Borderless

13 November 2019

De irrationaliteit van het kapitalisme, waarom het nog steeds nuttig is om 'het kapitaal' te lezen

David Harvey is bijzonder hoogleraar antropologie en geografie aan het Graduate Center van de City University of New York. Met de tweeledige serie A Companion to Marx’s Capital (Verso, 2010 en 2013), zijn via het internet verspreide lessen en zijn tweemaandelijkse podcast bereikte hij miljoenen en hielp hij marxistische economie weer op de kaart te zetten. Zijn recentste boek is Marx, Capital, and the Madness of Economic Reason (Profile Books, 2017). {leestijd 23 minuten]

Meer dan anderhalve eeuw geleden publiceerde Karl Marx het eerste deel van Het Kapitaal, een omvangrijk en intimiderend werk dat vele lezers misschien geneigd zijn links te laten liggen. Radicale denker David Harvey vindt dat je dat maar beter niet doet.
Harvey geeft al decennia lang les over Het Kapitaal. Zijn populaire cursussen over de drie volumes zijn gratis online beschikbaar en worden wereldwijd door miljoenen mensen bekeken; ze vormden de basis voor de twee volumes van A Companion to Marx’s Capital, die hij schreef ter begeleiding van Delen I en II. Harveys laatste boek, Marx, Capital, and the Madness of Economic Reason, vormt een kortere inleiding bij het geheel van de drie volumes. In dit boek gaat hij in op het fundamenteel irrationele karakter van een kapitalistisch systeem waarvan het functioneren allesbehalve irrationeel bevonden wordt.
David Harvey sprak met Daniel Denvir voor zijn podcast “The Dig” over zijn boek, de creatieve en tegelijk destructieve kracht van het kapitalisme, klimaatverandering en waarom het nog steeds nuttig is om je door Het Kapitaal te worstelen.

Daniel Denvir: U geeft al een hele tijd les over Het Kapitaal. Geeft u eens een kort overzicht van elk van de drie delen.

David Harvey: Marx heeft een voorliefde voor details, en het is soms moeilijk om te vatten waar Het Kapitaal precies om draait. Nochtans is het eenvoudig. Kapitalisten beginnen hun dag met een bepaalde hoeveelheid geld op zak, gaan daarmee de markt op om waren zoals productiemiddelen en arbeidskracht aan te kopen, en zetten die aan het werk in een arbeidsproces dat nieuwe waar produceert. Die nieuwe waar wordt verkocht voor geld, met een winstmarge. Die winst wordt op verschillende manieren herverdeeld in de vorm van leningen en intresten en vloeit dan terug naar de geldvorm, waarmee de productiecyclus van voor af aan herbegint.

Het is een kringloop, en de drie volumes van Het Kapitaal behandelen verschillende aspecten van dat proces. Het eerste deel onderzoekt productie. Het tweede gaat in op circulatie en op wat we “realisering” noemen - de manier waarop de waar opnieuw in geld omgezet wordt. Deel III behandelt verdeling - hoeveel gaat er naar de landeigenaar, hoeveel naar de financier en hoeveel naar de handelaar voor dat kapitaal weer de tegenovergestelde richting uitgestuurd wordt en opnieuw het kringloopproces ingaat.

Dat probeer ik te onderwijzen, zodat mensen het verband tussen de drie delen van Het Kapitaal begrijpen en niet compleet verloren lopen in een enkel deel of hoofdstuk.

Op bepaalde vlakken verschilt u van mening met andere Marx-onderzoekers. Een van de grote verschillen is dat u, naast Deel I, veel aandacht besteedt aan Delen II en III, terwijl de meeste wetenschappers vooral belang hechten aan Deel I. Waarom?

Die delen zijn belangrijk: dat is wat Marx ook zegt. In Deel I zegt hij in feite: “in Deel I behandel ik dit, in Deel II dat, en in Deel III onderzoek ik nog iets anders.” Marx had duidelijk een totaalbeeld van de kringloop van kapitaal. Zijn plan was om dat op te splitsen in die drie onderdelen, verdeeld over de drie volumes. Ik volg dus gewoon wat Marx naar eigen zeggen doet. Het probleem is natuurlijk dat Delen II en III nooit afgewerkt zijn, en dat ze niet dezelfde voldoening schenken als Deel I.

Verder is Deel I een literair meesterwerk, terwijl Delen II en III technischer zijn, en lastiger te volgen. Ik kan dus wel begrijpen dat mensen die Marx met een zeker plezier willen lezen het bij Deel I houden. Daarop zeg ik: “Nee, als je echt wil vatten hoe Marx het kapitaal begrijpt, dan kun je er niet van uitgaan dat het enkel om productie draait. Het gaat om circulatie. Het gaat erom naar de markt te trekken en te verkopen, en dan om de winsten te verdelen.”

Dat is van belang omdat we de dynamiek van voortdurende expansie moeten begrijpen die het kapitalisme voortstuwt - wat u een “valse oneindigheid” noemt, verwijzend naar Hegel. Leg even uit wat deze “valse oneindigheid” precies inhoudt.

Deze idee van een “valse oneindigheid” zie je in Deel I. Het systeem moet uitbreiden omdat het steeds om winst draait, om de creatie van wat Marx “meerwaarde” noemde, die dan opnieuw geïnvesteerd wordt in de productie van nog meer meerwaarde. Het is het kapitaal dus te doen om voortdurende expansie.

Dat leidt tot het volgende: als je eeuwig groeit aan drie procent, dan bereik je een punt waarop de vereiste groeigraad immens wordt. Ten tijde van Marx was er meer dan genoeg ruimte op aarde om in door te groeien, terwijl we vandaag de dag spreken over een samengestelde jaarlijkse groei van drie procent op alles wat gebeurt in China, Zuid-Azië en Latijns-Amerika. Dus stelt zich het probleem: waar ga je nog heen met je groei? Zo wordt een valse oneindigheid in het leven geroepen.

In Deel III stelt Marx dat de enige groeimogelijkheid misschien wel de monetaire groei is. Op geld staan immers geen grenzen. Wanneer we het hebben over cement en dergelijke, is er een fysieke limiet op hoeveel je kunt produceren. Met geld daarentegen kan je gewoon nulletjes toevoegen aan de wereldwijde voorraad.

Na de crisis van 2008 hebben we nulletjes toegevoegd aan de geldvoorraad door middel van iets wat “kwantitatieve versoepeling” heet. Dat geld stroomde terug de aandelenmarkten binnen en vervolgens de winstzeepbellen in, voornamelijk op vastgoedmarkten. Nu zitten we met een vreemde situatie waarin er, in zowat elk stedelijk gebied dat ik ooit bezocht heb, ontzettende winsten gemaakt worden in vastgoed en in eigendomsprijzen. En dit alles wordt gevoed door de voortdurende aanmaak van geld dat nergens heen kan, behalve naar speculatie en winsten op aandelen.

Zelf bent u opgeleid als geograaf, en voor u draait Marx’ onderzoek van het kapitalisme ten gronde om problemen van ruimte en tijd. Geld en krediet zijn manieren waarop deze problemen opgelost worden. Leg eens uit waarom die ruimte- en tijdsassen zo cruciaal zijn.

Wel, intrestvoeten draaien er bijvoorbeeld om dat je kortingen doorrekent naar de toekomst, en lenen komt neer op beslag leggen op de toekomst. Schuld is dan weer een aanspraak op toekomstige productie. Op die manier wordt dus beslag gelegd op de toekomst, omdat schulden afgelost moeten worden. Vraag het aan eender welke student die 200.000 dollar in het rood staat: op zijn toekomst is al beslag gelegd, omdat hij die schuld moet afbetalen. Deze inbeslagname van de toekomst is een onwaarschijnlijk belangrijk onderdeel van Het Kapitaal.

Hier steekt de ruimtelijke dimensie de kop op. Eens je aan het uitbreiden slaat, bestaat altijd de mogelijkheid om je kapitaal onder de arm te nemen en andere ruimtes op te zoeken wanneer je binnen een bepaalde ruimte niet meer kunt uitbreiden. Groot-Brittannië produceerde bijvoorbeeld een groot overschot aan kapitaal tijdens de 19e eeuw, waarvan veel naar Noord-Amerika stroomde - deels langs Latijns-Amerika om - en een deel naar Zuid-Afrika. Er is dus een geografisch aspect aan dit alles.

De uitbreiding van het systeem draait om wat ik “ruimtelijke oplossingen” noem. Je zit met een probleem, namelijk overtollig kapitaal. Wat vang je daarmee aan? Wel, er bestaat een ruimtelijke oplossing, namelijk dat je de plaat poetst en elders ter wereld iets gaat opbouwen. Als je beschikt over een “onbezet” gebied, zoals Noord-Amerika in de 19e eeuw, heb je een enorme ruimte waarin je kunt uitbreiden. Vandaag is Noord-Amerika echter wel zo ongeveer verzadigd.

Ruimtelijke reorganisatie draait ook niet enkel om uitbreiding: het gaat ook om reconstructie. In de Verenigde Staten en Europa krijgen we de-industrialisering, gevolgd door het herschikken van gebieden door middel van stedelijke planning, waardoor katoenfabrieken in pakweg Massachusetts getransformeerd worden tot appartementsgebouwen.

Op dit moment zijn we bijna door onze tijd en onze ruimte heen. Dat is een van de grootste problemen van het hedendaagse kapitalisme.

U sprak over hoe er beslag gelegd wordt op de toekomst. Die uitdrukking is duidelijk heel erg van toepassing op schulden op huizen.

