In de introductie van je boek schrijf dat je het geschreven hebt om de 'symmetrische karikaturen' die de ronde doen over de Arabische houding ten opzichte van de Holocaust tegen te gaan. Wat zijn deze karikaturen? Gilbert Achcar: Deze karikaturen tieren welig in de aanhoudende propagandaoorlog tussen supporters van Israël enerzijds en supporters van de Palestijnen en Arabieren anderzijds. De Israëlische karikatuur schildert de meerderheid van de Arabieren af als pro-nazistisch met de beruchte figuur van de mufti Amin Al-Husseni, de zogenaamde mufti van Jeruzalem, als voorbeeld. Al-Husseini vluchtte in 1941 onder de paraplu van de As-mogendheden en bracht de rest van de oorlog door in de omgeving van Rome en Berlijn. Hij speelde een actieve rol in het maken van propaganda gericht op de Arabische en islamitische wereld en zelfs in het opzetten van twee eenheden van Bosnische moslims van de Duitse Waffen-SS.
De karikatuur overdrijft de werkelijke rol van de mufti sterk door hem een directe verantwoordelijkheid voor de genocide op de Joden toe te schrijven. Maar wat de karikatuur vooral overdrijft is hoe representatief de mufti was voor de Arabische wereld: er zijn vele bewijzen dat zijn oproepen maar weinig gehoor vonden. Dit was zo zeer het geval dat het Britse leger meer Arabieren, enkel afkomstig uit Palestina, in zijn rangen telde dan dat de Duitsers uit alle Arabische landen bij elkaar konden rekruteren.
Hier tegenover staat dat we een stroming zien die excuses maakt voor de houding van de mufti – dit is een aanpak die ik ten sterkste veroordeel want er kan nooit een excuus zijn om mee te werken met een regime terwijl men ten volle bewust is dat het een genocide nastreeft. In zijn memoires verbergt de mufti niet dat hij op de hoogte was van de genocidale politiek van de nazi's: zo verteld hij dat Himmler hem in de zomer van 1943 in Berlijn vertelde dat er al 3 miljoen Joden gedood waren. Ter zijde: de memories van de mufti zijn hierom een geschikt wapen tegen ontkenning van de Holocaust.
Je gaat in je boek in op de kwestie van ontkenning van de Holocaust zoals we die nu onder Arabieren kunnen tegenkomen. Hoewel zeker niet typisch voor de publieke opinie in de Arabische landen, laat staan dat het de opvattingen van de meerderheid zijn, is het waar dat we in recente jaren nieuwe uitbraken van Holocaust ontkenning gezien hebben in de Arabische wereld. Eerder dan een uiting van antisemitisme, zoals de Holocaust ontkenning in de westerse wereld, zijn de meeste van deze Arabische uitlatingen zeer oppervlakkige, reflexmatige reacties op de manier waarop de staat Israel de Shoah heeft 'geïnstrumentaliseerd' - zoals de historicus Pierre Vidal-Naquet het verwoordde - om zichzelf en zijn acties te rechtvaardigen en te behoeden voor kritiek.
We moeten een onderscheid maken tussen de anti-joodse sentimenten die we kunnen vinden onder Europeanen, sentimenten die eenvoudig verwerpelijk zijn, en de anti-Joodse uitingen die we kunnen horen van Palestijnen die te lijden hebben onder de onderdrukking van een staat die pretendeert te handelen in naam van 'het Joodse volk'. Zeker, er kan geen enkel excuus zijn voor Jodenhaat maar het is redelijkerwijs niet mogelijk om beide verschijnselen gelijk te stellen, net zomin als we het antisemitisme van een Oost-Europese deelnemer aan een pogrom gelijk kunnen stellen aan racistische opvattingen tegen niet-Joden van een Jood in een getto of het racisme van de blanke deelnemers aan een lynchpartij niet gelijk kunnen stellen aan anti-blank racisme bij onderdrukte zwarten. Categorieën die ontleend zijn aan de Europese geschiedenis worden maar al te vaak op radicaal andere omstandigheden, zoals die van de Palestijnen in bezet gebied, geprojecteerd. Ik probeer deze karikaturen te ontkrachten en daarmee bij te dragen aan meer wederzijds begrip – iets wat onontbeerlijk is voor een vreedzame en rechtvaardige oplossing van het Arabisch-Israëlische conflict.
In het eerste deel van je boek, onder de titel 'De tijd van de Holocaust', behandel je de verschillende opvattingen die er in de Arabische wereld tegenover de Joodse kwestie en het naziregime bestonden. Je laat zien dat ronduit antisemitische opvattingen en het propageren van collaboratie met de nazi's niet de meerderheidsopvattingen waren in deze periode. Zoals alle andere bevolkingsgroepen vormen de Arabieren een groep met sterk uiteenlopende opvattingen, ondanks de karikaturen die spreken van een enkele 'Arabische opvatting'. Ik maak onderscheid tussen vier belangrijke ideologische families in dat tijdperk: prowesterse liberalen, marxisten, nationalisten (links of rechts) en reactionair, pan-Arabisch islamisme. Slechts een marginale stroming van pan-Arabische nationalisme voelde zich verwant met nazi-Duitsland: een veel belangrijkere stroming van pan-Arabisch nationalisme als de Baath partij die in de jaren zestig aan de macht kwam in Syrië en Irak voelde in de jaren dertig en veertig geen enkele sympathie voor nazisme.
Enkel fundamentalistisch pan-Islamisme ontwikkelde wat betreft antisemitisme vanaf de jaren twintig echte ideologische affiniteit met het nazisme, iets dat gerelateerd was aan de verergering van de spanningen tussen Joden en Arabieren in Palestina. Rashid Rida, iemand die we kunnen beschouwen als de eerste theoreticus van modern Islamitisch fundamentalisme, creëerde een fanatiek anti-Joodse mix door het mengen van westers antisemitisme met elementen ontleend aan anti-joodse opvattingen uit de middeleeuwse Arabische wereld. In de middeleeuwen bestonden er zeker anti-joodse opvattingen in de islamitische wereld maar deze zijn daar veel minder sterk vertegenwoordigd dan in het middeleeuwse christelijke gedachtegoed. Rida’s geschriften gingen in de volgende decennia het raamwerk vormen van het vertoog van de Moslim Broederschap en andere islamitisch fundamentalistische stromingen. We horen een echo hiervan nog in het handvest van Hamas uit 1989.
Wat was het lot van de opvattingen van Nasser en de PLO in de 'tijd van de Nakba', na het vormen van de staat Israël? Sinds Nasser aan de macht kwam in Egypte, halverwege de jaren vijftig, is Nasserisme continue onder constructie geweest. Als we al zijn toespraken en verklaringen onder de loep nemen, een hele klus, vinden we geen ronduit antisemitische uitspraken. In een interview adviseerde Nasser een journalist uit India om de 'Protocollen van de Wijzen van Zion' te lezen en in een ander gesprek, met een rechtse Duitse politicus, laat hij twijfel blijken over het aantal Joden dat tijdens de Holocaust omkwam. Deze twee uitlatingen worden eindeloos geciteerd maar vormen eerder de uitzonderingen dan de regel. Dit zijn twee geïsoleerde gevallen en het feit dat Nasser in de achttien jaar dat hij aan de macht was slechts tweemaal dergelijke uitlatingen deed laat zien dat antisemitisme van enige vorm geen centraal bestanddeel van zijn opvattingen was. Er bevond zich een groot aantal intellectuelen in zijn entourage en een behoorlijk deel van hen kwam uit marxistische kringen. Er is geen twijfel dat zij hem ten sterkste adviseerden dit soort uitlatingen niet te herhalen.
Wat betreft de PLO, ook hier speelden intellectuelen, zowel prowesterse liberalen als linkse denkers die dicht bij het marxisme stonden, een belangrijke rol in het erkennen door de organisatie van de Holocaust en het Europese racisme tegen Joden - zonder dat dit hen minder onverzettelijk maakte wat betreft de Palestijnse kwestie of hun opstelling tegenover Israël. Edward Saïd was een van deze intellectuelen en hij speelde een belangrijke rol in het ontwikkelen van een gezichtspunt dat de onderdrukking van de Europese Joden en het dieptepunt hiervan, de Holocaust, als een waarschuwing beschouwt tegen xenofobie en racisme, gericht aan de hele mensheid.
Wat dit betreft moeten we in gedachten houden dat Jasser Arafat de schade die de Palestijnse zaak had geleden door het enthousiaste onthaal van Roger Garaudy in enkele Arabische landen nadat deze veroordeeld was voor ontkenning van de Holocaust probeerde te repareren met een verzoek om het Holocaust Museum in Washington te mogen bezoeken. Vanwege de vijandige houding van de museumdirectie heeft dit bezoek nooit plaatsgevonden. Uiteindelijk bezocht Arafat het Anne Frank huis in Amsterdam, wat tot een heftig publiek debat in Israel leidde - maar dit kreeg maar weinig aandacht in de westerse media. Net zo min als dat de tentoonstelling over de Shoah georganiseerd in Ni'lin, een Palestijns dorp op de westoever dat in de frontlijn van de strijd tegen de scheidsmuur staat, aandacht kreeg. Wat mij betreft laten dit soort voorbeelden zien hoezeer het gangbare beeld van opvattingen in de Arabische wereld misvormd is door vertekening en weglating – iets dat een verwerpelijk beeld creëert en dat als het terugkomt in de Arabische wereld schadelijke effecten heeft. Deze vertekeningen moeten bevochten worden.
Dit interview verscheen eerder in het Franse tijdschrift Politis. Gilbert Achcar schreef onder andere The Clash of Barbarisms en samen met Noam Chomsky Perilous Power: The Middle East and US Foreign Policy.