15 April 2021

Ander Europa

Abonneren op feed Ander Europa Ander Europa
www.andereuropa.org
Bijgewerkt: 1 uur 1 min geleden

Berlijn: immobiliënkapitalisten onteigenen!

04/03/2021 - 13:34

4 maart 2021 - Berlijn is niet alleen de hoofdstad van Duitsland, maar het ziet er steeds meer naar uit dat Berlijn het Europese centrum van het verzet tegen hoge huurprijzen en woningarmoede wordt. Goed georganiseerde burgerinitiatieven en mobilisering van onderuit leidden een jaar geleden al tot de bevriezing van de huurprijzen gedurende vijf jaar in de Duitse deelstaat Berlijn; daarvoor werd een wet uitgevaardigd (bekend als Mietendeckel, huurplaffonering) door de rood-rood-groene Berlijnse deelstaatregering, die de eis van de burgerbeweging tot de hare had gemaakt. Voor ongeveer anderhalf miljoen gezinnen wordt de vrees voor te hoge huurlasten daardoor enigszins verminderd. Maar de huurcollectieven gingen daarna niet op hun lauweren rusten. Een van de belangrijkste daarvan voerde haar vroegere campagnes ook al onder het motto  Deutsche Wohnen & Co enteignen . ‘Deutsche Wohnen’ moet men weten is een beursgenoteerd bedrijf dat in Berlijn alleen al meer dan 100.000 woningen bezit; de cijfers tonen aan dat een huurder maandelijks 177 € betaalt aan de aandeelhouders van Deutsche Wohnen.  Dit kapitalistisch bedrijf onteigenen is dus wel een zeer ambitieuze slogan, en als men er de ‘&Co’ bij telt gaat het over maar liefst 240.000 woningen. Maar het vastberaden collectief schuwt geen moeite om van de slogan een realiteit te maken. De weg daarnaartoe is lang en onzeker, maar verleden week werd de eerste stap gezet. De bedoeling is om de wettelijke mogelijkheid van een volksreferendum te benutten en hierdoor voldoende politieke druk op de Berlijnse overheid (Senat) uit te oefenen om van de onteigening een feit te maken. De uitdaging is groot. Het referendum, dat samen met de Bondsdag- en Berlijnse deelstaatverkiezingen op 26 september gepland is, moet eerst door 175.000 geldige handtekeningen worden afgedwongen. De coronamaatregelen vergemakkelijken een dergelijke opdracht natuurlijk niet, maar de initiatiefnemers spreken van een aanmoedigend succes tijdens de eerste dagen van de campagne. In een interview met junge Welt zegt woordvoerder Michael Prütz dat er in het weekend 400 à 500 teams meer dan 10.000 handtekeningen hebben opgehaald. In Deutsche Wohnen & Co enteignen zijn ondertussen 1700 mensen actief. Er zijn vier maanden om in Berlijn de 175.000 handtekeningen te verzamelen. Een van de redenen waarom de initiatiefnemers er vertrouwen in hebben om deze kaap te halen is dat ze actieve medewerking krijgen van de grote vakbondsfederaties. Ver.di (dienstensector) zal zelfs intern campagne voeren voor de petitieactie, en ook IG Metall zegde onlangs zijn medewerking toe. Als men dan na een geslaagd referendum eenmaal in de politiek fase komt, valt het natuurlijk af te wachten welke politieke meerderheid (gezien de verkiezingen op 26 september) welke politieke beslissing neemt. Natuurlijk zien rechtse partijen hier het begin van een communistische staatsgreep in. De CDU organiseerde al een peiling, volgens junge Welt met tendentieuze vragen, maar dan is 36% van voorstanders van onteigening toch nog een opmerkenswaardig resultaat! Het blijft dus spannend om de ontwikkelingen in Berlijn te blijven opvolgen, maar belangrijker is nog dat dit voorbeeld navolging krijgt in de rest van Europa. (hm)    

Die Linke koos nieuw voorzitterschap

03/03/2021 - 13:45

3 maart 2021 - Op 26-27 februari koos de radikaal-linkse Duitse partij Die Linke een nieuw voorzitterschap. Het vorige voorzittersduo Katja Kipping- Bernd Riexinger heeft er 9 jaar opzitten, en in het vooruitzicht van de Bondsdagverkiezingen (26 september) werd al een tijd geleden voor een nieuwe leiding geopteerd. Door de coronaomstandigheden werd het congres herhaald uitgesteld, en verliep uiteindelijk grotendeels online. De partij wordt weldra geleid door een vrouwenduo, Janine Wissler en Susanne Hennig-Wellsow. Met deze keuze lijkt een compromis gevonden tussen twee stromingen in Die Linke die we gemakshalve als de ‘principiële’ en de ‘pragmatische’ kunnen aanduiden; men kan ook van ‘linksen’ en ‘hervormers’ (of ook realo’s) spreken. De pragmatici willen de beleidsbereidheid van de partij bewijzen, ook door programmapunten af te zwakken of tussen haakjes te plaatsen. De antimilitaristische traditie van Die Linke komt daarbij vaak ter sprake, in het bijzonder het anti-NATO-standpunt en het verzet tegen de buitenlandse inzet van de Bundeswehr, het Duitse leger. Alhoewel regeringsdeelname van Die Linke  op federaal vlak totaal uitgesloten is, stelt de kwestie zich mogelijks wel in een aantal deelstaten. In Thüringen is Die Linke de sterkste partij en regeert er met SPD en Grüne in een zgn. rood-rood-groene (rrg) coalitie. Op 26 september wordt er in Thüringen naast de Bundestagverkiezing ook voor het lokaal parlement (Landtag) gestemd [efn_note] Dat is ook het geval in Berlijn en  Mecklenburg-Voorpommeren. Eerder dit jaar zijn er Landtagverkiezingen in Baden-Württemberg en Rijnland-Palts (14 maart) en Saksen-Anhalt (6 juni).  [/efn_note]. Rood-rood-groen is er ook in de stadstaten Berlijn en Bremen. De nieuwe co-voorzitter Susanne Hennig-Wellsow is partijvoorzitter en Landtag-fractievoorzitter in Thüringen, het paradepaardje van de pragmatische stroming in Die Linke; ze kreeg 70,5% van de stemmen achter zich. Spreken van een zege van de ‘realos’ wordt echter tegengesproken door de nog hogere score (84,2%) voor Janine Wissler, de andere nieuwe Parteichefin, die vrij skeptisch staat tegen coalities met SPD en/of Grünen en zich tot de linkervleugel van de partij rekent. Een andere geruststelling voor de ‘principiële’ partijleden is dat Tobias Pflüger als één van de ondervoorzitters werd verkozen. Hij is een militante antimilitarist, die zich sterk verzette tegen eventuele herziening van het partijstandpunt inzake de inzet van de Bundeswehr. Ondertussen blijft de bezorgdheid in de hele partij over teruglopende populariteit zoals aangegeven in de polls, en de opgang van het uiterst-rechtse AfD. Als je sommige Duitse krantencommentaren op de Linke-verkiezing leest zou je kunnen denken dat de ‘bedreiging van de democratie’ niet van extreem-rechts komt, maar van dit vrouwenduo dat een bende “Antifa’s” gaat aanvoeren. (hm)    

Interessant leesvoer over Green Deal(s)

02/03/2021 - 13:46

[caption id="attachment_20337" align="alignleft" width="211"] Klikken op de afbeelding om de brochure down te loaden [/caption] 2 maart 2021 - De Spaans-Catalaanse initiatiefgroep "Debt Observatory in Globalisation" (ODG) stuurde gisteren een persbericht uit waarin de publicatie van een uitgebreide studie over de 'Green Deal' wordt aangekondigd. Het betreft een klein boek of een lijvige brochure (170 blz.) met de titel  "Green Deals in the Time of Pandemics. The Future will be Contested now", en de auteur is Alfons Pérez. De brochure is vrij beschikbaar, en de verspreiding ervan wordt aangemoedigd, ook via FaceBook en Twitter. We willen daar ook ons steentje toe bijdragen; ook al hebben we de brochure nog niet doorgenomen, het is duidelijk dat het om een kritisch, uitgebreid gedocumenteerd werk gaat, ecologisch en sociaal geïnspireerd. Eerst een woordje over de hier onbekende organisatie ODG. Ontstaan in 2000 rond een campagne voor  de opheffing van de externe schuld legt de groep zich toe op het publiek verschaffen van "rigoureuze, kritische directe informatie, om zo bij te dragen in het proces van opleiding, bewustwording en politieke druk", en dit op verschillende terreinen: schuld en financialisering, publiek-private samenwerking en privatiseringen, en energie en klimaat. Het project kreeg ondersteuning vanuit de  Polytechnische Universiteit van Catalonië in Barcelona. ODG staat op zijn politieke ongebondenheid; eerder humanistisch dan socialistisch wat maatschappijvisie betreft spreekt ODG zich uit voor "een politiek en sociaal systeem met het leven in het centrum", met aandacht voor ecofeminisme, volkssoevereiniteit en de 'commons'. De website van ODG heeft Catalaanse, Spaanse en Engelse versies. Over "Green Deals in the Time of Pandemics" werd in het persbericht hetvolgende gezegd:

De pandemie heeft de komst van een nieuwe reeks crisissen versneld,  met de ontplooiing van de Europese Green Deal als gevolg, waaraan gekoppeld de EU-fondsen in het kader van het historisch 'Next Generation' initiatief. Om deze context te analyseren heeft ODG het boek "Green deals in the time of pandemics - the future will be contested now" uitgebracht, van de hand van ingenieur en onderzoeker Alfons Pérez,. Hierin wordt een diepgaande analyse gemaakt van de economische beleidsmaatregelen en instrumenten en hun relatie tot groene groei, digitalisering, extractivisme, overmatige schuldenlast en nieuwe bezuinigingsmaatregelen; Het boek behandelt ook manieren om uit de economische, sociale en ecologische tsunami te geraken die op komst is.

De EU heeft zich ten doel gesteld om tegen 2050 klimaatneutraal te worden en heeft daartoe de European Green Deal (EGD) gepromoot en goedgekeurd; een uitgebreid plan van hervormingen om de Europese economie te heroriënteren naar een groene overgang. De EGD is de meest tastbare green deal tot nu toe, maar hij heeft ernstige beperkingen en risico's die de doeltreffendheid ervan in twijfel trekken.

De EGD ontkoppelt economische groei en productie van energie- en materiaalverbruik, maar houdt geen rekening met de uitbesteding van industriële processen,  of het effect van invoer. De uitstoot daalt binnen de EU, maar blijft van invloed op de klimaatverandering daarbuiten. "Het is niet bewezen dat het mogelijk is om te blijven groeien en tegelijkertijd het emissieverbruik te verminderen," zegt Alfons Pérez.

Over de EU-fondsen:

Een andere factor die meespeelt, zijn de EU-fondsen, 750 miljard euro aan subsidies en kredieten, gefinancierd door de uitgifte van EU-schuld, met het risico dat miljoenen worden gestoken in valse oplossingen zoals groene waterstof en greenwashing van grote mijnbouw- en oliebedrijven.

Deze fondsen wijzen ook op een groen herstel op basis van technologie en digitalisering, waardoor de winning van kritieke materialen als nikkel, kobalt of lithium drastisch zal toenemen, waarbij voorbij wordt gegaan aan de ernstige sociale en milieugevolgen die zich zullen voordoen in landen als Congo, Indonesië, Chili, Bolivia, Argentinië, Zambia of Australië, om er maar een paar te noemen.

Tot slot wijst het boek op enkele 'vergetelheden' in de Europese Green Deal: de biofysische grenzen erkennen en respecteren, een economie opbouwen die gericht is op het genereren van welzijn, banen die zorg dragen voor het leven centraal stellen, het werk herverdelen en de arbeidstijd verkorten, en ervan uitgaan dat ons herstelbeleid niet ten koste mag gaan van andere regio's. Reden genoeg dus om de brochure down te loaden, er desnoods een Engels woordenboek bij te nemen, en meer te vernemen over de 'Green Deal'. Oh ja, de reden waarom er Deal(s) staat in de titel  wordt uitgelegd op blz. 16. (hm)    

Een repliek op de Oproep tot kwijtschelding van de overheidsschuld door de ECB

01/03/2021 - 23:30

1 maart 2021

We publiceerden onlangs een oproep voor kwijtschelding van staatsschulden door de Europese Centrale Bank. De oproep ging uit van een reeks linkse economen, academici, politici en verantwoordelijken uit sociale bewegingen. Op 27 februari verscheen een alternatieve oproep in Le Monde [efn_note] Le Monde, 27 februari 2021, « D’autres solutions que l’annulation de la dette existent pour garantir un financement stable et pérenne » [/efn_note], geschreven door 7 Franse economen en internationaal ondertekend door een tachtigtal linkse academici, waarin ze hun meningsverschil met de eerdere oproep proberen uit te leggen. Onder de bekendere ondertekenaars vermelden we Michel Aglietta, Jacques Généreux, Adam Tooze en Michel Husson (één van de auteurs). Het leek nuttig ook deze oproep breder kenbaar te maken, als bijdrage tot het belangrijk debat over geld en schuld.

Van de oproep verscheen ook een Engelstalige versie, Cancelling a debt we already own is a lure, die soms wat afwijkt van de Franse.

Het einde van de gezondheidscrisis is nog niet in zicht, maar het bezuinigingsmuziekje begint al wel door te klinken. Niettegenstaande de begrotingsorthodoxie sprongen overheden de economie bij omwille van de sanitaire toestand, maar nu luidt het hier en daar al dat nieuw aangegane schuld moet worden terugbetaald door te snijden in pensioenen en openbare diensten, en door de belastingen voor de meeste mensen te verhogen. Niets zou dodelijker zijn. De verslechtering van de sociale situatie, de wederopbouw van onze openbare diensten en de dringende noodzaak van een ecologische transitie vereisen dat er onverwijld een grootscheeps plan voor overheidsinvesteringen wordt gelanceerd. Meer in het algemeen moeten de staten een ambitieus antwoord bieden aan de sociale, ecologische en gezondheidsnoden, en daarvoor zijn middelen nodig. In deze context stellen sommige van onze collega's, met wie wij ook veel gemeen hebben, de volgende oplossing voor: de Europese Centrale Bank (ECB) zou de schuld moeten kwijtschelden gekoppeld aan het overheidspapier dat zij bezit. Volgens hen zou dit ons in staat stellen opnieuw budgettaire manoeuvreerruimte te krijgen, en dit zonder iemand te benadelen. Dit standpunt heeft bijgedragen tot het debat over economie en monetaire politiek, maar wij delen hun analyse niet. Dit voorstel komt neer op het fetisjiseren van de schuld/BBP-ratio terwijl de kredietwaardigheid van de meeste landen van de eurozone niet onder druk staat. Het ontneemt zelfs de idee van schuldkwijtschelding zijn subversieve kracht. Het geeft ook geen nieuwe manoeuvreerruimte, wel integendeel. Achter de technische illusie is haar radicalisme slechts een façade: een boekhoudkundige truc alleen kan het machtsevenwicht binnen de eurozone of tussen de lidstaten en de kapitaalmarkten niet veranderen. Waarom zou men dan zoveel politieke energie besteden aan de verdediging van een voorstel dat de aandacht afleidt van wat werkelijk telt in de huidige periode? De term "annulering door de ECB" spreekt tot de verbeelding, maar stemt niet overeen met de werkelijkheid. Deze schuld wordt niet rechtstreeks door de ECB aangehouden, maar via het Eurosysteem door de nationale centrale banken. Dit zou bijvoorbeeld betekenen dat de Banque de France zou afzien van haar vordering op de Franse Staat. Het kapitaal van de Banque de France is echter volledig in handen van de Franse Staat: het zou dus gaan om het kwijtschelden van een schuld die wij aan onszelf hebben. Hoe kunnen wij geloven dat een dergelijke operatie een reëel, positief en duurzaam effect op de overheidsfinanciën kan hebben? De overheid, die een onbeperkte levensduur heeft, "rolt haar schuld om": zij leent opnieuw om vervallende effecten terug te betalen. Het centrale vraagstuk is dus dat van de herfinanciering, d.w.z. de voorwaarden voor nieuwe leningen, en met name de rentevoeten, die om institutionele, economische en politieke redenen kunnen variëren. De rente op de Franse overheidsschuld is echter negatief voor looptijden van leningen van minder dan 20 jaar en bijna nul voor looptijden daarboven. De hoogte van de staatsschuld is op zichzelf nooit een probleem voor een geavanceerde economie als Frankrijk. Empirische studies hebben geen kritische schulddrempel aan het licht gebracht. Onder deze omstandigheden heeft het geen zin de schuld kwijt te schelden om terug te keren naar een zogenaamd duurzaam niveau. Bovendien heeft een schuld rond de 60% van het BBP, dicht bij de Maastrichtnorm dus,  in de jaren 2000 de voorstanders van bezuinigingen er nooit van weerhouden hun destructief beleid te voeren, waarvan de gezondheidscrisis een van de gevolgen is. Ook al is gebleken dat bezuinigingen niet doeltreffend zijn, toch is bezuinigen een economisch beleid op zich. Het is niet gesteund op feiten, maar op ideologische keuzes. Om de chantage van de overheidsschuld te neutraliseren zoals we die kennen in de eurozone, moet worden afgestapt van de logica van overheidsfinanciering door de markten. Het voorstel om de schuld in handen van het Eurosysteem kwijt te schelden doet echter precies het tegenovergestelde: het bestaat erin de schuld die buiten de markt om wordt aangehouden kwijt te schelden en vervolgens te vervangen door nieuwe schuld, weliswaar "groen", maar aangegaan op de financiële markten. Dit zou alleen maar kunnen bijdragen tot een versterking van de reeds te centrale rol van de financiële markten. Een ander argument dat door de voorstanders van deze annulering naar voren wordt gebracht, is dat het zeker geen wondermiddel zou zijn, maar de verdienste zou hebben dat het politiek gemakkelijk uitvoerbaar zou zijn zonder "iemand te kwetsen". De gok is dat de private schuldeisers geen bezwaar zouden hebben tegen deze vermindering van de schulden van de openbare schuldeiser, alsof openbare en private kredietverleners geheel afgescheiden groepen zouden vormen. De geschiedenis van de herschikking van de overheidsschuld en, meer recent, het geval van de Griekse crisis tonen aan hoezeer de belangen en overtuigingen van de technocratie en de financiële wereld met elkaar verweven zijn. Uiteindelijk zou de vermeende frisse wind van een annulering zeer snel teniet worden gedaan door de risicopremie die de markten zouden aanrekenen bij het toekennen van staatsleningen. Voor een voorstel met twijfelachtig nut is dit risico erbij nemen niet lonend. Er bestaan echter andere oplossingen om een stabiele duurzame financiering en onze economische soevereiniteit te waarborgen. Daartoe moet er budgettaire manoeuvreerruimte gecreëerd worden door belasting te heffen op vermogende particulieren en multinationals, die hun belastingen de afgelopen 40 jaar hebben zien dalen, of door belasting te heffen op de buitengewone winsten die bepaalde activiteiten in de pandemieperiode maken. Er zouden serieuze politieke inspanningen moeten geleverd worden om een echte coördinatie tot stand te brengen tussen het begrotingsbeleid en het monetair beleid. De begrotingsregels die overheidsinvesteringen in de weg staan moeten afgeschaft worden, zodat we de sociale en klimaatuitdagingen kunnen aanpakken. De ECB moet verdragsrechtelijk de rol van koper in laatste instantie van staatsschuldpapier krijgen; zulk papier moet omgezet worden in een zogenaamd eeuwigdurende schuld met lage rentevoet. De financiële sector moet ernstig gereguleerd worden, met de mogelijke oprichting van een openbare banksector. Nationale thesaurieën  zouden voorschotten moeten kunnen krijgen van de ECB (overdraft facility) en er zou een Europees “thesauriecircuit” van de 21e eeuw moeten komen, naar het voorbeeld van het vroegere Franse circuit du Trésor [efn_note] Na de Tweede Wereldoorlog en tot in de jaren 1970 bestond in Frankrijk de wettelijke mogelijkheid, circuit du Trésor genoemd,  dat banken aan de overheid moesten lenen tegen opgelegde voorwaarden. Zie Eric Toussaint, The Challenges for the European Left regarding Debt and the Banks. [Noot van de vertaler] [/efn_note] reeds bestaande circuit in Frankrijk, waarbij  moeten komen name aan de banken een bodem wordt opgelegd voor het aanhouden van overheidseffecten en, waarom niet, de invoering van een rekening-courantkrediet voor de nationale thesaurieën bij de centrale bank (of zelfs een eventuele Europese thesaurie). Ongetwijfeld zullen deze voorstellen op hevig verzet stuiten van de verdedigers van de status quo, maar zij bevatten tenminste een reëel emancipatorisch potentieel.    

PETITIE tegen het Energiecharterverdrag

26/02/2021 - 15:21
Bewaren als PDF Het Energiecharterverdrag is een enorm obstakel voor iedere klimaatpolitiek We moeten NU uit dit monsterverdrag stappen TEKEN DE PETITIE

 

 

Kort samengevat is het Energiecharterverdrag een internationale overeenkomst die aan energiebedrijven en investeerders toelaat om overheden te beboeten als deze klimaat- en milieumaatregelen nemen die de winsten van de bedrijven kunnen in het gedrang brengen, of als die bedrijven zelfs maar vrezen dat dit het geval kan zijn. Kernuitstap? Bedreiging voor de nucleaire sector!  Miljardenclaim, zoals het geval Vattenfall in Duitsland aantoont. Stop kolencentrales? Het Duitse energiebedrijf RWE eist 1,4 miljard van de Nederlandse staat… Het mechanisme is hetzelfde als dat in tal van vrijhandelsverdragen, waar een ISDS- of ICS-clausule bedrijven toelaat hun ‘schadeclaims’ voor een soort uitzonderingsrechtbanken te verdedigen. Het is nauwelijks te geloven dat het onze regeringen zelf zijn die een dergelijke overeenkomst getekend hebben, en dat de Europese Unie er een voortrekkersrol in speelde. De winsten van privébedrijven hebben blijkbaar voorrang op onze klimaatbekommernissen. Het is de plicht van onze regeringen en van de EU om dit bedreigend verdrag ongedaan te maken. Uitgebreidere informatie over dit verdrag vindt u in Wat schuilt achter het Energiecharterverdrag? en in diverse brochures hieronder. De petitie wordt ondersteund door tal van organisaties en koepels. Via de link hieronder komt u op de site van CAN, het Climate Action Network. Ook via de site van Corporate Europe Observatory kunt u de petitie tekenen. Naar de petitie

 

 

Hits: 0

Italië: Mario Draghi is het probleem, niet de oplossing

25/02/2021 - 19:34

Door Thomas Fazi (*) 25 februari 2021   De vertrouwensstemming op 19 februari in de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden, die volgde op de stemming in de Senaat de dag ervoor, betekende de start van de nieuwe Italiaanse regering, onder leiding van de voormalige voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB) Mario Draghi. De stemming was niet meer dan een formaliteit, gezien Draghi de steun kreeg over alle partijen heen. Deze regeringswissel komt na het besluit van Matteo Renzi om de stekker te trekken uit de regering-Conte II, die hoofdzakelijk bestond uit de Vijfsterrenbeweging (M5S) en de Partito Democratico (PD). Er is veel gespeculeerd over Renzi's besluit. Is dit het onbedoelde gevolg van een mislukte gok van zijn kant, mogelijk met de intentie om meer invloed te krijgen binnen een ‘vernieuwde’ regering-Conte? Of was dit al die tijd al zijn bedoeling? Ik denk dat het laatste scenario het meest waarschijnlijke is; over Renzi kan men veel zeggen, maar niet dat hij dom is. Volgens verschillende bronnen was Draghi namelijk direct betrokken bij de machinaties die Conte ertoe brachten een stap opzij te zetten, waarbij Renzi zich uiteindelijk pas terugtrok toen hij van Draghi (en, naar men mag aannemen, van president Mattarella zelf) de verzekering had gekregen dat de voormalige centrale bankier klaar was om in te stappen. Een nog grotere vraag is dan ook waarom Draghi nu bereid is het risico te nemen zijn sterke ongeschonden reputatie op het spel te zetten in de maalstroom van de dagelijkse politiek, terwijl hij maar een jaar had moeten wachten om probleemloos de nieuwe president van de Republiek te worden. Het presidentschap is een ‘institutionele’, zogenaamd ‘onpartijdige’ functie die veel beter past bij iemand met het curriculum van Draghi en waarvoor hij momenteel de favoriete kandidaat is, gezien de huidige samenstelling van het Parlement. Is het, zoals linkse en Conte-steunende commentatoren beweren, omdat de schuchtere sociale-interventiemaatregelen van de regering-Conte - een tijdelijk verbod op ontslagen, de gedeeltelijke nationalisering van de autowegmaatschappij Autostrade per l'Italia en de redding van de nationale luchtvaartmaatschappij Alitalia - de woede van de nationale zakenwereld en financiële elites hebben opgewekt? Of misschien is het gewoon een gok van Renzi die vreselijk verkeerd is uitgepakt, en is Draghi erbij gehaald als de enige die enige hoop had om een meerderheid bij elkaar te sprokkelen. Een regering-Draghi zou immers betekenen dat er geen vervroegde verkiezingen worden gehouden, wat vrijwel zeker zou leiden tot een overwinning van de centrumrechtse coalitie onder leiding van Salvini - een vooruitzicht dat het establishment koste wat kost wil vermijden. Wat ik waarschijnlijker acht, is dat Giuseppe Conte niet sterk genoeg wordt geacht om de ‘grote reset’ van de Italiaanse economie door te voeren , wat bijvoorbeeld inhoudt dat noodlijdende bedrijven moeten verdwijnen via de ‘creatieve destructie’ door de markt, zoals Draghi liet doorschemeren in zijn toespraak tot het Parlement. Zulke reset wordt door nationale en internationale elites noodzakelijk geacht voor het land, een inspanning die alleen kan worden geleverd door een ‘technische’ of technocratisch geleide regering. De tijd zal het uitwijzen. Interessanter is wat het vooruitzicht van een regering-Draghi ons vertelt over de aard van de Italiaanse (post-)democratie en de perverse effecten die de euro heeft gehad op het economische, sociale en politieke weefsel van het land. Draghi's afdaling in de politiek ging gepaard met koortsachtige jubelkreten in de massamedia, in een mate die waarschijnlijk zelfs de Noord-Koreaanse staatsmedia in verlegenheid zou hebben gebracht. En vrijwel alle partijen in het Parlement - inclusief Salvini's Liga, die het beetje dat nog over was van haar ‘euroscepticisme’ lijkt te hebben weggegooid - hebben hun steun uitgesproken. De toon van de discussie werd gezet door de machtige gouverneur van de regio Campanië, Vincenzo De Luca (PD), die Draghi vergeleek met niemand minder dan ‘Christus’. Vrijwel iedereen lijkt het ermee eens te zijn: een regering Draghi zou een zegen zijn voor het land, een laatste kans om ’s lands zonden uit te wissen en "Italië weer groot te maken". Dergelijke voorspellingen zijn niet gebaseerd op een analyse van wat Draghi's beleid eigenlijk zou kunnen zijn - en of dat in het belang van het land en zijn burgers, werknemers en bedrijven zou zijn - maar op vage verwijzingen naar zijn ‘charisma’, ‘competentie’, ‘intelligentie’ en ‘internationale slagkracht’. Dit is een weerspiegeling van een zieke politieke cultuur, waarbij staatkunde wordt gereduceerd tot een zuiver technische aangelegenheid, waarbij begrippen als macht, klasse en ideologie uit de vergelijking worden gewist. In plaats daarvan worden ze gezien als hinderpalen voor een ‘efficiënt’ bestuur, waarvoor alleen de ‘deskundigheid’ van goed bestudeerde (en bijna per definitie politiek neutrale) ‘technici’ of technocraten vereist is. Dit concept wordt goed samengevat door het begrip ‘technische regering’, dat de meeste niet-Italiaanse lezers waarschijnlijk zal verbijsteren. Voor zover ik weet bestaat dit concept in vrijwel geen enkel ander Westers land. Het basisidee is dat op momenten van diepe crisis alleen ‘deskundigen’ die zogenaamd onbesmet zijn door politieke partijdigheid en niet gebukt gaan onder de complicaties van de parlementaire politiek, kunnen worden vertrouwd met het nemen van de ‘juiste’ en ‘noodzakelijke’ beslissingen, hoe pijnlijk en kostbaar deze ook mogen zijn. Dit concept heeft helaas een lange geschiedenis in Italië en gaat terug op de moeizame relatie die de economische elites van het land altijd hebben gehad met een sociaaldemocratische massa, en de manier waarop zij deze spanning trachtten op te lossen door hun toevlucht te nemen tot zelfopgelegde ‘externe beperkingen’ van uiteenlopende aard. In de jaren zeventig en tachtig werden de heersende elites in Italië geconfronteerd met een steeds militantere en ‘onregeerbare’ arbeidersklasse en een op de staat gerichte, herverdelende politieke economie (gebaseerd op de socialistisch georiënteerde grondwet van het land) die totaal onverenigbaar was met het opkomende neoliberale paradigma. Zij begonnen daarom te theoretiseren dat alleen door de handen van de regering ‘vast te binden’ via een politiek-economisch keurslijf - een externe dwang of vincolo esterno - zij een tweeledig doel konden bereiken. Hun doel was in wezen ‘de rug te breken’ van de arbeidersklasse en tegelijkertijd de ‘hervormingen’ door te voeren waarvoor onder de bevolking zeer weinig consensus bestond. En die vincolo esterno was natuurlijk het proces van Europese integratie, te beginnen met het systeem van semi-vaste wisselkoersen bekend als het Europees Monetair Stelsel, het EMS van 1979 tot aan Maastricht, en vervolgens de euro in de Europese Muntunie, de EMU. Een van de belangrijkste pleitbezorgers van de vincolo esterno was Guido Carli, de zeer invloedrijke Italiaanse minister van Economische Zaken van 1989 tot 1992, en niet te vergeten een van de mentoren van Mario Draghi. In zijn memoires maakte Carli er geen geheim van dat "de Europese Unie een alternatieve weg was voor de oplossing van problemen die wij niet via de normale kanalen van regering en parlement konden oplossen". Namelijk de grootschalige transformatie, of neoliberalisering, van de politieke economie van het land. Dit kan worden gezien als de belichaming van wat Edgar Grande de "paradox van de zwakte" noemt, waarbij nationale elites een deel van hun macht overdragen aan een supranationale beleidsmaker (waardoor ze zwakker lijken) om zichzelf in staat te stellen beter weerstand te bieden aan de druk van maatschappelijke actoren door te verklaren dat "dit de wil van Europa is" (waardoor ze sterker worden). In die zin kan het besluit van Italië om toe te treden tot het EMS en vervolgens tot de EMU niet uitsluitend worden begrepen in termen van nationaal gekaderde belangen. Zoals James Heartfield opmerkte, moet het veeleer worden gezien als de manier waarop een deel van de "nationale gemeenschap" (de economische en politieke elite) in staat was een ander deel (de arbeid) aan banden te leggen. Het begrip ‘technische regering’ is grotendeels een bijprodukt van de vincolo esterno. Enerzijds creëert de schijnbaar onverbiddelijke logica van de externe dwang - of het nu gaat om de handhaving van een vaste wisselkoers of de noodzaak ‘de markten’ of ‘de EU’ gunstig te stemmen om vergeldingsmaatregelen te voorkomen - een semi-permanente uitzonderingstoestand. Dit betekent dat de complexe dynamiek van de parlementaire politiek op elk moment plaats kan maken voor niet-politieke (d.w.z. ‘technische’) regeringen die tot taak hebben de klus te klaren. Een dergelijke stap impliceert dat het door hen gevoerde beleid geen politieke keuze is, maar iets volkomen rationeels en noodzakelijks, waartoe het Parlement zich moet beperken en dat het zonder al te veel vragen moet goedkeuren. Anderzijds leiden de economische en sociale gevolgen van de externe dwang - vooral rampzalig in het geval van Italië - tot toenemende spanningen tussen de eisen van de burgers en de vereisen uitgaande van deze externe dwang, en de inter- en supranationale instellingen die daarop toezien.  Nationale regeringen kunnen deze spanningen niet oplossen, omdat zij niet beschikken over alle ‘normale’ instrumenten van een economisch beleid die nodig zijn om de maatschappelijke consensus in stand te houden. Dat leidt ertoe dat zij zich tot technocraten wenden om de impasse te doorbreken, door hen de maatregelen te laten uitvoeren waarvoor de partijen geen verantwoordelijkheid willen nemen. Het is geen toeval dat het tijdperk van de technische regeringen een aanvang neemt in het begin van de jaren negentig, na de ondertekening door Italië van het Verdrag van Maastricht, waarover werd onderhandeld door niemand minder dan - u raadt het al - Mario Draghi, destijds directeur-generaal van het Italiaanse Ministerie van Financiën. De eerste technocratische regering onder leiding van de voormalige gouverneur van de Italiaanse centrale bank, Carlo Azeglio Ciampi, werd in 1993 gevormd en gaf het startschot voor de eerste massale privatisering van staatsbezit. Slechts enkele jaren later was het de beurt aan Lamberto Dini, premier tussen 1995 en 1996. Dini ging voort op de door Ciampi ingeslagen weg van privatisering en ‘begrotingsverantwoordelijkheid’, onder meer door een ingrijpende hervorming van het pensioenstelsel door te drukken. Het spreekt vanzelf dat zowel Ciampi als Dini hun beleid grotendeels rechtvaardigden met een beroep op de externe dwang van het Europees Monetair Stelsel (de euro was nog niet geboren) en op het feit dat "dit is wat Europa van ons verlangt". Gedurende deze hele periode was Draghi, in zijn hoedanigheid van directeur-generaal van het ministerie van Financiën, een van de belangrijkste voorstanders van de privatisering van de Italiaanse staatsbedrijven, en van de vincolo esterno in het algemeen. Zoals Featherstone en Dyson opmerken, "zag Draghi, als technocratische niet-partijgebonden minister,  diep in zijn binnenste de EMU als een vincolo esterno, waarzonder politici niet konden betrouwd worden om langdurig de budgettaire discipline te handhaven.” Na de val van Berlusconi's laatste kabinet in 2011 kwam er een andere technocraat aan het bewind, Mario Monti, voormalig Europees commissaris en internationaal adviseur van Goldman Sachs, die een verwoestende bezuinigingskuur voerde op aanbeveling van Brussel. Dit was grotendeels een gevolg van het besluit van de pas benoemde president van de ECB - ja, alweer Mario Draghi - om de aankoop van Italiaanse staatsobligaties te staken, waardoor de Italiaanse rente de pan uitrees. Kortom, of het nu was als directeur-generaal van het Ministerie van Financiën of als voorzitter van de ECB,  Draghi heeft steeds toegezien op massale privatiseringen, forse bezuinigingen op de overheidsuitgaven en belastingverhogingen, die allemaal nefaste gevolgen hebben gehad voor Italië. Hierin schuilt de paradox van de externe beperking van Italië: telkens wanneer een ‘technische regering’ wordt ingeschakeld om  beperkingen op te leggen, is het eindresultaat altijd een verslechtering van het sociale en economische weefsel van het land. Hierdoor zijn de politieke partijen steeds minder in staat om de fundamentele tegenstrijdigheden van het systeem in het kader van de externe beperking (in casu  de euro) op te lossen. Dit effent op zijn beurt de weg voor de volgende technische regering, in een perverse terugkoppelingslus. De ervaring van de regering Monti is hier een perfect voorbeeld van: de bezuinigingen op de gezondheidszorg die Monti en andere regeringen hebben doorgevoerd en die door de Europese Commissie werden geëist, hebben de regering Conte dramatisch slecht voorbereid achtergelaten om de uitbraak van COVID-19 te bestrijden. De architectuur van de euro bleef een efficiënte reactie in de weg staan, ondanks uitgebreide steun van de centrale bank en de tijdelijke opschorting van de begrotingsregels van de EU. Dit leidde tot stijgende economische en sociale kosten en uiteindelijk tot een toenemende druk op de regering - een impasse die, zo wordt ons nu verteld, alleen kan worden opgelost door de zoveelste technocratische deus ex machina. Dit is waanzin. Het lijdt weinig twijfel dat de crisis van Italië moet worden beschouwd als een crisis van de post-Maastrichtse orde van het Italiaanse kapitalisme, en meer in het algemeen van de logica van de externe dwang die gebaseerd is op privatisering, begrotingsbeperkingen en looncompressie. Dit heeft niet alleen geleid tot een permanente stagnatie van de Italiaanse economie, maar ook tot een ontregeling van de normale werking van de democratie. Als dat het geval is, dan is het dwaas te denken dat Mario Draghi - letterlijk de lijfelijke incarnatie van het politiek-economische model dat Italië te gronde heeft gericht - een oplossing kan bieden. Draghi heeft niet alleen rechtstreeks toegezien op de ontmanteling van de Italiaanse overheidsbedrijven en de toepassing van strenge bezuinigingen in het begin van de jaren negentig tijdens zijn functie bij het Italiaanse Ministerie van Financiën. Hij heeft ook de externe dwang zelf verfijnd door het voortouw te nemen bij de transformatie van het eurosysteem van een disfunctionele maar formeel democratische monetaire unie in een inter-en supranationale bestuursstructuur waar regeringen worden gedisciplineerd en gestraft via een complexe waaier aan institutionele mechanismen. Het is een systeem waarin het formele democratische proces zelf systematisch wordt ondermijnd door financiële en monetaire chantage,  in de eerste plaats door toedoen van de ECB,  in die mate dat men zich redelijkerwijs kan afvragen of de lidstaten van de eurozone nog wel als democratieën kunnen worden beschouwd. Zelfs volgens de enge ‘burgerlijke’ opvatting van het begrip zou het moeilijk zijn om Italië nog als zodanig te beschouwen. Zeker nu Mario Draghi de taak op zich heeft genomen om het werk af te maken waarmee hij dertig jaar geleden is begonnen.   (*) Thomas Fazi is een Italiaans auteur, journalist en vertaler. Zijn laatste boek, ‘Reclaiming the State’  (samen met Bill Mitchell)  verscheen in 2017 bij Pluto Press. De hier gepubliceerde tekst verscheen op 19 februari 2021 op Brave New Europe onder de titel Mario Draghi is the problem, not the solution.  Nederlandse vertaling door Ander Europa. Met dank aan Thomas Fazi voor de toelating tot publicatie.

