Borderless

6 December 2019

Geven aan onszelf, mét een goed gevoel

Vanaf het moment dat de Tsunami op 26 december de kusten van Indonesië overspoelde, zijn we overstelpt met een adembenemende hoeveelheid cijfers: aantal slachtoffers, omvang van de schade, de hoeveelheid hulp die nodig is en de hoogte van het bedrag dat toegezegd is. Minder bekend is het feit dat de totale omvang van die toegezegde hulp in het niet valt bij het bedrag dat de getroffen landen jaarlijks betalen aan schuldenaflossing. Vestzak broekzak?

Elf landen zijn getroffen: Indonesië, Sri Lanka, Thailand, Somalië, De Malediven, Maleisië, Birma, Tanzania, Bangladesh en Kenia. Een uiteenlopend gezelschap, landen uit Afrika en Azië, met opkomende economieën en landen die tot de armste ter wereld behoren, landen die torenhoge schulden trachten terug te betalen en andere die de betaling hebben opgeschort.
Schuldenlast
Aan het einde van 2003 beliep de totale buitenlandse schuld van die elf landen volgens de Wereldbank zo’n 406 miljard dollar. De economische prestaties varieerden onderling sterk, een verscheidenheid die ook de crediteuren vertoonden. Veelbelovende staten als India en Thailand hebben hun schulden hoofdzakelijk bij private crediteuren uitstaan. Deze zijn afgesloten op financiële markten of bij grote banken. Arme landen als Sri Lanka of Bangladesh hebben een schuld bij verschillende instellingen zoals de Wereldbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank en het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Internationaal geïsoleerde landen zoals Somalië hebben een voornamelijk bilaterale schuld bij de rijke landen.
In 2003 betaalden de elf getroffen landen in totaal 68 miljard dollar terug aan buitenlandse crediteuren, acht miljard meer dan het jaar daarvoor. De regeringen alleen waren goed voor 38 miljard dollar. Het betekent een enorme last voor de nationale hulpbronnen: tussen 1980 en 2003 overschreden de terugbetalingen elf keer de uitstaande schuld van 1980, terwijl de oorspronkelijke schuld in dezelfde periode vervijfvoudigd is.
De omvang van de tot nu toe toegezegde internationale hulp wordt geschat op zes miljard dollar, waarvan vier miljard afkomstig is van officiële instellingen. Zonder de golf van vrijgevigheid te willen kleineren is het van belang te onderstrepen dat de elf landen ieder jaar zes keer zoveel kwijt zijn aan het aflossen van hun schulden. In dit opzicht blijft de met een overkill aan publiciteit gepaard gaande gulheid, zelfs als deze oprecht is, een uiterst subtiel mechanisme om het wegvloeien van de rijkdommen van de bevolking van de Derde Wereld naar de rijke crediteuren toe te dekken.
Kloppend hart
Als het drama in december een betekenis had, dan is het dat het meehielp die andere tragedie die schuld heet in de schijnwerpers te plaatsen. Door deze schuld en door toedoen van medeplichtige lokale heersers die een persoonlijk belang hebben bij het instandhouden hiervan, slagen landen er niet in de elementaire noden van hun bevolking te verlichten. Armoede en corruptie zijn wijd verspreid. Voor tientallen landen zijn economische en politieke soevereiniteit betekenisloze begrippen. Natuurlijke hulpbronnen worden geplunderd en uitverkocht aan machtige multinationale ondernemingen. Boeren worden gedwongen gewassen te telen voor de export ten koste van de gewassen die noodzakelijk zijn voor het eigen bestaan. De schuld is het kloppende hart van een roofzuchtig en onderdrukkend economisch systeem.
Welke crediteur durft publiek te verklaren dat hij de landen die zo gruwelijk getroffen werden, eraan houdt hun schulden terug te betalen? Toch heeft geen enkele crediteur zijn aanspraken opgegeven. Naar de bijeenkomst van de Club van Parijs werd lang uitgekeken. Ruim twee weken na de zeebeving kwamen de negentien rijke landen pas bijeen. De resultaten kunnen niemand misleiden: de crediteuren gingen akkoord met het uitstellen van de terugbetaling, maar zonder de schuld ook maar in de geringste mate te verminderen. Sterker nog, ze legden striktere voorwaarden op, af te dwingen door het Internationaal Monetair Fonds. Hetzelfde IMF dat zich tijdens de crisis van 1997-1998 onderscheidde met remedies die erger waren dan de kwaal.
Gewetenszaak
Voor de crediteuren moet het een gewetenszaak zijn alle schulden kwijt te schelden. Zonder uitstel. Recent is dat om politieke redenen ook gebeurd: aan Egypte en Polen in 1991, aan Rusland in 1998, aan Joegoslavië en Pakistan in 2001 en aan Irak in 2004. Honderden sociale bewegingen in de betreffende landen, in het bijzonder ook de CADTM (het Comité voor de Kwijtschelding van Schulden van de Derde Wereld) en de netwerken van Jubilee South hebben tot kwijtschelding opgeroepen en laten daarmee de verbondenheid zien tussen allen die aan den lijve de terreur van de schuldenlast hebben ervaren.
Een moratorium of een verlaging van de schuld is onvoldoende. Alleen de volledige en onvoorwaardelijke kwijtschelding van de publieke buitenlandse schuld, met controle van de lokale bevolking op de vrijgekomen gelden, kan een toereikend antwoord zijn op de gevolgen van de Tsunami. Zo niet, dan zal het enige doel van de giften zijn de verwoeste landen te helpen hun schuld terug te betalen – een schuld die immoreel geworden is.

Eric Toussaint en Damien Millet zijn medewerkers van de Belgische organisatie Kodewes, het Comité voor de Opheffing van de Wereldschuld.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren