Gemeenschappelijke gronden en klassen vóór het kapitalisme

Ian Angus - 
17.12.2021
Graan oogsten in de jaren 1400, uit Queen Mary Psalter

'Kapitaal versus gemeenschappelijke gronden' is een serie artikelen over het vroege kapitalisme en de landbouw. Dit is het eerste deel. [leestijd 10 minuten]

'Alle vooruitgang in de kapitalistische landbouw is een vooruitgang in de kunst, niet alleen om de arbeider te beroven, maar ook om de bodem te beroven.' (Karl Marx)

Om te leven moeten mensen eten en meer dan 90% van ons voedsel komt direct of indirect van het land. Zoals filosoof Wendell Berry zegt: 'De grond is de grote verbinder van het leven... Zonder de juiste zorg ervoor kunnen we geen gemeenschap hebben, want zonder de juiste zorg ervoor kunnen we geen leven hebben.' [1]

Het voorkómen van bodemaantasting en het behoud van de bodemvruchtbaarheid zou een wereldwijde prioriteit moeten zijn, maar dat is het niet. Volgens de Verenigde Naties is een derde van het land op aarde nu ernstig aangetast en verliezen we elk jaar 24 miljard ton vruchtbare grond. Meer dan 1,3 miljard mensen zijn afhankelijk van voedsel dat afkomstig is van aangetaste of in kwaliteit achteruitgaande landbouwgrond. [2] Zelfs in de rijkste landen is bijna alle voedselproductie afhankelijk van massale toepassingen van synthetische meststoffen en pesticiden die de bodem nog verder aantasten en het milieu vergiftigen.

In de woorden van Karl Marx: 'Een rationele landbouw is onverenigbaar met het kapitalistische systeem.' [3] Om te begrijpen waarom dat zo is, moeten we begrijpen hoe de kapitalistische landbouw is voortgekomen uit een heel ander systeem.

Gedurende bijna de hele geschiedenis van de mensheid leefden en werkten we bijna allemaal op het land. Tegenwoordig leven de meesten van ons in steden.

Het is moeilijk te overschatten hoe radicaal die verandering is en hoe snel ze is gegaan. Tweehonderd jaar geleden leefde 90% van de wereldbevolking op het platteland. Groot-Brittannië werd in 1851 het eerste land ter wereld met een overwegend stedelijke bevolking. In 1960 leefde nog tweederde van de wereldbevolking op het platteland. Nu is dat minder dan de helft en slechts de helft daarvan is boer.

Tussen de ondergang van het feodalisme en de opkomst van het industriële kapitalisme werd de plattelandsgemeenschap omgevormd door een complex van processen die bekend staan onder de verzamelnaam enclosure. De scheiding van de meeste mensen van het land en de concentratie van grondbezit in handen van een kleine minderheid waren revolutionaire veranderingen in de manier waarop mensen leefden en werkten. Het gebeurde op verschillende manieren en op verschillende tijdstippen in verschillende delen van de wereld en het is nog steeds aan de gang.

Ons uitgangspunt is Engeland, waar wat Marx de 'primitieve accumulatie' noemde, voor het eerst plaatsvond.

Gemeenschappelijke akkers, gemeenschappelijke rechten

In het middeleeuwse en vroegmoderne Engeland waren de meeste mensen arm, maar ze waren ook zelfvoorzienend – ze haalden hun eerste levensbehoeften rechtstreeks van het land, dat een gemeenschappelijk goed was, geen privé-eigendom zoals wij dat concept begrijpen.

Niemand weet eigenlijk wanneer of hoe de Engelse gemeenschappelijke landbouwsystemen zijn ontstaan. Waarschijnlijk zijn ze door Angelsaksische kolonisten naar Engeland gebracht nadat de Romeinse overheersing was beëindigd. Wat we wel zeker weten is dat gemeenschappelijke akkerbouw, in verschillende vormen, wijdverbreid was toen het Engelse feodalisme op zijn hoogtepunt was in de twaalfde en dertiende eeuw.

Het land zelf was in handen van landheren, direct of indirect van de koning. Een kleine adellijke familie kon slechts één landgoed bezitten en bewonen – ruwweg gelijk aan een dorp – terwijl een hoge aristocraat, bisschop of klooster tientallen landgoederen kon bezitten. De mensen die het land feitelijk bewerkten, waaronder vaak een mix van onvrije horigen en vrije boeren, betaalden huur en andere vergoedingen in de vorm van arbeid, producten of (later) contant geld en hadden, naast het gebruik van landbouwgrond, een verscheidenheid aan wettelijke en traditionele rechten om de gronden van het landgoed te gebruiken, zoals het weiden van dieren op gemeenschappelijke weiden, het sprokkelen van brandhout, bessen en noten in het bos van het landgoed en het verzamelen van graan dat na de oogst op de akkers achterbleef.

'Gemeenschappelijke rechten werden beheerd, verdeeld en opnieuw verdeeld door de gemeenschappen. Deze rechten waren gebaseerd op het onderhouden van relaties en activiteiten die bijdroegen aan de collectieve reproductie. Geen enkele feodale heer had rechten op het land exclusief deze gewoonterechten van de gemeenschapsleden. Evenmin hadden ze het recht om de gemeenschappelijke akkers in beslag te nemen of in te lijven als hun eigen domein.' [4]

Gebiedsindelingen varieerden sterk, maar gewoonlijk omvatte een landhuis of heerlijkheid zowel de boerderij van de landheer (domein) als land dat werd bewerkt door pachters die levenslange rechten hadden om het te gebruiken. In de meeste verslagen wordt alleen gesproken over open akker systemen, waarbij elke pachter meerdere stroken land bebouwde die over de akkers verspreid lagen zodat niet één familie alle goede grond bezat, maar er waren ook andere regelingen. In delen van Zuidwest-Engeland en Schotland, bijvoorbeeld, waren boerderijen op gemeenschappelijke akkers vaak compact, niet in stroken en werden ze periodiek herverdeeld onder leden van de gemeenschap die gebruik maakte van de gemeenschappelijke grond. Dit werd runrig genoemd; een soortgelijke regeling in Ierland werd rundale genoemd.

De meeste landgoederen hadden ook gemeenschappelijke weiden voor het voederen van vee, schapen en andere dieren en in sommige gevallen bossen, wetlands en waterwegen.

Hoewel coöperatief, waren dit geen gemeenschappen van gelijken. Oorspronkelijk waren alle bedrijven ongeveer even groot, maar na verloop van tijd trad er een aanzienlijke economische differentiatie op. [5] Enkele welgestelde pachters bezaten land dat genoeg opbracht om producten op de plaatselijke markten te verkopen; anderen (waarschijnlijk een meerderheid in de meeste dorpen) hadden genoeg land om hun gezinnen te onderhouden met een klein overschot in goede jaren; anderen met veel minder land werkten waarschijnlijk een deel van hun tijd voor hun beter gesitueerde buren of voor de landheer. We kunnen deze gelaagdheid in de Engelse graafschappen zien in het Domesday Book uit 1086, waar ten minste een derde van de boerenbevolking een keuterboer was. Tegen het einde van de dertiende eeuw was dit aandeel, in delen van Zuidoost-Engeland, meer dan de helft.' [6]

Zoals de marxistische historicus Rodney Hilton uitlegt, waren de economische verschillen tussen de middeleeuwse boeren nog geen klassenverschillen. 'Arme keuterboeren en rijkere boeren maakten, ondanks de verschillen in hun inkomen, nog steeds deel uit van dezelfde sociale groep, met een vergelijkbare levensstijl en verschilden van elkaar in de overvloed in plaats van de kwaliteit van hun bezittingen.' [7] Pas na de opheffing van het feodalisme in de vijftiende eeuw ontwikkelde zich een laag van kapitalistische boeren.

Zelfbeheer

Als we een invloedrijk artikel uit 1968 zouden moeten geloven, zou de op gemeenschappelijke gronden gebaseerde landbouw al kort na zijn geboorte verdwenen moeten zijn. In 'The Tragedy of the Commons' betoogde Garrett Hardin dat mensen van de gemeenschap onvermijdelijk te veel gronden zouden gebruiken, waardoor het milieu zou instorten. Om zijn inkomen te maximaliseren 'zal elke herder met name proberen zoveel mogelijk vee op de gemeenschappelijke grond te houden', totdat overbegrazing de weide vernietigt en er helemaal geen dieren meer op kunnen grazen. 'Vrijheid op gemeenschapsgronden brengt voor iedereen verderf.' [8]

Sinds de publicatie in 1968 is Hardin's verhaal op grote schaal overgenomen door academici en beleidsmakers en gebruikt om het stelen van land van inheemse volken, het privatiseren van gezondheidszorg en andere sociale voorzieningen, het geven van 'verhandelbare vergunningen' aan bedrijven om de lucht en het water te vervuilen en nog veel meer te rechtvaardigen. Opmerkelijk is dat slechts weinigen van hen die Hardin's opvattingen als gezaghebbend aanvaarden, merken dat hij geen bewijs leverde om zijn verstrekkende conclusies te ondersteunen. Hij beweerde dat 'tragedie' onvermijdelijk was, maar hij liet niet zien dat het ook maar één keer gebeurd was. [9]

Wetenschappers die daadwerkelijk op gemeenschappelijke gronden gebaseerde landbouw hebben bestudeerd, zijn tot heel andere conclusies gekomen. 'Wat er in feite bestond was geen tragedie van de gemeenschappelijke gronden maar eerder een triomf: dat gedurende honderden jaren – en misschien wel duizenden, hoewel er geen geschreven documenten bestaan om de langere tijd te bewijzen – land met succes beheerd werd door gemeenschappen.' [10]

De belangrijkste beschrijving van hoe de gemeenschappelijke landbouw in Engeland feitelijk functioneerde, is het bekroonde boek van Jeanette Neeson, Commoners: Common Right, Enclosure and Social Change in England, 1700-1820. Haar studie van overgeleverde registers uit de jaren 1700 toonde aan dat de dorpsbewoners met gemeenschappelijke gronden, die twee of drie keer per jaar bijeenkwamen om te beslissen over zaken van gemeenschappelijk belang, zich ten volle bewust waren van de noodzaak om de stofwisseling tussen vee, gewassen en bodem te reguleren.

'De doeltreffende regulering van de gemeenschappelijke weidegronden was voor de productiviteit even belangrijk als de invoering van voedergewassen en de omschakeling van bewerkte gronden naar weidegronden, misschien zelfs belangrijker. Dankzij een zorgvuldige controle kon de veestapel toenemen en daarmee ook de mestproductie... Regels rond het gebruik van gronden maken duidelijk dat dorpsbewoners probeerden zowel de waarde van gemeenschappelijke weidegrond te behouden als het land te voeden.' [11]

Dorpsvergaderingen kozen 'jury's' van ervaren boeren om problemen te onderzoeken en permanente of tijdelijke verordeningen in te voeren. Bijzondere aandacht werd besteed aan 'stints' – beperkingen van het aantal dieren dat op de weide, in het afval en op andere gemeenschappelijke gronden mocht komen. 'Het invoeren van een beperking beschermde de gemeenschappelijke gronden door ervoor te zorgen dat deze groot genoeg bleven om het aantal dieren te herbergen waar de pachters recht op hadden. Het beschermde ook de kleinere pachters van de gemeenschap tegen de commerciële activiteiten van veehouders en slagers.' [12]

Jury's stelden ook regels op voor het verplaatsen van schapen om te zorgen voor een gelijkmatige verdeling van de mest en organiseerde de aanplant van rapen en andere voedergewassen op braakliggende akkers, zodat meer dieren konden worden gevoederd en meer mest kon worden geproduceerd. De jury in een van de landgoederen die Neeson bestudeerde, stond de pachters toe extra schapen te laten grazen als ze klaver zaaiden op hun bouwland – lang voordat wetenschappers stikstof en stikstoffixatie ontdekten, wisten deze boeren dat klaver de bodem verrijkt. [13]

En gezien de huidige bezorgdheid over de verspreiding van ziekten in grote (industriële) veehouderijen is het leerzaam te vernemen dat de achttiende-eeuwse gebruikers van gemeenschappelijke gronden voorschriften uitvaardigden om zieke dieren te isoleren, te voorkomen dat varkens de paardenvijvers vervuilden en te verhinderen dat paarden en koeien van buiten zich vermengden met de kuddes van de dorpelingen. Er werd ook streng gecontroleerd wanneer stieren en rammen de gemeenschappelijke gronden mochten betreden om te fokken en jury's 'regelden of verboden zorgvuldig de toegang tot de gemeenschappelijke gronden van inferieure dieren die schapen, koeien of paarden konden bevruchten.' [14]

Neeson concludeert: 'Het systeem van gemeenschappelijke weiden was een effectieve, flexibele en beproefde manier om de dorpslandbouw te organiseren. De gemeenschappelijke weiden werden goed bestuurd en het gemeenschappelijk recht werd goed gehandhaafd.' [15]

Op gemeenschappelijke gronden gebaseerde landbouw overleefde eeuwenlang juist omdat het democratisch werd georganiseerd en beheerd door mensen die nauw betrokken waren bij het land, de gewassen en de gemeenschap. Hoewel het geen egalitaire samenleving was, was het in sommige opzichten een voorbode van wat Karl Marx, verwijzend naar een socialistische toekomst, beschreef als 'de geassocieerde producenten, die de menselijke stofwisseling met de natuur op een rationele manier besturen.' [16]

Klassenstrijd

Dat wil niet zeggen dat de agrarische samenleving vrij van spanningen was. Er was een bijna voortdurende strijd over hoe de rijkdom die de boeren produceerden werd verdeeld in de sociale hiërarchie. De adel en andere landheren streefden naar hogere pachten, lagere belastingen en beperking van de macht van de koning, terwijl de boeren zich verzetten tegen inbreuken van de landheren op hun rechten en vochten voor lagere pachten. De meeste van deze conflicten werden opgelost door onderhandelingen of door een beroep te doen op rechtbanken, maar sommige leidden tot veldslagen, zoals in 1215 toen de baronnen koning Jan zonder Land dwongen de Magna Carta te ondertekenen en in 1381 toen duizenden boeren naar Londen optrokken om een einde te eisen aan de lijfeigenschap en de executie van impopulaire ambtenaren.

Historici hebben lang gedebatteerd over de oorzaken van de neergang van het feodalisme. Ik zal hier niet proberen die complexe discussies op te lossen of zelfs maar samen te vatten. [17] Het volstaat te zeggen dat tegen het begin van de jaren 1400 in Engeland de feodale aristocratie sterk verzwakt was. Het verzet van de boeren had een einde gemaakt aan de erfelijke lijfeigenschap en de landheren gedwongen de arbeidsdiensten te vervangen door vaste pacht, terwijl de gemeenschappelijke akkerbouw en veel gemeenschappelijke rechten in stand werden gehouden. Marx beschreef de jaren 1400 en begin 1500, toen de boeren in Engeland meer vrijheid en lagere pachtprijzen kregen, als 'een gouden eeuw voor arbeiders in het proces van emancipatie.' [18]

Maar het was ook een periode waarin de reeds lang bestaande economische verdeeldheid binnen de boerenstand toenam. W.G. Hoskins beschreef het proces in zijn klassieke geschiedenis van het leven in een dorp in de Midlands.

'In de vijftiende en zestiende eeuw ontstond in Wigston wat men een boerenaristocratie zou kunnen noemen, of, als dat nog een te sterke uitdrukking is, een klasse van kapitalistische boeren die aanzienlijk grotere boerderijen en kapitaalgoederen bezaten dan de algemene groep van dorpsboeren. Dit proces was in deze jaren overal in de Midlands aan de gang ...' [19]

Kapitalistische boeren vormden een kleine minderheid. Landbouwhistoricus Mark Overton schat dat 'in het begin van de zestiende eeuw ongeveer 80% van de boeren alleen genoeg voedsel verbouwde voor de behoeften van hun familiehuishouden. Van de overige 20% waren slechts enkelen echte kapitalisten die arbeiders in dienst hadden en steeds meer land en rijkdom vergaarden.' Niettemin bestonden er rond 1500 in veel gemeenschappen twee zeer verschillende benaderingen van het land naast elkaar.

'De houding en het gedrag van boeren die uitsluitend voor hun eigen behoeften produceerden, verschilden sterk van de houding en het gedrag van boeren die winst nastreefden. De eersten waardeerden hun producten eerder in termen van het nut dat ze voor hen hadden dan in termen van de ruilwaarde ervan op de markt... Grotere, op winst gerichte boeren werden nog steeds beperkt door bodem en klimaat en door plaatselijke gewoonten en tradities, maar hadden ook oog voor de markt om te bepalen welke combinaties van gewassen en vee hun het meeste geld zouden opleveren.' [20]

Zoals we zullen zien, leidde die verdeling uiteindelijk tot de omverwerping van de gemeenschappelijke gronden.

Primitieve Accumulatie

Voor Marx was de sleutel tot het begrijpen van de lange overgang van agrarisch feodalisme naar industrieel kapitalisme 'het proces dat de arbeider losmaakt van het eigendom van de voorwaarden van zijn eigen arbeid,' dat zelf 'twee transformaties met zich meebracht (...) de sociale middelen van bestaan en productie worden omgezet in kapitaal en de onmiddellijke producenten worden omgezet in loonarbeiders.' [21]

'De natuur brengt niet aan de ene kant eigenaren van geld of goederen voort en aan de andere kant mensen die niets anders bezitten dan hun eigen arbeidskracht. Deze verhouding heeft geen basis in de natuurlijke geschiedenis, noch heeft ze een sociale basis die alle perioden van de menselijke geschiedenis gemeen hebben. Ze is duidelijk het resultaat van een voorbije historische ontwikkeling, het product van vele economische revoluties, van het uitsterven van een hele reeks oudere formaties van sociale productie.' [22]

Een decennium voordat Het Kapitaal werd gepubliceerd, vatte Marx die historische ontwikkeling in een vroeg ontwerp samen.

'Het is (...) juist in de ontwikkeling van het grondbezit dat de geleidelijke overwinning en vorming van het kapitaal kan worden bestudeerd. (...) De geschiedenis van het grondbezit, die de geleidelijke transformatie zou laten zien van de feodale landheer in de landeigenaar, van de erfelijke, half afhankelijke en vaak onvrije pachter voor het leven in de moderne boer en van de inwonende lijfeigenen, horigen en landlopers die tot het bezit behoorden in agrarische dagloners, zou inderdaad de geschiedenis van de vorming van het moderne kapitaal zijn.' [23]

In Sectie VIII van Het Kapitaal Deel 1, getiteld 'De zogenaamde Primitieve Accumulatie van Kapitaal', breidde hij die paragraaf uit tot een krachtig en ontroerend verslag van het historische proces waarbij de onteigening van boeren de arbeidersklasse creëerde, terwijl het land dat ze millennia lang hadden bewerkt, de kapitalistische rijkdom werd die hen uitbuitte. Het is het meest expliciet historische deel van Het Kapitaal en verreweg het meest leesbare. Niemand vóór Marx had het onderwerp zo grondig onderzocht – Harry Magdoff merkte eens op dat hij bij herlezing onmiddellijk onder de indruk was van de diepgang van Marx' geleerdheid, van 'de hoeveelheid puur graafwerk, hard werk en enorme energie in de verzamelde feiten die in zijn zinnen naar voren komen.' [24]

Sinds Marx Het Kapitaal schreef, hebben historici een enorme hoeveelheid onderzoek gepubliceerd over de geschiedenis van de Engelse landbouw en het grondbezit – zoveel dat het enkele decennia geleden modieus was voor academische historici om te beweren dat Marx het helemaal bij het verkeerde eind had, dat de privatisering van gemeenschappelijk gronden een gunstig proces was voor alle betrokkenen. Die opvatting vindt momenteel weinig steun. Het zou natuurlijk heel verrassend zijn als later onderzoek Marx niet op sommige punten zou tegenspreken, maar hoewel zijn verslag enige aanpassing behoeft, vooral met betrekking tot regionale verschillen en het tempo van de veranderingen, blijft Marx' geschiedenis en analyse van de gemeenschappelijke gronden essentiële lectuur. [25]

Noten

* We hebben voor de verwijzingen naar Het Kapitaal en andere werken van Marx de paginanummering van de Engelse edities aangehouden.

[1] Wendell Berry, Wendell Berry: Essays 1969-1990, redacteur Jack Shoemaker (Library of America, 2019), 317.

[2] Zie.

[3]. Karl Marx, Capital: A Critique of Political Economy, vertaling David Fernbach, vol. 3, (Penguin Books, 1981), 216

[4] John Bellamy Foster, Brett Clark en Hannah Holleman, 'Marx and the Commons,' Social Research (voorjaar 2021), 2-3.

[5] Zie 'Reasons for Inequality Among Medieval Peasants,' in Rodney Hilton, Class Conflict and the Crisis of Feudalism: Essays in Medieval Social History (Hambledon Press, 1985), 139-151.

[6] Rodney Hilton, Bond Men Made Free: Medieval Peasant Movements and the English Rising of 1381 (Routledge, 2003  [1973]), 32.

[7] Rodney Hilton, Bond Men Made Free, 34.

[8] Garrett Hardin, The Tragedy of the Commons, Science, 13 december 1968.

[9] Ian Angus, 'The Myth of the Tragedy of the Commons', Climate&Capitalism, 25 augustus 2008; Ian Angus, 'Once Again: The Myth of the Tragedy of the Commons', Climate&Capitalism, 3 november 2008.

[10] Susan Jane Buck Cox, No Tragedy of the Commons, Environmental Ethics 7, no. 1 (1985), 60.

[11] J. M. Neeson, Commoners: Common Right, Enclosure and Social Change in England, 1700-1820 (Cambridge University Press, 1993), 113.

[12] J. M. Neeson, Commoners, 117.

[13] J. M. Neeson, Commoners, 118-20.

[14] J. M. Neeson, Commoners, 132.

[15] J. M. Neeson, Commoners, 157.

[16] Karl Marx, Capital Deel 3, vertaling David Fernbach, (Penguin Books, 1981), 959.

[17] Voor een inzichtelijke samenvatting en kritiek van de belangrijkste standpunten in die debatten, zie Henry Heller, The Birth of Capitalism: A Twenty-First Century Perspective (Pluto Press, 2011).

[18] Karl Marx, Grundrisse, vertaling Martin Nicolaus (Penguin Books, 1973), 510.

[19] W. G. Hoskins, The Midland Peasant: The Economic and Social History of a Leicestershire Village (Macmillan., 1965), 141.

[20] Mark Overton, Agricultural Revolution in England: The Transformation of the Agrarian Economy, 1500-1850 (Cambridge University Press, 1996), 8, 21.

[21] Karl Marx, Capital Deel, 1, 874.

[22] Karl Marx, Capital Deel 1, 273.

[23] Karl Marx, Grundrisse, 252-3.

[24] Harry Magdoff, 'Primitive Accumulation and Imperialism,' Monthly Review (oktober 2013), 14.

[25] 'De zogenaamde oorspronkelijke accumulatie' – hoofdstuk 24 van Het Kapitaal Volume 1 – is te lezen op het Marxistisch Internet Archief, beginnend hier. De Engelse vertaling van Ben Fowkes beslaat de pagina's 873 tot 940 van de Penguin editie.

Dit artikel stond op Climate&Capitalism. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.