30 September 2020

De partij, of het zwakke punt van Trotsky

Trotsky leverde een onschatbare bijdrage tot het behoud en de ontwikkeling van het revolutionair marxisme in de eerste helft van de XXste eeuw, zowel door zijn militante activiteit als door zijn analyses. Zijn bijdrage bestrijkt een breed terrein: het begrip van een specifieke samenleving (de russisch-tsaristische maatschappij, de geboorte van het imperialisme, de bureaucratische post-kapitalistische maatschappij in de Sovjetunie); de grote sociopolitieke ontwikkelingen (bijvoorbeeld het fascisme, de sociaal-democratische en stalinistische degeneratie van de arbeidersbeweging, de ingewikkelde ontwikkeling van de klassenstrijd, de revolutie in de derde wereld); de ontwikkeling van programmatorische, strategische, tactische en organisatorische perspectieven voor de arbeidersbeweging. In dat groot geheel is zijn zwakke punt de kwestie van de partij.

Een massaleider en geen "partijman"

Deze zwakte is gedeeltelijk verbonden met zijn militante geschiedenis. Het ontbrak Trotsky aan de bekwaamheid (1903-1917) of aan de gelegenheid (na 1917) rechtstreeks deel te nemen aan de opbouw van een revolutionaire partij, afgezien van het maken van analyses en het ontwikkelen van algemene perspectieven. Hij heeft niet kunnen bijdragen tot het belangrijkste: de uitwerking en de toepassing van een politieke lijn en een concrete tactiek, het collectief werk in de schoot van een centrale leiding, de opbouw van een politiek-organisatorisch apparaat, de samenwerking met de kaders en de militanten, en meer in het algemeen de ontwikkeling van een interne dialectiek die zijn volle plaats geeft aan de ervaring van de militanten bij het uitwerken van een lijn. Tussen 1903 en 1917, wanneer hij breekt met Lenin, probeert hij niet een stroming of een partij te organiseren, maar beperkt hij zich tot een activiteit als journalist of spreker. Wanneer hij in juni 1917 aansluit bij de bolsjewieken, is dit onmiddellijk als lid van de centrale leiding: het probleem is dan niet meer een partij op te bouwen, maar een zelfgeorganiseerde massabeweging te leiden naar het grijpen van de politieke macht. Daarna verdedigt hij de revolutie in de burgeroorlog, door de oprichting van het Rode Leger. Aan het hoofd van de Derde Internationale (1919) helpt hij Lenin om aan de ex-sociaal-democratische en anarcho-syndicalistische leiders de specifieke ervaring door te geven van de Bolsjewieke partij die erin geslaagd is de burgerij omver te werpen. Pas wanneer hij opzij gezet wordt en uit de KP gesloten, uit de Sovjetunie wordt verbannen en over gans de aardbol achtervolgd door het politieapparaat van Stalin, zal hij een synthese uitwerken van de revolutionaire strategie uit de periode 1903-1922, die allicht de beste voorhanden is . In zijn nieuwe militante situatie, wanneer hij de Vierde Internationale voorbereidt en sticht, is het vanuit de verte, "via de post", en via sporadische bezoeken van zijn medestanders, dat Trotsky zich aan de opbouw zet van dikwijls kleine en gemarginaliseerde organisaties. Hij zal kijken op tijd noch energie om hen in alle concrete aspecten te scholen. Maar in werkelijkheid gaat het niet om de opbouw van zelfstandige partijen die sociaal inwortelen, maar om de deelname aan een politieke herschikking waarbij de "trotskisten" proberen een deel te redden van de arbeidersbeweging (sociaal-democratisch, maar vooral stalinistisch), en "snel" stappen vooruit te zetten naar de opbouw van een revolutionaire partij. Deze geschiedenis en de persoonlijke ontwikkeling die ermee is vervlochten geven een zeer aparte politieke en intellectuele erfenis, waarvan de inventaris vanuit twee invalshoeken nog moet gemaakt worden: wat is de opvatting van Trotsky over de opbouw van een revolutionaire partij afgezien van de algemene principiële benadering, en hoe hebben de opeenvolgende trotskistische generaties dit opgepikt en op het terrein toegepast? Het antwoord is niet eenvoudig. Want Trotsky is de man geweest van de grote revolutionaire momenten van de afgelopen eeuw, en de massaleider, eerder dan de "partijman" die het collectief werk organiseert doorheen de hoogte- en laagtepunten van de politieke conjunctuur.