Daarom lijkt de term “inbeslagname” me net heel interessant. Miljoenen mensen zijn hun huizen kwijtgeraakt in de crash. Op hun toekomst werd beslag gelegd. Tegelijkertijd is de schuldeconomie niet verdwenen. Je zou denken dat schuldcreatie gestagneerd zou zijn na 2007-2008. We zien echter een enorme schuldstijging.

Het hedendaagse kapitalisme zadelt ons steeds meer op met schulden. Daar zouden we allemaal van wakker moeten liggen. Hoe zal die schuld terugbetaald worden? Met welke middelen? Gaan we eindigen met een steeds aanzwellende productie van geld, dat vervolgens nergens heen kan behalve naar speculatie en aandelen?

Dat gebeurt er wanneer we beginnen bouwen opdat mensen kunnen investeren, en niet meer om er te kunnen wonen. Een van de meest verbazingwekkende aspecten van het hedendaagse China is bijvoorbeeld dat er hele steden gebouwd zijn waar nog niet in gewoond wordt. En toch hebben mensen er al een deel van gekocht, omdat het een interessante investering is.

Het is precies die kredietkwestie die u ertoe gebracht heeft een zinsnede te lenen van Jacques Derrida: “de waanzin van de economische rede.” Waanzin en krankzinnigheid worden gewoonlijk ingeroepen om personen met mentale ziektes te brandmerken. Maar wat Marx ons toont, net als uw boek, is dat het systeem eigenlijk krankzinnig is.

De beste maatstaf daarvoor is om te kijken naar wat er gebeurt in een crisis. Het kapitaal veroorzaakt geregeld crisissen. Een van de kenmerken van een crisis is een teveel aan arbeidskrachten - mensen zonder werk, die niet weten hoe de eindjes aan elkaar te knopen. Tegelijkertijd zit je met overschotten aan kapitaal die niet in staat lijken een manier te vinden om te renderen. Daar zit je dan met twee overschotten, in een situatie waarin de sociale nood hoog is.

Kapitaal en arbeid moeten samengebracht worden om ook echt zaken te produceren, maar dat lukt niet, omdat wat je wilt produceren niet rendabel is. En als het niet rendabel is, dan begint het kapitaal er niet aan. Het gaat in staking. Dus eindigen we met een overschot aan kapitaal en een overschot aan arbeid, broederlijk naast elkaar. Dat is het toppunt van irrationaliteit.

Er wordt ons aangeleerd dat het kapitalistische economische systeem zeer rationeel is, maar dat is het niet. Het produceert net onwaarschijnlijke onredelijkheden.

Onlangs schreef u in Jacobin dat Marx brak met moralistische socialisten als Proudhon, Fourier, Saint-Simon en Robert Owen. Wie waren deze socialisten, en waarom en hoe nam Marx afstand van hen?

In de vroege fases van de kapitalistische ontwikkeling waren de arbeidsomstandigheden duidelijk beroerd. Redelijke mensen, kaderpersoneel en bourgeoisie inbegrepen, keken dit met afgrijzen aan. Er ontwikkelde zich een soort morele afkeer van het industrialisme. Vele vroege socialisten waren moralisten, in de goede betekenis van het woord, en drukten hun woede uit door te zeggen dat er een alternatieve maatschappij mogelijk was, een gebaseerd op gedeeld welzijn en sociale solidariteit, en dergelijke meer.

Marx onderzocht de situatie nader en merkte op dat het probleem niet zozeer was dat het kapitaal immoreel was. Het probleem is veeleer dat het kapitaal amoreel is. Je zult niet ver komen wanneer je het probeert aan te pakken met morele argumenten, want het systeem genereert en reproduceert zichzelf. Het is met die zelfreproductie dat we moeten afrekenen.

Marx bekeek het kapitaal met een veel wetenschappelijker oog en stelde dat het hele systeem op de schop moest. Het was niet simpelweg een zaak van het verbeteren van de fabrieken, maar van afrekenen met het kapitaal.

Hebt u The Young Karl Marx gezien?

Zowel de film als het toneelstuk. Marx is een personage uit zijn tijd, het is interessant om hem vanuit dat perspectief te bekijken.

Wat ik echter wil zeggen is: we leven nog altijd in een maatschappij die gedreven wordt door kapitaalaccumulatie. Marx maakte abstractie van de eigenheden van zijn tijd, sprak over de dynamieken van kapitaalaccumulatie en wees op het tegenstrijdige karakter ervan - hoe haar drijvende krachten ons overladen met schulden. Marx stelde dat we verder moeten gaan dan louter moreel protest: het gaat erom kapitalisme als een systematisch proces te beschrijven waarmee we de strijd moeten aangaan en waarvan we de dynamieken moeten begrijpen. Anders blijven mensen proberen om morele hervormingen door te voeren, die dan door het kapitaal worden ingepalmd.

Het is oprecht fantastisch toegang te hebben tot internet, een technologie die, zo voorspelden velen, de mens heel wat vrijheid zou bezorgen. Maar kijk nu eens wat ermee gebeurd is. Het wordt gedomineerd door een paar monopolies die onze data verzamelen en ze doorgeven aan allerlei louche figuren die ze gebruiken voor politieke doeleinden.

Iets wat begon als een bevrijdend stuk technologie wordt opeens een vehikel voor onderdrukking. Als je vraagt hoe dat gebeurd is, kun je antwoorden dat het de schuld is van een groep slechte mensen, of je kunt Marx volgen en zeggen dat het eigen is aan het kapitalistische systeem om zoiets in de hand te werken.

Er bestaat geen goed, moreel verantwoord idee dat het kapitaal niet weet te coöpteren en om te draaien tot een verschrikking. Zowat elk utopisch plan dat de voorbije honderd jaar het licht heeft gezien, is door de kapitalistische dynamiek in een dystopie veranderd. Dat is waar Marx op wijst. Hij zegt dat je dat systeem moet aanpakken. Zo niet, zal je er niet in slagen een andere wereld op te bouwen met vrijheid voor iedereen.

Laat ons het hebben over de tegenstrijdigheden van dat proces. Marx was een hevige criticus van het kapitalisme, maar hij bewonderde ook de creatieve vernietigingskracht ervan. In zijn ogen was het kapitalisme bijvoorbeeld een stevige vooruitgang ten opzichte van het feodalisme. Hoe moeten we vandaag over die vernietigingskrachten nadenken? Enerzijds is de destructieve impact van het kapitalisme zeer duidelijk. Anderzijds moeten we rekening houden met de stijgende lonen in landen als China en India, en met de gigantische infrastructuurprocessen die in zulke landen plaatsvinden. Hoe ziet u die tegenstrijdige processen?

Het is goed dat je dat vermeldt, want Marx is niet gewoon een criticus van het kapitalisme, hij bewondert ook sommige aspecten die door het kapitalisme worden opgebouwd. Voor Marx is dat de grootste van alle tegenstrijdigheden.

Het kapitaal heeft het technologisch en organisatorisch mogelijk gemaakt om een veel betere wereld op te bouwen, echter door middel van sociale verhoudingen van overheersing, veeleer dan van emancipatie. Daarin schuilt de centrale tegenstelling. En wat Marx blijft zeggen is: “Waarom gebruiken we al dat vernuft niet om een wereld te scheppen waar bevrijding en niet overheersing centraal staat?”

Een verwante kwestie: hoe moeten marxisten het huidige, uiterst troebele debat omtrent globalisering benaderen? Mainstream economen reageren op Trumps protectionisme met een opgestoken vingertje. Welke houding dient de linkerzijde hierin aan te nemen?

In werkelijkheid was Marx een voorstander van globalisering. In het Communistisch Manifest staat een heerlijke passage waarin hij het daarover heeft. Voor hem houdt globalisering een potentieel emancipatorische ontwikkeling in. Maar opnieuw rijst de vraag waarom die emancipatorische mogelijkheden niet gerealiseerd worden. Waarom gebruikt de ene klasse die om haar dominantie over de andere te verstevigen? Het klopt dat de inkomens van een groep mensen erop vooruitgegaan zijn, maar tegelijkertijd bezitten acht mensen evenveel als ongeveer vijftig procent van de wereldbevolking.

Marx zegt dat we daar iets aan moeten doen. Maar dan moeten we niet nostalgisch doen en zeggen “we willen terug naar het feodalisme” of “we willen van het land gaan leven”. We moeten nadenken over een progressieve toekomst, met gebruik van alle technologieën waar we over beschikken, maar dan wel voor een sociaal doel en niet om de rijkdom en macht in steeds minder handen te concentreren.

Daarom brak Marx met zijn romantisch-socialistische tijdgenoten. Om aan te geven waar liberale economische theorieën en mainstream-economen de bal misslaan, citeert u een passage uit Marx: “Elke reden die zij [de economen] aandragen tegen crisis is een poging om een contradictie te bannen, en daarom een reële contradictie, die crisissen kan veroorzaken. Het verlangen om zichzelf ervan te overtuigen dat contradicties niet bestaan, drukt tegelijkertijd de vrome wens uit dat de contradicties, die er nochtans echt zijn, niet zouden bestaan.” Wat is het uiteindelijke doel van mainstream-economie, en wat ontwijken en verbergen ze?

Ze hebben een hekel aan tegenstellingen. Die passen niet in hun wereldbeeld. Economen houden ervan aan de slag te gaan met wat zij problemen noemen, en problemen hebben oplossingen. Tegenstellingen niet. Daar zit je de hele tijd mee opgezadeld, en daarom is het zaak ze te beheren.

Tegenstellingen verscherpen tot wat Marx “absolute tegenstellingen” noemt. Hoe gaan economen om met het feit dat, tijdens de crisissen van de jaren 1930, 1970 en recenter, kapitaal- en arbeidsoverschotten naast elkaar bestaan en niemand weet hoe die twee samen aan de slag te krijgen voor sociale doeleinden?

Keynes probeerde daar wat aan te doen, maar door de band genomen hebben economen geen idee hoe om te gaan met die tegenstellingen. Dat terwijl Marx erop wijst dat deze tegenstelling ingebakken zit in de idee van kapitalistische accumulatie en op gezette tijden zulke crises voortbrengt, die dan weer levens kosten en ellende veroorzaken.

Dergelijke fenomenen moeten aangepakt worden, maar de mainstream economie kan deze problemen niet bevatten.

Over die tegenstelling gesproken, in uw boek beschrijft u het “naast elkaar bestaan van kapitaal- en arbeidsoverschotten, schijnbaar zonder enige mogelijkheid samengebracht te kunnen worden”. Hoe werden die twee na de recentste crisis weer bij elkaar gebracht, en heeft de manier waarop dat gebeurd is een nieuwe vorm van kapitalisme opgeleverd, verschillend van voor de crisis? Leven we nog steeds in neoliberale tijden, of heeft iets anders wortel geschoten?

Op de meeste plaatsen ter wereld, China uitgezonderd, bestond de respons op de crisis van 2007-2008 erin nog verder te gaan in een neoliberale soberheidspolitiek, wat de zaken alleen maar erger gemaakt heeft. Sindsdien hebben we vooral meer besparingen gekregen, wat niet bijster goed gewerkt heeft. In de Verenigde Staten is de werkloosheid geleidelijk gezakt, maar natuurlijk is ze op plaatsen als Brazilië en Argentinië door het dak gegaan.

En de lonen groeien ook behoorlijk traag.

De lonen zijn inderdaad ter plaatse blijven trappelen. Daarnaast is er ook nog alles wat de Trump-regering uitgevreten heeft. Ten eerste heeft ze een aantal zeer neoliberale maatregelen doorgevoerd. De begroting die ze afgelopen december liet goedkeuren is een puur neoliberaal document, dat de aandeelhouders en kapitaaleigenaars ten goede komt en alle anderen opzijschuift. Deregulering, waar neoliberalen dol op zijn, is een andere kwestie. De regering-Trump heeft de deregulering opgedreven - op vlak van milieu, van arbeidswetgeving, enzovoort. Die neoliberale maatregelen zijn dus in feite nog verder aangezwengeld.

Neoliberale argumenten hadden heel wat legitimiteit gedurende de jaren 1980 en ’90, omdat ze op een bepaalde manier bevrijdend werkten. Niemand gelooft dat echter nog. Iedereen beseft intussen dat het een zwendel is waarin de rijken rijker worden, en de armen armer.

We zien echter ook de mogelijke opkomst van een op etno-nationalistische leest geschoeid model van protectionistische autarkie, wat een heel ander paar mouwen is. Dat strookt niet met neoliberale idealen. We zouden wel eens op weg kunnen zijn naar iets dat nog minder aangenaam is dan het neoliberalisme, namelijk een opdeling van de wereld in oorlogvoerende, protectionistische partijen die met elkaar de strijd aangaan over handel en alles daarnaast.

Het argument van iemand als Steve Bannon is dat we de werkende bevolking van Amerika moeten beschermen tegen concurrentie op de jobmarkt door immigratie in te perken. In plaats van het kapitaal met de vinger te wijzen, schuif je de schuld in de schoenen van immigranten. De tweede stap komt er dan op neer om steun te krijgen van de bevolking door invoertarieven op te trekken en een beschuldigende vinger uit te steken naar de Chinese concurrentie.

In feite krijg je dan een rechtse politiek die op veel steun kan rekenen door zich sterk te maken tegen immigratie en delokalisatie. Het grootste probleem met jobcreatie is echter niet offshoring, maar technologische verandering. Zo’n zestig à zeventig procent van de werkloosheid sinds de jaren 1980 is het gevolg van technologische vooruitgang. Offshoring neemt misschien twintig of dertig procent daarvan voor zijn rekening.

Vandaag de dag heeft de rechterzijde echter een duidelijk politiek beleid, dat we niet alleen zien opkomen in de Verenigde Staten maar ook in Hongarije, India, en in zekere mate in Rusland. Een etno-nationalistische, autoritaire politiek is bezig de kapitalistische wereld op te breken in oorlogvoerende facties. We weten wat daaruit voortgekomen is in de jaren 1930, dus moeten we ons allemaal zorgen maken. Deze politiek is geen antwoord op het kapitalistische dilemma. In de mate waarin het etno-nationalisme het neoliberalisme zal gaan domineren, staat er ons een nog verschrikkelijkere wereld te wachten dan diegene die we al meegemaakt hebben.

