, de totale kredietverlening, de omzet en nieuwe emissies op de beurs en de obligatie markt. Op al deze gebieden tekende zich een breuk af met de periode ervoor en begon een opwaartse mars. Sinds de jaren ‘70 is het echter veel meer dan een verhaal over steeds grotere kapitaalstromen. Er is sprake van een kwalitatieve verandering. De volgende tendensen hebben duidelijk hun stempel gedrukt. In de eerste plaats zagen we het ontstaan van nieuwe, grotere en complexe financiële spelers. Na de beurskrach van 1929 werden beurshandel, kredietverschaffing en verzekeringsactiviteiten gescheiden zodat het omvallen van één sector niet de andere sectoren zou meetrekken. Deze splitsing kwam door fusies geleidelijk tot een einde en we zagen hoe een aantal strategisch geplaatste investeringsbanken in het centrum van een nieuw finnacieel web terecht kwamen. Een tweede tendens was de spiraal van dereguleren en privatiseren die nationale staten concurrenten van elkaar maakten. Landen volgden elkaar in het wegnemen van obstakels voor financiële transacties. Een bundeling van ICT hardware, software, nieuwe handelstechnieken en een instroom nieuwe van wiskundige en natuurkundige methoden in de financiële wereld zette een hoop in beweging. Op grofweg twee fronten vonden innovaties plaats die uitmondden in steeds grotere markten. Eén front was het managen van risico’s en het afdekken van fluctuaties in wisselkoersen, rente en prijzen in de markt voor derivaat ‘producten’ (afgeleide producten zoals opties). Het andere front was de toevoeging van nieuw te verhandelen waarden door middel van ‘securitisatie’, oftewel het doorverkopen van bundels leningen (zoals bijvoorbeeld hypotheken) waarbij in de aankoopsprijs de toekomstige winst is verdisconteerd. Deze bundels worden zelf ook weer voorwerp van handel. Er ontstaat dus niet alleen een handel in geld en leningen, maar ook rechten daarop. De afstand tussen het finnaciele ‘product’, als handelwaar tot de eigenlijke econimiscvhe activiteit wordt steeds groter. Een laatste tendens was de transnationalisatie van de financiële markten en een steeds grotere concentratie van activiteiten en innovatieve clusters in New York en Londen.. Deze bundeling van veranderingen geven in principe alleen oppervlakte verschijnselen aan. De achterliggende causale relaties of het historische mechanisme wordt niet meteen duidelijk. We zien een groei van de financiële waarden ten opzichte van de tastbare economie. De kloof is alleen maar verder gegroeid. De een wordt gemeten in biljoenen en de ander in miljarden. Giovanni Arrighi heeft het theoretische kader van wereldsysteemtheoretici als Fernand Braudel en Immanuel Wallerstein verder ontwikkeld. Hij ziet in de huidige fase van het kapitalisme overeenkomsten met perioden uit het verleden. Voor Arrighi is in navolging van Gunter Frank, Braudel en Wallerstein het kapitalisme ouder dan het industriële tijdperk. In zijn analyse zien we sinds de 15e eeuw vier accumulatie cycli. Deze perioden kennen allemaal een periode van kapitaalsaccumulatie door middel van het vergroten van de inzet van arbeid, kapitaal en grondstoffen. Na deze periode van materiele expansie volgt een periode waarbij financiële activiteiten gaan overheersen. In Amsterdam was dit de gouden eeuw en de opkomst van de rentenierseconomie. In deze periode waarin financiële activa belangrijker worden dan investeren in productie en handel, komt een nieuwe economische macht op waar het hegemonische centrum in gaat investeren. Zo financierde Amsterdam de opkomst van Londen en de Britse industriële revolutie. Later waren het de Britse banken die in de tweede helft van de19e eeuw het industriële wonder in de VS financierden. Als we nu naar China kijken, worden de parallellen met het heden duidelijker. Het is lastig om deze brede argumentatiestroom goed op waarde te schatten. Het is in ieder geval behulpzaam om te zien dat er in het verleden van het kapitalisme ook perioden zijn geweest waarbij de financiële wereld in een enorm waterhoofd veranderde. Los van de vraag van de grotere historische krachten die aan het werk zijn, kunnen we een aantal ingrediënten opnoemen die specifiek van deze tijd zijn en waarschijnlijk een grote invloed zullen hebben. Het eerste punt is de groeiende schaarste van natuurlijke hulpbronnen, waardoor de tastbare economie van een conjuncturele in een structurele crisis terecht kan komen. Het tweede punt is de opkomst van reusachtige spaarpotten in de vorm van institutionele beleggers en hiermee samenhangend het probleem van te veel spaargeld. Ik beperk me nu tot het laatste probleem van de institutionele beleggers. De groei van de institutionele beleggers heeft verschillende oorzaken. Hierbij is het van belang om te zien dat ontwikkelde economieën een institutioneel verschillend type kapitalisme hebben. De verschillen worden duidelijk als we de grootte van pensioenfondsen, kapitaalmarkten, banken, enz. tegenover elkaar zetten (Zie plaatje). De totale tegoeden van institutionele beleggers verdubbelden van (14 biljoen dollar) 59% van het wereldproduct in 1990 naar (39 biljoen) 125 % van de wereldeconomie in 2000. Schattingen van tegenwoordig gaan uit van 70 biljoen dollar. De grootste spaarpotten vinden we bij pensioenfondsen, en relatief de snelste steigers vinden we bij de staatsfondsen uit China en olierijke staten. Deze spaarpotten, en dan in het bijzonder hun grootte zijn een nieuw fenomeen. Terwijl het primaat van financiële instituten ligt bij de rol van intermediair en krediet verschaffer, groeien deze spaarpotten onafhankelijk van het macro-economisch proces. De grootte de beleggingen van deze reuzen hebben gaandeweg tot een schaarste aan verhandelbare financiële (beleggingsobjecten) tegoeden geleid. In de jaren ‘80 waren het vooral de staatsobligaties die deze honger stilden, in de jaren ‘90 de ICT beurshausse en vanaf 2000 zien we een verdere groei van verpakte (gesecuratiseerde) en verhandelbare schuld. Deze schuldbewijzen worden niet door banken uitgegeven maar door een web van tussenliggende spelers waarbij de handel en de omzet voorop staat en de relatie tussen risico en prijzen gaandeweg verloren is gegaan. Kortom de druk van institutionele beleggers om steeds grotere hoeveelheden financiële waarde op te potten, en de daaruit volgende schaarste van financiële producten heeft een grotere schuld bij huishoudens, bedrijven en overheden mogelijk gemaakt (zie grafiek voor een voorbeeld uit de VS). Andermans schuld is een belegging geworden. Deze schuld en de tussenliggende markt om deze te verhandelen aan institutionele beleggers is de kern van de huidige “hypotheekcrisis”. |