Zelfverdediging tegen de aanvallen van Stalin

Dit alles wordt natuurlijk beheerst door de strijd op leven en dood van het stalinisme om "het trotskisme" te discrediteren en te vermoorden, te beginnen met Trotsky zelf. Zijn "antibolsjewistisch" verleden van vóór 1917 heeft daarbij zwaar doorgewogen. De uitleg van Trotsky over zijn verhouding met Lenin is in de regel geforceerd en ongemakkelijk. Enerzijds onderstreept hij voortdurend zijn schuld en zelfs zijn ondergeschiktheid aan Lenin. Daarbij onderschat hij bewust zijn eigen militante en politieke bijdrage toen hij mee aan het hoofd stond van de Partij, de revolutie en de Internationale (tussen 1917 en 1922-24). Anderzijds heeft hij de neiging de omvang en de diepgang van zijn politieke meningsverschillen met Lenin vóór 1917 te onderbelichten: en dat is geen toeval, want het is juist in die periode dat Lenin de "tussenkaders" vormt en organiseert, onder hen een zekere Stalin. Men kan zeggen dat Trotsky in zijn verdediging tegen de aanvallen van Stalin beschikt over twee sterke punten. Enerzijds houdt hij vol, maar in de vorm van een vaststelling, dat er "drie opvattingen waren over de Russische revolutie": de mensjewistische, de bolsjewistische, en de zijne - de permanente revolutie. En dat deze laatste de juiste was. Tezelfdertijd beperkt hij de draagwijdte van dit debat: hij zal uitleggen dat hij nooit voor 1917 geprobeerd heeft in de schoot van de RSDAP (herenigd na 1905) een specifiek platform op te bouwen op basis van een dergelijk programmatorisch strategisch debat; en hij zal krachtig protesteren tegen Zinoviev-Kamenev-Stalin wanneer deze het debat terzake herlanceren (als afleidingsmanoeuvre) in de herfst van 1924, dus na de dood van Lenin. Maar tezelfdertijd meent Trotsky dat de kwestie van de permanente revolutie (tegenover de formule van Lenin van de "democratische dictatuur van het proletariaat en van de boeren") toestaat te begrijpen wat er fout ging in de bolsjewistische partij in februari-maart 1917 wanneer de plaatselijke leiding van de bolsjewieken in Petrograd (Kamenev-Stalin) zich aansloot bij de burgerlijke regering die het resultaat was van de eerste fase van de revolutie. Ten tweede, indien hij vanaf 1917 toegegeven heeft dat de centralisatie van de partij een belangrijke kwestie is, dan beschouwt hij toch de "comitards" (met andere woorden de animatoren van de comités, dus de tussenkaders) als een gevaar voor de partij, tegenstanders van de democratie, autoritair, de belichaming van de neiging van de partij zich in de plaats te stellen van de arbeidersklasse. Deze twee elementen samen vormen voor Trotsky de verklaring voor het mispakken van de partij in februari 1917, en waarom toen een echte hervorming van haar programma en van de samenstelling van haar leiding is nodig geweest. Indien die omvorming gelukt is, dan ligt dat aan de dialectiek tussen het ingrijpen van Lenin, die een nieuw programma oplegt , en de bolsjewieke arbeidersmilitanten, die in de partij de revolutionaire geest van de massa's binnenbrengen. Samengevat meent Trotsky dat zijn eigen vergissingen neerkomen op een onderschatting van de centralisatie van de partij, wat verwijst naar de natuur van de partij, en daarmee samenhangend zijn poging alle stromingen samen te houden in dezelfde partij onder de impact van een revolutionaire opgang.

Kracht van Lenin en zwakheid van Trotsky

De Vierde Internationale tijdens het leven van Trotsky en de trotskistische bewegingen daarna hebben de geschiedenis op die manier gecodeerd verder gedragen. Dat heeft een reeks positieve en negatieve gevolgen gehad. Het belangrijkste positief gevolg, dat een echte verworvenheid is van de internationale revolutionaire beweging, is de ontwikkeling van de strategie van de permanente revolutie, die volledig bevestigd werd door de positieve en negatieve ervaringen van de revoluties in de zgn. derde wereld en, op een ander vlak, door de theorie van "het socialisme in één land", die de ideologische basis vormt van het stalinisme. Het belangrijkste negatief gevolg is het onbegrip voor de redenen die Lenin in staat gesteld hebben de partij op te bouwen in de periode van 1905 tot 1914, een partij die erin geslaagd was de horde te nemen van de eerste hergroepering van kaders, en uitgegroeid was tot een partij, weliswaar nog in de minderheid, maar met een echte sociale inworteling en invloed bij delen van de arbeidersmassa's en van de intelligentsia in de steden (Lenin is met andere woorden geslaagd in de oplossing van de puzzel waarmee de revolutionaire marxisten in sommige imperialistische landen van Europa in de periode 1965-1968 geconfronteerd werden toen het monopolie van de sociaal-democratie en het stalinisme over de arbeidersklasse afbrokkelde). Om hierin klaar te zien moet de geschiedschrijving van de periode 1895-1914 worden overgedaan, met een nieuwe evaluatie van de sleutelmomenten, en een nieuwe inschatting van de politiek van Lenin en Trotsky in die periode. Praktisch gesproken is de conclusie onweerlegbaar: wanneer in juli-augustus 1914 (de "vergeten revolutie") de bolsjewieke partij de algemene staking en opstand leidt in Petrograd en Moskou en er de meerderheid verovert in de arbeidersklasse, werkt Trotsky als journalist in de Balkan, geïsoleerd in de partij en afgesneden van de arbeidersbeweging in Rusland. Daartoe heeft de verschillende keuze geleid die de twee belangrijkste leiders van de Oktoberrevolutie ieder van hun kant gemaakt hebben op politiek en organisatorisch vlak.
Het is de hardnekkigheid waarmee Lenin zich vastklampt aan de "reële beweging" in Rusland, en dit doorheen een opeenvolging van ingewikkelde socio-politieke conjuncturen, die de bolsjewieke partij heeft gevormd en laten inwortelen in de Russische (stedelijke) samenleving. Het is de politiek van Lenin die doorslaggevend is geweest, en niet zijn "partijopvatting" in de zin waarin dat in de regel wordt begrepen (democratisch centralisme, het algemeen programma). Het is de politieke zwakte van Trotsky die aan de basis ligt van zijn organisatorische mislukking. Men kan dit nader preciseren als volgt: vóór 1917 heeft zijn buitengewone bekwaamheid om de grote algemene tendensen van de tijd te vatten en er strategische perspectieven uit af te leiden hem niet geholpen om daar een revolutionaire politiek uit af te leiden (en hij heeft geen militant collectief willen of kunnen uitbouwen). Zijn zwakte in verband met de partij situeert zich in dat kader . Wat Trotsky betreft hebben twee mannen en twee gebeurtenissen, in de korte fase 1902-1905, een doorslaggevende invloed gehad: Parvus en Axelrod; het tweede congres van de Partij (RSDAP) (1903) en de eerste Russische revolutie (1905).

