|
Terwijl de Franse koloniale oorlog in Algerije (1954-62) zijn einde naderde, liepen de spanningen in het ‘moederland’ hoog op. Begin 1961 werd de beruchte O.A.S. opgericht, een geheime organisatie van generaals die de onafhankelijkheid van Algerije ten koste van alles wilde verhinderen. Regelmatig werden Algerijnen het doelwit van bloedige Franse willekeur. De Franse Federatie van het Algerijnse bevrijdingsfront (F.L.N.) kwam hiertegen letterlijk in het geweer waarop de toenmalige Parijse politieprefect Maurice Papon – van wie inmiddels is vast komen te staan dat hij tijdens het Vichy-bewind ruim 16.00 Franse joden heeft laten wegvoeren naar concentratiekampen – met medeweten van de minister van Binnenlandse Zaken, Roger Frey op 5 oktober een avondklok instelde voor de ‘Français musulmans d’Algérie’. De FLN achtte deze maatregel anti-constitutioneel en rascistisch en deed kort daarna een oproep om de avondklok te negeren en een vreedzame demonstratie te houden. Op dinsdag 17 oktober 1961 trokken een kleine 30.000 Algerijnen, soms met hele families tegelijk, vreedzaam door de boulevards van de Franse hoofdstad. Lang duurde dit niet want zij werden opgewacht door een ‘politioneel ontvangstcomité’ van 6.000 man. Er volgde een ongehoord wrede repressie want Papon had zijn bataljon ‘de vrije hand’ gegeven. De politie schoot met scherp en bijna één op de twee werd ingerekend, opgesloten in stadions of weggevoerd naar ondervragingsruimtes. Ze kregen weinig te eten. Er waren nauwelijks medicamenten voor de talrijke gewonden. Ze werden ondervraagd-gemarteld (o.m. door de harkis, Algerijnse lekkertjes die meevochten met de Fransen), vermoord en in de Seine gesmeten. De lijken die dagen later uit de rivier werden gevist vertoonden tekenen van wurging of waren doorboord met kogels. Het aantal doden? De autoriteiten hielden het tientallen jaren op zes. In 1998 bracht een officiële onderzoekscommissie het vertrouwelijke ‘rapport Mandelkern’ uit waarin voorzichtig werd gesproken van ‘enkele tientallen’. Maar het werkelijke aantal (ge)dode ‘Français musulmans d’Algérie’ op 17/18 oktober ligt vrijwel zeker boven de 200. Nu was het martelen van en het schieten op Algerijnse demonstranten al voor 1961 in Frankrijk in zwang. Maar de intensiteit van deze georkestreerde razzia vormde een precedent in haar na-oorlogse geschiedenis. De ‘vuile oorlog’ van de Franse koloniale staat vond dus niet alleen plaats aan de overzijde van de Middellandse Zee maar ook daar waar ooit de wieg van de mensenrechten stond. Aan deze bloedige gebeurtenis mocht van staatswege geen enkele ruchtbaarheid gegeven worden. Na de fatale datum werden boeken (Ratonnades à Paris), bladen (Vérité-Liberté, Les Temps Modernes) en films (Octobre à Paris) in beslag genomen. ‘17 oktober 1961’ werd uit het bewustzijn en uit de geschiedenis gewist. Maar sinds de laatste 10 jaar zijn schrijvers, historici en verschillende organisaties erin geslaagd om deze ‘bloedige dinsdag’ weer in herinnering te brengen. Zo vond er van 9-21 oktober jongstleden in Parijs een Algerijns-Frans herdenkingsprogramma plaats. Met fototentoonstellingen, debat, films, optredens. En niet op de laatse plaats de presentatie van en discussie over de bundel Le 17 octobre 1961. Un crime d’Etat à Paris. Hierin wordt aan de hand van vooral Algerijnse getuigenissen, analyses van historici, filosofen en juristen en documenten van het F.L.N., van de Parijse politie en van het destijds verboden blad Vérité-Liberté een goed inzicht in de toenmalige situatie en de implicaties voor vandaag geboden. Op 23 oktober 2001 besteedde het Nederlandse televisieprogramma ‘Andere Tijden’ eveneens aandacht aan ‘de verdwenen dag’. Aan het slot van het boek staat een nuttige chronologie afgedrukt. Vanaf de jaren 1830 toen Abd el-Kader en de zijnen hun guerilla begonnen tegen de Franse bezetter tot en met december 2000 toen de (zij het ‘gezuiverde’) politie-archieven van 17 oktober 1961 ook door niet-officiele historici mochten worden ingezien. Verder een becommentarieerde biblio- en filmografie. Achterin de bundel is ook een lijst opgenomen van vele honderden (Euro)parlementariërs, burgemeesters, journalisten, vakbondsleden, artiesten, en wetenschappers. En Frankrijk zou Frankrijk niet zijn als niet ook een aantal psycho-analytici hun handtekening hadden gezet. Alle adherenten – het zijn er bij elkaar intussen meer dan 4.000 - bepleiten de noodzaak voor de Franse staat om eindelijk conform het internationaal recht deze ‘misdaad tegen de menselijkheid’ te erkennen. De hoogste autoriteiten evenwel houden de doos van Pandora liever gesloten. Zij houden krampachtig vast aan de stelling dat genoemde term alleen betrekking heeft op de periode van de Tweede Wereldoorlog, dwz. op de handelingen van de nazi’s en hun (Franse) handlangers Olivier Le Cour Grandmaison (red.), Le 17 octobre 1961. Un crime d’Etat à Paris. Op initiatief van het comité ‘17 octobre 1961 contre l’oubli’. (Parijs, 2001) 283 blz. Uitg. La Dispute. 19 euro. ISBN: 2-84303-047-1. |