Die tegenstellingen staan sterk in de regerende conservatieve coalitie in de VS, maar het lijkt me een vergissing om ze voor nieuw aan te zien. Ze zijn al een hele poos latent aanwezig.

Oh ja. In het Groot-Brittannië van de late jaren 1960 had je bijvoorbeeld al die speech van Enoch Powell waarin hij het had over “rivieren van bloed” als de immigratiepolitiek van dat moment doorgedreven werd. De anti-immigratie-hetze gaat al een poos mee.

Tijdens de jaren 1980 en 1990 bleef het echter onder de radar omdat er genoeg beweging was op de kapitalistische wereldmarkt, zodat mensen konden zeggen dat “dit regime van open, vrije handel en een relatief goedaardig immigratiebeleid werken”. Sindsdien is de balans doorgeslagen in de andere richting.

U vermeldde de immense impact van automatisering. Wat zegt Marx daarover, en wat is uw standpunt? Is het einde van werk echt in zicht?

Ik kwam naar de VS in 1969 en bezocht Baltimore. Daar had je een gigantische ijzer- en staalfabriek die ongeveer zevenendertigduizend mensen tewerkstelde. In 1990 produceerde men daar dezelfde hoeveelheid met zo’n vijfduizend mensen. Vandaag is de staalnijverheid er zo goed als verdwenen. Mijn punt is dat in de productiesector automatisering op grote schaal jobs verdreven heeft, overal en met een enorm tempo. Links heeft heel veel tijd gestoken in het verdedigen van die jobs en vocht een achterhoedegevecht tegen automatisering.

Die strategie was verkeerd om een aantal redenen. Die automatisering kwam er hoe dan ook aan, en dat gevecht ging je sowieso verliezen. Ten tweede zie ik niet in waarom de linkerzijde zich te allen prijze zou moeten verzetten tegen automatisering. De positie van Marx, voor zover hij er een had, zou zijn om gebruik te maken van die artificiële intelligentie en automatisering, maar dan op zo’n manier dat ze de arbeidslast zouden verlichten.

Links zou een beleid moeten uittekenen waarin we stellen dat we artificiële intelligentie en automatisering verwelkomen, op voorwaarde dat ze ons vooral meer vrije tijd opleveren. Een zeer belangrijk idee die Marx meegeeft, is dat vrije tijd een van de meest emanciperende zaken is. Hij doet dat met een geweldige zin: het rijk van de vrijheid begint wanneer het rijk van de behoeftigheid achter zich gelaten wordt. Beeld je een wereld in waarin alle noden gelenigd kunnen worden. Een of twee dagen werken per week, en de rest is vrije tijd.

Nu zitten we echter met al die innovaties die besparen op arbeid, zowel in het productieproces als in het huishouden. Maar vraag je aan mensen of ze nu meer vrije tijd hebben dan voordien, dan is het antwoord “nee, ik heb er net minder”. We moeten de maatschappij zodanig organiseren dat we ook echt zoveel mogelijk vrije tijd hebben, zodat je vanaf woensdagnamiddag om vijf uur kan gaan doen waar je maar zin in hebt. Dat is het soort maatschappij dat Marx zich voorstelde, en het is een voor de hand liggend idee.

Wat ons tegenhoudt, is de hele troep die aangewend wordt om de winsten van Google en Amazon op te drijven. Zolang we de sociale- en de klassenverhoudingen die achter dit alles schuilgaan niet aanpakken, zullen we er niet in slagen deze fantastische uitvindingen en kansen te benutten op een manier waar iedereen beter van wordt.

Wat denkt u van programma’s voor een universeel basisinkomen?

In Silicon Valley willen ze een universeel basisinkomen zodat mensen genoeg geld hebben om te betalen voor Netflix, en daarmee is de kous af. Wat voor wereld is dat? Van een dystopie gesproken. Een universeel basisinkomen is één ding, het probleem zijn Silicon Valley en de mensen die de communicatie- en entertainmentmiddelen monopoliseren.

Een universeel basisinkomen kan misschien ooit wel op de agenda komen, maar voor mij is het geen absolute politieke prioriteit. Sommige aspecten ervan hebben eigenlijk heel negatieve mogelijke gevolgen, zoals het model dat Silicon Valley voorstaat al suggereert.

Denkt u dat klimaatverandering duidelijke grenzen stelt aan de voortdurende uitbreiding die het kapitalisme nodig heeft, of zal het kapitalisme die storm weten te overleven, ten koste van onze samenleving?