Steun uit Europees Parlement voor repressief Spaans gerecht

24/02/2021 - 15:03

24 februari 2021 – De arrestatie op 16 februari van rapper Pablo Hasél door de Catalaanse politie deed in Spanje de confrontatie tussen voor- en tegenstanders van een streng repressief beleid weer oplaaien. Hasél wordt ervan beschuldigd in zijn rapperteksten het terrorisme op te hemelen en het koningshuis te beledigen. De Spaanse wet draagt echter nog steeds de sporen van het Franquisme, en recentere wetgeving (2015) onder de Partido Popular, zoals de ‘muilkorfwet’ (la mordaza), probeert elk verzet tegen het regeringsbeleid te intimideren. Amnesty International spreekt i.v.m.  Haséls gevangenisstraf over “een buitensporige en onevenredige beperking van zijn recht op vrije meningsuiting” en geeft aan dat hij “niet de enige is die de gevolgen ondervindt van onrechtvaardige wetten”. Het driest optreden van de Spaanse arm der wet bleek zoals bekend ook bij het Catalaans onafhankelijkheidsreferendum (1 oktober 2017) toen de politie met groot geweld kiesbureaus binnenviel, en het gerecht achteraf een aantal independentistas tot effectieve gevangenisstraffen tot 13 jaar veroordeeld. Drie van hen, Carles Puigdemont, Toni Comin en Clara Ponsati werden in 2019 verkozen voor het Europees Parlement, en genieten daardoor een zekere immuniteit. Puigdemont en Comin leven sindsdien in ballingschap in België, Ponsati in Schotland, maar Spanje heeft tegen hen een arrestatiebevel uitgevaardigd. Het conflict binnen de Spaanse staat krijgt daardoor ook een Europese dimensie, met weerklank binnen het Europees Parlement. Dit Parlement werpt zich graag op als behoeder van de Europese democratische waarden, maar dan bij voorkeur als het over democratie buiten de EU gaat, zoals in het geval van Putin-opponent Navalny. Het wordt moeilijker als de dominante Europese politieke families, de christendemocratische EVP en de sociaaldemocratische S&D, erbij betrokken zijn. In Spanje zelf zijn zowel de Partido Popular als de PSOE de onvoorwaardelijke verdedigers van de Spaanse unitaire staat, en ze hebben tot nog toe allebei weinig bereidheid getoond om het Catalaans probleem op een ‘beschaafde’, d.w.z. politieke manier aan te pakken. Het is dus niet zo verwonderlijk dat gisteren, 23 februari, de juridische commissie (JURI) van het Europees Parlement met een meerderheid van 15 tegen 8 voor de opheffing van de immuniteit van de drie Catalaanse ‘opstandelingen’ stemde. Zoals gewoonlijk geeft de stemming binnen een parlementaire commissie de richting aan waarin de politieke families zullen stemmen in de plenaire vergadering; dit laatste wordt in maart verwacht. Opheffing van de immuniteit als europarlementslid zal zeker zwaar wegen op de beslissing die betrokken landen als België nemen over het uitleveringsverzoek. De effectieve opheffing van de immuniteit zou erop neerkomen dat ‘de behoeder van de Europese democratie’, meer bekommerd om de politieke familiebanden dan om de democratie, kiest voor het repressief-carceraal aanpakken van een politiek probleem. Men kan dan misschien nog opwerpen dat politieke conflicten te lijf gaan met jaren gevangenisstraf humaner is dan met een snelwerkend gif, maar beide aanpakken hebben met politieke democratie even weinig te maken. Tussen haakjes, Amnesty International beschouwt Navalny niet langer als een ‘gewetensgevangene’, gezien zijn vroegere xenofobe standpunten en haatspeech, die hij sindsdien nooit terugtrok. (hm)    

EU-handelspolitiek tegenover China: agressief in de strijd tegen degradatie

22/02/2021 - 14:43

door Steffen Stierle (*) verschenen op 19 februari 2021 in Junge Welt Nederlandse vertaling: Ander Europa   22 februari 2021   De nieuwe handelsstrategie van de Europese Unie (EU) die op 18 februari in Brussel is voorgesteld, wordt gekenmerkt door de vrees voor een verder globaal machtsverlies. Met dit document schaart de Commissie zich achter de nieuwe president van de VS, Joseph Biden, die in zijn recente toespraken over het buitenlands beleid China en Rusland als de belangrijkste vijanden heeft aangewezen en een verdere intensivering van de agressie tegen deze staten in het vooruitzicht heeft gesteld. Bovenal baart de opkomst van China de machthebbers in het Westen steeds grotere zorgen. Daarom keert de nieuwe strategie van de EU-Commissie aangaande haar handelsbeleid in de periode tot 2030, zich gedeeltelijk af van de vrijhandelsideologie die tot dusver de hare was. Handel zonder regels en beperkingen werkt altijd in het voordeel van de sterkste. De economieën van de lidstaten van de EU zijn daarentegen op veel gebieden achterop geraakt bij hun Chinese concurrenten en doen daarom een beroep op protectionistische maatregelen. De zogenaamde antidumpingregels zijn bedoeld om een betere bescherming te bieden tegen "oneerlijke en agressieve handelspraktijken". De maatregelen zijn opgesteld met China voor ogen; de Commissie maakt het door middel van tarieven en andere belemmeringen Chinese exporteurs moeilijker toegang te krijgen tot de EU-markt. De aanpak is niet helemaal nieuw; in de toekomst wil de Commissie echter sneller, doortastender en onafhankelijker optreden. De EU mengt zich zo nog dieper in de economische oorlog tegen Peking, door de voormalige Amerikaanse president Donald Trump aangezwengeld en die de nieuwe Amerikaanse regering wil intensiveren. Brussel wordt gedreven door het steeds snellere verlies van belang op de wereldmarkt. Terwijl het aandeel van de EU in de mondiale economische output in 2000 nog 23% bedroeg, vreest de Commissie dat dit zal dalen tot 13% in 2030. Bovendien heeft de coronacrisis aangetoond waartoe het hardnekkige liberaliseringsbeleid en de daaruit voortvloeiende afhankelijkheid van de wereldmarkt kunnen leiden. Nu moeten de bevoorradingsketens robuuster worden gemaakt, d.w.z. dat de politieke invloed op de handelsstromen moet worden geïntensiveerd. Naast protectionistische maatregelen om de mondiale suprematie van het Westen te verdedigen, wil Brussel echter ook in de toekomst blijven vertrouwen op klassieke neoliberale handelsakkoorden, tenminste waar de eigen economische macht het overwicht garandeert in de onderhandelingen. Volgens het verslag wil de EU "strenger en met meer slagkracht werken aan de uitvoering van haar handelsovereenkomsten". Zij is immers in staat "beslissingen voor zichzelf te nemen en de wereld te beïnvloeden door leiderschap en inzet overeenkomstig haar strategische belangen en waarden", aldus de verantwoordelijke EU-commissaris Valdis Dombrovskis bij de presentatie van het concept. De EU wil ook een leidende rol spelen bij de hervorming’van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), waar thans vele staten mee bezig zijn. Dombrovskis: "Wij hebben een open, op regels gebaseerde handel nodig om de groei en de werkgelegenheid in de periode na de pandemie te stimuleren". In het EU-Parlement zal het voorstel van de Commissie waarschijnlijk op een meerderheid kunnen rekenen. De voorzitter van de handelscommissie, de Duitser Bernd Lange, had die week in een online-bijeenkomst journalisten reeds op de hoogte gebracht van de plannen. Het handelsbeleid is van groot belang, maar de "oude liberaliseringslogica" is niet langer actueel, omdat zij ongeschikt is in de strijd tegen de klimaatverandering en de ongelijkheid in de wereld. Het is daarom zinvol, aldus de SPD-politicus, dat de EU zich bezint over de richting die het handelsbeleid moet uitgaan de komende tien jaar. Volgens Lange moet het handelsbeleid van de EU langs drie assen  verlopen. Ten eerste moet de transformatie naar een klimaatneutrale economie worden veiliggesteld; ten tweede moet zij bijdragen tot een eerlijker globalisering, want het handelsbeleid is van invloed op de internationale toeleveringsketens. Lange pleit daarom voor een "Europese wet inzake de toeleveringsketen", vergelijkbaar met de wet die momenteel in Duitsland wordt voorbereid. Ten derde moet het handelsbeleid van de EU in dienst staan van haar wereldmachtaanspraken, of ertoe bijdragen dat de EU sterker en autonomer wordt in haar vermogen om op te treden, zoals Lange het formuleerde. De komende maanden moet blijken in hoeverre de EU en de VS zullen samenwerken of elkaar zullen tegenwerken in de strijd tegen het Westers verval. Wat de door de regering Trump ingevoerde strafheffingen op staalproducten uit de EU betreft, hadden de VS onlangs te kennen gegeven bereid te zijn te onderhandelen in het kader van de WTO. Aan de andere kant wil Biden de Buy American Act en andere wetten die Amerikaanse producten bevoordelen, aanscherpen, terwijl de EU-Commissie wil voorkomen dat bedrijven markttoegang krijgen die afkomstig zijn uit landen waar EU-bedrijven worden gediscrimineerd. Er is dus zeker kans op een conflict.   (*) Steffen Stierle is een zelfstandig journalist in Berlijn, met bijzondere belangstelling voor de politieke economie van de EU. Hij is actief in Attac-Duitsland en in Eurexit.

