7 August 2020

Le monde nous appartient

Boekbespreking van het boek van Christophe Aguiton, Le monde nous appartient, over de de belangrijkste krachten en thema’s van de beweging tegen de neoliberale mondialisering.

Dit erg nuttig boek is een geslaagde synthese van de belangrijkste krachten en thema’s van de beweging tegen de neoliberale mondialisering, of, zoals men in het Engels zegt, tegen de corporate globalisation. Die beweging kwam spectaculair in het nieuws met de betoging in Seattle in november 1999 tegen de bijeenkomst van de Wereld Handels Organisatie (WHO). De schrijver is zelf actief in de beweging – als stichter van de vakbond Sud en als verantwoordelijke van Attac-Frankrijk voor de internationale contacten. Hij kent de discussies en de keuzes waar de beweging voor staat dus langs de binnenkant.
Aguiton stelt vast dat we in een nieuwe wereldorde terecht zijn gekomen, met een nieuw regime van kapitaalsaccumulatie (de uitdrukking komt van François Chesnais) gekenmerkt door de groeiende rol van de financiële markten bij het bepalen van investeringen, tewerkstelling en consumptie. Er zijn weliswaar heel wat tegenstellingen tussen de drie overheersende industriële grootmachten, de VSA, Europa en Japan, maar allen delen ze de zogenaamde “consensus van Washington”. Die werd in 1989 voor het eerst omschreven door de economist van de Wereldbank John Williamson als gemeenschappelijke basis voor het beleid van het IMF, de Wereldbank en de G7 (de zeven rijkste landen): liberalisering van de handel en de markten, privatiseringen, deregulering, beperking van de openbare uitgaven. Men vindt dezelfde - niet voor discussie vatbare - uitgangspunten terug in de “normen van Maastricht” en in de structurele aanpassingsprogramma’s die worden opgelegd aan de landen van het Zuiden. In feite gaat het hier om een radicale breuk, belichaamd door de regeringen van Reagan en Thatcher, met het beleid dat gevoerd werd in de eerste dertig jaar na de oorlog: ontwikkeling van de openbare diensten en van de sociale bescherming, plus een keynesiaanse economische politiek.
De triomftocht van het liberalisme bereikte zijn hoogtepunt in 1991, met de ontbinding van de Sovjetunie. Maar het einde van de bipolaire wereld van de koude oorlog waarin ieder werd gedwongen “kamp te kiezen,” laat nieuwe openingen en zal enkele jaren later de ruimte laten voor het ontstaan van een nieuw internationalisme, in strijd tegen de liberale mondialisering.
De “intergalactische conferentie tegen het neoliberalisme en voor de mensheid” georganiseerd in Chiapas in 1996 door de zapatisten heeft de rol van voorloper gespeeld. Maar vooral de betogingen in Seattle in 1999, die erin slagen een bijeenkomst van de WHO in het honderd te laten lopen, vormen het ogenblik waarop een nieuwe sociale kracht op het wereldtoneel erkend wordt, die als doel heeft te strijden tegen de “vermarkting van de wereld”, en die opkomt voor een andere wereldorde.
Deze beweging is vanzelfsprekend erg verscheiden, en ze kent heel wat spanningen: krachtsverhoudingen opbouwen of onderhandelen, lokaal of globaal handelen, specifieke identiteiten of algemene doelstellingen benadrukken…? Die debatten zijn zeker niet geluwd, maar in tegenstelling tot wat de “optimisten” van de neoliberale pers hadden gehoopt heeft dit na Seattle niet geleid tot een ontbinding van het front tegen de WHO. Integendeel, de dynamiek die is blijven overheersen is er een van een brede antiliberale alliantie.
Aguiton laat de belangrijkste sociale krachten de revue passeren: nieuwe en oude. Ten eerste is er het syndicalisme, dat nog maar zwak betrokken is bij de antiliberale alliantie, omdat de vakbonden er in meerderheid voor kiezen de liberale mondialisering “sociaal te begeleiden”, om de excessen ervan te beperken. Toch ziet men in Frankrijk een begin van verandering, met de deelname van Sud, de FSU en soms de CGT, bevoorbeeld in de geslaagde strijd tegen het Multilateraal Investerings Akkoord. In de Verenigde Staten is er de nieuwe oriëntatie van de AFL-CIO sinds de verkiezing in 1995 van J. Sweeney, met een actieve aanwezigheid in Seattle. Zonder te spreken over de vakbonden in de derde wereld, zoals de CUT in Brazilië, de KCTU in Zuid-Korea en de COSATU in Zuid-Afrika, die alle op de een of de andere manier en in meer of mindere mate betrokken zijn in de antiliberale beweging.
Een zowel oude als nieuwe deelnemer is de beweging van de boeren, die een groeiende rol speelt. Sinds 1993 georganiseerd in het netwerk Via Campesina – met 50 miljoen leden, waaronder de Confédération Paysanne met zijn symbolische leider José Bové en de MST in Brazilië – strijden de boeren voor een landhervorming en tegen de logica van de wereldmarkt voor landbouwproducten.
Andere belangrijke acteurs, zoals de vrouwen – waarvan de Wereldmars tegen geweld en armoede tienduizenden deelneemsters heeft gemobiliseerd – of de werklozen zijn actief in de beweging, maar moeten vechten opdat hun specifieke eisen niet zouden verdrinken in een te globaal verhaal.
Nieuwe acteurs zijn de geradicaliseerde jeugdnetwerken, zoals in Groot-Brittannië Reclaim The Streets, in de VSA het Direct Action Network en in Spanje de Movimiento de Resistencia Global. Zij vormen de speerpunt van de mobilisaties, maar dreigen ook zich te isoleren zoals men kan zien aan de hand van de studentenstaking in Mexico en de protesten tegen het IMF in Praag. Het samenvloeien van deze netwerken en hun ecolo-libertaire cultuur met de arbeidersbeweging, is een van de belangrijkste uitdagingen voor de beweging.
Dan zijn er nog de ngo’s, die een grote internationale erkenning genieten, als vertegenwoordigers van de ‘civiele samenleving’, maar die niet altijd weerstand bieden aan de sirenenzangen van het IMF of de Wereldbank. In de komende jaren zullen zij moeten kiezen tussen de antiliberale alliantie van de sociale bewegingen en een rol als humanitaire onderaannemers van de internationale instellingen.
De strijd tegen de corporate globalisation neemt dikwijls de vorm aan van gemeenschappelijke campagnes op wereldvlak, tegen de schuldenlast van de derde wereld, tegen de WHO, voor de Tobintaks. De campagnes worden geanimeerd door groepen zoals Jubilé 2000, Third World Network, International Forum on Globalisation, Focus on the Global South of Attac. Deze netwerken organiseren samen met de jongeren, de boeren, soms vakbonden, de grote internationale protestdemonstraties – Seattle, Washington, Praag, Nice, Genua – of de conferenties waar de verschillende initiatieven op elkaar worden afgestemd, en nieuwe afspraken worden gemaakt: Bangkok in februari 2000, Porto Alegre in januari 2001.
Aguiton onderscheidt drie polen in de beweging tegen de liberale mondialisering: de radicale internationalistische pool, de nationalistisch/protectionistische pool en de neo-reformistische pool (voor hervormingen van de wereldwijde instellingen). Maar het gaat hier slechts om virtuele polen, want in de realiteit is het debat zeer soepel, zonder rigide vooraf ingenomen posities.
De belangrijkste zwakte van het boek is dat de discussie niet wordt aangegaan over alternatieven voor het systeem. Het probleem van het socialisme had bevoorbeeld mogen besproken worden. Toch is het een boek dat ons help de zin en de historische draagwijdte van de nieuwe strijdcyclus en de nieuwe wereldwijde beweging te begrijpen, in al zijn verrassende verscheidenheid.

Christophe Aguiton, Le monde nous appartient, Paris, Plon, 2001, 251 blz., 17,98 euro.

Soort artikel: 

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Reageren