Borderless

20 January 2019

Waarom ze stenen gooien

Wat brengt jongens, kinderen van elf, twaalf of vijftien jaar er toe stenen te gooien naar zwaar bewapende en schietgrage Israëlische militairen? Dat is een vraag die in de media de afgelopen weken vaak werd gesteld. Omdat het heetgebakerde Arabieren zijn, fanatieke moslimfundamentalisten of omdat ze opgehitst zijn door Jasser Arafat.
Maar wie echt wil weten hoe het komt dat de wanhoop en de agressie van deze jongeren zo groot is, zal zich moeten verdiepen in de positie van de Palestijnse bevolking in Israël en de bezette gebieden. Dat kan aan de hand van het nieuwe boek van Anja Meulenbelt onder de veelzeggende titel Het beroofde land.

“Een land zonder volk voor een volk zonder land”, was de gedachte achter de opbouw van de staat Israël. Helaas werd vergeten dat het land Palestina niet leeg was maar bewoond werd door Palestijnen. Door de joodse kolonisten -die vanaf het eind van de negentiende eeuw naar Palestina trokken- werden deze bewoners gezien als toevallige passanten op de grond die historisch de joden toebehoorde. De term Palestijn was dan ook taboe, er moest niet de indruk gewekt worden dat deze mensen enige band met het land hadden. De bewoners werden als minderheden, moslims of als Arabieren omschreven, zoals ook nu nog gesproken wordt over de Arabische bewoners van Israël.
De door Meulenbelt geciteerde uitspraak: “De Arabieren hebben zoveel landen waar ze kunnen wonen. Wij Joden hebben alleen maar dit kleine land” is een gevolg van deze benadering. Dat de helft van de Palestijnse bevolking al meer dan vijftig jaar in vluchtelingenkampen bivakkeert en door de ene na de andere Arabische staat over de grens is gezet wordt dan even vergeten.

Etnische zuiveringen
Vanaf het begin van de joodse kolonisatie is op allerlei manieren geprobeerd het land van Arabieren te zuiveren. De stichters van de staat Israël staken hun streven naar etnische zuiverheid niet onder stoelen of banken. Zo zei David Ben-Gurion in 1937: “Het land is in onze ogen niet het land van zijn huidige bewoners. Wanneer men zegt dat Eretz Israël het land is van twee naties, dan vervalst men de zionistische waarheid dubbel. Palestina moet niet en zal niet het probleem van twee volkeren oplossen, maar alleen het probleem van een volk: van het Joodse volk in de wereld.”
Er werden aanslagen op Palestijnse dorpen gepleegd en als de Palestijnen eenmaal gevlucht waren, werden de verlaten dorpen en wijken bezet of verwoest om terugkeer onmogelijk te maken. Ook werden er nieuwe kaarten getekend waarop de verwoeste dorpen verdwenen waren en de Arabische namen vervangen door Hebreeuwse, vaak bijbelse, namen om een directe band te suggereren met het land van toen en het Israël van nu.
De zuivering lukte niet helemaal, volgens Ben-Gurion door een gebrek aan discipline bij het leger. Negentig procent van de Arabieren werd verdreven, maar bij de stichting van de staat Israël in 1948 bleef nog tien procent van de Arabische bewoners (156 duizend personen) in Israël achter. Het waren vooral de minst ontwikkelde Palestijnen die bleven, de armsten, landarbeiders en boeren die het meest gebonden waren aan de grond.
Dat was een probleem want Israël was bedoeld als een exclusief joodse staat, een joods tehuis, waar niet-joden het nooit voor het zeggen zouden mogen hebben.

Twee gezichten
De joodse staat heeft dan ook vanaf haar oprichting twee gezichten. Voor de joden is het een westers georiënteerde parlementaire democratie. De niet-joodse bewoners hebben de status van tweederangsburger, voor hen is democratie ver te zoeken.
In 1948 werd meteen een noodtoestand afgekondigd die voor de Arabische bevolking tot 1966 zou duren. Onder de noodtoestand leefde de Palestijnse bevolking feitelijk onder een militaire bezetting. Onder het mom van het instellen van veiligheidszones werden steeds meer Palestijnen van hun land verdreven. Het grootste deel van het land (93%) kwam in joodse handen. Voor de onteigende Palestijnse boeren stonden maar twee wegen open: zich aansluiten bij de Palestijnse vluchtelingen buiten Israël, of zich als (land)arbeider verhuren aan joodse ondernemers of kibboetsen.
Ook in de later door Israël bezette gebieden voltrok zich dit proces.

Kafkaiaans
De houding van de Israëlische overheid ten opzichte van de Palestijnse bewoners leidt vaak tot absurde en soms kafkaiaanse situaties. Tijdens de Israëlische annexatie van Oost-Jeruzalem in juni 1967 waren veel van de inwoners met zomervakantie. Als ‘afwezigen’ waren zij de eersten die het recht verloren er te wonen. Palestijnen die gebleven waren, werden vanaf dat moment beschouwd als immigranten en vielen als zodanig onder de Wet op de binnenkomst in Israël, “hoewel zij niet in Israël waren binnengekomen maar Israël bij hen,” zoals Meulenbelt droog opmerkt.
De Palestijnen in Israël en de bezette gebieden worden op allerlei manieren gediscrimineerd. Zo zijn er sociale voorzieningen die alleen toegankelijk zijn voor hen die hun dienstplicht hebben vervuld. Voor orthodoxe studenten aan Torascholen wordt een uitzondering op deze regel gemaakt omdat zij om religieuze redenen geen dienstplicht vervullen. Maar voor de Palestijnse inwoners van Israël, die ook geen dienstplicht kennen, geldt deze uitzondering niet. Een ander voorbeeld: het land van Palestijnen dat om ‘veiligheidsredenen’ wordt geconfisqueerd wordt overgedragen aan een ‘onafhankelijke’ organisatie die voor de verdeling van de grond verantwoordelijk is. Maar deze organisatie heeft wel in haar statuten staan dat ze grond overdraagt aan joden.
Heel duidelijk is de Israëlische wet die bepaalt dat elke jood die naar Israël wil emigreren automatisch wordt toegelaten en het staatsburgerschap krijgt. Dit leidt er toe dat uit de voormalige Sovjet Unie of uit de VS afkomstige joden privileges krijgen die voor Palestijnen -die al generaties op het grondgebied van het huidige Israël wonen- niet zijn weggelegd.

Illustratief hiervoor is het verhaal van Samir, een Palestijnse onderwijzer die in Oost-Jeruzalem woont. Zijn familie is na de bezetting van 1967 van hun land beroofd en heeft daar nooit enige vergoeding voor ontvangen. Samir woont met zijn gezin in een veel te kleine flat. Als hij naar zijn werk gaat komt hij langs een nieuwe joodse wijk waar hij Russische emigranten in hun nieuwe belastingvrij gekochte auto’s ziet stappen. (Anderen betalen 250 procent belasting op een nieuwe auto). Samir stelt zich voor dat hij zich aansluit bij de Communistische Partij op de Westoever; zich via de partij naar een kadertraining in Rusland zal laten sturen; daar tot het joodse geloof zal overgaan en na een jaar of twee naar Israël weet te emigreren, met het zekere vooruitzicht op een woning en een belastingvrije auto.

Wantoestand
Sinds de Oslo-akkoorden is de situatie voor de Palestijnse bevolking verder verslechterd. De autonome Palestijnse gebieden bestaan uit drie door Israël omringde stukken: twee op de Westoever en de Gazastrook. De gebieden zijn van elkaar afgesloten en het is het Israëlische leger dat bepaalt wie er wanneer in of uit mag. In de Gazastrook werden zestien joodse nederzettingen gesticht die in totaal 35% van het beste bouwland in beslag nemen. Hier wonen vijfduizend kolonisten in zwaar bewaakte nederzettingen. Op de overgebleven 65% grond, een gebied anderhalf keer zo groot als Texel, wonen 1,4 miljoen Palestijnen. Het gemiddelde inkomen is daar sinds de Oslo-akkoorden met dertig procent gedaald. Een groot deel van de Palestijnen uit de autonome gebieden werkt, al dan niet illegaal, in Israël.

En dat geeft meteen aan wat het Israëlische voordeel van het autonome Palestijnse gebied is. De Palestijnse bevolking is daar geconcentreerd, wordt beheerd door de corrupte en met Israël samenwerkende Palestijnse autoriteit en levert goedkope arbeidskracht voor de Israëlische economie.
Illustratief is een passage waarin Meulenbelt zich afvraagt wat joodse kolonisten er in vredesnaam toe brengt om zich in Gaza in een zwaar bewaakte nederzetting te vestigen, tot ze op de website van de grootste nederzetting in de Gazastrook ziet hoe de plaatselijke industrie wordt aangeprezen: “Inheemse arbeid tegen de laagste prijs in Israël” en ze concludeert: “Daar gaat het om: in plaats van Palestijnse werkers de grens over te laten, Israël in, wordt het werk naar de werkers gebracht.”

Het boek is geschreven voor de tweede intifada losbarstte. Maar toen ik het in een weekend uitlas -want het leest als een roman- en de 380 pagina’s Palestijnse vernedering en frustratie aan me voorbij zag gaan was het voor mij geen vraag meer hoe die jongetjes er toe komen met stenen te gooien.

Anja Meulenbelt, Het beroofde land. Uitgeverij Van Gennep.

Dossier: 
Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren