Borderless

24 March 2019

De opkomst van uiterst rechts in Europa

Grenzeloos redacteur Peter Drucker schreef voor het blad Against the current van onze zusterorganisatie Solidarity in de VS een analyse van uiterst rechts in Europa. Hier de vertaling.

De laatste twee jaren leek de Europese politiek op een ouderwets drama met aan het einde van elke episode een spannend einde. Na bijna elke verkiezing stelden waarnemers vol spanning de vraag ‘Zal een uiterst rechtse partij dit keer de grootste worden? Zal ze uiteindelijk in de regering stappen? Zal ze zelfs de leiding ervan nemen?’

Vaak doen de mainstream media alsof het lot dit keer van doorslaggevend belang zal zijn. Maar dat is het nooit.

Soms is er goed en soms slecht nieuws. Het Britse referendum van juni 2016 over het verlaten van de Europese Unie (‘Brexit’) gaf een nipte meerderheid  voor de Leave na een campagne die overheerst werd door kritiek op immigratie en door eng Engels nationalisme.

In 2017 slaakten de deskundigen een zucht van verlichting toen de Partij van de Vrijheid in Nederland maar op de tweede plaats eindigde bij de parlementsverkiezingen van maart en nog een diepere zucht toen de neoliberaal Emmanuel Macron de uiterst rechtse Marine Le Pen versloeg bij de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezingen in mei.

Maar de opkomst van uiterst rechts is sindsdien onverminderd verder gegaan. De Oostenrijkse Vrijheidspartij boekte een sterke vooruitgang in de parlementsverkiezingen van oktober 2017 en verwierf sleutelposities in een rechtse coalitieregering.

Een nog zwaardere klap kwam er in Duitsland waar uiterst-rechts, dat sinds de jaren 1950 nooit de kiesdrempel voor het bondsparlement haalde, met de uiterste rechtse partij Alternatieve für Deutschland (AfD), 12,6% van de stemmen haalde in de verkiezingen in september  2017 voor de Bundestag. De onderhandelingen over het vormen van een coalitieregering sleepten lang aan, ze resulteerden in het herrijzen van dezelfde zeer onpopulaire ‘GroKo’ of grote coalitie tussen christendemocraten en sociaaldemocraten die in de opiniepeilingen duidelijk was afgestraft.

In Italië werd de uiterst-rechtse Lega eind maart 2018 de grootste partij van rechts. De Lega verwierf een overheersende positie in de nieuwe coalitieregering samen met de populistische ‘noch rechts noch links’ Vijf Sterren Beweging. Matteo Salvini van de Lega met een hatelijke anti-immigranten visie kreeg een dominante positie als minister van binnenlandse zaken.

In de Zweedse verkiezingen haalden de uiterst-rechtse Zweedse Democraten een record aantal stemmen terwijl de media die partij, die vroeger werd afgeschilderd als een partij van neonazi losers, nu voorstellen als een partij van ontevreden professionals. Bij het schrijven van dit artikel is er nog steeds geen nieuwe regering in Zweden maar centrumrechts heeft wel al een verbond gesloten met uiterst-rechts om een centrum-linkse regering te verslaan en een centrumrechtse parlementsvoorzitter te verkiezen.

Ondertussen, verstevigen in Oost-Europa de door uiterst-rechts gecontroleerde regeringen in Polen en in Hongarije hun greep op de macht, ze zuiveren de rechtbanken en burgerlijke instellingen van hun tegenstanders, ondanks inefficiënte pogingen van de Europese Unie om dit in te dijken. In het nieuwe Europese Parlement dat in mei van dit jaar wordt gekozen, verwacht men dat uiterst-rechts een groot blok zal kunnen vormen.

De wortels van uiterst-rechts

De meeste commentatoren stellen zich voortdurend de vraag: ‘Is uiterst-rechts over zijn hoogtepunt?’ Hun meestal oppervlakkige analyses geven ons zelden argumenten dat dat nu het geval zou zijn.

De analyses geven toe dat de winst voor uiterst-rechts een weerspiegeling is van de moeilijkheden die grote lagen van de bevolking ervaren, zeker na het uitbreken van de economische crisis in 2007-2008. Handenwringend geven de deskundigen toe dat de ongelijkheid in de Europese maatschappij voortdurend toeneemt en dat de lonen achter blijven in verhouding met de winsten.

Sommigen geven zelfs toe dat dit niet is begonnen in 2007. De vroegere industriële kerngebieden van Europa zijn al decennia lang een sociale woestenij. Het verwoestende gevolg van de eerste politieke maatregelen van Margaret Thatcher, werd in de jaren ’80 in het Noorden van Engeland gevoeld – een streek waar de Brexit in 2016 een stevige meerderheid behaalde.

Maar de barsten in de neoliberale consensus na 2008, waren van korte duur. De aanvallen wonnen daarna opnieuw aan kracht.

De ideologen keerden terug naar dat waarvoor ze betaald worden: de status quo verdedigen. Ze keerden terug naar het oude refrein: na enkele pijnlijke maatregelen, zal het neoliberale medicijn iedereen verlichten en zal de kweekvijver voor uiterst-rechtse politiek opdrogen.

Dat is de visie op de nieuwe golf antisociale ‘hervormingen’ van de Franse president Macron. Zij hebben zijn populariteit scherp doen dalen, wat de voorspelling versterkt dat een stem voor Macron in 2017, een stem voor Le Pen bij de volgende verkiezingen betekent.

Zelfs in die delen van Europa waar het huidig economisch herstel het sterkst is en de werkloosheid een absoluut laagterecord benadert, stijgen de lonen nog altijd niet. (1) Ook besparingen in sociale programma’s werden niet teruggedraaid en het huizentekort blijft even hoog. De hoge huurprijzen maken dat in een aantal grote steden, het aantal daklozen stijgt.

Het is voor werkende mensen al te gemakkelijk om de immigranten ervan te beschuldigen dat zij hun lonen doen dalen, voor kleine middenstanders om immigrante winkeliers ervan te beschuldigen dat ze hun zaak kapot maken of in het algemeen, voor de ‘lokale’ bevolkingen om immigratie te zien als een bedreiging voor de welvaartstaat. (2)

In minder enge economische termen, heeft de crisis het gevoel van mannelijkheid bij vele mannen ondermijnd, zij schuiven de schuld op vrouwen en op LGBTIQ mensen. De nationale culturen, pas in de 19de eeuw tot stand gekomen, zijn vanaf dan fundamenteel geworden voor de Europese identiteit. Maar vandaag zouden die bedreigd worden door een combinatie van kosmopolitische neoliberale elites en mensen uit andere naties, zowel uit Europa als van elders.

Moslims, gekleurde mensen en EU bureaucraten in Brussel zijn een geschikte en uit diverse onderdelen bestaande zondebok. Het resultaat is een constante toename in onze maatschappijen van nationalisme, racisme en reactionaire ideeën, met inbegrip van (steeds mannelijk) racistisch geweld op straat. (3). Politiek vertaalt zich dit bij bijna elke verkiezing waar een uiterst-rechtse partij aan deelneemt, in een nieuw record aantal stemmen voor hen.

Het zou natuurlijk verstandiger zijn als kiezers het kapitalisme de schuld geven voor hun moeilijkheden in plaats van moslims en Eurocraten aan te wijzen. Maar verstandige verklaringen op zichzelf overtuigen de mensen niet.

Progressieve bewegingen moeten progressieve argumenten ontwikkelen en naar voor schuiven. Een belangrijker factor achter die groei van uiterst-rechts is het feit dat zowel de arbeidersbeweging als sociale bewegingen zwak zijn en het alternatief voor het neoliberalisme dus ook zwak staat.

De oorzaken van deze zwakte liggen dieper dan wat in dit artikel behandeld kan worden. Niet alle Europese vakbonden zijn de laatste veertig jaar volhoudende voorstanders geweest van inlevering en klassencollaboratie (maar velen waren het wel).

De door links geleide Griekse vakbonden bijvoorbeeld, hebben de laatste tien jaar de ene na de andere algemene staking georganiseerd tegen de aanvallen die een kwart van het Grieks BBP hebben gekost. De Franse bonden, hoewel onderling sterk verdeeld, hebben soms uitstekend werk geleverd in het verzet tegen de soberheid en soms, met name in 1995, de voorgestelde neoliberale ‘hervormingen’ tegen gehouden.

Maar vandaag staat het sociaal verzet tegen het neoliberalisme in Europa op een laag pitje. Zelfs de meest radicale arbeidersorganisaties hebben niet de juiste combinatie van strijdvaardigheid, creatieve tactiek, het organiseren van nieuwe sectoren (waarvoor een verreikende feministische en antiracistische strategie nodig is) en politieke doorbraken gevonden om duurzame overwinningen te boeken.

Nieuwe radicaal linkse partijen zijn er nog niet in geslaagd sterke banden te smeden met de arbeidersbeweging en de banden van de sociaaldemocratie met de arbeidersbeweging zijn al lang ontrafeld. Het resultaat is een ineenstorting van centrum links in Europa terwijl radicaal links tot nu niet in verhouding is gegroeid.

Veel van de winst van uiterst-rechts komt van het opslokken van de vroegere linkse stemmen.

Pasokisering

In Griekenland kreeg deze crisis van de Europese sociaaldemocratie de naam ‘Pasokisering’.

PASOK was de Griekse sociaaldemocratische partij die meer dan 40 jaar het land bestuurde na de val van de militaire junta in 1974. Ze is virtueel vernietigd door haar medeplichtigheid aan het doorvoeren van de bezuinigingen tussen 2011 en 2014. Van 43,9% van de stemmen in 2009, houdt ze in 2015 nog 4,7% over. In het ene land na het andere zien we een gelijkaardig slagveld.

De Franse Socialistische Partij die de presidentsverkiezingen en de meerderheid in Kamer en Senaat won in 2012, behaalde maar 6,4% in de eerste ronde van de laatste presidentsverkiezingen.

De Nederlandse PvdA, in 2012 nog de tweede partij van het land met 24,8% van de stemmen, werd vorig jaar afgestraft voor haar rol in de neoliberale inleveringsregering, ze dook naar 5,7%. Vorig jaar was de neergang van de Duitse sociaaldemocratie minder dramatisch van 25,7% naar 20,5%. De Zweedse sociaaldemocraten vielen in 2018 van 31,0% naar 28,3%, hun slechtste resultaat in honderd jaar.

In het ene land na het andere heeft centrumlinks gereageerd door het gebulder van uiterst-rechts over te nemen. In Denemarken proberen de sociaaldemocraten nu zelfs uiterst-rechts voorbij te streven met anti-immigranten voorstellen.

Een tijd lang ging de winst bij uiterst rechts vooral ten koste van centrum-links, waarbij centrumrechts stand kon houden. Na het Brexit referendum verklaarden de Conservatieven zich bijvoorbeeld de kampioenen van de Brexit en de uiterst-rechtse UK Independence Party tuimelen in de opiniepeilingen naar beneden.

Vorig jaar slaagde traditioneel rechts in Nederland erin om het islamofoob en eurosceptisch geschreeuw de uiterst-rechtse Partij voor de Vrijheid over te nemen zo bleef uiterst-rechts op de twee plaats staan.

Maar dit jaar werd de Duitse christendemocratie, gelijkgesteld met Angela Merkels gastvrije houding ten opzichte van vluchtelingen, geconfronteerd met haar eigen verkiezingsnederlaag, ze viel van 41,5% naar 32,9%. De centrum-rechtse partijen reageerden door nog meer naar rechts op te schuiven.

De meest rechtse vleugel van de christendemocratische familie in Duitsland, de Beierse Christelijk Sociale Unie, dreigde de nieuwe grote coalitie op te blazen tenzij er nieuwe beperkingen werden opgelegd aan vluchtelingen (een eis waar Merkel en de sociaaldemocraten grotendeels aan hebben toegegeven). Meer en meer lijkt dit op de woorden van de dichter Yeats: ‘de dingen vallen uit elkaar, het centrum kan het niet meer houden’. (4)

Groeiend gevaar

Het taboe van allianties tussen centrumrechts en uiterst-rechts lijkt steeds meer te wankelen. Oostenrijk doorbrak het al in 2000.

Het is niet meer onlogisch om de vraag te stellen, ‘wat als bij de Franse en Nederlandse verkiezingen, voorzien voor 2022, de centrumpartijen opnieuw grote verliezen incasseren, zal uiterst-rechts en misschien ook radicaal links er dan op vooruit gaan?’ Wanneer traditionele rechtse politici moeten kiezen tussen hun zogenaamde steun aan mensenrechten en hun solide steun aan neoliberaal economisch beleid, welke weg zullen ze dan kiezen?

Allianties met traditioneel rechts kunnen wegbereiders zijn voor de weg naar de macht van uiterst-rechts in een aantal Europese landen. In het begin zou uiterst-rechts in dat scenario wat ingeperkt worden door de basisregels van de grondwettelijke systemen. Maar zelfs binnen de limieten van de grondwet kan uiterst-rechts enorme schade aanrichten vooral met het doordrukken van grote delen van hun racistisch programma.

In de Verenigde Staten was de Grondwet, die bijna ononderbroken gedurende 230 jaar geldig was, ook te verzoenen met 75 jaar Afrikaans-Amerikaanse slavernij en ook een eeuw lang met het ontzeggen van burgerrechten aan Afrikaans-Amerikaanse burgers en de inheemse bevolking. De West-Europese regeringen zijn, zelfs zonder ministers van uiterst-rechts nu al zeer vindingrijk geweest in het zoeken naar legale middelen om hun eigen racistisch onderdrukte bevolking te treffen.

Men heeft bijvoorbeeld middelen gevonden om genaturaliseerde Europese burgers hun Europese nationaliteit te ontnemen en ze zelfs uit Europa uit te wijzen. Honderden of duizenden niet-Europeanen, sommigen vluchtelingen volgens de internationale wetgeving, verdrinken in de Middellandse Zee omdat Europese regeringen weigeren hen toegang te verlenen langs de normale wegen.

De rechtse regering in Denemarken, met gedoogsteun van uiterst-rechts, eist nu onder meer dat kinderen van niet-Europese origine 25 uur per week zonder familiecontact leven om zo ‘Deense waarden’ ingelepeld te krijgen en men stelt voor de straffen voor misdaden begaan in wettelijk afgebakende ‘getto’s’, te verdubbelen. (5)

In sommige landen werd het bouwen van minaretten verboden, in andere halal vlees. Dat herinnert aan de campagnes tegen kosjere slagers door het Europese antisemitisme voor de tweede wereldoorlog.

We kunnen ons vandaag alleen maar voorstellen hoe ver uiterst-rechtse ministers zouden kunnen of durven gaan in wat Le Pen de ‘nationale voorkeur’ noemt: discriminatie inzake woningen en sociale diensten van mensen met één of twee niet-Europese ouders. Vandaag heeft parlementair uiterst-rechts niet vaak haar eigen openlijk militaire afdelingen, maar fascistische en racistische schurken hebben in veel delen van Europa al buitengewoon veel speelruimte om racistisch gediscrimineerde mensen aan te vallen en zelfs te vermoorden.

Natuurlijk heeft het burgerlijk grondwettelijk recht in de geschiedenis vaak vrouwen en LGBTIQ mensen uitgesloten. Over kwesties als gender en seksualiteit is Europees rechts vandaag vaak onsamenhangend en niet altijd in continuïteit met vroegere fascistische tradities. Sara Farris toonde hoe de Franse, Italiaanse en Nederlandse rechterzijde soms beweert dat ze vrouwen en LGBTIQ mensen verdedigt, zelfs die van immigrante oorsprong, tegen moslim mannen en mannen van niet-Europese origine. (6)

Tegelijkertijd heeft uiterst-rechts, zowel in West als in Oost-Europa, de aanval van de paus op de ‘gender ideologie’ en zijn verdediging van de traditionele mannelijke en vrouwelijke rolpatronen overgenomen. De Nederlandse uiterst-rechts Partij voor de Vrijheid wordt nu uitgedaagd ter rechterzijde door het Forum voor Democratie van de notoire vrouwenhater Thierry Baudet.

Daar waar Nederlands en Zweeds uiterst-rechts zich schijnbaar hebben verzoend met het homohuwelijk, beloofde de partij Rassemblement National (Nationale Samenkomst) van Le Pen om dit teniet te doen als ze in Frankrijk aan de macht komt en zowel in Oost als in Zuidelijk Europa wordt het homohuwelijk door uiterst-rechts fel bestreden.

Het McCarthyisme in de VS heeft aangetoond hoe de regels van de grondwet verzoend kunnen worden met aanvallen op grote schaal tegen radicaal links. Tot nu heeft Europees uiterst-rechts zijn aanvallen niet veel op marxisten gericht, ze nemen liever de mensen tot doelwit die door rechtse ideologen ‘culturele marxisten’ worden genoemd (ze bedoelen hier verdedigers van ‘identiteitspolitiek’). Maar het zou dom zijn als radicaal links zou denken dat ze zelf blijvend buiten schot zal blijven.

Het uitroeien van een onafhankelijke arbeidersbeweging was de topprioriteit van het fascisme maar eigenaardig genoeg zijn de vakbonden vandaag voor de Europese uiterst-rechtse beweging niet een specifiek doelwit.

In Turkije bijvoorbeeld, heeft een alom toeslaande repressie de Turkse maatschappij getroffen maar de vakbonden blijven de mensen organiseren, onderhandelen en ze winnen soms toegevingen door te dreigen met staking.

Maar de balans van regeringsdeelname door uiterst-rechts toont aan hoe dwaas het zou zijn voor vakbondsactivisten om te rekenen op een positieve houding vanuit die hoek. Uiterst-rechtse partijen die flirten met economisch populisme (7) als ze in de oppositie zitten tonen hun ware gelaat, ten gunste van de zakenwereld, wanneer zij aan de macht komen. Geert Wilders in Nederland verklaarde bijvoorbeeld voor de verkiezingen van 2012 dat er over één eis, nl. een verhoging van de pensioenleeftijd, ‘niet te onderhandelen’ viel, heeft dit in luttele uurtjes na het begin van onderhandelingen over parlementaire steun aan een rechtse regering, laten vallen.

Spook van het fascisme

We zagen reeds voorbeelden van de ravage die uiterst-rechts aan de macht kan veroorzaken – tegen immigranten en vluchtelingen, tegen burgerlijke vrijheden, tegen kwetsbare bevolkingsgroepen en dit zelfs binnen de grondwettelijke regels. Maar gegeven de Europese geschiedenis, stelt zich onvermijdelijk de vraag of uiterst-rechts aan de macht, zich zal houden aan die grondwettelijke beperkingen. Kan verdere groei van uiterst-rechts uiteindelijk weer nieuwe fascistische regimes in Europa brengen?

Om hierop te antwoorden moeten we een duidelijk beeld hebben van de natuur van het fascisme en moeten we ook een onderscheid maken tussen de diverse Europese politieke situaties.

Een populaire beschrijving van het fascisme binnen links legt meestal de nadruk op de repressie tegen de arbeidersbeweging en tegen volksbewegingen. Maar de marxistische theorieën over uitzonderlijke regimes in het algemeen gaan terug op de Achtiende Brumaire van Marx. Ze benadrukken dat het hier gaat om de reacties van de bourgeoisie op het onvermogen om haar directe klassenheerschappij in stand te houden. Om het met Marx te zeggen: ‘De bourgeoisie verheerlijkte het zwaard, het zwaard heerst.’(1)

Bonapartisme en fascisme kan betekenen dat de middelen om spanningen tussen de verschillende fracties van het kapitaal op te lossen niet volstaan, dat ‘de uitvoerende macht van de moderne staat, (als) het comité voor het beheren van de lopende zaken van de bourgeoisie in haar geheel’ (2) niet in staat blijkt die op te lossen met de mechanismen van de burgerlijke democratie.

De beschrijving van de opkomst van het Duitse en het Griekse fascisme door Nicos Poulantzas, waarin hij tot de slotsom kwam dat een beslissende nederlaag van de werkende klasse vooraf ging aan de fascistische machtsgreep, legt de nadruk op de intra-kapitalistische spanningen als cruciale verklaringsgrond. (3)

De gebeurtenissen in Europa na het Brexit referendum suggereren dat het kapitaal vandaag in vele landen worstelt met grotere interne tegenstellingen dan ooit na de Tweede Wereldoorlog het geval was. De grote multinationale bedrijven en banken, met een onbetwist overwicht dat door centrumlinks en centrumrechts sinds 70 jaar niet meer werd betwist, kunnen er nu niet meer op rekenen dat ze hun gang kunnen gaan: ze hebben duidelijk het Brexit referendum verloren.

Meer nationalistische delen van het kapitaal kunnen op massale steun rekenen bij lagen van de middenklasse en bij delen van de arbeidersklasse voor wie nationalisme en/of racisme boven klassenbelangen gaan – zoals het Duitse en het Italiaanse fascisme dat in hun tijd kon bewerkstellingen. De inspanningen  van de Britse premier Theresa May tonen de toenemende moeilijkheid om deze tegenstellingen met normale grondwettelijke middelen op te lossen.

Opheffing van de democratie

In sommige delen van Europa is uiterst-rechts aan de macht, ver buiten de echt liberale democratie gestapt, tot wat de Hongaarse premier Viktor Orban trots de ‘illiberale democratie’ noemt.

De laatste jaren hebben Turkije en Polen net als Hongarije (op verschillende wijzen) een oppervlakkige volgzaamheid ten opzichte van grondwettelijke regels en meer partijen verkiezingen, gecombineerd met een groeiende onderschikking van de staat en maatschappij aan de heersende rechtse partij. In alle drie deze landen werden rechters weg gezuiverd en vervangen door meer volgzame figuren voor de heersers van het land.

In Turkije en in Hongarije werden het ene na het andere oppositionele medium gesloten of uitgekocht en ook het bestuur van de universiteiten (bij sommige faculteiten op grote schaal) werd gezuiverd. Er is geen enkele reden om te geloven dat uiterst-rechts in een regering in West-Europa immuun zou zijn voor de bekoring om dergelijke tactieken te gebruiken in een West-Europees land. In Oostenrijk was er al het schandaal waarbij ministers van uiterst-rechts betrokken waren bij een politieke tussenkomst in de veiligheidsdiensten.

Burgerlijke ideologen hebben aan de andere kant een punt wanneer ze stellen dat een grondwettelijke regering en de rechtsstaat voordelen bieden vanuit kapitalistisch standpunt. Het Duitse en het Italiaanse fascisme hebben de economische macht van het kapitaal gevrijwaard, maar dit ging ten koste van de politieke macht van het kapitaal. De heerschappij van Poetin in Rusland vandaag toont dat er grote economische onzekerheid ontstaat voor die sectoren van het kapitaal die geen nauwe banden hebben met het regime.

Het verlies van het vermogen om koerscorrecties door te voeren in verkiezingsperiodes kan het gevaar op een ramp ook vergroten, wat het Duits en Italiaans kapitaal hebben meegemaakt in 1945. Hoe sterker de sociale basis en hoe groter de opgestapelde politieke ervaring van een bepaalde kapitalistische klasse, hoe groter de kans is dat bepaalde elementen van de rechtsstaat worden behouden – vooral wanneer die niet op zijn grondvesten trilt door een grote militaire nederlaag of een economische crisis.

De omstandigheden kunnen dus bepalen hoe ver en hoe snel een land evolueert naar een uitzonderingsregime. Zelfs onder de fascistische regimes was Nazi-Duitsland een uitzondering in de snelheid waarmee het in 1933-34 naar een volledig uitgebouwd totalitair systeem evolueerde. Fascistisch Italië kende in de jaren ’20 een wat tragere ontwikkeling die iets minder ver ging.

Vandaag is het risico dat West-Europa, na meer dan 70 jaren relatieve stabiliteit en zonder enige omvangrijke militaire of economische crisis, afstand zou nemen van de burgerlijke democratie, zelfs indien uiterst-rechts een deel van de macht verovert, in het ene land minder groot dan in het andere.

Als in landen als Frankrijk en Nederland, uiterst-rechtse partijen tot een regering zouden toetreden met traditioneel rechts – hoewel plotse en drastische veranderingen nooit zijn uit te sluiten – lijkt het onwaarschijnlijk dat traditioneel rechts zijn eigen belangen en posities even snel zou verlaten als de coalitiepartners van Mussolini en Hitler dat deden in de jaren 1920 en 1930.

Het mag voor de lezer raar klinken, maar de ervaring met het presidentschap van Trump tot nu suggereert dat er ook In West-Europa grenzen zijn aan het opleggen van autoritaire regels door uiterst-rechts. Spijtig genoeg is Trump erin geslaagd een soliede rechtse meerderheid op te dringen aan het Hoog Gerechtshof, maar dat betekent nog niet dat die rechters even gewillig zullen zijn als de Turkse rechters tegenover Erdogan.

Op korte termijn zal Trump de New York Times niet sluiten of opkopen en de uitgevers van Le Monde kunnen hierdoor gerustgesteld zijn, zelfs wanneer Le Pen president zou worden.

Kortom, een echt fascistisch regime in Europa lijkt relatief onwaarschijnlijk in de nabije toekomst. Wanneer men zich daarop concentreert, riskeert men de aandacht af te leiden van de talrijke en ernstige gevaren van het aan de macht komen van uiterst-rechts, vooral voor raciale en seksuele minderheden en voor de arbeidersbeweging. De uitdagingen waar links voor staat in de strijd tegen de reactie zullen al groot genoeg zijn.

Strategiedebat

Gezien de voortdurende toegevingen van traditioneel rechts en centrumlinks en hun capitulatie over anti-immigratie eisen, moet de radicale linkerzijde een belangrijke rol spelen in het verzet tegen uiterst-rechts. Maar radicaal links is verdeeld. Tegenover het groeiend racisme is de eerste reactie van veel radicaal linkse partijen om het onderwerp uit de weg te gaan.

De leiding van de Nederlandse SP, de enige tamelijk consistente anti-neoliberale parlementaire kracht, illustreert deze houding. Wanneer uiterst-rechts iets bijzonder grof doet, zal de SP een waardige en berekende veroordeling uitspreken. Maar haar leiders stellen openlijk dat ze alleen maar aan beide kanten kunnen verliezen door zich op onderwerpen als racisme te concentreren: bij kiezers uit de immigratie, die volgens hen meer en meer in de greep komen van religieuze en etnische agenda’s, wat voor de SP niet aanvaardbaar is, en bij de witte kiezers die op uiterst rechts zouden stemmen wanneer hun vooroordelen openlijk worden bekritiseerd.

Dit is een zichzelf waarmakende voorspelling. In de parlementsverkiezingen van 2017 werd de PvdA gedecimeerd en de SP, haar traditionele rivaal, verloor ook licht. Terwijl de Groenen en de liberalen van D66 met een sociaal progressief verhaal maar met rechtse economische voorstellen, wonnen net zoals uiterst-rechts. Ook in Duitsland boekten de Groenen onlangs evenveel winst als de Alternative für Deutschland, ondanks hun economisch neoliberale standpunten en hun wil om bij een centrumrechtse regering aan te sluiten. Dit vooral wegens hun liberale opvattingen over immigratie. In tegenstelling hiermee hebben de voortdurende toegevingen van de Duitse sociaaldemocraten aan rechtse vreemdelingenhaat alleen tot resultaat gehad dat hun oude basis onder de arbeidersklasse verder afkalfde.

Wanneer het bij verkiezingen duidelijk handelt om zaken rond immigratie, zal een ontwijkende en twijfelende houding op deze sleutelkwesties, zelfs gecombineerd met goede standpunten rond gezondheidszorg en woningen, de kiezers alleen maar sterken in hun gevoel dat die partij irrelevant is.

Door de zorgen van geradicaliseerde kiezers te veronachtzamen veroordeelt reformistisch links zich tot een trage neergang. Vooral in de grote steden en onder jonge mensen zijn de immigrante gemeenschappen niet alleen een sleutelfactor om te mobiliseren en uiterst-rechts te verslaan, zij zijn ook de toekomst van de arbeidersklasse. Wanneer men zich richt op de krimpende groep van oude witte kiezers, leidt dat onvermijdelijk tot een nederlaag.

Wat nog erger is dan het ontwijken van de kwestie van het racisme, is er zich aan aanpassen. Recentelijk heeft de SP dat gedaan, door akkoord te gaan met het voorstel om asielzoekers op te vangen in centra in Afrika in plaats van op Europese bodem.

Iedereen die de beelden van slavenverkoop en wreedheden tegen immigranten in Libië gezien heeft moet dergelijke voorstellen onmiddellijk van de hand wijzen. Maar in Duitsland doet Sahra Wagenknecht, leidster van Die Linke, in haar programma van de beweging Aufstehen die ze parallel met de partij heeft opgericht, gelijkaardige voorstellen voor beperking van immigratie.

In Frankrijk flirt Jean-Luc Mélenchon, leider van de grootste radicaal linkse organisatie, La France Insoumise, met incidentele steun aan de Franse imperialistische tussenkomsten en is hij voor maatregelen tegen een publieke aanwezigheid van de Islam, in naam van de Franse seculiere republikeinse traditie. Met dergelijke stellingnames riskeren de linkse partijen elke rol van enige betekenis in het gevecht tegen uiterst-rechts te laten vallen.

Een ander punt waarover radicaal links verdeeld is, is het vraagstuk van bondgenootschappen met andere partijen tegen uiterst-rechts. In veel landen was het de gewoonte dat er bij grote betogingen tegen uiterst-rechts, een brede waaier sprekers optrad, met inbegrip van niet-fascistisch rechts. In de jaren 1980 en 1990 wilde traditioneel rechts zich een antifascistisch profiel aanmeten. Dit is vandaag veel minder het geval omdat deze partijen zichzelf beschouwen als electorale rivalen van uiterst-rechts of zelfs als potentiële partners ervan in een regering.

In feite vechten de sociaaldemocratische partijen zelf meer en meer voor de stemmen van uiterst-rechts, daarom zijn ze voorstanders van een beperking van de immigratie en roepen ze op tot een hard anti-misdaad beleid gericht tegen raciaal gediscrimineerde jongeren. En het is nog erger. In het perspectief van de komende verkiezingen suggereren de Deense sociaaldemocraten eerder voorstander te zijn van een regering met steun van de uiterst-rechts Deense Volkspartij dan van een alliantie met andere linkse partijen.

In die omstandigheden heeft het geen zin om als radicaal links te streven naar coalities van boven af, tegen uiterst-rechts, samen met leiders van rechtse of centrumlinkse partijen. Wat wel zin heeft, is de honderd jaar oude marxistische tactiek van het eenheidsfront: oproepen tot steun bij de basis van reformistisch links die deugdelijke antiracistische reflexen behouden heeft, en alleen maar samenwerken met de reformistische leiders wanneer die onder druk worden gezet om mee te doen aan praktische activistische initiatieven.

Maar toegegeven, het leven is in de praktijk ingewikkeld. Activisten van de Britse Labour Party moeten rekening houden met de realiteit dat hun enige hoop op korte termijn om een reactionaire Brexit van de Conservatieven tegen de houden, de verkiezing is van een Labour regering. Die regering zal onvermijdelijk schikkingen moeten treffen met de aanhangers van de pro-neoliberale, pro-EU rechterzijde van Labour.

Maar bepaalde compromissen zijn ontoelaatbaar. Bijvoorbeeld, de recente beslissing van de Labour Party om het idee te aanvaarden dat fundamentele kritiek op de Staat Israël antisemitisch is. Dit is een klassiek geval van een tactiek die radicaal links verzwakt, sociale activisten demoraliseert en de steun van vele aanhangers in de immigranten gemeenschappen zal bekoelen wat uiteindelijk in de kaart zal spelen van uiterst-rechts.

Om uiterst-rechts te verslaan helpen institutionele maneuvers niet, buitenparlementaire mobilisatie is de enige sleutel tot succes. Wanneer het centrum in Europa geen stand houdt, kan alleen actie op het werk en op straat ervoor zorgen dat niet de reactionaire rechterzijde, maar radicaal links dat gevecht wint.

Voetnoten

1. ‘The Labour Market: All Work and No Pay,’ The Economist, 8 september , 2018.

2. Voor een case studie van deze dynamiek in Amsterdam, zie het proefschrift van Paul Mepschen, Everyday Autochtony: Difference, Discontent and the Politics of Home in Amsterdam, University of Amsterdam, 2016.

3. Ivan du Roy en Rachel Knaebel, ‘En Allemagne, en Italie ou en France, l’extrême droite tue par dizaines,’ https://www.bastamag.net/En-Allemagne-en-Italie-ou-en-France-l-extreme-droite-tue-par-dizaines.

4. William Butler Yeats, ‘The Second Coming’ (1919).

5. Ellen Barry and Martin Selsoe Sorensen, ‘In Denmark, Harsh New Laws for Immigrant ‘Ghettos,’’ New York Times, 1 July 1, 2018.

6. Sara R. Farris, In the Name of Women’s Rights: The Rise of Femonationalism, Durham NC: Duke University Press, 2017. Farris steunt op eerder werk van dr Jasbir K. Puar over ‘homonationalism’ (Terrorist Assemblages: Homonationalism in Queer Times, Durham NC: Duke University Press, 2007 & 2017), maar Puar richt zijn aandacht vooral op de VS en schrijft niet vanuit een marxistisch gezichtspunt.

7. Farris (op.cit, pp. 57-77) argumenteert dat de huidige gewoonte om uiterst-rechts partijen als ‘populistisch’ te kenmerken, te veel gewicht legt bij formele en stilistische kenmerken die deze partijen gemeen hebben met sommige linkse en centrumpartijen in plaats van de nadruk te leggen op de klasse inhoud en de sociale inhoud van hun programma.

8. Karl Marx.De Achtiende Brumaire van Napoleon Bonaparte (1852).https://www.marxists.org/archive/marx/works/1852/18th-brumaire/ch07.htm.

9. Karl Marx en Friedrich Engels, Communistisch Manifest (1848).https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1852/18e.htm

10. Nicos Poulantzas, Fascism and Dictatorship: The Third International and the Problem of Fascism, translated by Judith White, London: Verso, 1979, 139, 172-3, 199, 71-2.

Soort artikel: 

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Reageren