Borderless

14 December 2019

Costas Lapavitsas, The Left Case Against the EU

Costas Lapavitsas is bekend in radicaal linkse kringen als marxist en overtuigd tegenstander van de Europese Unie (EU). Hij bepleit de uittrede uit de eurozone als voorwaarde om progressieve hervormingen in een land mogelijk te maken.

Griek van geboorte (Thessaloniki, 1961) stueerde hij economie in Londen. Hij doceert aan de School of Oriental and African Studies (SOAS, University of London) en is een van de weinige Westerlingen die thuis zijn in de ontwikkelingen van het marxisme in Japan, een land waarvan hij de taal beheerst. Lapavitsas werd parlementslid voor Syriza na de verkiezingen in januari 2015, maar verliet die partij na haar capitulatie van juli 2015.Hij komt regelmatig tussen op debatten en conferenties van radicaal links.

Lapavitsas heeft zijn analyses over de onhoudbare economische verhoudingen binnen de EU, en in het bijzonder binnen de Europese muntunie, in talloze artikels en interviews uiteengezet, en hij becommentarieert ook regelmatig de ontwikkelingen in Griekenland en binnen links in Europa . Zijn nieuwste boek, The Left Case Against the EU 1 biedt echter de kans om vrij beknopt (141 bladzijden, noten, referenties en index niet meegerekend) met dit ‘iconoclaste’ argumentarium kennis te maken.Een recente bespreking van het boek in Counterfire 2 stelt zelfs dat het onder de kerstboom zou moeten liggen van elk lid van Labour “want deze essentiële tekst legt de onverzoenlijkheid uit tussen socialisme en de EU”. U begrijpt het al: ook niet-leden van Labour kunnen er hun voordeel bij doen! 

Diepgaande crisis van de EU

 De eerste vier hoofdstukken geven een algemene oriëntatie op het vlak van politiek, economie en ideologie in de Europese Unie. (Op het eind van deze bespreking vindt u de inhoudstafel van het boek.) Wat we in het voorbije decennium in de EU meemaken is niet zomaar een financieel-economische crisis, maar ook een politieke crisis, waarbij de EU aan ideologische autoriteit verloor en haar eenheid zag in het gedrang komen. De manier waarop de crisis werd aangepakt was er een van ‘koude berekening, eerder dan solidariteit als operationeel principe’, aldus Lapavitsas; de eurozone moest koste wat het wil gered worden, en dat was op de rug van de zwakste lidstaten. Daarbij werd de democratie uitgehold, “en dat werd door de volkse klassen terecht gezien als een verlies van soevereiniteit” (p. 5). Toen de EU-structuren ook niet in staat bleken een relatief gering aantal vluchtelingen en asielzoekers op te vangen, en de Middellandse Zee het graf van duizenden mensen werd, vond uiterst rechts daarin een geschikte kans om onrust te stoken. Ze hadden het over ‘horden vreemde invallers in het continent’, en een bedreiging voor de … soevereiniteit.

Wat was en is de positie van links 3 in deze eerder chaotische situatie? Volgens Lapavitsas was er een kentering in het begin van de jaren ’80, meer bepaald na de draai van Mitterrrand tussen 1981 en 1983. De mislukking van zijn radicaal keynesiaans programma leidde zijn minister van financiën Jacques Delors ertoe te besluiten dat de toekomst lag in de EEG, de Europese Economische Gemeenschap, die onder Delors leiding als Europees Commissievoorzitter (1985-1995) zou uitgroeien tot de Europese Unie, met inbegrip van een muntunie. Het was de periode waar de neoliberale ideologie het Europees beleid ging bepalen. Een groot deel van links zag in de EEG/EU nog de enige mogelijkheid voor een sociaal beleid; zelfs een radicaal als Toni Negri zwoer bij de EU als afrekening met de verfoeilijke natiestaat.

Lapavitsas is zoals bekend een hevige criticus  van deze ontwikkeling. De EU en de muntunie (EMU) zijn geen neutrale instellingen, maar zijn geconstrueerd in het belang van het kapitaal en tegen de belangen van de werkende bevolking (p. 11). De hoofdstukken 2 tot 4 tonen in meer detail aan hoe dit in zijn werk ging, en hoe de euro in het bijzonder een neoliberale dwangbuis betekent voor de meeste eurolanden. Aan de hand van statistieken en grafieken toont Lapavitsas aan dat er één grote winnaar was van deze ontwikkeling: Duitsland, of meer precies: het Duits kapitaal, want grote delen van de Duitse werkende klasse werden via de Hartz-hervormingen onder SPD-kanselier Gerhard Schröder het slachtoffer van het Duits ‘succes’ (p. 45 e.v.). Maar Lapavitsas is absoluut geen aanhanger van enige samenzweringstheorie; niet Duitsland, maar Frankrijk drong aan op de euro, en dit werd door de Duitse leidende kringen alleen onder voorwaarden aanvaard. “Er zijn weinig grotere historische dwalingen dan die van het leidend blok in Frankrijk als het dacht via de euro Duitslands rol als hegemon te bekampen”, aldus Lapavitsas (p. 32).

Een fundamentele vaststelling die door de auteur ontwikkeld wordt is de onleefbaarheid van een muntunie onder landen waarvan de economieën grondige verschillen vertonen. De overschotten op de handelsbalans van Duitsland en andere kernlanden als Nederland, en het spiegelbeeld ervan, de tekorten op die van perifere landen als Griekenland of Spanje, zijn geen crisisaccidenten, maar diepgewortelde gevolgen van verschillen in het economisch weefsel. Kon daar nog iets aan gedaan worden via het muntbeleid (devaluatie) zolang men over zijn eigen munt beschikte is die mogelijkheid verdwenen sinds de invoering van de euro. Dezelfde vaststelling als men het streven van de Europese Centrale Bank naar een gemiddelde inflatie van ongeveer 2% in de eurozone beschouwt: terwijl in Spanje of Ierland oververhitting dreigde en de inflatie had moeten afgeremd worden, was hogere inflatie in Duitsland wenselijk geweest, maar in het eenheidsmuntregime zijn deze twee strevingen onmogelijk te verzoenen.

Hierop wordt vanuit links soms geantwoord dat de Europese Unie een ‘transferunie’ moet worden, en dat er dus overheidsgeld van de ene lidstaat moet vloeien naar de andere, zoals er in de meeste landen transfers zijn tussen rijkere en armere regio’s. Lapavitsas is daar absoluut geen voorstander van (in tegenstelling misschien tot wat sommigen zich voorstellen van ‘Griekse extremisten’ of van een nogal lichtvoetige interpretatie van ‘solidariteit’) en het is misschien nuttig zijn argumentatie hierover wat uitvoeriger te bekijken (p. 35-36, mijn vertaling):

“De Verenigde Staten zijn ook een land met kapitalistische verhoudingen, maar er is één staatsbestel en één demos. Een uniek staatsbestel en demos kunnen in de EU niet bij dictaat en nog minder achter de rug gecreëerd worden. Het idee dat er ooit een overkoepelende Europese staat zou kunnen ontstaan met voldoende macht om op monetair vlak hetzelfde te doen als de Verenigde Staten is een fictie van de bureaucratische en academische verbeelding. Het zou grote historische gebeurtenissen vergen opdat de volkeren in Europa zouden aanvaarden dat de overheidsschuld van een land de directe verantwoordelijkheid zou zijn van de regering en het volk van een ander land. Het is ook onwaarschijnlijk dat er een permanent mechanisme van budgettaire transfers zou kunnen tot stand gebracht worden binnen de Europese Monetaire Unie. Welke Europese natie zou bereid zijn om langdurig de begunstigde te zijn van een andere? Het zou catastrofale gevolgen hebben voor de interne politieke structuren, het democratisch bestel, de cultuur, en de relaties met andere landen. De euro was een ‘fout’ compromis, maar dat was onvermijdelijk onder de verschillende onafhankelijke natiestaten die de EMU oprichtten.”

Het wordt hopelijk ook duidelijk dat het begrip demos (Grieks voor volk) hier geen mythische ‘identitaire’ eigenschappen toeschrijft aan een ‘volk’, maar verwijst naar de politieke en historische banden die binnen bepaalde bevolkingsgroepen bestaan. 

Griekenland

Natuurlijk gaat Lapavitsas dieper in (Hoofdstuk 5) op de gebeurtenissen in zijn geboorteland, waar hij in 2015 als lid van de Vouli (Grieks Parlement) vanop de eerste rijen aan deelnam en waar hij als links econoom natuurlijk ook heel wat over te zeggen heeft.

Hij ontkent geenszins de structurele, langetermijnzwaktes van de Griekse economie en van het staatsapparaat (‘the rapacious and inefficient state machine‘). Een overdreven aandeel van de dienstensector ten nadele van industrie en landbouw, met een te groot gewicht van import tot gevolg, zwakke productiviteitsgroei, een gebrekkig belastingssysteem, enz. Maar deze structurele gebreken leidden pas tot de existentiële crisis van het land nadat en doordat het toetrad tot de eurozone. Kort samengevat: traditioneel moest Griekenland hoge rentes betalen om te lenen, maar dat veranderde na de invoering van de euro. Publieke en private schuld namen sterk toe, de private sneller dan de publieke, maar deze laatste stond reeds op een hoog peil door de aanwas van de staatsschuld vanaf de jaren 80. De snelle economische groei, soms meer dan 4%, na de toetreding tot de euro gaf de valse indruk dat het land zich een plaats was aan het veroveren binnen de Europese economieën. Als de buitenlandse geldschieters zich daarvan bewust werden sloten ze de geldkraan en probeerden zoveel mogelijk hun leningen te recupereren. Het gevolg: de ‘sudden stop’ van de economie in 2010.

Maar naast deze interne redenen zijn er ook andere die te maken hebben met het functioneren van de eurozone in haar geheel. Een indicatie voor de concurrentiepositie van een land is de  loonkost per eenheid product  (unit labor cost, ULC). Welnu, die zou voor heel wat landen, in het bijzonder uit de periferie, positiever uitgevallen zijn indien de Duitse lonen een normale evolutie hadden gekend, en niet op de gekende brutale wijze aan de ketting waren gelegd. Bovendien verloren landen samen met hun nationale munt ook de mogelijkheid om iets te doen aan de inflatie, de rentevoet, de wisselkoers…

Zo kwam Griekenland (en andere landen uit de periferie) in een situatie terecht die vergelijkbaar is met wat veel landen uit de ‘Derde Wereld’ overkwam in de jaren 80. De lage rentevoet van de eerste euro-jaren vloog de pan uit, het IMF komt op de proppen aan de zijde van de ECB en de Europese Commissie (EC), de Trojka, in 2010 werd het eerste Memorandum opgelegd. Maar Lapavitsas merkt op dat Athene toen nog een belangrijke troef in handen had die de PASOK-regering van Papandreou nooit heeft proberen uit te spelen: het overgrote deel van de Griekse overheidsschuld viel in 2009 onder Griekse jurisdictie, wat aan het Parlement de mogelijkheid gaf om eenzijdig de terugbetalingsvoorwaarden te wijzigen. Dit is niet gebeurd, en de hele ‘reddingsoperatie’ van de Trojka kwam erop neer de banken (in de eerste plaats Duitse en Franse) te bedienen en Athene de onderhandelingstroef uit handen te spelen, wat zoals men weet de Trojka uitstekend gelukt is. Niet de Vouli, maar de Trojka dicteert sindsdien de voorwaarden.

Lapavitsas stelt zich hierbij nog een vraag die niet vaak gesteld wordt. De houding van de Trojka is gemakkelijk te begrijpen in het licht van de neoliberale ideologie die het IMF en de regeringen en instellingen van de EU doordringt; ook de latere meningsverschillen tussen het IMF en de twee andere partners kan men begrijpen aan de hand van de verschillende focus (voor het IMF de globale kapitalistische belangen, voor EC en ECB de neoliberale hervormingen in de lidstaten). Maar aan de hand van welke klassenbelangen kan men de Griekse houding uitleggen?

Lapavitsas preciseert deze vraag in gramsciaanse termen: welke zijn de belangen van het Grieks historisch blok die een verklaring bieden voor de beslissingen in 2010? Onder ‘historisch blok’ wordt sinds Antonio Gramsci verstaan: de alliantie van dominante delen van de kapitalistische klasse met lagere klassen, en die een hegemonische rol speelt in de economie, politiek en de cultuur van een land. Maar, aldus Lapavitsas, niet wat dit historisch blok wilde doen bij de crisis van 2010 is belangrijk, maar wat het vooral niet wilde doen. En dat was uit de Europese Muntunie stappen, ook al impliceerde dit het verlies van soevereiniteit. Vanwaar deze vasthoudendheid aan de euro? Lapavitsas geeft verschillende overwegingen. Voor de Griekse banken was het van belang operationeel te blijven, en niet het risico te lopen genationaliseerd te worden. Minder evident is de inschikkelijkheid van de industriële en constructiesector. Volgens Lapavitsas speelde schrik voor sociale en economische onrust bij uitstap een rol. Een tweede aspect is dat de euro in Griekenland een symbool is geworden voor moderniteit en vooruitgang, een ideologische band van dit perifere land met West-Europa. 

En SYRIZA ?

Maar wat verklaart de uiteindelijke capitulatie van een linksradicale partij als SYRIZA in juli 2015? Lapavitsas bevestigt dat SYRIZA niet geïntegreerd was in de Griekse machtsmechanismen en er vanaf 2013 een bedreiging voor vormde met zijn rebellerende taal en steun voor pleinbezettingen (Syntagma). SYRIZA genoot een enorme volkse steun, waardoor het in januari 2015 ook aan de macht kwam. Het ontbrak ook niet aan radicalisme; tussen een vijfde en een derde van de Griekse bevolking, vooral onder de armsten, stond open voor het staken van de schuldbetalingen en een exit uit de euro (p. 104). Deze radicale bevolkingslagen keken vanzelfsprekend naar links; een natuurlijke partner zou in principe de Griekse communistische partij (KKE) geweest zijn met haar roemrijk verleden van verzet tegen de nazibezetting en het kolonelsregime. Maar de KKE bleek totaal irrelevant bij de gebeurtenissen in Griekenland. Met gauchistische stellingen (‘alleen door het neerslaan van het kapitalisme aan de Griekse crisis overwonnen worden’) ontbrak het de KKE totaal aan voorstellen in verband met de schuld en de euro. “De KKE neutraliseerde zichzelf als politieke kracht, en maakte praktisch geen gevaar uit voor het Grieks historisch blok gedurende de crisis.” Het verzet tegen de Trojka kwam dus politiek volledig onder de verantwoordelijkheid van SYRIZA.

Hierin was er de leidende kring rond Alexis Tsipras, die zich voornam het soberheidsbeleid te bestrijden en een schuldherschikking te bekomen door ‘harde onderhandelingen’ te voeren met de Europese leiders. Daarnaast was er een belangrijke (maar zwak georganiseerde) minderheid, verenigd in het ‘Links Platform’, die aanstuurde op eenzijdige schuldafwijzing en uitstap uit de euro. Bovendien werd de uiterst belangrijke functie van minister van financiën uitgeoefend door Yanis Varoufakis, die zelfs niet echt tot links kan gerekend worden.

Reeds bij de eerste deelname van Varoufakis aan een bijeenkomst van de Eurogroep (11 februari 2015) bleek de onderhandelingsstrategie geen enkele kans te maken. Griekenland had enkel de keuze in te stemmen met de ‘reddingsoperatie’ zoals beraamd door de Trojka. En op 20 februari tekende Varoufakis een overeenkomst om aan alle schuldverplichtingen te voldoen en geen unilaterale acties te ondernemen. Dit leidde tot een serieuze twist binnen SYRIZA tussen de leiding en het Links Platform, maar, merkt Lapavitsas op, het dispuut werd in de partij en het Parlement uitgevochten, en bereikte niet de straat, de buurten en de werkplaatsen.

Lapavitsas besluit het Griekse hoofdstuk met een uitdrukkelijke boodschap (p. 112): links moet niet proberen een anti-soberheidsbeleid ten voordele van de werkende klassen te voeren en terzelfdertijd proberen in de muntunie te blijven. ‘Ongehoorzaamheid’, ‘creatieve dubbelzinnigheid’ bij de onderhandelingen zullen niets opleveren; in de plaats daarvan moet een linkse regering zich voorbereiden op een breuk met de muntunie en gaan voor een directe uitdaging en mogelijks verwerping van de EU.

En bijgevolg…

In een besluitend hoofdstuk zet Lapavitsas zijn inzichten op een rijtje. Een aantal formele regels, zoals de verkiezing van een Europees Parlement, kunnen de fundamenteel ondemocratische aard van de EU niet verdoezelen. Een van de krasse uitingen daarvan is het Europees Hof van Justitie, dat waakt over de correcte toepassing  van het geheel van neoliberale regels, acquis communautaire genoemd.
Het is de taak van links om alle illusies in de mogelijkheid van een fundamentele hervorming van binnenin de EU te doorprikken. Nergens wordt die illusie duidelijker uitgedrukt dan door DiEM25, het initiatief van Yanis Varoufakis dat zich onder andere tot doel stelt om de EU tegen 2025 te democratiseren. Varoufakis heeft blijkbaar niets geleerd uit de mislukking van SYRIZA, aldus Lapavitsas. Hij gaat ook nogal uitgebreid in tegen degenen die de Franse president Macron voorstellen als een belofte voor grondige veranderingen in de EU. Macron rekent daarbij op de Frans-Duitse as, maar “het Duitse establishment zal geen enkele verandering toelaten die haar mogelijkheden om handelsoverschotten te realiseren zou bedreigen”; bovendien is zijn hervormingsprogramma in Frankrijk zelf een poging om de Franse arbeidersbeweging uit te schakelen.

Een groot deel van links in Europa heeft bijgedragen tot de illusies over de EU als een bron van democratie, egalitarisme en sociaal liberalisme 4. Dit belet links om radicaal antikapitalistische maatregelen te verdedigen en de neoliberale EU-moloch te bevechten.

Klopt het dat Lapavitsas de uittrede ‘uit Europa’ als absolute voorwaarde ziet om een dergelijk radicaal links programma te kunnen doorvoeren? Voor de eurolanden van de periferie, in het bijzonder van Zuid-Europa, vindt hij de uitstap uit de Muntunie inderdaad noodzakelijk om een programma van tewerkstelling, armoedebestrijding en duurzame groei te kunnen uitvoeren 5. Voor de kernlanden van de EU liggen de zaken heel wat moeilijker, aldus Lapavitsas, want dat zou de ontmanteling van de monetaire unie betekenen en het uitbouwen van een alternatief vereisen. “Regelrechte concurrentie op de wisselmarkten is zeker niet wat er in de plaats moet komen van de muntunie. Europa heeft nood aan een systeem van stabiliserende wisselkoersen, gekoppeld aan een manier om betalingen te doen tussen landen” (p. 132). Er zijn de voorbije jaren in alternatieve economische kringen inderdaad heel wat discussies geweest over alternatieven voor de euro (‘gemeenschappelijke’ munt, bancor-geïnspireerde systemen …).
Voor zover het nodig zou zijn ziet men hier ook duidelijk dat linkse uitstapoverwegingen als die van Lapavitsas niet kunnen samengevat worden als “weg met de EU, terug naar de natiestaat” 6.

De hervormingen die de auteur bepleit voor het onmiddellijke om doorgevoerd te worden door een linkse regering (eind soberheidsbeleid, tewerkstellingsprogramma’s, loonherstel… 7) kunnen als ‘links keynesianisme’ bestempeld worden. Lapavitsas is het daarmee eens, maar hij verwijt degenen die daarvoor hun neus ophalen een gebrek aan inzicht over hoe de klassenstrijd in de praktijk verloopt. “Een dergelijk beleid zou de machtsbalans in het voordeel van de arbeid en tegen het kapitaal doen uitwijken, en zo de basis leggen voor een socialistische transformatie van Europa” (p. 136). Een links programma op middellange en lange termijn zou voor nog veel grotere uitdagingen staan. Zo heeft de globalisering een wereldwijd netwerk van toeleveringsketens (supply chains) doen ontstaan, met desindustrialisering van heler regio’s en een enorme milieunefaste toename van de wereldhandel tot gevolg. Duurzame veranderingen vereisen ook een omkeerbeweging in de financialisering, wijzigingen in de eigendomsverhoudingen, enzovoort.

De laatste bladzijden van het boek zijn gewijd aan beschouwingen over Brexit, “een van de weinige momenten in de geschiedenis waar een breuk binnen de leidende kringen toelaat dat een diepere breuk binnen de maatschappij tot uiting komt”.

Inhoudsopgave: 
Ch. 1. The European Union and the Left
  1.1 Fragmentation and retreat of democracy
  1.2 The challenge for the Left
Ch. 2. The evolution of the EU since Maastricht
  2.1. Neoliberalism and hegemony in the EU – drawing on Hayek
  2.2. Neoliberalism and state monopoly over money
  2.3. Creating the euro: A lever of neoliberalism and conditional German hegemony
  2.4. The “architectural flaws” of the euro
  2.5. The broader context of conditional German hegemony
Ch. 3. The ascendancy of Germany and the division of Europe
  3.1. A distinctive financialised economy
  3.2. The defeat of German labour in the 1990s
  3.3. The competitive advantage of Germany and the creation of the Southern periphery
  3.4. The unstable core of the EMU and the Central European periphery
Ch. 4. The Eurozone crisis: Class interests and hegemonic power
  4.1. Crisis erupts
  4.2. Imposing a neoliberal agenda
  4.3. An unstable and fraught equilibrium
Ch. 5. Greece in the iron trap of the euro
  5.1 The proximate causes of the Greek crisis
  5.2 Long-term weaknesses of the Greek economy
  5.3. The lenders impose bail-outs and bring disaster
  5.4. Class and national interests in the Greek disaster
  5.5 The political debacle of SYRIZA
Ch. 6. Seeking democracy, sovereignty, and socialism
  6.1. Democracy and sovereignty in the EU, once again
  6.2 The impossibility of radical reform
  6.3. A class-based stance for the Left
  6.4. What to do?
  1. Costas Lapavitsas, The Left Case Against the EU, Polity Press, Cambridge (UK),  december 2018, 160 blz., ongeveer 17 € (paperback). 
  2. Martin Hall, The Left Case Against the EU – book review, Counterfire 13 december 2018, https://www.counterfire.org/articles/book-reviews/20038-the-left-case-against-the-eu-book-review . 
  3. Lapavitsas hanteert de ‘brede’ definitie van ‘links’, waar ook de sociaaldemocratie toe behoort; dit blijkt bv. op p. 8.  
  4. Een exponent van deze stroming is Hilary Wainwright, uitgever van het linkse Britse blad Red Pepper. In een reactie op een interview met Lapavitsas over zijn nieuwe boek herhaalt ze de mythe van de ‘antifascistische’ oorsprong van de Europese integratie (zie ook Ander Europa, Links europeanisme en het Brexit-debat).  
  5. Het is interessant erop te wijzen dat iemand als de marxistische econoom Michel Husson, die altijd zeer weigerachtig stond tegen het verlaten van de muntunie als element van een linkse strategie, na de capitulatie van SYRIZA schreef dat “een uitstap uit de euro vandaag Griekenland misschien minder zwaar zou komen te staan dan de toepassing van het derde memorandum”. Maar “dat zou niet alle problemen van de Griekse economie oplossen”, voegt hij eraan toe; ik heb evenwel niet de indruk dat auteurs als Lapavitsas of Cédric Durand dat ooit beweerden. 
  6. Deze boekbespreking maakt ook duidelijk hoe misplaatst het is om Lapavitsas’ strategische ideeën voor te stellen als “vertrekkend van de wijdverspreide illusie dat het volstaat om via verkiezingen tot een formele verwerping van de Europese verdragen te komen”, zoals Marc Botenga schreef in Lava
  7. Voor Griekenland zelf heeft hij meegewerkt aan de uitwerking van een concreet plan, zie Eurozone failure, German policies and a new path for Greece, Rosa Luxemburg Stiftung, januari 2017. 
Dossier: 
Soort artikel: 

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Reageren