Werkersrechten vergeten in Europese landbouwpolitiek

19/02/2021 - 13:20

19 februari 2021 – Een indrukwekkende reeks organisaties en individuen richtte zich gisteren in een open brief tot de verantwoordelijken voor het Europees landbouwbeleid: de landbouwministers van de lidstaten, de Europese commissarissen verantwoordelijk voor landbouw, Green Deal en jobs/sociale rechten, en de europarlementsleden die bij de herziening van het landbouwbeleid betrokken zijn. De briefschrijvers komen op voor de rechten van de meer dan 10 miljoen landbouwarbeiders, waarvan een groot deel seizoenarbeiders, die vaak in erbarmelijke omstandigheden als moderne slaven behandeld worden. Eerst wat achtergrond over het ‘Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid’ (GLB). Sinds 2018 wordt er in de EU onderhandeld over een hervorming van het landbouwbeleid. Niet onbelangrijk aangezien er ongeveer 30% van het Europees budget naartoe gaat, en landbouw een belangrijke rol speelt in het voedsel-, milieu- en klimaatbeleid. Het hervormde landbouwbeleid zou van start moeten gaan op 1 januari 2023, maar ook vóór die datum kunnen al wijzigingen ingevoerd worden. Zoals gewoonlijk is het de Europese Commissie die de voorstellen formuleert, en Raad en Parlement die ze al dan niet goedkeuren, eventueel met amendementen. In de formulering van de Commissie “stimuleren de voorstellen de ontwikkeling van een duurzame en competitieve landbouwsector die een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de Europese Green Deal, met name via de strategie van boer tot bord en de biodiversiteitsstrategie.” Maar wat zegt de open brief?

“Verbazend genoeg hebben arbeiders nooit een plaats gehad in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) , een vlaggenschip van het EU-beleid (…) Terwijl GLB-subsidies nu terecht afhangen van het respecteren van elementaire milieunormen, openbare gezondheid en dierenwelzijn, speelt het respect voor mensen- en werkersrechten niet de minste rol bij de toekenning van directe betalingen. Het is dan ook niet te verbazen dat het GLB tot nog toe gefaald heeft bij de verbetering van de werkomstandigheden van de landarbeiders.”

De open brief wijst er ook op dat dit soort arbeid door overheden als ‘essentieel’ wordt bestempeld tijdens de Covid-19 crisis, maar wie die arbeid uitvoert, al dan niet als EU-burger, migrant of vluchteling, doet dit vaak  in onmenselijke omstandigheden, tegen een hongerloon, met zeer lange werkdagen, vaak in het zwart, en met ondermaatse huisvesting. De briefschrijvers stellen hun hoop op het Europees Parlement, dat de uitkering van landbouwsubsidies afhankelijk wil zien van het respecteren van de gangbare voorwaarden zoals die door collectieve arbeidsovereenkomsten, nationale en Europese wetgeving en de Internationale Arbeidsorganisatie worden bepaald.   [caption id="attachment_20296" align="aligncenter" width="670"] Klikken voor de brief en de ondertekenaars[/caption]    

Verdachte aanwezigen in ‘groene Commissie’

18/02/2021 - 10:03

18 februari 2021 – De onderzoeks- en drukkingsgroep Global Witness brengt een rapport uit over de banden die leden van de Commissie von der Leyen onderhouden met de fossiele-energiesector. Na het schandaal met de vorige Commissie Juncker, waar  Miguel Arias Cañete de portefeuille klimaatactie en energie kreeg, niettegenstaande een familievermogen dat op olie drijft, zou men van een nieuwe Commissie de grootste omzichtigheid verwacht hebben. Maar ofwel is de nieuwe Commissie niet omzichtig, ofwel bestaan er gewoon geen kandidaten met een gepast profiel voor de job van Europees commissaris als ze geen nauwe banden onderhouden met privébedrijven. In het rapport van Global Witness worden zulke banden aangetoond in het geval van Josep Borrell, de ‘buitenlandminister’ van de EU en ondervoorzitter van de Commissie, Stella Kyriakides (volksgezondheid en voedselveiligheid) en Adina Vălean (transportcommissaris). Ze spelen alle drie een vooraanstaande rol in de Green Deal, maar vervullen die functie blijkbaar met een dubbele pet. Nu was Cañete wel een conservatief, lid van de Spaanse Partido Popular, terwijl Josep Borrell een Spaanse socialist is. Desalniettemin was Borrell van 2009 tot 2016 lid van de raad van bestuur van Abengoa, een Spaanse producent van gascentrales. Borrell deed dat niet gratis, hij kreeg er tot 300.000 € per jaar voor. De Europese instanties kunnen ook niet zeggen dat ze van niets wisten, want in 2012 moest Borrell al eens aftreden als voorzitter van het European University Institute wegens het verzwijgen van deze inkomsten. Misschien werpen deze revelaties enig licht op de kneuterige uitval van Borrell aan het adres van klimaatactiviste Greta Thunberg? De Cypriotische commissaris Stella Kyriakides was eerlijker en gaf bij haar kandidatuur aan dat haar echtgenoot directeur was van Motor Oil Holdings Ltd en van Petroventure Holdings Limited, twee Cypriotische bedrijven die samen 40% bezitten van de grote Griekse olieraffinaderij Motor Oil Hellas. Commissie noch Parlement zagen er blijkbaar graten in. Adina Vălean was lid van het Europees Parlement sinds 2007 voor de Roemeense nationaal-liberale partij. In die hoedanigheid speelde ze een belangrijke rol bij het opzetten van de Connecting Europe Facility (CEF), een fonds dat middelen beschikbaar stelt voor pan-Europese infrastructuur op het gebied van transport, energie en digitale netwerken. Volgens Global Witness heeft CEF ondertussen al 1,3 miljard € besteed aan gaspijplijnen, en nu Vălean commissaris is voor transport steunt haar departement via CEF fossiele toepassingen, o.a. voor cargoschepen. Tijdens haar functie als Europarlementslid kreeg Vălean ook nog meer dan 100.000 € als adviseur van Finite Assets Ltd, een bedrijf geregistreerd op de Britse Maagdeneilanden. In 2018 leidde ze de delegatie van het Europees Parlement bij de klimaatconferentie COP24 in Polen. De Europese nieuwssite Euractiv, die eveneens verslag uitbrengt over het rapport van Global Witness, vroeg om een reactie bij de Europese Commissie. Een woordvoerder verwees naar de gedragscode, die stelt dat er geen belangenconflict is “wanneer een Commissielid voordeel geniet door het enkele feit dat hij tot de bevolking als geheel of tot een grote categorie van mensen behoort.” Volgens de woordvoerder moeten ook familieleden daartoe gerekend worden. In het betreffende artikel [efn_note] Besluit van de Commissie van 31 januari 2018 betreffende een gedragscode voor de leden van de Europese Commissie. Artikel 2, punt 6: “De leden vermijden elke situatie die aanleiding kan geven tot een belangenconflict of die redelijkerwijs als zodanig kan worden opgevat. Een belangenconflict doet zich voor als een persoonlijk belang de onafhankelijke uitoefening van hun ambt kan beïnvloeden. Onder persoonlijke belangen vallen onder meer mogelijke voordelen voor de leden zelf, hun echtgenoten, partners  of naaste familieleden. Van een belangenconflict is geen sprake wanneer een lid voordeel geniet door het enkele feit dat hij tot de bevolking als geheel of tot een grote categorie van mensen behoort.” [Deze laatste bepaling sluit bv. het voordeel uit dat men heeft als inwoner van een rijkere lidstaat of regio, of als succesvolle advocaat. [/efn_note] staat echter precies het tegenovergestelde. Een fake-waarheid dus. (hm)    

Opnieuw politie op Griekse campussen  

17/02/2021 - 00:14

17 februari 2021 – Op 11 februari keurde het Grieks parlement een wet goed waardoor speciale politie-eenheden universitaire campussen zullen ‘bewaken’. Volgens de regering is de wet noodzakelijk “om rechteloosheid te verhinderen”. De goedkeuring kwam er van premier Mitsotakis’partij Nea Dimokratia en het extreemrechtse Elliniki Lysi, dat opgang maakt nadat Gouden Dageraad buiten de wet gesteld werd. De ‘onderwijswet’, die ook andere bepalingen bevat over o.a. de maximale studietijd (wat de armere studenten treft), maakt een eind aan een bijna 40-jarig verbod op politieaanwezigheid op de campussen ; vroeger kon die alleen op aanvraag van de universitaire overheid toegelaten worden. Natuurlijk roept dit herinneringen op aan het studentenverzet tegen de kolonelsdictatuur, toen een tank de Technische Universiteit van Athene binnendrong en tientallen dodelijke slachtoffers vielen. Maar het is vooral duidelijk dat de rechtse regering Mitsotakis de politieke studentenagitatie tegen het neoliberaal beleid wil fnuiken. Naar verluidt deed de sociaaldemocratische Pasok regering in 2011 een gelijkaardige poging bij protesten tegen het soberheidsbeleid. In de voorbije weken was er massaal protest van studenten en onderwijzend personeel tegen deze ‘onderwijswet’. Dat de politie er met geweld tegen optrad is voor Griekenland geen nieuws. Maar is het niet verontrustend dat ook in Frankrijk politiegeweld door nieuwe wetgeving een hand boven het hoofd wordt gehouden? Spanje heeft al een tijd zijn muilkorfwet, en ook in België neemt het politiegeweld verontrustende vormen aan, en wordt soms door de hogere instanties in de doofpot gestopt, zoals bleek bij de kwestie Chovancová. Lockdowns kunnen ook te baat genomen worden om iets anders dan virussen te bestrijden… (hm)        

Kan centrum-links in Europa een nieuwe crisis doorstaan?

16/02/2021 - 10:09

door Daniel Finn 16 februari 2021   Op 14 februari verscheen op Jacobin een  interessant artikel van de hand van Daniel Finn, redacteur bij dit Amerikaans links-socialistisch magazine, waarin hij de overlevingskansen van de Europese sociaaldemocratie kritisch evalueert. Het bevat zowel cijfers en gegevens over de betrokken partijen als politieke overwegingen over hun koers en toekomst. We vonden het nuttig een samenvatting te brengen van dit vrij lange artikel. (hm) [spacer size="20"] Bijna 10 jaar geleden ontstond de term ‘pasokificatie’, verwijzend naar de steile neergang van de Griekse sociaaldemocratische partij PASOK. Sommige centrumlinkse partijen in Europa ondergingen hetzelfde lot, anderen ging het iets beter, maar ze staan er nog steeds slechter voor dan vóór de Grote Recessie (ontstaan met de bankencrisis vanaf 2007), en in die toestand komt er nieuwe economische turbulentie in zicht, waarvoor Adam Tooze onlangs nog waarschuwde.   Een representatief staal Om niet misleid te worden door oppervlakkige indrukken en electorale fluctuaties op korte termijn bekijken we een representatief staal van acht landen: Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Nederland, Griekenland, Zweden en Portugal. Samen tellen deze landen, waaronder de vier grootste lidstaten, 260 miljoen inwoners. In elk van deze landen waren er minstens twee verkiezingen sinds de laatste crash. We laten de Oost-Europese lidstaten buiten beschouwing, waar centrum links veel zwakkere wortels heeft dan in West-Europa, en kijken ook niet naar Groot-Brittannië, dat de EU verlaten heeft. Vóór de Grote Recessie ging het om acht goed gevestigde regeringspartijen, en zes van de acht stonden minstens één maal op kop bij nationale verkiezingen; de Franse PS en de Nederlandse PvdA stonden toch ook nog op de tweede plaats. Een paar voorafgaande opmerkingen over deze landen. Hun wedervaren met de crisis was niet dezelfde. Duitsland en Nederland behoren tot de ‘kern’ van de eurozone, terwijl Frankrijk ergens tussen deze kern en de periferie staat; tot deze periferie behoren Griekenland, Spanje, Portugal en Italië, terwijl Zweden - dat pas in 1995 tot de EU toetrad - buiten de eurozone bleef. De crisis sloeg ook niet meteen toe na de ineenstorting van Lehman Brothers; pas vanaf 2010 liet de schuldencrisis zich in de eurozone gevoelen, waarbij Griekenland en Portugal het soberheidsbeleid van de Trojka ondergingen, en ook Spanje en Italië onder streng toezicht werden geplaatst. Voor deze landen van de periferie was dit niet alleen een belediging, maar ze ondergingen dan ook nog eens de bezuinigingen in de openbare uitgaven. In de kernlanden daarentegen richtte het ongenoegen in de publieke opinie zich vaak op de zogezegde ‘uitkeringen’ aan de landen van het Zuiden. Maar in plaats van zich uit te spreken voor een gereguleerd welvaartkapitalisme volgden de sociaaldemocratische partijen de ideologische modetrend en stemden in met de afwijzing van openbaar bezit en planning van welke aard dan ook. Tenslotte moet opgemerkt dat het onmiddellijk lot van deze partijen ook soms van het toeval afhing, of ze bijvoorbeeld al dan niet in de regering zaten op het ogenblik dat de crisis uitbrak. Voor een evenwichtig oordeel moeten we dus meerdere verkiezingsresultaten na 2008 in rekening brengen.     Tabel 1: Griekenland (Pasok), 2000–19 [spacer size="20"] Verkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2000 43.9 75 2004 40.5 76.6 2007 38.1 74.1 2009 43.9 71 2012 (1) 13.1 65.1 2012 (2) 12.3 62.5 2015 (1) 4.7 63.6 2015 (2)* 6.3 56.6 2019* 8.1 57.9 *samen met andere partijen   PASOK is ongetwijfeld het sterkste voorbeeld van wat kan gebeuren met een ooit dominante partij. In de vier verkiezingen tot en met 2009 haalde ze gemiddeld 41,6%. Drie jaar later, in 2012, viel dit naar 13,1%, vervolgens naar 12,3%. Wanneer het in 2015 dan gaat tussen Nea Dimokratia en Syriza, kreeg PASOK nog minder dan 5% van de stemmen.   Er zijn twee andere partijen die onder de 10% duikelden: de Franse PS en de Nederlandse PvdA.   Tabel 2 : Franse PS, 2002-2017 [spacer size="20"] Presidentsverkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2002 16.2 71.6 2007 25.9 83.8 2012 28.6 79.5 2017 6.4 77.8   Het Franse kiessysteem is een buitenbeentje in West-Europa. Sinds 2002 worden de wetgevende verkiezingen altijd voorafgegaan door de keuze van een nieuwe president, en wie daarbij wint krijgt steeds de overhand in de nationale Assemblee. De beste beoordeling van een politieke partij is daarom te kijken naar haar kandidaat in de eerste ronde van de presidentsverkiezing. De PS was al gewaarschuwd in 2002, toen Lionel Jospin uitgeschakeld werd in de eerste ronde, en wel door Jean-Marie Le Pen. De problemen leken achter de rug in 2007 toen Ségolène Royal uitkwam tegen Nicolas Sarkozy. In 2012, de eerste verkiezing na de bankencrash, won François Hollande het van Sarkozy en haalde het presidentschap binnen, voor de eerste keer sinds 1988. Des te groter was de schok in 2017 toen Benoît Hamon op de vijfde plaats terechtkwam in de eerste ronde, met een PASOK-score van 6,4%. Wat het wordt in 2022 weten we niet; bij de Europese verkiezingen van 2019 haalde de PS-geleide alliantie iets meer dan 6%.   Tabel 3: Nederlandse PvdA, 2002–17 [spacer size="20"] Verkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2002 15.1 79.4 2003 27.3 80 2006 21.2 80.4 2010 19.6 75.4 2012 24.8 74.6 2017 5.7 81.9   Tussen 2003 en 2012 behaalde de Nederlandse PvdA tussen een vijfde en een kwart van de stemmen, om dan in 2017 terug te vallen op 5,7%. Het valt af te wachten wat het resultaat wordt op 17 maart aanstaande, al zijn de polls niet zo bemoedigend.   Tabel 4: Duitse SPD, 2002–17 [spacer size="20"] Verkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2002 38.5 79.1 2005 34.2 77.7 2009 23 70.8 2013 25.7 71.5 2017 20.5 76.2   De Duitse sociaaldemocraten wonnen de verkiezingen in 2002, en haalden nog steeds meer dan een derde van de stemmen in 2005 na acht jaar regering. Daarna ging het bergaf, met een val van meer dan 10% in 2009.   Tabel 5: Italiaans centrum-links, 2001–18 [spacer size="20"] Verkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2001* 31.1 81.4 2006* 31.3 83.6 2008 33.2 80.5 2013 25.4 75.2 2018 18.8 72.9 *Gecombineerde score voor de Linkse Democraten en  La Margherita   Het huidige centrum links in Italië is van recente datum. Het ontstond in 2007 door samengaan van de postcommunistische Linkse Democraten met La Margheritha, op zijn beurt een samengaan van liberalen en sociaaldemocraten. Goed voor een derde van de stemmen in het begin van de eeuw, met een serieuze terugval in 2013 en 2018.   Tabel 6: de Zweedse sociaaldemocraten SAP, 2002–18 [spacer size="20"] Verkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2002 39.9 80.1 2006 35 82 2010 30.7 84.6 2014 31 85.8 2018 28.3 87.2   Zweden is het vlaggenschip van de Europese sociaaldemocratie, met een palmares van hervormingen en verkiezingssuccessen. Sinds 1914 staat de partij op kop bij elke verkiezing en sinds 1932 waren ze slechts twee decennia in de oppositie. Bij de verkiezingen van 2013 en 2018 leed de partij toch een aanzienlijk verlies. Tenslotte de sociaaldemocratische partijen van het Iberisch schiereiland. Ze konden zich enigszins herstellen van een sterke teruggang tijdens en na de banken- en eurocrisis.   Tabel 7: de Spaanse Socialisten (PSOE), 2000–19 [spacer size="20"] Verkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2000 34.2 68.7 2004 42.6 75.7 2008* 43.9 73.8 2011 28.8 68.9 2015 22 69.7 2016 22.6 66.5 2019 (1) 28.7 71.8 2019 (2) 28 66.2   Journalisten hebben vaak de Portugese socialisten en hun leider, António Costa, als een positief voorbeeld voorgesteld voor Europees centrum links. In de eerste twee verkiezingen na de crash daalde hun score met 17 procentpunten, maar Costa slaagde erin de partij naar haar pre-crisisniveau te brengen     Tabel 8: de Portugese socialisten, 2002–19 [spacer size="20"] Verkiezing Stemmen (%) Opkomst (%) 2002 37.8 61.5 2005 45 64.3 2009 36.6 59.7 2011 28.1 58 2015 32.3 55.8 2019 36.3 48.6   Met dit overzicht is alleszins duidelijk dat sociaaldemocratische partijen in Europa in een neergaande trend zitten. De vraag is hoe dit komt.   Slechte funderingen Centrumlinkse politici deden er alles voor om de invloed van partijleden te minimaliseren en de afstand te bewaren tot sociale bewegingen die kapitaalsbelangen in vraag zouden kunnen stellen. Dat sluit aan bij de kritiek van linkse critici van de sociaaldemocratie: partijen als de SPD en de PS streven niet langer het idee na om het kapitalisme te vervangen door socialisme. En na het einde van de ‘golden sixties’ ging het er zelfs niet meer over om het kapitalisme op een fundamenteel andere wijze te beheren. In het beste geval kwam centrum links op voor het behoud van de verworven rechten van de werkende klasse, maar in de praktijk gingen die verworven rechten beetje bij beetje voor de bijl. Banden met sociale organisaties, zoals vakbonden, gingen teloor, en de partijen waren ook niet langer massaorganisaties. Niet alles was het gevolg van beslissingen van de leiding, maar die beslissingen versnelden het proces wel. Dat alles kwam pijnlijk aan het licht bij de Grote Recessie. Wanneer de centrumlinkse partijen in de regering zaten voerden ze de soberheidsprogramma’s uit, en ze schuwden daarbij soms geen coalities met de traditionele tegenstanders. De meeste soberheidspartijen betaalden daar een prijs voor, maar die was extra hoog voor sociaaldemocraten, van wie de kiezers het gelag betaalden van de bezuinigingen. Geen wonder dus dat centrum links de grootste verliezer was van de crisis.   En de linkerzijde? Radicaal links had vaak wel een duidelijk inzicht in wat er omging bij centrum links, maar dat garandeerde geen succes bij de aanpak van deze politieke crisis. Als we radicaal links in de acht hogergenoemde landen bekijken vinden we er het complete gamma, gaande van electorale hegemonie tot complete marginalisering. SYRIZA kon in 2015, met 36% van de stemmen, een regering vormen. Ze kon het soberheidsbeleid niet verhinderen, maar haalde in 2019 nog altijd bijna vier keer zoveel stemmen als de coalitie geleid door PASOK. Geen enkele andere radicaal linkse partij kende zo’n stormachtige vooruitgang. Het dichtst in de buurt kwam men in Spanje waar Izquierda Unida (IU) en het nieuwgevormde Podemos in 2015 samen aan 24% van de stemmen kwamen, 2% meer dan de PSOE. Maar in 2019 haalde centrum links dubbel zoveel stemmen als de IU- Podemos alliantie. In Frankrijk verbeterde Jean-Luc  Mélenchon zijn score van 11,1% naar 19,6% bij de presidentsverkiezingen van 2012 en 2017, en zijn partij, La France Insoumise, overtroefde de socialisten. Dit nam liet weg dat veel socialistische kiezers voor Macron kozen, eerder dan voor Mélenchon. De Nederlandse SP deed het in 2017 beter dan de PvdA, maar dat was omdat deze laatste het zo slecht deed. Het Duitse Die Linke had zijn beste resultaat in 2009, met bijna 12% van de stemmen, maar ging sindsdien achteruit. In Italië was Rifondazione Comunista een van de belangrijkste Europese radicaal linkse partijen in de jaren 90 en het begin van de jaren 2000, maar kwam niet meer aan verkiezingen te pas sinds 2008; in de plaats kwam de Vijfsterrenbeweging opgericht door een comedian, Beppo Grillo.   Wie springt in de bres? Het Italiaans voorbeeld toont aan dat de rechtse koers van de sociaaldemocratie zeker een reactie voortbrengt, maar het is niet noodzakelijk de reactie die radicaal links zich wenst. Het vacuum kan gevuld worden door ‘antipolitieke’ krachten zoals de Vijfsterrenbeweging, maar het kan ook extreem rechts zijn. Deze laatsten hebben het gemakkelijker dan radicaal links om de mainstream politiek te beïnvloeden, omdat een deel van hun programma aanvaardbaar is voor de machthebbers. Er is zelfs een zeer merkwaardig alternatief ontstaan: het anti-establishment centrisme. Emmanuel Macron is er het meest succesvolle voorbeeld van. In vergelijking met Mélenchon had hij als tegenspeler van Le Pen het grote voordeel perfect aanvaardbaar te zijn voor de economische machten, en ondertussen kon zijn duel met Le Pen zijn eigen politiek project in het duister laten. Vluchtelingen vervolgen, een anti-islamitische campagne of meer macht aan de politie zal nationaal en Europees op veel minder verzet stuiten dan de geringste dissonant op het vlak van de neoliberale orthodoxie.   De rol van links Spanje en Portugal zijn de enige landen waar de sociaaldemocratie in de voorbije jaren enige vooruitgang boekte. In beide gevallen kwamen ze aan de macht dankzij steun van radicaal links: met een formele coalitie in het geval van Spanje, en via externe steun in Portugal. Het moet vooreerst gezegd dat het ‘Iberisch ‘ model niet zomaar kan geëxporteerd worden. Waar radicaal links te marginaal is, of waar centrum links teveel steun verloren heeft kan het alleszins al niet. Radicaal links moet wel bereid zijn om zijn eisen te temperen en de agenda af te stemmen op die van de sociaaldemocratie, dus zonder breuk met het economisch paradigma van de laatste 40 jaar. Stathis Kouvelakis bekritiseerde deze aanpak in het geval van Portugal:

“Het is fundamenteel fout voor radicaal links om akkoord te gaan met een politieke lijn die gewoon complementair is aan die van de sociaaldemocratie. We hebben geen nood aan radicaal linkse partijen die deals sluiten met de sociaaldemocratie om het aantal huisuitzettingen te beperken, het minimumloon met 50 € te verhogen of wat ontslagen in de openbare sector ongedaan te maken. Als men echt denkt dat dit de weg is die moet gegaan worden moeten we ons binnen het kader van de sociaaldemocratie opstellen, en proberen enkele verbeteringen te verkrijgen. Maar voor een politieke stroming die beweert een alternatieve maatschappijvisie te hebben kan zoiets aannemen als politieke horizon neerkomen op het overboord gooien van deze visie.”

In Spanje en Portugal zijn er al spanningen ontstaan in dit model, zeker nu de Europese Commissie onpopulaire voorwaarden stelt aan de toekenning van de gelden van het corona-herstelfonds. En al maakt Groot-Brittannië geen deel meer uit van de EU, de wederwaardigheden van Jeremy Corbyn’s beweging binnen Labour tonen aan hoe verbeten de oude garde in zulke partijen zal tekeer gaan tegen een ernstig vernieuwingsproject.    

Geld, steeds bron van polemiek (2)

11/02/2021 - 19:10

door Herman Michiel 11 februari 2021   Naar aanleiding van het voorstel tot kwijtschelding van overheidsschuld door de Europese Centrale Bank dat onlangs in de internationale pers verscheen (zie ECB: kwijtschelding van de overheidsschuld) schreef Frank Slegers een vrij uitgebreide reactie, waar ik graag de mijne aan toevoeg. Voor de leesbaarheid eerst Franks reactie, zoals ze ook onderaan het bovenvermelde artikel te vinden is.  

Frank Slegers:

Ik heb toch wat vragen bij deze oproep.

Als ik het goed begrijp gaat het om het volgende. De Europese Centrale Bank (ECB) koopt op de secundaire markten grote hoeveelheden overheidsobligaties op, uitgegeven door de overheden van de lidstaten. De overheden van de lidstaten lenen door de uitgifte van obligaties geld op de financiële markten. Obligaties zijn vastrentende schuldpapieren opgenomen door financiële instellingen. Vervolgens koopt de ECB deze schuldpapieren dus op, als onderdeel van haar anti-crisisbeleid. Zo wordt het voor de lidstaten makkelijker om leningen te plaatsen, ook voor lidstaten waarvan de kredietwaardigheid onder druk staat, en wordt de rente op deze leningen laag gehouden, want de financiële instellingen weten dat zij de overheidsobligaties kunnen doorverkopen aan de ECB.

Het zou eenvoudiger zijn als de ECB deze obligaties rechtstreeks opkocht bij de overheden van de lidstaten, maar dat mag niet volgens de Europese Verdragen. Vandaar deze omweg, die eigenlijk op het zelfde neerkomt. Als de politieke weg er is, vindt men in Europa altijd een juridische sluipweg.

Wat gebeurt er nu wanneer de ECB deze schulden kwijtscheldt? Dan heeft zij – in figuurlijke zin, want in feite gaat alles digitaal, via de boekhouding van de ECB, de centrale banken en de banken in de lidstaten – geld van de drukpersen laten rollen en dit cadeau gedaan aan de overheden van de lidstaten.

Is het dan zo eenvoudig om de grenzen van de overheidsfinanciën open te breken? Gewoon geld bijdrukken en uitdelen?

Volgens een hoop moderne economen wel. Zij wijzen erop dat er geen risico is op geldontwaarding, inflatie dus, en dat het eerder deflatie is die dreigt.

Maar klopt dit wel? Sinds de financiële crisis van 2007/2008 werd inderdaad veel geld ‘bijgedrukt’ en in de economie gepompt, zonder dat dit tot noemenswaardige inflatie geleid heeft, tenminste als men naar de consumptieprijzen kijkt. Maar er is wel zoiets als ‘asset inflation’: het geld verdween in de financiële sector, en leidt daar tot enorme prijsstijgingen op de aandelenbeurzen, de immobiliënmarkten, de goudmarkt, van de bitcoin, en noem maar op: enorme financiële zeepbellen, economische tijdbommen waarvan de vraag alleen is wanneer ze afgaan. Dus zo onschuldig is het draaien van de geldpersen niet.

Nu zullen onze moderne economen wel allerlei voorwaarden koppelen aan het draaien van de geldpersen, maar dat is in deze oproep niet uitdrukkelijk terug te vinden.

Anderzijds stelt de oproep voor de ruimte die vrijkomt door het kwijtschelden van de schulden te gebruiken voor investeringen in de energietransitie en in het opvangen van de coronacrisis. Inderdaad: normaal gesproken zal een nationale overheid wanneer een obligatie moet afgelost worden een nieuwe lening uitschrijven om de vorige te betalen. Overheden betalen zelden hun schuld af: vervallen schulden worden gefinancierd door nieuwe leningen, en op de overheidsbegroting weegt enkel de rente die moet betaald worden op de schuldmassa. Wanneer overheden de obligaties in handen van de ECB echter niet moeten terugbetalen schept dit ruimte om leningen aan te gaan voor andere doeleinden, zoals het financieren van de energietransitie of de coronaschade.

Maar waarom zouden de overheden van de lidstaten zich voor deze financiering dan wel weer moeten wenden tot de financiële markten? Kan men ook hiervoor de Europese geldpersen niet laten draaien? Of obligaties rechtstreeks plaatsen bij de ECB? Of wordt het dan te veel van het goede? Waar ligt dan de grens?

Ik heb de indruk dat de initiatiefnemers vooral het statuut van de ECB willen aanvallen, want dit statuut hindert in de eurozone de monetaire financiering van overheidsbeleid. Dat hangt samen met het feit dat het economisch beleid nog grotendeels in handen van de lidstaten is, in tegenstelling tot het monetair beleid: de fameuze weeffout van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Het voorstel komt neer op een ingewikkelde weg om monetaire financiering van nationaal economisch beleid mogelijk te maken. Maar het hangt met haken en ogen aan elkaar.

Alhoewel de auteurs aangeven dat hun voorstel maar een onderdeel is van het beleid dat zij voorstaan, wordt de rekening toch voor een stevig stuk doorgeschoven naar de ECB. Zo dreigt de slogan ‘laat de rijken de crisis betalen’ vervangen te worden door ‘laat de ECB de crisis betalen’.

  Herman Michiel: Franks overwegingen overlappen deels met een vorige reactie, naar aanleiding van voorstellen over ‘eeuwigdurende obligaties’ of ‘consols’ (zie hier). Kan de Europese Centrale Bank (ECB) zo maar  geld creëren uit het niets? Zal dit niet leiden tot ongewenste inflatie? Anderzijds vermeldt hij een aantal punten waar de oproep had verder kunnen gaan: waarom zou de ECB dan niet direct staatspapier kopen in plaats van de omweg van de secundaire markt? En komen de rijken er dan niet al te gemakkelijk van af, aangezien er geen nood aan belastingen meer is als de ECB toch geld naar behoeven drukt?   MMT Laat me misschien eerst even verduidelijken dat, waar Frank spreekt van de ‘moderne economen’ een welbepaalde stroming bedoeld is, die van de Modern Monetary Theory waaraan namen verbonden zijn als Bill Mitchell, Tomas Fazi of Stephanie Kelton. MMT gaat door voor ‘heterodox’ en neokeynesiaans, en wordt door mainstream economen verguisd omdat het bijvoorbeeld de rol van private banken in vraag stelt, en de centrale bank in dienst ziet van de overheid. Zoals binnen elke school bestaan er ook binnen MMT uiteenlopende opinies, en ook buiten deze school zijn er auteurs die aan de overheid een grote rol toekennen in de monetaire politiek, en geld in een democratisch perspectief zien. Zo is Mary Mellor eerder afwijzend wat MMT betreft, maar haar (zeer leesbaar) boek Money, Myths, thruts and alternatives (2019) is evengoed een pleidooi voor een nieuw financieel systeem in dienst van duurzaamheid en sociale noden. Het lijkt me daarom beter de discussie over de oproep tot kwijtschelding van ECB-schulden niet meteen te koppelen aan een theorie van ‘onze moderne economen’, maar naar de intrinsieke sterktes en zwaktes van het voorstel te peilen. Wat er zeker niet aan het voorstel, noch aan de MMT-theoretici kan verweten worden is dat ze beweren dat geld ‘uit het niets’ kan gecreëerd worden. Geld wordt uit het niets gecreëerd, dat zullen ook mainstream-economen bevestigen. Als een bank een lening toestaat aan een particulier of een bedrijf creëert ze dit geld door een louter digitale operatie. Er moeten geen spaarders langsgekomen zijn die voor hetzelfde bedrag spaargeld neergeteld hebben, er moet geen goud in de kluizen van de bank liggen om die lening te kunnen toestaan. De bank moet er wel een stukje eigen kapitaal kunnen tegenover plaatsen (vaak minder dan 10%) en de operatie wordt genoteerd door de centrale bank. Het kan dan misschien verbazing wekken dat een bank kan interest vragen op een som die ze zo maar zelf gecreëerd heeft, maar zo is het. Hetzelfde is waar voor de centrale bank zelf. Nemen we de ECB, die in de voorbije jaren voor duizenden miljarden euro private en publieke schuldpapieren heeft opgekocht; het geld daarvoor werd gecreëerd – gedrukt zoals sommigen graag zeggen - door computers in Frankfurt. Wie nog gelooft in enige binding tussen geld en goud zou natuurlijk zeer verbaasd zijn te horen dat de goudvoorraad van de ECB slechts 505 ton bedraagt, met een monetaire waarde van ongeveer 22 miljard euro, een onooglijke peulschil in vergelijking met de euro’s in omloop, zowel die in cash (een kleine fractie) als op bankrekeningen. Als de ECB dus met haar zelf gecreëerd geld overheidsschuld koopt (wat in de EU betekent dat ze overheidsobligaties overkoopt van banken en beleggers, want verdragsrechtelijk mag ze die niet rechtstreeks van de overheden kopen) heeft die overheid dus een schuld bij de ECB. Nu is de ECB geen private bank, maar een Europese instelling, opgericht en gefinancierd door de lidstaten, dus uiteindelijk door u en mij. Die schuld terugbetalen komt erop neer dat we de schuld “aan onszelf” betalen, zoals in de oproep staat. De ECB betaalde de overheidsobligaties met zelf gecreëerd geld, maar voor de terugbetaling ervan moet een overheid over het nodige belastinggeld en eventueel andere inkomsten beschikken. De “kwijtschelding van overheidsschuld door de Europese Centrale Bank” betekent dus niets anders dan dat de ECB het door haar zelf gecreëerde geld niet terugeist [efn_note] Er is nog een ander aspect dat we hier buiten beschouwing laten. Een overheid moet jaarlijks interest betalen op de door haar uitgegeven obligaties. Als die in handen zijn van de ECB betaalt ze die interest dus aan de ECB. Het is zo dat de ECB die interest terugbetaalt aan de betrokken overheid, wat eigenlijk ook aantoont dat de ECB geen private bank is, maar een overheidsinstelling. [/efn_note]. Zo eenvoudig is het dus om de grenzen van de overheidsfinanciën open te breken, zoals Frank het formuleert. Maar kan zo iets pijnloos gebeuren? Wat zijn de gevolgen? Zou de veralgemening van zoiets niet tot enorme inflatie leiden?   Inflatie? Laat ons eerst kijken hoe leningverstrekking gebeurt bij de gewone banken. De bank creëert eerst het geld ‘uit het niets’, maar als de lening helemaal is terugbetaald is dit geld ook in het niets verdwenen, vernietigd zoals men zegt, het staat niet meer in de boeken van de bank. Was dit niet het geval, dan zou er met elke nieuwe lening definitief meer geld ter beschikking zijn, met een stijgende inflatie als gevolg. Wat nu als de overheid haar schulden niet zou terugbetalen aan de ECB? De overheidsschuld in de eurozone bedroeg in 2019 tienduizend miljard euro, 84% van het Eurozone-BBP; in 2020 zal daar natuurlijk een heel pak bijgekomen zijn. Met 25% van deze schuld op de balans van de ECB gaat het dus over meer dan 2500 miljard euro. Bovendien suggereert de oproep dat de kwijtschelding geen eenmalige operatie moet zijn, maar dat monetaire financiering ook in de toekomst kan gebruikt worden om bijvoorbeeld de ecologische transitie te helpen bekostigen. Hoe zou in zo’n geval een exploderende geldhoeveelheid kunnen vermeden worden? Het klopt dat de oproep niet ingaat op dit probleem, wat jammer is omdat het de geloofwaardigheid ervan vermindert. Verdedigers van de MMT-theorie doen dit nochtans wel. Zo wijzen Mitchell en Fazi erop dat belastingen integraal deel uitmaken van hun visie. Door belastingen te innen wordt geld uit omloop genomen, net zoals de terugbetaling van een lening aan een private bank het gecreëerde krediet terug vernietigt. Het is dan een beleidskeuze wie wordt belast en waarvoor, of men de sociale ongelijkheid erdoor wil terugdringen dan wel versterken. De oproep vermeldt weliswaar “belastinghervormingen om de ongelijkheid te verminderen”, maar geeft niet aan dat dit ook een essentiële functie vervult bij de monetaire financiering van overheden. Eric Toussaint en andere leden van CADTM die de oproep ondertekenden pleiten in een commentaar achteraf voor verdergaande maatregelen zoals een covid-belasting op de grote fortuinen en de grote bedrijven, zonder evenwel op de economische rol te wijzen die een dergelijke belasting speelt in de geldkringloop. Er zijn dus wel degelijk mogelijkheden om het gevaar op inflatie te bestrijden, een gevaar dat momenteel in Europa denkbeeldig is; de ECB zou maar al te graag wat inflatie creëren maar het lukt niet… Maar, zegt Frank, er is wel zoiets als ‘asset inflation’: het geld dat de ECB probeerde in de economie te injecteren (door de ‘kwantitatieve versoepeling’ of QE)  verdween in de financiële sector, en leidt daar tot enorme prijsstijgingen op de aandelenbeurzen, de immobiliënmarkten, de goudmarkt, van de bitcoin, enzovoort, wat tot het barsten van nieuwe ‘zeepbellen’ kan leiden met alle economische narigheid voor gevolg. “Dus zo onschuldig is het draaien van de geldpersen niet”, besluit Frank. Net op dit punt is het voorstel tot kwijtschelding van overheidsschulden veel veiliger dan de blinde geldinjecties zoals die door de ECB bedreven worden en inderdaad voor een groot deel terechtkomen in de financiële sector, zonder merkbaar effect op de reële economische activiteit. Bij kwijtschelding van overheidsschulden door de ECB daarentegen gaat het om een politieke beslissing waarover politieke afspraken kunnen gemaakt worden. De internationale oproep stelt zo’n afspraak voor: dat dezelfde bedragen geïnvesteerd worden in ecologische en sociale wederopbouw.   Andere bedenkingen Franks bezwaren tegen het voorstel tot kwijtschelding van staatsschulden gaan eigenlijk twee tegengestelde richtingen uit. Enerzijds het gevaar op inflatie, al dan niet in de financiële sector, anderzijds vraagt hij zich af of de ECB-geldpersen dan ook niet kunnen draaien voor de leningen die de overheden aangaan om een equivalent bedrag te investeren in de ecologische en sociale wederopbouw. Eenmaal men inziet dat er wel degelijk maatregelen zijn die niet alleen de inflatie in toom kunnen houden, maar ook de sociale ongelijkheid terugdringen, is er inderdaad geen reden om van de centrale bank geen democratisch instrument van openbaar nut te maken, ten dienste van duurzame sociale ontwikkeling. “Er is alleen wat politieke moed voor nodig”, zegt men er dan soms bij, maar dat is natuurlijk een reusachtig understatement van de fenomenale macht die de financiële spelers veroverd hebben en die ze zomaar niet zouden prijsgeven omwille van argumenten van democratie en sociale rechtvaardigheid. ECB-voorzitter Lagarde heeft trouwens al laten weten dat de oproepers hun tijd verspillen… De internationale oproep heeft bijgevolg vooral een politiek opvoedende waarde. Hij toont aan dat het anders zou kunnen, dat samenlevingen niet moeten gekluisterd zijn aan schulden waar alleen een financiële elite van geniet. Het kan aanzetten tot sociale contestatie en politieke strijd. Het is daarom ook belangrijk dat een dergelijke oproep zo precies en geloofwaardig mogelijk is. Kritieken en commentaren erop hebben dus zeker hun plaats. Ik zit zelf ook met enkele vragen. Hoe pareert men het bezwaar dat het voorstel onrechtvaardig is, omdat wie veel schulden heeft er veel kwijtgescholden wordt? We zitten natuurlijk in een uitzonderlijke situatie, en men kan met reden zeggen dat niemand corona-of klimaat-veilig is als niet iedereen het is. Maar bij een courant gebruik van monetaire financiering van overheden zouden regels moeten gehanteerd worden die voor iedereen aanvaardbaar zijn. Andere vraag. De ECB kan natuurlijk maar schulden in euro kwijtschelden, wat dus slechts bij 19 van de 27 lidstaten mogelijk is. Wat met Bulgarije, Denemarken, Polen…? In theorie zou ook hun centrale bank als financier van de overheid kunnen fungeren, maar dan rijst een probleem van schaalgrootte. Hoe zal de munt van een klein land in zijn betrekkingen met het buitenland, voor zijn import, beoordeeld worden als er aan monetaire financiering van de overheid gedaan wordt? Dit is veel minder een probleem voor een groot economisch blok als de eurozone, maar dat geldt waarschijnlijk niet voor de ‘kleintjes’. Natuurlijk, als het systeem in zwang zou komen in de eurozone zou het een grote aantrekkingskracht kunnen uitoefenen op de lidstaten buiten de eurozone, die zich nu om begrijpelijke redenen weinig aangetrokken voelen tot het vervoegen van de club. Dit zijn natuurlijk ook bespiegelingen op de langere termijn…   Het debat wordt ongetwijfeld voortgezet.    

Borrell: koekje van eigen deeg

10/02/2021 - 13:23

10 februari 2021 - Josep Borrell, de 'buitenlandminister van de EU' was in Moskou gaan zeggen wat 'wij als EU' zoal denken over het Poetin-regime en zijn aanpak van tegenstanders zoals Aleksej Navalny. Op het gebied van democratie en mensenrechten in Rusland is er inderdaad heel wat slechts te zeggen, maar Borrell was wel de foute man om dat te doen, en dat om twee redenen. Vooreerst als gezant van de Europese Unie. Die heeft natuurlijk de mond vol over de rechtsstaat, mensenrechten en democratie, maar dat is zo vergeten als er 'hogere' belangen in het spel zijn. Dat er duizenden mensen verdrinken in de Middellandse Zee is nu eenmaal de prijs die moet betaald worden om Fort Europa veilig te houden. De goede diensten van Marokko daarbij  als 'bufferstaat' worden beloond met de stilzwijgende instemming van de EU met de Marokkaanse aanspraken op de Westelijke Sahara.  Dat klokkenluider Assange aan het sterven is in een Britse cel is nu eenmaal de prijs voor onze goede verstandhouding met Washington.  De EU lijkt ook niet van plan Borrell naar Israël te sturen om daar te gaan zeggen dat het nu eens moet gedaan zijn met de bezetting van Palestijns grondgebied en de voortdurende schending van de rechten van de Palestijnen, die uiteindelijk ook mensen zijn. Maar Borrell heeft ook als Spaans politicus boter op zijn hoofd. Als minister in de regering Sanchèz was hij een verdediger van de harde aanpak van de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging. Zoals men weet werd er niet alleen met veel politiegeweld opgetreden tegen kiezers bij het referendum van 1 oktober 2017, maar een aantal kopstukken van deze beweging werden veroordeeld tot effectieve gevangenisstraffen van 9 tot 13 jaar. De Russische buitenlandminister Lavrov had dus zijn antwoord klaar als Borrell  over Navalny begon... Carles Puigdemont, de ex-president van de Catalaanse Generalitat in ballingschap, had het gisteren in zijn tussenkomst in het Europees Parlement niet ten onrechte  over 'dubbele standaards' die door de EU worden gehanteerd. (hm)    

Researchopdracht “Data for the public good” (NL, BE)

09/02/2021 - 17:09
Bewaren als PDF

9 februari 2021 – De ngo access!Nfo zoekt in diverse landen, o.a. Nederland en België, onderzoekers die thuis zijn in het databeleid in hun land: “Access Info Europe is currently seeking independent, country-level researchers for several European countries to act as national researchers for the first edition of the Global Data Barometer (2020–2021).”

Er wordt een vergoeding voorzien.

Alle info op de website van access!Nfo

 

 

Hits: 0

RWE: Kohle bitte…

09/02/2021 - 15:55

9 februari 2021 - Wie in het Duits over ‘Kohle’ spreekt kan het over twee verschillende dingen hebben: steenkool of geld. Maar als het Duitse energiebedrijf RWE over Kohle spreekt gaat het over allebei, maar toch vooral over geld. Veel geld, zoals de 1,4 miljard € die het eist van de Nederlandse overheid wegens de ‘kolenwet’, die het gebruik van steenkool voor elektriciteitsproductie verbiedt vanaf 2030. Nu nam RWE nog in 2015 een nieuwe kolencentrale in gebruik in Eemshaven en claimt dat stopzetting in 2030 het bedrijf een miljardenschade zou opleveren. “RWE had al jaren geleden kunnen zien aankomen dat er maatregelen ter reductie van de uitstoot zouden worden genomen,” zegt Bart-Jaap Verbeek van SOMO “maar toch heeft het willens en wetens besloten in 2015 een nieuwe kolencentrale in gebruik te nemen en wil nu de rekening doorschuiven naar de belastingbetaler.” Dat RWE toch beweert “over de hele wereld te werken aan een duurzame energietoekomst” zal wel niemand meer verbazen, gewend als we zijn aan de bedrieglijke lof die privébedrijven zichzelf toezwaaien. Als men dan nog weet dat een beruchte speler als Blackrock een van de grote institutionele beleggers van RWE is kan men zich aan alle streken van de kapitalistische winstzucht verwachten. Wat echter nog steeds te veel mensen verbaast is dat onze overheden er alles aan doen om het deze geldhaaien gemakkelijk te maken. RWE beroept zich immers op een internationaal verdrag dat door de Nederlandse regering werd goedgekeurd. We hebben het over het Energiecharterverdrag dat door meer dan 50 landen, waaronder de West-Europese, werd aangenomen, en energiebedrijven in staat stelt om van overheden ‘schadevergoedingen’ te eisen als ze hun winstkansen in het gedrang zien komen. Meer over dit monsterverdrag vindt u hier; het zal niemand ontgaan dat hier dezelfde logica speelt die terug te vinden is in alle vrijhandelsverdragen die de EU afsluit met derden: door een ISDS-clausule wordt de rode loper uitgerold voor privébedrijven. Men kan dus moeilijk zeggen dat deze kwestie de Nederlandse overheid nu ‘overkomt’, want ze legde er zelf de basis voor. Op dezelfde manier ‘overkomt’ het de Duitse overheid dat het Zweedse energiebedrijf Vallenfalls miljarden claimt omwille van de kernuitstap. Het is trouwens nog maar een jaar geleden dat de regering Rutte het Energiecharterverdrag expliciet verdedigde. Op de vraag van Kamerlid Ouwehand (Partij van de Dieren) : “Wat is voor u op dit moment reden om nog steeds vast te houden aan dit gedateerde verdrag?” antwoordt VVD-minister Wiebes: “Nederland hecht veel waarde aan een efficiënte werking van energiemarkten, bevordering van energiehandel en samenwerking in beleidsontwikkeling op energiegebied. (…) Als Nederland het Energiehandvestverdrag zou opzeggen, verliezen Nederlandse investeerders in het buitenland de minimale rechtsbescherming op grond van dit verdrag.” Wiebes denkt dus aan de Nederlandse investeerders, de burgers of de klimaatverbintenissen blijven buiten zijn gezichtsveld … Over dat opzeggen - wat Italië in 2016 deed - is er trouwens nog een wansmakelijk detail: tot 20 jaar na de opzegging kunnen bedrijven claims blijven indienen over gedane investeringen… RWE is trouwens niet de enige die in Nederland met schadeclaims opdaagt; een ander Duits energiebedrijf, Uniper, probeert hetzelfde. Wereldwijd zijn het helaas de landen met de minste middelen die het zwaarst onder vuur liggen met ISDS-clausules. Wiebes maakte zich ook nog sterk dat het Energiehandvestverdrag niet kan ingeroepen worden door Europese bedrijven tegen Europese regeringen. De bedrijven denken daar anders over, en het bewijst alleen al hoe nonchalant regeringen zijn bij het tekenen van verdragen waarvan men niet eens de draagwijdte kent. We zullen zien hoe de RWE-, Uniper- en gelijkaardige affaires in de EU aflopen. Een ander schaamlapje waarachter Rutte en andere Europese regeringen zich verbergen is dat sommige bepalingen van het verdrag een beetje verouderd zijn, en dat we ons met de EU achter een modernisering scharen. Formeel zijn daar onderhandelingen over bezig, maar niets wijst erop dat de EU haar Green Deal wil veiligstellen door met alle middelen uit het verdrag te stappen. Vier Franse ministers schreven daarover een brief in die zin aan de Europese Commissie, die voor de EU de onderhandelingen voert. (hm)    

De Commissie toont haar nieuwe wapens

08/02/2021 - 15:38

door Martin Höpner (*) 8 februari 2021  

De Commissie toont trots haar nieuwe arsenaal. De lidstaten moeten de aanbevelingen van het Europees Semester uitvoeren om geld uit het corona-herstelfonds te kunnen ontvangen. Dit is de weg naar een autoritair Europa.

 

Vorige week stond er een opmerkelijk bericht in de pers. De Europese Commissie had het kabinet van de Bondskanselier en de ministeries van Financiën en Economische Zaken duidelijk gemaakt dat Duitsland zijn hervormingsprogramma zou moeten verbeteren om in aanmerking te komen voor de ongeveer 24 miljard euro waarop het land recht heeft uit het wederopbouwfonds. Volgens het Handelsblatt  en de Frankfurter Allgemeine  zou Duitsland met name zijn al te progressieve belastingstelsel moeten hervormen, de betaalbaarheid van zijn pensioenstelsel moeten versterken, gereglementeerde beroepen moeten openstellen en het gunstigere belastingtarief voor gehuwden (Ehegattensplitting) moeten afschaffen. Dit is eigenaardig. Als er voorwaarden zijn om het geld uit het wederopbouwfonds te krijgen, gaat dat dan niet over de concrete besteding van middelen, digitalisering, klimaatbescherming en het mechanisme van de rechtsstaat? Valt het Duitse systeem van huwelijkssplitsing nu onder de bevoegdheid van de EU? Of draagt het, zonder dat we het tot nu toe hebben gemerkt, bij tot de inter-Europese onevenwichtigheden die wel degelijk correctie behoeven en dus binnen de bevoegdheid vallen van de macro-economische toezichts- en correctieprocedures die sinds lang met sancties worden onderbouwd?  [efn_note]De auteur verwijst hier naar de bepalingen van het Sixpack die de Commissie de bevoegdheid geven tussen te komen als ze meent dat het economisch beleid van een land tot ‘onevenwichtigheden’ leidt. [Noot van de vertaler] [/efn_note] Zelfs als dit het geval zou zijn (al is dit verre van duidelijk), wat heeft dit dan met het corona-herstelfonds te maken? Laten we de feiten eens op een rijtje zetten en een en ander nagaan.   Voorwaardelijkheden vinden hun weg naar het herstelfonds Zoals bekend hebben de marathononderhandelingen van de Europese Raad van juli 2020 geleid tot de oprichting van een herstelfonds dat zal worden gefinancierd via gezamenlijk leningen, en dat in de komende drie jaar voor 312,5 miljard euro subsidies en voor 360 miljard euro leningen zal verstrekken. Een vijfde van het geld is bestemd voor versnelde digitalisering en een derde voor klimaatbescherming. Op basis van een verdeelsleutel op basis van het welvaartspeil, de ernst van de corona-impact vorig jaar en het werkloosheidspercentage, zullen de middelen over de deelnemende landen worden verdeeld. Het is normaal dat bij de aanwending van dergelijke fondsen voorwaarden worden gesteld en controles worden aangewend. De doelstellingen moeten worden vastgesteld en er moet ongetwijfeld worden gecontroleerd of de middelen niet in een moeras van corruptie wegzinken. Daar is iedereen het over eens. Maar de Commissie, het Europees Parlement (EP) en sommige lidstaten - vooral de noordelijke ‘vrekkige vijf’, waarbij Duitsland door zijn voorzitterschap zich in vergelijking gematigder opstelde - wilden méér, namelijk dat toekenning van gelden gekoppeld wordt aan voorwaarden die niets te maken hebben met de doelstellingen en procedures van het fonds. Het EP wilde met name een hard rechtsstaatmechanisme om op te kunnen treden tegen Polen en Hongarije (zie hierover Andreas Nölke), en de Commissie wilde met name een koppeling met de landenspecifieke aanbevelingen van het Europees Semester. De onderhandelingen over deze voorwaarden sleepten zich bijna een half jaar voort. Het akkoord in de zogeheten trialoogprocedure [efn_note]’Triloog’ of ‘trialoog’ is EU-jargon voor overleg en petit comité tussen vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie als deze drie instellingen het niet eens worden over een bepaald standpunt; men zoekt dan naar een compromis . Als informele vergadering kan men er ook geen verslagen van vinden. [Noot van de vertaler][/efn_note] tussen de Commissie, de Raad en het EP werd pas kort voor Kerstmis, op 17 december 2020, bereikt. Helaas ging de berichtgeving daarover vrijwel uitsluitend in op de kwestie van de rechtsstaat. Hierdoor bleef een cruciaal feit verborgen, namelijk dat de Commissie de koppeling aan de landenspecifieke eisen van het Europees Semester zonder meer gewonnen had (hier het betreffende document). De Commissie heeft nu precies wat ze altijd al gewild had.   Het Europees Semester Het Europees Semester bestaat, althans onder die naam, sinds 2011 en omvat verschillende procedures waarmee de EU haar leden met variërende nadruk hervormingsaanbevelingen kan doen, zonder dat zij daarvoor de wetgevende bevoegdheid gekregen heeft. Het gaat onder meer om de algemene landenspecifieke aanbevelingen die sinds de lancering van de Europa 2020-strategie [efn_note] De ‘Europa-2020 strategie’ werd in 2010 gelanceerd als opvolger van de ‘Lissabonstrategie’ en had als bedoeling om van de EU de ‘meest concurrerende sociale markteconomie’ te maken. [Noot van de vertaler][/efn_note] aan de lidstaten zijn gericht. Voorts is er de van sancties voorziene buitensporigtekortprocedure voor leden van de eurozone, die is voortgekomen uit het stabiliteits- en groeipact van 1997, dat zelf zijn oorsprong vindt in de convergentiecriteria van Maastricht van 1992. Dan is er ook nog de in 2012 ingevoerde macro-economische toezicht- en correctieprocedure, die ook in het ultieme geval sancties kan opleggen bij niet-naleving. Een ingewikkelde wildgroei van procedures dus, die men dan wijselijk bundelt met de jaarlijkse Semester-cyclus, al was het maar om te voorkomen dat de aanbevelingen van de afzonderlijke procedures elkaar te duidelijk zouden tegenspreken. Het Europees Semester is geen slechte zaak. Waarom zou de Commissie het beleid van de EU-landen niet vergelijken, doelstellingen en zo mogelijk best practices vaststellen, de generaliseerbaarheid en overdraagbaarheid van de vastgestelde praktijken bekijken en advies formuleren? En waarom zou men er niet ook voor mogen zorgen dat er daarmee iets méér gebeurt dan “lezen, lachen en klasseren”, dat de betrokken regeringen dus tenminste serieus met de aanbevelingen moeten omgaan en een antwoord moeten formuleren aan de Commissie? Ook al apprecieert men de aanbevelingen van het Semester natuurlijk niet altijd even veel (om het zacht uit te drukken), toch moet de EU niet nalaten om naast gemeenschappelijke wetgeving ook dergelijke vormen van ‘zachte’ coördinatie na te streven. Maar opgepast: als in een geleidelijk proces de aanbevelingen steeds meer vergezeld gaan van de mogelijkheid tot sancties, zullen het op een gegeven moment geen aanbevelingen meer zijn, maar instructies aan wettelijk verkozen wetgevers, zoals ook Europese richtlijnen en verordeningen uiteindelijk instructies zijn. Hier, bij het Semester, gaat het echter om materies waarvoor de EU geen wetten heeft uitgevaardigd die voor iedereen bindend zijn, en waarvoor de EU in de Verdragen vaak helemaal geen regelgevende bevoegdheden heeft gekregen. Dat is wat er nu aan het gebeuren is. Een procedure die bedoeld was voor zachte coördinatie, krijgt steeds meer de allures waardoor niet-bindende aanbevelingen worden omgezet in dwingende instructies die worden ondersteund door sancties. De Commissie zoekt al lang naar bestuursmogelijkheden buiten de Europese wetgeving om, en met succes. De recente geschiedenis van de Europese integratie is juist geen geschiedenis van de uitbreiding van de Europese wetgevende bevoegdheden, maar een geschiedenis van steeds meer instructies buiten de wetgeving om. De EU heeft tijdens en na de eurocrisis een grote stap gezet door de op sancties gebaseerde macro-economische correctieprocedures in te voeren. Het ging nog verder in 2014, toen de EU de mogelijkheid creëerde om structuurfondsen in te houden bij niet-naleving van de aanbevelingen van het Semester. Zij is nu op deze weg voortgegaan, voorzien van de ruime voorwaarden van het corona-herstelfonds. Een aanzienlijk deel van de aanbevelingen moet nu worden uitgevoerd om geld uit het fonds te kunnen opnemen (zie blz. 12, 33 en 53 van het Raadsdocument).   Vreemde keuze van eisen aan Duitsland Het dreigement aan het adres van Duitsland om middelen uit het herstelfonds in te houden is in de eerste plaats een symbolische daad. De Commissie wil haar nieuwe martelwerktuigen demonstreren en denkt blijkbaar: als we het doen, dan doen we het goed. Voor haar machtsvertoon heeft zij gekozen voor politiek bijzonder controversiële aanbevelingen, zoals de afschaffing van het gunstigere belastingtarief voor gehuwden; ook met een vergrootglas ontwaart men daarin geen aangelegenheid met een grensoverschrijdende draagwijdte. Als men zo te werk gaat, is het omdat men boel zoekt. Bovendien is deze aanbeveling helemaal niet terug te vinden in de huidige landenspecifieke aanbevelingen van 2020; er is alleen een algemene verwijzing naar de blijvende geldigheid van de aanbevelingen van het jaar daarvoor (in punt 24). Daar, in de aanbevelingen voor 2019, staat de kritiek op het belastingtarief voor gehuwden in paragraaf 16. Hier volgt een selectie van aanbevelingen uit 2019 waar een grensoverschrijdende draagwijdte wel aanwezig was (namelijk een verwijzing naar macro-economische onevenwichtigheden in de eurozone) en die dus beter hadden gepast in verband met het herstelfonds: Een te gematigde loonstijging (paragraaf 2), te lage overheidsinvesteringen, met name op gemeentelijk niveau (paragrafen 3 en 7), te lage onderwijsuitgaven (paragraaf 8), woningbouw die achterblijft bij de doelstellingen (paragraaf 13) en een verdere daling van de reikwijdte van collectieve loononderhandelingen -alsof de Commissie daar in Zuid-Europa niet juist de oorlog aan had verklaard – (paragraaf 18). De Commissie had ook kunnen kiezen voor politiek minder controversiële aanbevelingen, zoals het corrigeren van het lage niveau van milieubelastingen in Duitsland (paragraaf 15) of, bijvoorbeeld, het versterken van het onderwijzend personeel op scholen (paragraaf 19). En in de context van de pandemie, die uiteindelijk de aanzet heeft gegeven tot het herstelfonds, zou een aanmaning om de aantrekkelijkheid van de verpleegkundige beroepen te vergroten, heel begrijpelijk zijn geweest (deze eis is wel terug te vinden in de huidige aanbevelingen van 2020, aldaar punt 19). De provocatie van de Commissie zal de ambtenaren van de kanselarij en de betrokken ministeries echter geen slapeloze nachten bezorgen. Het kan vrijwel worden uitgesloten dat het machtsvertoon uiteindelijk zal leiden tot het inhouden van middelen uit het herstelfonds waarop Duitsland recht heeft. Het Duitse herstel- en weerbaarheidsplan, waarop de Commissie nu heeft gereageerd, is hoe dan ook voorlopig. Het definitieve, gecorrigeerde plan moet in april van dit jaar aan de Commissie worden toegezonden, en zal dan door haar worden beoordeeld en, naar verwachting, door de Raad worden goedgekeurd als groen licht voor het vrijgeven van de financiële middelen. Dit mag echter niet verhullen dat de Europese integratie hier een glibberig pad is ingeslagen.   Europese integratie op het verkeerde spoor Laten we omwille van de duidelijkheid een onderscheid maken tussen twee vormen van Europees beleid. In een eerste categorie brengen de lidstaten beleidsterreinen onder waarop zij gezamenlijk willen optreden op basis van de grensoverschrijdende draagwijdte. Dan wordt in heel Europa een gemeenschappelijke discussie gevoerd over de alternatieve beleidskeuzes. Hoe meer dergelijke pan-Europese discussies worden gevoerd, hoe meer een Europese publieke ruimte zich ontwikkelt, wat momenteel niet erg het geval is. Op die manier kan geleidelijk een gemeenschappelijke politieke ruimte met echte Europese partijen ontstaan, en kan de Europese politiek via verkiezingen democratisch worden gecontroleerd. Dit is zo de positieve benadering van Europese politiek, maar momenteel wijst weinig erop dat dit werkelijkheid zal worden. Helaas heeft met name de misplaatste invoering van de euro de totstandkoming van een gemeenschappelijke politieke ruimte een slechte dienst bewezen, omdat daardoor de conflictlijnen zijn versterkt die niet tussen de Europese partijen, maar tussen de landen lopen. Dit is precies het tegenovergestelde van een gemeenschappelijke politieke ruimte; de wijze waarop conflicten worden behandeld kan niet worden gedemocratiseerd, want partijen zijn verkiesbaar, landen niet. Maar wensen wij, als goede Europeanen, niet allemaal dat de kansen om deze visie te verwezenlijken in de toekomst weer toenemen? Landenspecifieke richtlijnen uit Brussel, die van land tot land verschillen, zijn echter iets heel anders. Zij kunnen in beginsel niet op Europees niveau worden gedemocratiseerd, d.w.z. zij kunnen niet door middel van democratische verkiezingen op Europees niveau worden gecontroleerd, omdat zij niet één maar 27 verschillende inhouden hebben. En op het niveau van de lidstaten hebben zij tot gevolg dat de democratie wordt vernietigd. Zulke richtlijnen verwijzen niet naar een toekomstig democratisch Europa, maar naar de nachtmerrie van de versterking van het reeds bestaande technocratische, autoritaire Europa. Zij zijn ook tekenend voor de Brusselse hoogmoed om beter dan de burgers ter plaatse te weten wat er in de politiek van de lidstaten moet gebeuren. De balans van deze hoogmoed is rampzalig. Helaas wordt dit zelfs door het progressieve politieke spectrum grotendeels beaamd. De verleiding om mee te doen ligt voor de hand; de machtsmiddelen die in autoritair Europa sluimeren zijn immers onuitputtelijk en verleidelijk. Wie wil er niet een paar kruimels? Zou dit alles, zo vraagt men zich her en der af, niet wat aanvaardbaarder zijn als het Europees Parlement of de sociale partners een voet tussen de deur zouden krijgen? Of misschien het Comité van de Regio's? Ik kan alleen maar met klem waarschuwen tegen het zich neerleggen bij het autoritaire karakter van de Europese politiek. De enige verstandige manier om met deze aberraties van de Europese integratie om te gaan is ze te terug te dringen en af te schaffen. Voor het herstelfonds betekent dit dat alle voorwaarden die niets te maken hebben met het daadwerkelijke gebruik van de fondsen fundamenteel moeten worden verworpen.   (*) Martin Höpner is een Duitse politoloog verbonden aan het Max Planck-instituut in Keulen, waar hij werkt rond vergelijkende politieke economie. Hij doceert ook aan de Universiteit van Keulen. De tekst die we hier in vertaling brengen verscheen als vrij artikel op 4 februari in Makroskop; verwijzingen naar Duitstalige bronnen in het oorspronkelijk artikel hebben we achterwege gelaten. We danken de auteur voor de toelating tot vertalen en publiceren.

Commissie kop van Jut

07/02/2021 - 18:44
Bewaren als PDF

7 februari 2021 – De Europese Commissie en vooral haar voorzitter Ursula von der Leyen waren afgelopen week de kop van Jut. Volgens inmiddels zowat iedereen zouden zij over de productie en de levering van vaccins slecht onderhandeld hebben met Big Farma: te traag, te voorzichtig, te zuinig, slecht onderhandeld, enzovoort.
Waar de Europese vaccinatiestrategie de legitimiteit van Brussel een boost moest geven, keert zich dit nu als een boemerang tegen haar.
Maar is schadenfreude wel op zijn plaats, ook al draagt men de EU niet in het hart?
Was een race onder de 27 lidstaten om elk voor zich contracten af te sluiten met de farmaceutische industrie te verkiezen?
Al met al is de rol van de EU beperkt gebleven: in naam van de lidstaten werden gemeenschappelijke vooruitbetaalde bestellingen geplaatst bij een aantal farmaceutische bedrijven. De uiteindelijke beslissing over de aankoop en gans de verdere vaccinatiestrategie blijven een bevoegdheid van elk van de lidstaten.

Minder Europa?

Het is dus niet vanzelfsprekend uit de vaccinperikelen te besluiten dat Brussel in deze te veel macht naar zich heeft toegetrokken.
Als men de coronacrisis in zijn geheel bekijkt is dat zeker niet het geval. De paradox is eerder dat de EU er alles aan doet om de grenzen tussen de lidstaten open te houden, maar elke lidstaat verder haar eigen aanpak ontwikkelt van de coronacrisis. Die combinatie is niet echt houdbaar. Angela Merkel heeft al gedreigd de Duitse grenzen te sluiten als naburige lidstaten het virus niet krachtdadiger zouden aanpakken. Dat leidde tot meer Europees overleg. Dat lijkt inderdaad de keuze: ofwel elk voor zich, ofwel allemaal samen.
Maar gans het coronabeleid in handen van Brussel geven is ook niet vanzelfsprekend. Het volstaat te kijken naar de weerstand die de avondklok in Nederland oproept, om zich de problemen voor te stellen als dergelijke avondklok door Brussel werd opgelegd.
Meer of minder Europa in de coronacrisis? Nu is dat niet het echte probleem: alle lidstaten hebben immers boter op het hoofd. Allemaal hebben zij de teugels in naam van economische belangen te vroeg losgelaten, met als gevolg de derde coronagolf die Europa nu overspoelt. Maar het is toch zinvol na te denken over het samenspel tussen de lidstaten en de Europese instellingen in dergelijke crisis.

Coronapaniek

Een verklaring  voor de gespannen zenuwen die opspelen in de vaccincrisis zit in de toenemende paniek over het virus zelf. Het bewustzijn neemt immers toe dat de vaccins niet het einde van de tunnel betekenen, maar dat we integendeel afstevenen op een derde coronagolf {als gevolg van het halfslachtig coronabeleid tijdens de vorige golf…).
De zenuwen staan zo gespannen dat we op weg zijn naar een echte vaccinoorlog. Dat ging zo ver dat de Europese Commissie dreigt de export van in de EU geproduceerde vaccins tegen te houden. Daarbij werd zelfs even een streep gehaald door het protocol over Noord-Ierland in het Brexitakkoord, om de export van vaccins naar die vermaledijde Britten tegen te houden, maar dat bleek dan toch niet houdbaar. De Franse president Emmanuel Macron was van zijn kant niet te beroerd om hoogstpersoonlijk in de media zijn twijfels uit te spreken over de effectiviteit van het Britse vaccin voor mensen ouder dan 65. Tot daar deze voorstanders van een open multilateraal wereldsysteem dat functioneert volgens regels. Overigens zijn de concurrenten natuurlijk geen haar beter, maar misschien wat minder hypocriet.
Het is ontnuchterend hoe in deze pandemie die wereldwijd enkel op solidaire wijze kan bestreden worden, van solidariteit met de dag minder sprake is. Aan de touwtjes van de poppenspelers van Big Farma vechten de poppetjes die onze leiders zijn elkaar de tent uit. (fs)

Hits: 0

ECB: kwijtschelding van de overheidsschuld!

05/02/2021 - 13:48

5 februari 2021  

Vandaag verschijnt in verschillende Europese kranten (onder andere Le Monde, La Libre Belgique, L’Avvenire, Der Freitag) een standpunt van economen, academici, politici en verantwoordelijken uit sociale bewegingen waarin ze voorstellen dat staatsschulden die op de balans staan van de Europese Centrale Bank (ECB) worden kwijtgescholden. In ruil zouden de betrokken lidstaten zich ertoe verbinden hetzelfde bedrag te investeren in de ecologische transitie en het herstel na de coronacrisis. Onder de tientallen ondertekenaars vinden  we zowel de marxistische econoom Costas Lapavitsas als de gewezen sociaaldemocratische eurocommissaris Andor Laszlo, en naast Eric Toussaint (CADTM) ook Thomas Piketty. Een voorstel dat als eerste voordeel heeft dat het debat over wat geld eigenlijk is erdoor wordt aangewakkerd, en dat de mystificatie ervan wordt in vraag gesteld. Ander Europa vertaalde de oproep, die u hieronder kunt lezen.

    Kwijtschelding van de overheidsschuld in handen van de Europese Centrale Bank om ons lot weer in eigen handen te nemen   Het debat over de kwijtschelding van de schulden in handen van de Europese Centrale Bank (ECB) heeft veel stof doen opwaaien in Frankrijk, maar ook in Italië, Luxemburg en België, in de wandelgangen van de Europese instellingen, onder vertegenwoordigers van de ECB zelf en de verschillende ministeries van Financiën van de eurozone. Dit debat is gezond en nuttig. Voor het eerst sinds lange tijd worden monetaire kwesties in het openbaar besproken. Geld houdt even op een aangelegenheid te zijn die onttrokken wordt aan collectieve beraadslaging en toevertrouwd wordt aan een centrale bank die onafhankelijk is van de politieke machten maar afhankelijk van de financiële markten. De burgers ontdekken, soms tot hun ontsteltenis, dat bijna 25% van de Europese overheidsschuld nu in handen is van hun centrale bank. Wij zijn 25% van onze schuld aan onszelf verschuldigd en als wij die terugbetalen, zullen wij het geld elders moeten vinden, ofwel door opnieuw te lenen om de schuld door te rollen in plaats van te lenen om te investeren, ofwel door de belastingen te verhogen of de uitgaven te verminderen. Het kan echter ook anders. Als economen, verantwoordelijken en geëngageerde burgers van verschillende landen vinden wij het onze plicht erop te wijzen dat de ECB de Europese staten vandaag de middelen zou kunnen verschaffen voor hun ecologische wederopbouw, maar ook om de sociale, economische en culturele schade te herstellen die is veroorzaakt door de verschrikkelijke gezondheidscrisis die wij doormaken. Niet dat de staten niet zijn opgetreden, er zijn wel degelijk beschermende maatregelen genomen, maar die zijn nog steeds zeer ontoereikend. Het Europese herstelplan, dat uitgaat van een budget van nauwelijks 300 miljard euro aan subsidies over drie jaar, staat ver af van de 2000 miljard euro waarom het Europees Parlement had gevraagd. Moeten we eraan herinneren dat de Europese Rekenkamer in 2018, vóór de gezondheidscrisis, al aangaf dat er minimaal 300 à 400 miljard euro per jaar extra moet worden geïnvesteerd om de ecologische transitie in Europa te financieren? We zijn er nog lang niet, zeker niet met de gezondheidscrisis. Nee, wij beschouwen de kwijtschelding van overheidsschulden niet als een doodnormale gebeurtenis, ook niet als deze door de ECB worden aangehouden. We weten dat schuldkwijtscheldingen stichtingsmomenten zijn. Dit was het geval op de Conferentie van Londen in 1953, toen Duitsland kon genieten van de kwijtschelding van twee derde van zijn staatsschuld, waardoor het land weer op de weg naar welvaart kon komen en zijn toekomst in Europa kon verankeren. Maar maakt Europa vandaag niet een crisis van uitzonderlijke proporties door die om even uitzonderlijke maatregelen vraagt? Overigens hebben we het geluk dat de ECB als crediteur niet bang hoeft te zijn om zijn geld te verliezen. Ons voorstel is dan ook eenvoudig: laten we een contract sluiten tussen de Europese staten en de ECB. Deze laatste verbindt zich ertoe de overheidsschulden die zij in handen heeft af te schrijven (of om te zetten in renteloze eeuwigdurende leningen), terwijl de staten zich ertoe verbinden dezelfde bedragen te investeren in ecologische en sociale wederopbouw. Deze bedragen belopen nu bijna 2.500 miljard euro voor geheel Europa. Dat is genoeg om aan de verwachtingen van het Europees Parlement te voldoen en vooral om het algemeen belang veilig te stellen. De ECB kan zich dit zeker veroorloven. Zoals een zeer groot aantal economen erkent, zelfs onder degenen die zich tegen deze oplossing verzetten, kan een centrale bank zonder problemen met negatief kapitaal werken. Zij kan zelfs geld scheppen om deze verliezen te compenseren, zoals bepaald in Protocol nr. 4 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Ten tweede is annulering, in tegenstelling tot wat sommige beleidsverantwoordelijken beweren, met name de ECB, juridisch niet uitdrukkelijk verboden door de Europese Verdragen. Enerzijds kunnen alle financiële instellingen ter wereld afzien van vorderingen, en de ECB is daarbij geen uitzondering. Anderzijds komt het woord ‘afschrijving’ noch in het Verdrag, noch in het Protocol betreffende het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) voor. Misschien zou het in strijd zijn met de geest van het Verdrag, maar was dat ook niet het geval voor de kwantitatieve versoepeling (QE) die Mario Draghi doorvoerde? In deze aangelegenheid komt het alleen op politieke wil aan; er zijn voorbeelden genoeg in de geschiedenis dat juridische problemen door politieke akkoorden kunnen te boven gekomen worden. Laten we tot slot een misverstand uit de weg ruimen: het is duidelijk dat de kwijtschelding van de door de ECB aangehouden overheidsschuld, zelfs indien daaraan de voorwaarde van herinvestering is verbonden, niet het alfa en omega van een economisch beleid kan zijn. Vooreerst zou de ECB alleen ingrijpen om begrotingsruimte vrij te maken voor de lidstaten en zou zij uiteraard niet zelf investeren. Sommigen denken dat de lage of negatieve rentevoeten in Europa voldoende zijn om de staten aan te zetten om te lenen en daarmee te investeren. Dit blijkt niet uit de gestage daling van het gemiddelde niveau van de overheidsschuld in de Europese Unie tussen 2015, toen de negatieve rentetarieven verschenen, en het begin van de gezondheidscrisis. Vele staten hebben hun schuld afgebouwd in plaats van te lenen om te investeren, ondanks de negatieve rentevoeten. Er is geen reden waarom dit zou veranderen. Het tussen de staten en de ECB gesloten pact daarentegen zou deze strategie van ontlopen van de verantwoordelijkheid verhinderen. Natuurlijk is dat niet voldoende en moeten er nog andere maatregelen genomen worden, zoals een hervorming van de criteria voor schulden en tekorten, ecologisch en solidair protectionisme, belastinghervormingen om de ongelijkheid te verminderen en het gedrag te veranderen, een impuls voor de investeringsbanken en een hervorming van de regels inzake staatssteun. Ook moet een nieuwe wijze van Europese beslissingen worden ingevoerd, met name door de overgang naar stemming bij gekwalificeerde meerderheid in belastingzaken. Europa kan het zich niet langer veroorloven zich stelselmatig door zijn eigen regels te laten tegenhouden. Andere landen in de wereld maken maximaal gebruik van hun monetair beleid, ter ondersteuning van het begrotingsbeleid, zoals China, Japan of de Verenigde Staten. De Bank of Japan gaat zelfs zo ver dat zij haar macht van geldschepping gebruikt om rechtstreeks aandelen op de markt te kopen via beursgenoteerde indexfondsen (ETF's), waarmee zij de grootste belegger van het land is geworden. We moeten ook overwegen de macht van de ECB om geld te scheppen te gebruiken voor de financiering van ecologische en sociale wederopbouw onder democratische controle. De kwijtschelding van de overheidsschulden van Europa, in ruil voor investeringen van de staten, zou een eerste krachtig signaal zijn dat Europa zijn lot weer in eigen handen neemt. Ondertekenaars: https://annulation-dette-publique-bce.com      

Vakbonden tegen handelsakkoord Mercosur

04/02/2021 - 19:36

4 februari 2021 - In een gemeenschappelijke verklaring verzetten de vakbonden van de Europese Unie (EVV) en die van  het zuiden van Zuid-Amerika (CCSCS) zich tegen het vrijhandelsverdrag dat de EU en de vier Mercosur-landen Argentinië, Brazilië, Uruguay en Paraguay willen afsluiten. Onderhandelaars van EU en Mercosur bereikten daarover in juni 2019 een principe-akkoord  dat nu wordt klaargemaakt voor formele goedkeuring. In de EU moet ook het Europees Parlement zich daarover uitspreken. Het vrijhandelsverdrag is deel van een associatieverdrag met socio-politieke elementen, dat als dusdanig door alle lidstaten moet goedgekeurd worden, wat voor vele inhoudt dat nationale assemblees het moeten goedkeuren.  In het geval het vrijhandelsverdrag losgekoppeld wordt van het associatieverdrag  (wat o.a. door de Spaanse socialisten gesteund wordt) vervalt deze laatste vereiste, een eventualiteit waarvoor de vakbonden waarschuwen. Over het vrijhandelsverdrag werd sinds twintig jaar onderhandeld, en tijdens deze periode was er ook toenemend verzet van allerlei sociale organisaties. De bezwaren betreffen een brede waaier aan bekommernissen: ecologisch (het Amazonewoud...), sociaal, arbeidsrechtelijk, voedselveiligheid,  politiek (vooral nu Brazilië onder de knoet ligt van het extreemrechts Bolsonaro-regime)... Die kritiek is merkbaar in de omstandige manier waarop de Europese Commissie, onderhandelaar van het akkoord, op alles een antwoord heeft, of meent te hebben. Volgens de Commissie zijn er natuurlijk goede afspraken voor bv. het Amazonewoud, maar Greenpeace heeft een andere conclusie: EU-Mercosur: leaked treaty has no climate protection, undermines democracy Deze bekommernissen zijn terug te vinden in de gemeenschappelijke verklaring van Europese en Zuid-Amerikaanse vakbonden:  

 
  • Brazilië is een van de ergste landen voor wat de repressie, inclusief moord, van vakbondsmilitanten betreft en de ontkenning van de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO);
  • aan de vakbonden wordt geen enkele plaats toegekend om toezicht te houden op naleving;
  • Europese bedrijven gebruiken in Z-Amerika pesticiden en genetisch gewijzigde planten die in Europa verboden zijn, maar wel in Z-Amerika op de markt gebracht worden;
  • Wat betreft milieu- en klimaatnormen is er geen follow-up;
  • Democratie en de rechtsstaat zijn op de terugweg, vooral in Z-Amerika;
  • Niets garandeert dat kleine bedrijven in Mercosur er vruchten van dragen; het akkoord is een bedreiging voor de industriële sector aldaar;
  • er wordt voorzien in de liberalisering van diensten, waarbij openbare diensten niet gevrijwaard worden;
  • ...
De vakbonden vragen de heropening van de onderhandelingen, en rekenen op het Europees Parlement dat zich in een eerder standpunt uitsprak tegen het akkoord in zijn huidige vorm. (hm)    

Pagina's