Het kapitaal kan de klimaatcrisis wel doorstaan, denk ik. Meer nog, het kan klimaatcatastrofes aangrijpen voor wat Naomi Klein “rampenkapitalisme” noemt. Wanneer je te maken krijgt met een ramp, moet je nu eenmaal heropbouwen. Dat schept allerhande mogelijkheden voor het kapitaal om winst te slaan uit klimaatcatastrofes.

Vanuit het standpunt van de mens, denk ik dat we hier helemaal niet goed uit gaan komen. Maar het kapitaal werkt anders. Het kapitaal kan zulke zaken doorstaan. En zolang er geld te rapen valt, zullen ze dat ook doen.

Laat ons het hebben over verzet. U schrijft dat productie en consumptie allebei kernelementen zijn van het kapitalisme, en dat “sociale en politieke strijd tegen de macht van het kapitaal, binnen het geheel van de kapitaalcirculatie, verschillende vormen aannemen en nood hebben aan verschillende soorten strategische allianties als ze willen slagen”. Hoe moeten we nadenken over de relatie tussen de arbeidsstrijd enerzijds en de strijd tegen de staat – tegen massale opsluiting, tegen huisuitzettingen of tegen roofleningen – anderzijds?

Een van de voordelen van naar het kapitaal in zijn geheel te kijken, en naar alle aspecten van kapitaalcirculatie, is dat je verschillende strijdperken kunt identificeren. De milieukwestie, bijvoorbeeld. Marx heeft het over de metabolische relatie met de natuur. Daarmee wordt de strijd om de verhouding tot de natuur van politiek belang. Op dit moment zeggen veel mensen die inzitten met de milieukwestie dat we dat kunnen aanpakken zonder de confrontatie aan te gaan met kapitaalaccumulatie.

Daar ben ik het niet mee eens. Op een bepaald moment zullen we kapitaalaccumulatie, die voor eeuwig en altijd vastgelegd is op een groei van drie procent, moeten aanpakken. Zo niet, zal er geen oplossing komen voor het milieuvraagstuk.

Er zijn ook andere aspecten. Het kapitaal heeft zich lang beziggehouden met het creëren van nieuwe tekorten, behoeften en verlangens, om zo consumptiegedrag in de hand te werken. Ik kom net terug uit China, en in de drie of vier jaar dat ik daarheen reis merk ik een enorme toename van consumptiegedrag. Dat is precies het advies van de Wereldbank en het IMF van twintig jaar geleden: Chinezen sparen te veel en geven te weinig uit. Nu hebben de Chinezen die raad dus opgevolgd door een echte consumptiemaatschappij op poten te zetten, maar dat betekent ook dat de behoeften, noden en verlangens van de mensen bijgestuurd worden. Twintig jaar geleden was wat je in China wilde, nodig had en verlangde een fiets, vandaag is het een auto.

Dit voltrekt zich op verschillende manieren. De reclamejongens spelen een rol, maar het uitvinden van nieuwe levensstijlen is nog belangrijker. Een van de manieren waarop het kapitaal uit zijn impasse raakte in de VS in 1945 was suburbanisatie, wat neerkomt op het opdringen van een heel nieuwe levensstijl. Het aanmeten van een levensstijl is dus geen individuele keuze.

We hebben allemaal een gsm. Zo krijgt een levensstijl vorm. Er niet aan deelnemen is geen optie - ik heb een gsm nodig, zelfs al weet ik niet hoe dat verdomde ding werkt. Het is niet zo dat iemand in het verleden van een gsm droomde, een gsm wilde of nodig had. De gsm kwam er om een welbepaalde reden, en het kapitaal vond een manier om er een levensstijl omheen te organiseren. Nu zitten we vast in die levensstijl. Of laat ons teruggaan naar suburbanisatie. Wat heb je nodig in die voorsteden? Een grasmaaier. Als je in 1945 een slimme jongen was, dan zette je een zaak op in grasmachines, want iedereen had er een nodig om zijn gras te maaien.

Vandaag de dag staat verzet weer op de agenda. Mensen beginnen te zeggen dat ze het anders willen aanpakken. Zowel in steden als op het platteland kom ik kleine gemeenschappen tegen van mensen die op een andere manier proberen leven. Degene die me het meest interesseren zijn die waar nieuwe technologieën gebruikt worden, zoals gsm’s en het internet, om een alternatieve levensstijl te creëren, met andere sociale verhoudingen dan de hiërarchische machtsstructuren van grote bedrijven die we op de werkvloer gewoon zijn.

Strijden voor een andere manier van leven verschilt behoorlijk van de strijd om lonen of om de arbeidsomstandigheden in een fabriek. In het grotere plaatje bekeken is er echter een verband tussen die verschillende strijdperken. Wat ik belangrijk vind is mensen doen inzien hoe de strijd om het milieu, de productie van nieuwe behoeften, noden en verlangens, en consumptiegedrag teruggaan op de productiewijze. Breng al die zaken met elkaar in verband en je krijgt een totaalplaatje van een kapitalistische maatschappij, en van de verschillende soorten ongenoegen en vervreemding die voorkomen in verschillende delen van de kapitaalcirculatie, waar Marx ook op wijst.