De schok van 1903

Trotsky ontmoet Lenin in 1902. Hij is 23 jaar oud, Lenin 32. Trotsky is nieuw, vol militante energie en talent, een overtuigd marxist (het is in de gevangenis dat hij een "basismarxisme" had geleerd dat bijzonder levend en dialectisch was, door de lectuur van de Italiaanse filosoof Antonio Labriola), maar met een beperkte ervaring. Hij animeerde een clandestiene arbeidersgroep "in de provincie", werd aangehouden, opgesloten, verbannen naar Siberië, ontsnapt, en sluit zich aan bij de leidende kringen in West-Europa. Lenin is reeds een door de wol geverfde militant. Hij is bezig met de organisatie van een echt stichtingscongres van de (revolutionaire) sociaal-democratie, en overtuigd dat hij er de leiding van moet nemen. De jonge Trotsky werpt zich volop in de politiek in 1902, wanneer hij het sociaal-democratisch "hoofdkwartier" vervoegt in Londen. Zo maakt hij in het buitenland kennis met de twee marxistische leiders die een bepalende maar tegenstrijdige invloed op hem zullen hebben: Axelrod, die hij ontmoet in 1902 en, in 1904, Parvus, "één van de belangrijkste marxisten rond de eeuwwisseling" . Deze laatste zal de basis leggen voor de theorie van de permanente revolutie, door een strategisch perspectief te openen dat voor het marxisme van die dagen "ongehoord" was: de machtsovername door de arbeidersklasse is mogelijk in een land zo achterlijk als Rusland. Reeds in 1895-96, vóór Rosa Luxemburg, had Parvus de "politieke massastaking" gevat als een sleutelelement in de arbeidersstrategie. Hij had voorspeld dat een oorlog tussen Rusland en Japan waarschijnlijk was (ze greep plaats in 1903-04) en dat, door de dialectiek van oorlog en revolutie, Rusland de arbeidersklasse aan de macht kon brengen als voorhoede van de internationale socialistische revolutie. Dat alles was ingekaderd in een internationale visie op de ontwikkelingen van het kapitalisme die zouden leiden tot het imperialisme. In augustus 1904 blijft Trotsky zich nog situeren binnen het strategisch kader van de RSDAP: "Enkel een toekomstig vrij Rusland, waar wij de rol zullen moeten spelen van een oppositiepartij en niet van een regeringspartij, zal ons toestaan de klassenstrijd van het proletariaat tot zijn conclusie te voeren" . In januari 1905 steekt Parvus de Rubicon over: "De revolutie zou een democratische arbeidersregering aan de macht kunnen brengen" . In 1906, na de revolutie van 1905, trekt Trotsky de redenering door : deze arbeidersklasse die aan de macht komt met de steun van de boeren zal ertoe worden gebracht de grenzen van het kapitalisme te overschrijden en de socialistische revolutie aan te vatten. En hij voegt er onmiddellijk aan toe: "zonder de rechtstreekse staatssteun van het Europees proletariaat zal de Russische arbeidersklasse er niet in slagen zich aan de macht te handhaven en haar tijdelijke overheersing om te vormen in een duurzame socialistische dictatuur". De kern van de theorie van de permanente revolutie is tot stand gekomen.

De invloed van Boris Axelrod

De rol van Parvus is goed gekend en naar waarde geschat, wat niet kan gezegd worden van de andere leermeester van Trotsky, Boris Axelrod. In de traditionele "trotskistische" geschiedschrijving wordt aan deze laatste geen enkele positieve rol toebedeeld. Het is hij nochtans die het sterkst en het langst de concrete politieke stellingnamen van Trotsky zal beïnvloeden. In 1898 schrijft Axelrod twee stukken die het strategisch debat lanceren na de grote stakingen van de jaren 1895-96. Zij zullen een sterke invloed hebben op alle leiders van de Russische (revolutionaire) sociaal-democratie, meer bepaald op Trotsky en Lenin (maar ze trekken er verschillende besluiten uit, door het verschillend politiek-theoretisch kader dat ze reeds verworven hebben). Samen met Plekhanov behoort Axelrod tot de eerste marxistische generatie, die actief is geweest in het revolutionair populisme en de basis heeft gelegd voor de eerste marxistische kern in Rusland. Zijn tekst vertrekt van enkele vaststellingen: de omvang van de stakingen van 1895-96 en de mislukking van de pogingen een sociaal-democratische organisatie te stabiliseren; het gevaar van een "economistische" of "zuiver syndicalistische" terugplooi op de onmiddellijke eisen van de arbeiders, en dus het loslaten van de strijd tegen de tsaristische dictatuur. Daarop herneemt hij de oude populistische analyses van Tchernychevsky en die van Marx , in verband met de specifieke kenmerken van de tsaristische sociale formatie. En hij leidt uit dat alles een politiek perspectief af : indien de industrialisering doorgevoerd wordt onder het despotisch regime van de tsaar, dan belet dat de vorming van een samenhangende en actieve arbeidersklasse, en blokkeert het de mogelijke ontwikkeling van een arbeidersklasse naar Europees model. Tegelijk is Axelrod, in de beste traditie van Marx zelf, de pleitbezorger van de zelfactiviteit van de arbeidersklasse als onmisbare hefboom voor haar organisatie en socialistisch bewustzijn. Opdat die zich zouden kunnen ontwikkelen moet dus komaf worden gemaakt met haar "asiatisme". Maar hoe? Volgens Axelrod komt deze historische beschavende taak toe aan de (liberale) burgerij. De strategische conclusie wordt niet uitdrukkelijk getrokken. Maar de deur staat open voor een strategie van steun aan en samenwerking met deze burgerij en zo voor een strategie van revolutie in etapen (onbewust is dit de kern van het mensjewisme, wat na 1905 een uitgewerkte strategie zal worden). Trotsky en Lenin zijn onder de indruk van de creativiteit van deze eerbiedwaardige leider die hen ook verleidt door zijn menselijkheid (bij Trotsky zal dit politieke gevolgen hebben voor het kamp dat hij kiest op het Congres in 1903). Maar ieder van zijn kant trekken ze er sterk verschillende conclusies uit . Trotsky, in die zin reeds geschoold door Labriola, zal volop de idee opnemen van het primaat van de zelfstandigheid van de arbeidersklasse (tijdens een verblijf van Trotsky bij Axelrod in Londen in 1902-03). Zijn polemisch boek tegen Lenin, Onze politieke taken, hoe arm en verkeerd ook op politiek en organisatorisch vlak, is één van de eerste Russische marxistische teksten die dit als centrale leidraad neemt. Hij aanvaardt ook de rol van de boeren (die door Parvus verworpen wordt, maar die Lenin vanaf 1901 verdedigt: dit is een ander element van de permanente revolutie dat opduikt). Maar hij blijft twijfelend en verward (zelfs na 1905) wat betreft de mogelijkheid van electorale steun aan de liberale burgerij. Het ander luik in de aanpak van Axelrod dat door Trotsky wordt overgenomen is het Europees perspectief dat aan de Russische arbeidersklasse wordt voorgespiegeld. Trotsky is nooit een mensjewiek geweest in de politiek-programmatorische zin van het woord. Maar de mensjewistische organisatie is duidelijk beter geschikt voor politiek debat en interne dialectiek dan de bolsjewistische stroming (die in 1912 een partij wordt). Het europeanisme, de rol van de arbeidersklasse, haar zelfactiviteit en zelforganisatie, de dynamiek van de revolutie: dat is de harde kern van wat Trotsky op drie jaar tijd heeft geleerd. Twee gebeurtenissen, erg verschillend van aard, gaan hieraan een bijzondere wending geven: het tweede congres van de RSDAP (zomer 1903) en de eerste Russische revolutie (januari-december 1905). Trotsky begint aan het congres van 1903 als een vastberaden aanhanger van het centralisme, de dictatuur van de leiding over de partij en "het wantrouwen tegenover de organisatie aan de basis". Hij komt uit het congres als een bekamper van het centralisme, het bonapartisme, de dictatuur van de intellectuelen over de arbeidersklasse, het substitutisme, enz. Het congres eindigt in een splitsing en een psychologisch drama. De eenheid aan de top is gebroken. De redenen zijn niet duidelijk. De oorzaak ligt niet in een programmatorisch meningsverschil, noch in de fameuze regel uit de statuten over het lidmaatschap (in 1906, tijdens de hereniging, wordt hierover snel een goed compromis bereikt). Het is eerder een groeicrisis, verbonden met de overgang van een familiale ambachtelijke partij naar een vanuit alle oogpunten professionele partij (de organisatie, het apparaat, de ordewoorden, de politieke lijn, het programma) op het ogenblik waarop de revolutie om de hoek komt kijken (grote mobilisaties van de studenten en de boeren, vervolgens arbeidersstakingen). Om dergelijke omvorming van de partij te lukken is de kwestie van de leiding doorslaggevend. Lenin wil een leiding die leidt, en stelt Plekhanov voor, maar schuift Axelrod en Zassoulitch opzij. Trotsky komt tegen Lenin in opstand. En hij vindt daartoe de concepten in Onze politieke taken. Hierin voert hij een genadeloze polemiek tegen Lenin, waarbij hij alle stukken analyse die de ronde doen in linkse politieke en intellectuele milieus samenbrengt en er een geconcentreerde kracht aan geeft. Zij gedrag op het congres toont zijn gebrek aan politieke rijpheid. Zijn brochure bevestigt dat, maar toont tegelijk zijn analytische capaciteiten. De polemiek is volledig naast de kwestie: hij had duidelijk niet begrepen wat Lenin wilde (en zal dat achteraf ook erkennen).

De ervaring van 1905

In 1905 toont het proletariaat zijn buitengewone strijdbaarheid en zijn radicaliteit, met de verkiezing van democratisch samengestelde arbeidersraden. Bovendien slaagt de sovjet (in feite Trotsky zelf) erin de eenheid af te dwingen van de drie revolutionaire partijen (de mensjewieken, de bolsjewieken en de sociaal-revolutionairen, opvolgers van de narodniki, de populisten). Bovendien slagen Trotsky en Parvus, die zich situeren in de mensjewistische sfeer, erin de meerderheid van de militanten en een deel van de leiders (maar niet Axelrod, Plekhanov en Martov) door hun actie, toespraken en dagelijkse aanwezigheid over te halen tot hun politieke positie. Trotsky zal tot in 1914 dit model van sociale en organisatorische dynamiek in zijn hoofd blijven houden, overigens zonder het werkelijk te theoretiseren. In de periode na de revolutie versterken zijn analyses en vooroordelen tegen Lenin. Op dat ogenblik worden de meningsverschillen tussen de linkerzijde (de bolsjewieken) en de rechterzijde scherper en ze nemen een vaste vorm aan. De mensjewieken houden tot 1910-11 weliswaar een globaal revolutionaire koers aan, maar de opgang van de klassenstrijd zal beide vleugels van de partij niet tot elkaar brengen, en integendeel leiden tot een definitieve scheiding op basis van een verschillende oriëntatie tegenover de sociale en politieke problemen van de dag: het parlementarisme, de klassenallianties, de onmiddellijke eisen van de arbeiders, het soort syndicale organisatie, de landhervorming, de plaats van de democratische eisen. Op dat ogenblik wordt duidelijk hoe de mensjewieken in Rusland een legale arbeidersbeweging hebben opgebouwd die niet meer bereid is tot confrontatie met het tsarisme. Dit is een ramp voor de linkerzijde van de mensjewieken (Martov). Het is ook een ramp voor Trotsky . Het is in feite het resultaat van een rampzalige politieke keuze, die hem geplaatst heeft in de mensjewistische sfeer, en hem ertoe heeft gebracht hun partijopvatting aan te nemen zonder overigens hun programma te delen. Tot 1914 blijft hij verblind tegenover zijn leermeester Axelrod: "Tussen mensjewieken en bolsjewieken is er een wezenlijk verschil: terwijl de antirevolutionaire aspecten van de mensjewieken vandaag in hun volle draagwijdte duidelijk worden, bedreigt het antirevolutionaire in het bolsjewisme ons slechts in het geval van een revolutionaire overwinning - maar de dreiging is er niet minder ernstig om", schrijft hij in 1906 . Hij had de idee van een voorhoedepartij reeds achter zich gelaten en gekozen voor een brede partij, wat hij getheoretiseerd had in zijn werkje Onze taken. Ditmaal wordt dit concept door Axelrod in de praktijk gebracht in een periode van zware politieke achteruitgang, en dit in verschillende vormen: het arbeiderscongres (op het model van de toenmalige Belgische Werklieden Partij, die een verzameling was van arbeiderskringen, vakbonden, ziekenfondsen, jongerengroepen, enz…), en de onderschikking van de clandestiene partij aan de legale.

Een half-spontaneïstische opvatting over de politiek.

De zwakte van Trotsky in verband met de partij voor 1917 maakt deel uit van zijn half-spontaneïstische visie op politiek in het algemeen.
Ten eerste zal dit zijn invloed laten gelden op zijn eerste formulering van de "permanente revolutie". Zoals alle Russische marxisten meende hij dat een revolutie door een meerderheid moest worden gedragen, vandaar dat hij (in tegenstelling tot wat de stalinistische legende beweert) geenszins de rol in een overwegend agrarisch land onderschatte van de revolutionaire boeren. Zijn bekommernis is aan te duiden hoe in de slotfase van het revolutionair proces dit onvermijdelijk overgaat naar "de socialistische dictatuur", dank zij het sociaal en ideologisch gewicht van de arbeidersklasse. Maar hoe die meerderheid tot stand moet worden gebracht is op dat ogenblik niet zijn bekommernis . In 1906 en de daarop volgende jaren heeft hij genoeg aan twee theoretische veralgemeningen die vooral de vooroordelen vertolken van het toenmalig Europees marxisme (in de periode na Marx): historisch volgt het platteland de stad, en de boerenstand het proletariaat (industrieel en stedelijk); tezelfdertijd zijn de boeren niet in staat tot een zelfstandige politiek en tot het opbouwen van zelfstandige organisaties (zij volgen hetzij de burgerij, hetzij de arbeidersklasse). Het gevolg hiervan is dat Trotsky zich niet bezighoudt met een gedetailleerde analyse van de Russische boeren, de verscheidenheid van hun werksituatie, hun "spontane" eisen, hun bestaande organisaties, enz. Op het IVde congres van de (herenigde) RSDAP in 1906 over de landhervorming doet Trotsky geen enkele bijdrage . Trotsky gaat weliswaar niet zo ver als zijn mentor Parvus, voor wie de revolutionaire rol van de boeren er zich toe beperkt "de chaos in het land te vergroten", maar in tegenstelling tot Lenin mikt Trotsky niet op een echte alliantie tussen de arbeiders en de boeren, met alles wat dat vereist. Door het abstract karakter blijkt de theorie voor Trotsky een echte politieke valstrik te zijn. Want, in tegenstelling tot alle verwachtingen, profiteert het "immobiel" tsarisme van de nederlaag van het proletariaat in 1906 om een verrassende beweging tot zelfhervorming te lanceren, met het ontstaan van een parlementair systeem, een landhervorming, een zekere syndicale vrijheid, de eerste sociale wetgeving (sociale zekerheid)… Veel zal het uiteindelijk niet geven, maar ondertussen was het sociaal en politiek leven wel stevig door elkaar geschud. Trotsky beschikt niet over een organisatie om in die gebeurtenissen tussen te komen, en niet over een politiek project om de nieuwe situatie aan te pakken, waarin de lopende politieke activiteit de plaats heeft ingenomen van de stormachtige opgang van de massastrijd .
Ten tweede had gans de geschiedenis van de arbeiderssovjet van het jaar 1905, geboren uit drie golven van algemene staking, twee belangrijke feiten aan het licht gebracht. Enerzijds de geboorte van een nieuwe -en superieure- vorm van de arbeidersklasse, die haar één maakt, haar politieke macht organiseert en op een historisch nooit geziene schaal uitdrukking geeft aan haar drang tot zelfontvoogding. Anderzijds de onbekwaamheid en het sektarisme van de leiders van de verschillende revolutionaire partijen ter plaatse, waarvan de politieke horizon beperkt is tot hun organisatorisch conservatisme en sektarisme. De bolsjewieke kaders van Petrograd zien in de sovjet een concurrerende arbeidersorganisatie en willen hem (door een stemming) het (maximum)programma opleggen van hun partij. De mensjewieken anderzijds willen de lijn in de praktijk brengen (van Axelrod) van het "arbeiderscongres" dat de fusie zou realiseren van de drie socialistische partijen die lid waren van de IIde Internationale (bolsjewieken, mensjewieken, sociaal-revolutionairen), en onder de leiding van de partij (op zijn Engels, de Labourparty, of op zijn Belgisch, de BWP) gans de variëteit aan arbeidersorganisaties verzamelen (partijen, vakbonden, coöperatieven, jongeren, vrouwen, turnkringen, ziekenfondsen, culturele clubs,…). Trotsky (en enkele anderen, waaronder Parvus en Pannekoek) was zich bewust van de politieke draagwijdte van de arbeidersraden. Hij zal er een staalharde conclusie uit trekken (wat hij later zijn "sociaal fatalisme" zal noemen): de arbeidersmassa's lopen vooruit op de partijen en zijn in staat aan deze laatste hun wil op te leggen dank zijn hun spontane radicaliteit.
Deze dubbele vaststelling zal beslissend zijn voor zijn opinie over en zijn opstelling binnen de Partij tot in 1917. Men kan niet zeggen dat hij na 1905 een echte overtuiging heeft terzake. Zijn visie op de klassenstrijd, in het verleden en in de toekomst, in Rusland, heeft geen nood meer aan een welbepaalde en belangrijke rol voor de Partij. Meer dan ooit tegenstander van de bolsjewieke stroming die zich reorganiseert kiest hij ervoor zich te situeren in de sfeer van de mensjewieken. En dat ondanks het feit, waar niemand kon langs kijken, dat de bolsjewieken binnen de RSDAP zich hadden opgeworpen als de radicale stroming. Op het Vde congres van de Partij (Londen, mei 1907) stemt Trotsky met Rosa Luxemburg en Lenin voor de resolutie met de "dictatuur van het proletariaat steunend op de boeren", en dat tegen het geheel van de verenigde mensjewieken. Toch breekt hij niet met hen. En het belet hem niet (zij het met aarzelingen) tegelijk akkoord te zijn met Axelrod voor de omvorming van de Partij in een legaal "arbeiderscongres" dat openstaat voor alle arbeidersorganisaties. Trotsky is niet blind voor de opportunistische neigingen van de mensjewistische stroming. Hij houdt echter vast aan zijn spontaneïstische visie dat een komende revolutionaire opgang iedereen weer zal drijven naar de hereniging van de Partij. Tegelijk heeft zijn sektarisme tegen de bolsjewieken een visceraal karakter gekregen: hij ziet in de stroming de "Asiatische" achterlijkheid en primitivisme, en voorspelt haar antirevolutionaire ontwikkeling. Daartegenover belichaamde de mensjewistische stroming de Europese toekomst van de komende revolutie. In het politiek-cultureel klimaat van die stroming voelde Trotsky zich in zijn element, met haar debatten, haar pluralisme, haar menselijker verhoudingen. Zijn keuze leek des te juister daar Axelrod en Plekhanov nauw samenwerkten met Kautsky, toen nog de onbetwiste leider van de IIde Internationale.
Een nieuwe revolutie, die van 1917, zal nodig zijn opdat de ervaring van de Partij van Lenin onontkoombaar zou worden, inbegrepen voor Trotsky .

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Reageren