Hoe ziet u de verhouding tussen de strijd tegen racisme en die tegen productie en consumptie?

Afhankelijk van waar je je bevindt op de wereld, zijn dat fundamentele vragen. Hier in de VS is dat een heel belangrijke kwestie. In China word je niet geconfronteerd met dezelfde problemen. In de VS worden sociale verhoudingen echter altijd doorkruist door vraagstukken omtrent gender, ras, religie, etniciteit, enzovoort.

Daarom kun je de kwestie van de productie van levensstijlen of de productie van behoeften, noden en verlangens niet aanpakken zonder je ook de vraag te stellen hoe geracialiseerde huizenmarkten werken of hoe de rassenkwestie uitgespeeld wordt. Toen ik bijvoorbeeld net naar Baltimore verhuisde, was er volop blockbusting aan de gang - het gebruik van raciale ongelijkheden door de vastgoedsector, om blanken op de vlucht te jagen, te kapitaliseren op het grote verloop op de huizenmarkt en zo een economisch voordeel te verwerven.

De vraagstukken rond gender die de kop opsteken op het gebied van sociale reproductie zijn ook cruciaal in een kapitalistische samenleving, los van waar je woont. Al deze kwesties zijn ingebed in kapitaalaccumulatie.

Wanneer ik het daarover heb, krijg ik vaak problemen omdat het lijkt alsof kapitaalaccumulatie belangrijker is dan die andere aspecten. Het antwoord daarop is nee, dat is niet het geval. Maar antiracisten moeten wel rekening houden met de manier waarop kapitaalaccumulatie met een antiracistische politiek botst, en met de relatie tussen dat proces en de bestendiging van raciale verschillen.

Hier in de VS zitten we opgezadeld met een hele waaier van zulke vraagstukken, die allemaal essentieel zijn. Maar opnieuw, kunnen ze opgelost worden zonder op een bepaald moment de manieren aan te pakken waarop kapitaalaccumulatie sommige van die verschillen aanwakkert en in stand houdt? Het antwoord, voor mij, is nee, ik denk niet dat dat mogelijk is. Op een bepaald moment moeten antiracisten ook antikapitalisten zijn, als ze willen doordringen tot de kern van heel wat problemen.

U staat bekend om uw academisch werk, maar misschien nog meer als een onderwijzer van Marx. Waarom denkt u dat het belangrijk is dat linkse mensen buiten de universitaire wereld aan de slag gaan met Marx’ werk?

Ben je betrokken in politieke actie en activisme, dan heb je normaal gezien een heel specifiek doel voor ogen. Loodverfvergiftiging in de binnenstad, bijvoorbeeld. Je organiseert je rond de vraag wat te doen aan het feit dat twintig procent van de kinderen in de binnenstad van Baltimore lijden aan die vergiftiging. Je bent betrokken in een juridisch gevecht, in de strijd tegen de verhuurderslobby, en tegen allerlei andere tegenstanders. De meeste mensen die ik ken en die bezig zijn met dat soort activisme worden vaak zodanig opgeslorpt door de details van wat ze aan het doen zijn dat ze vergeten waar ze staan in het brede plaatje van andere strijdperken in de stad, laat staan op wereldvlak.

Vaak kom je tot de conclusie dat die mensen van buitenaf hulp nodig hebben. Dat loodverfvergiftiging veel makkelijker te bestrijden valt als je de mensen uit het onderwijssysteem, die in de scholen geconfronteerd worden met vergiftigde kinderen, aan je zijde hebt. Dan begin je bondgenootschappen op te bouwen. En hoe meer bondgenootschappen je weet op te bouwen, hoe sterker je beweging kan worden.

Ik probeer mensen niet de les te spellen over wat ze moeten denken maar een denkkader te scheppen, zodat mensen kunnen inzien wat hun positie is binnen het geheel van complexe verhoudingen die de hedendaagse samenleving vormgeven. Dan kunnen mensen bondgenootschappen aangaan rond hun gedeelde problematiek, en tegelijkertijd hun krachten mobiliseren om anderen in hun allianties te helpen.

Mijn zorg is de opbouw van die bondgenootschappen. Om bondgenootschappen op te bouwen, heb je een totaalbeeld nodig van een kapitalistische samenleving. In zoverre je dat kan bereiken door Marx te bestuderen, lijkt het me nuttig dat ook te doen.

Dit interview verscheen in juli 2018 op Jacobin. Deze nederlandse vertaling namen we over van LAVA

Dossier: 
Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren