Borderless

14 December 2019

Doorgaan, al gaat alles wat bloeit kapot

Bedrijven die enkel snel geld willen verdienen aan de bodemschatten, en het leger dat samen met lokale potentaten bruut de weg voor hen effent. Een overheid die, gebukt onder een enorme buitenlandse schuldenlast, niets kan en wil doen. En natuurlijk, een bevolking die het liefst massaal zou willen emigreren. Ziehier het alledaagse gezicht van de neoliberale globalisering in Mindanao, Filippijnen. Grenzeloos doet verslag.

ILLIGAN - ‘Andere landen exporteren producten. Wij alleen maar mensen.’ De cijfers bevestigen de voorbijganger, die zich voorstelt als “moslim en socialist”. Van iedere vijf inwoners van de Filippijnen wil er minimaal een, maar misschien ook wel drie weg naar het buitenland. De reden waarom is hier in Illigan, een slaperig provinciestadje gelegen op het meest zuidelijke eiland Mindanao, zichtbaar voor iedereen. Enkele decennia geleden was dit een van dé industriesteden van de Filippijnse archipel. Nu getuigen enkel nog de leegstaande bakstenen fabrieksgebouwen van deze kortstondige periode van economische bloei en hoop. Bought to kill. Buitenlandse ondernemers kochten de zware industrie op, om vervolgens meteen de deuren te sluiten. Terugdringen van de internationale concurrentie heet dat in managersjargon.
Oliecrisis
Op straat lijkt het wel of bij gebrek aan alternatieven iedereen zich op het transportwezen heeft gestort. In felle kleuren beschilderde jeepneys - blikken pick-ups met een afdakje die dienst doen als openbaar vervoer - rijden luid toeterend op en neer door de stad. Wie geen chauffeur is, verkoopt iets. Vervalste Rolex horloges, Ray Ban zonnebrillen, de nieuwste films op DVD, illegaal gekopieerd. Dit zijn de mensen die het officiële werkloosheidscijfer van zestien procent nog relatief laag houden. Ze zijn er niet minder arm om. De kosten van het levensonderhoud rijzen vooral voor bewoners van de steden, waar veel mensen vanuit het platteland naar toe trokken, de pan uit. Als klap op de vuurpijl is daar de recente oliecrisis. De afgelopen maanden steeg de prijs voor een jeepney-ritje met bijna vijftig procent. Laatste reddingsboei zijn vaak de overzees als schoonmaakster of nanny werkende Filippino´s, die wat overblijft van hun karige inkomen naar de familie thuis sturen. Tussen de van hout en golfplaat in elkaar geknutselde krotten in Illigan staat af en toe een huisje van beton en steen. Met dank aan mama die zich als contractarbeider of illegaal in het Midden-Oosten, de Verenigde Staten of Europa moet laten uitbuiten.

‘Dit project is mogelijk gemaakt door de burgemeester’, staat op een groot bord naast twee houten bankjes met een rieten dakje in het centrum van Illigan. Voor de goede orde: de goede man heeft dit niet uit eigen zak betaald, maar met publiek geld. Jojo, een lokale sociaal werker, legt uit: ‘Dat hij op een dergelijke manier de credits kan nemen voor zijn “project” zonder zichzelf onsterfelijk belachelijk te maken, zegt wat over hoe de Filippijnse staat functioneert. Na jaren van corruptie, vriendjespolitiek en wanbeleid verwacht niemand meer iets van de centrale overheid.’ Cynisch gezegd is iedere cent die wél bij de burger aankomt dan ook mooi meegenomen, zeker ver weg van de hoofdstad op Mindanao. Een prestatie waarvoor een politicus zichzelf op de borst meent te mogen kloppen.
Zelfredzaamheid
In de dorpen wachten de mensen al helemaal niet meer op steun van de overheid bij het ledigen van de ergste noden. Schoon water, verharde wegen en onderwijs: het zijn op de eerste plaats de lokale gemeenschappen die het moeten regelen. In een moslimvissersdorpje op enkele uren afstand van de zuidelijke stad Pagadian kan zelfs aan die basisbehoeften nog niet worden voldaan. De verharde weg die het eilandplaatsje moest ontsluiten, verandert in een hoopje rotsen bij de oever aan de overkant. Het geld was op. Toevoer van schoon water was er enkele jaren geleden wel, maar de leiding is inmiddels ergens onderweg afgetapt of vernield. ‘Misschien een slimme handelaar in fleswater hier uit de buurt’, grapt een inwoner.
Samen met een lokale NGO zetten de dorpsbewoners nu een project op om zeewier te verbouwen. Vol trots tonen ze hun plantage: enkele tientallen meters touw in zee, met witte stukjes piepschuim om het geheel drijvende te houden. De plukjes zeewier die eraan groeien zijn bescheiden, net als de inkomsten. Toch hebben de mensen reden om enthousiast te zijn. Met de verkoop van zeewier valt meer te verdienen dan met vis. Bovendien leidt het project tot een sterkere positie van de vrouwen in de gemeenschap. Waar vissen altijd mannenwerk is geweest, controleren vrouwen de teelt van zeewier en zorgen zo voor een belangrijke bron van inkomsten.
In verschillende gemeenschappen verspreid over het eiland proberen lokale NGO’s soortgelijke projecten op te zetten. Met wisselend succes. Geldgebrek is een eeuwig probleem. De overheid heeft weliswaar officieel fondsen beschikbaar gesteld maar dit geld verdwijnt vaak ergens in de zakken van corrupte ambtenaren en politici. Voor Jen, een van de NGO-medewerkers, is dit juist een reden om zich extra hard in te zetten. ‘Als we de positie van de allerarmsten willen verbeteren moeten we alle mogelijkheden gebruiken die we hebben. De overheidssteun is niet alleen maar een doekje voor het bloeden. Het is ook het resultaat van sociale strijd van de mensen zelf. Wij moeten ervoor zorgen dat het geld ook daadwerkelijk bij hen terechtkomt. Als je daarin slaagt, is dat ook een vorm van verzet tegen de corruptie en het machtsmisbruik van de overheid.’
NGO-kolonialisme
Corruptie is niet het enige probleem waar deze ontwikkelingswerkers mee te maken krijgen. Zo is er de dubbelzinnige rol van de grote, internationale NGO’s. De klachten hierover in de dorpen zijn legio. Ja, ze hebben veel geld en zijn daardoor in staat om grote projecten op te zetten. Maar om aan de donateurs thuis te laten zien dat het geld goed terechtkomt, weigeren deze NGO’s vaak samen te werken met lokale organisaties. Op deze manier kunnen zij alle krediet voor de behaalde resultaten opstrijken, ook al betekent dit dat er allerlei onnodig, dubbel werk wordt verricht. Soms zijn de projecten in de ogen van de lokale bevolking ook totaal onzinnig. Neem nu de Rotary die in het kader van een herbebossingproject duizenden bomen liet planten. Tien jaar later zeiden de plaatselijke houtkapbedrijven dankjewel, en streken het geld op van deze gratis oogst.
De internationale NGO’s kunnen hun medewerkers ook veel meer betalen dan de lokale organisaties. Als zij ergens neerstrijken nemen ze soms de hele staf van lokale NGO’s over om meteen aan de slag te kunnen. Dat leidt niet alleen tot ‘hulpverleningsinflatie’ in de regio, het zet ook kwaad bloed bij de lokale NGO’s die veel kostbare middelen hebben gestoken in de opleiding van hun mensen. Bovendien verbieden de internationale NGO’s, bang om de overheid tegen zich in het harnas te jagen of deelgenoot te worden in conflicten, hun medewerkers om politiek actief te zijn. Maar voor mensen als Jen en Jojo is het ontwikkelingswerk onlosmakelijk verbonden met politiek activisme. Verzet tegen een corrupte overheid die de belangen van de bevolking negeert, beschouwen zij als een voorwaarde om het levenspeil van mensen te verbeteren.
Terrorisme
Maar het grootste probleem, niet alleen voor de NGO’s maar voor de gehele bevolking, is de continue dreiging van geweld. ‘Een triomf voor de democratie’, noemde president Glorya de regionale verkiezingen in augustus in de pseudo-autonome moslimzone van Mindanao. De mensen ter plaatse zagen iets anders: granaatontploffingen in twee steden, schietpartijen, vooraf ingevulde stembiljetten en enkele dagen later een serie bomaanslagen in Zamboanga, een stad in het uiterste zuiden.
Eigenlijk is er nooit lang vrede geweest op Mindanao. De lokale moslimbevolking werd al door de katholieke Spaanse kolonisator hard onderdrukt. Nog steeds worden moslims op Mindanao gediscrimineerd. Velen van hen zijn werkeloos. ‘Bedrijven en overheidsinstellingen nemen je gewoon niet aan als je een moslimnaam hebt’, is een veel gehoorde klacht bij jonge moslims. De discriminatie voedt het Moro Islamic Liberation Front (MILF), een islamitische afscheidingsbeweging die een op basis van de shari’a geregeerde moslimstaat op Mindanao nastreeft. Hoewel het MILF de afgelopen jaren vredesonderhandelingen voerde met de overheid blijft de situatie op de grond onrustig. Sinds een andere moslimsgroep, de terroristische splinter Abu Sayyaf, de westerse media haalde met een reeks ontvoeringen behoort Mindanao bovendien tot het strijdterrein van de war on terror. Duizenden Amerikaanse soldaten zijn inmiddels actief in Mindanao en vooral de eilanden net ten zuiden daarvan. Officieel beperkt hun rol zich tot het trainen en adviseren van Filippijnse troepen in de strijd tegen het terrorisme. Maar deze instructeurs trekken ook samen met de Filippijnse troepen vijandelijk gebied binnen, ‘om het terrein te leren kennen’. De bevolking gelooft er niks van. Veel Filippino’s verdenken de overheid ervan dat zij de dreiging van Abu Sayyaf en andere terroristische groeperingen overdrijft, om zo de militarisering van Mindanao goed te kunnen praten.
Boerenparadijs
‘Hier is het veilig, hier zijn geen moslims’, bezweert een lokale bestuurder in een christelijk vissersdorpje vlakbij de islamitische zeewiergemeenschap. Zittend in de woonkamer houdt de zwaargebouwde man met een scheef oog de televisie in de gaten. Het nieuws zendt beelden uit van het bezoek van de paus aan de Wereldjongerendag in Keulen. De boodschap van deze dorpsoudere is helder: wij zijn brave katholieken, in tegenstelling tot onze wilde moslimburen. Maar schijn bedriegt. Tot enkele jaren geleden was deze gemeenschap een bolwerk van de New Peoples Army (NPA), de guerrillaorganisatie verbonden aan de maoïstische Communist Party of the Philippines (CPP).
In de jaren zeventig en tachtig was de CPP de onbetwiste leider van het linkse verzet in de Filippijnen. Door haar moedige strijd tegen de dictatuur van Marcos wist zij ook internationaal veel krediet te verwerven. Maar na de val van Marcos raakte de CPP in een crisis. De partij bleek niet in staat adequaat te reageren op de veranderde omstandigheden in de burgerlijke democratie die de Filippijnen onder president Aquino langzaam werden. Er brak een storm van kritiek uit binnen de partij op de autoritaire houding van de leiding. Deze reageerde met zuiveringen en een terugkeer naar de maoïstische dogma’s. Sindsdien zijn dissidente ex-CPP leden en linkse activisten die niet in de invloedssfeer van de CPP vallen al meermalen het doelwit geweest van aanslagen door de NPA.
Ook de mensen in dit vissersdorp kregen hun portie van het drama. De interne partijstrubbelingen over maoïstische dogma’s mochten dan ver weg staan van hun dagelijkse strijd voor een bestaan, de splitsing ging ook aan hen niet ongemerkt voorbij. De macht van de NPA brokkelde af, en daarmee ook de bescherming die deze rode verzetshaard genoot tegen het regeringsleger. Over wat daarop volgde wil niemand praten. Duidelijk is dat de meeste dorpelingen voorlopig hun buik vol hebben van grote verhalen over het boeren- en arbeidersparadijs. Liever kijken ze naar wat de laatste jaren aan concrete resultaten is geboekt. Het aangeplante mangrovebos bijvoorbeeld, dat het dorp beschermt tegen golven uit de zee en het natuurlijke evenwicht in het water herstelt. Of de coöperatie, een klein houten winkeltje waar niet minder dan zeven vrouwen hun dag gezellig kletsend doorbrengen. Het maakt de mensen minder afhankelijk van de grote handelaren van buiten.
Vloek
Maar hoe graag de mensen ter plaatse ook rust willen, de strijd is niet voorbij. De talloze wegblokkades en bewapende mannen op straat getuigen van de aanhoudende conflicten. De grootste bron van geweld op Mindanao blijft het regeringsleger. Schendingen van mensenrechten en verdwijningen zijn nog steeds dagelijkse realiteit. Linkse activisten spreken over ‘gewapende globalisering’. ‘De regering zendt troepen naar Mindanao met als excuus dat ze terroristen gaan bestrijden. Eenmaal hier worden ze echter ingezet om het verzet van de lokale bevolking te breken. Regeringstroepen gebruiken geweld tegen de inheemse gemeenschappen die zich tegen nieuwe, natuurverwoestende mijnbouwprojecten verzetten’, vertelt een inheemse activiste. De bodemschatten waar het eiland rijk aan is zijn tegelijkertijd een vloek voor Mindanao. Maar ze vormen ook een aantoonbaar bewijs dat deze regio meer dan genoeg middelen heeft om een welvarende, rechtvaardige samenleving op te bouwen.

Het verzet houdt dan ook aan. Niet alleen vanuit de hoek van het MILF of de CPP, maar ook van nieuwe, anti-stalinistische linkse organisaties. Een van de groepen die zich in de jaren negentig afsplitste van de CPP is de Revolutionaire Arbeiderspartij van Mindanao (RPM-M). Na een lange zoektocht kwam de RPM-M eind jaren negentig in contact kwam met de Vierde Internationale. In 2000 werd zij officieel de Filippijnse sectie. ‘Na de splitsing snakten we naar nieuwe denkwijzen. Naar ideeën die niet stalinistisch waren en ons in staat stelden om ons opnieuw te oriënteren’, vertelt Harry, een veteraan van de CPP en tegenwoordig een kopstuk in de RPM-M. ´We hebben geleerd van de fouten van de CPP. Het bracht ons een hernieuwd besef van het belang van democratie en discussie binnen de partij.´ Tegenwoordig zijn leden van de RPM-M, ondanks dat de repressie hen dwingt ondergronds te werken, op vele terrein actief. Het organiseren van protesten tegen de corruptie en de discriminatie van moslims en de inheemse bevolking bijvoorbeeld.
Ondanks alle moeilijkheden worden er af en toe kleine successen geboekt. In de recente protesten tegen de verkiezingsfraude van Arroyo bijvoorbeeld werkten verschillende stromingen van antistalinistisch links intensief samen. Maar een einde aan de uitbuiting en onderdrukking is ver weg. Als linkse activist is het gemakkelijk om moedeloos te raken. De industrie, de economie, de natuur en de partij: in Mindanao gaat alles wat bloeit kapot. ‘Maar wat kunnen we anders doen dan doorgaan?’, vraagt een RPM-M activiste retorisch. ‘Het grootste deel van de mensen wil weg en de elite is alleen geïnteresseerd in haar eigen belang. Als we willen dat iemand dit land gaat herbouwen, zullen wij dat moeten doen.

Anti-ontwikkelingsland
Hoe kan een land als de Filippijnen, zo vruchtbaar en rijk aan grondstoffen, zo arm blijven? De diagnose van de liberale doktoren en hun ziekenhuizen, het IMF en de Wereldbank, is niet geheel bezijden de waarheid. Corruptie, zelfverrijking en cliëntelisme vieren hoogtij in de Filippijnen. Maar in de afgelopen twintig jaar is gebleken dat het medicijn dat zij voorschrijven de kwaal slechts verergert. De slechte overheid moest zich terugtrekken door middel van bezuinigingen op de publieke sector, alle ruimte te geven aan private bedrijven en flink te snoeien in wetgeving. Een efficiënte, liberale staat zou moeten zorgen voor een gunstig investeringsklimaat en economische groei.

Tot zover de neoliberale wensdromen. De werkelijkheid is dat de uitgeklede Filippijnse staat alle instrumenten uit handen heeft gegeven om het land te ontwikkelen, elites in de hand te houden of corruptie tegen te gaan. De schuldverplichtingen alleen al slokten in 2004 81 procent van de overheidsinkomsten op, schrijft de bekende econoom en andersglobalist Walden Bello in de bestseller The Anti-Development State: The Political Economy of Permanent Crisis in the Philippines. De verwachting voor 2005 is dat dit percentage op zal lopen naar 89 procent. Nieuwe schulden moeten gemaakt worden om de oude af te betalen en nog iets van een budget in stand te houden. Ze houden het land extreem afhankelijk van de grillen van de internationale kapitaalmarkt.
De gevolgen van deze mini-overheid zijn overal zichtbaar. Door de lage salarissen in de publieke sector gaan ambtenaren, op de eerste plaats de politie, hun loon aanvullen met smeergeld. En als de overheid geen publieke projecten op het platteland meer financiert, hebben anti-democratische lokale heersers met hun privélegertjes het rijk voor zich alleen.

Het probleem is dan ook niet dat de Filippijnse staat niet liberaal genoeg is. Ze is juist te liberaal. De ideologen van de vrije markt maken een vergissing door te denken dat een liberale staat in een Derdewereldland eenzelfde mooi gezicht zou kunnen hebben als in het rijke Westen. Maar dit machteloze, corrupte zootje dat zich overheid noemt ís het gezicht van het neoliberalisme in de Derde Wereld. Een staat met zo’n klein budget moet wel corrupt, instabiel en onmachtig zijn.
Het is die zwakte van de Filippijnse failed-state die het bedrijfsleven en delen van de elite maar al te goed uitkomt. Ondernemingen, bijvoorbeeld actief in de mijnbouw, hebben vrij spel. En als de centrale overheid al te grove uitbuiting of vernietiging van het milieu aan wil pakken, is er altijd wel een lokale heerser in te palmen om de praktijken alsnog door te kunnen zetten. Bello concludeert dan ook dat de ware reden waarom de Filippijnse overheid niet functioneert, is omdat zij niet behoort te functioneren. De bittere conclusie is dat ontwikkeling volgens neoliberale snit in een land als de Filippijnen neerkomt op afbraak. Dit is geen ontwikkelings-, maar een anti-ontwikkelingsland.

Walden Bello e.a., The Anti-Development State: The Political Economy of Permanent Crisis in the Philippines, 2005 (tweede druk)

Filippino’s in Nederland

Tien procent van de Filippijnse bevolking - zeven miljoen mensen - werkt en leeft in het buitenland. Een op de drie gezinnen in Manilla heeft een familielid overzee. Ook Nederland kent een grote gemeenschap van Filippijnse arbeiders. Volgens de officiële cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek wonen er bijna 13.000 Filipino’s in Nederland. De migranten zonder verblijfsvergunning zijn onzichtbaar in de statistieken; het werkelijke aantal migranten uit de Filippijnen ligt waarschijnlijk dan ook veel hoger.
De eersten van hen kwamen hiernaartoe in de jaren zestig om als verpleger of in naaiateliers te werken. Tegenwoordig komen Filippino’s vooral naar Nederland om te werken op een olieplatform, als au pair of in de schoonmaakbranche. De overgrote meerderheid van deze arbeidsmigranten, van de groep met een verblijfsvergunning tweederde, zijn vrouwen. Hun positie is doorgaans erg kwetsbaar. Ze krijgen de slechts betaalde banen en hun werkgevers laten vaak na hen op de hoogte te stellen van hun rechten.
Omdat de situatie op de Filippijnen onverminderd slecht blijft en de Europese regeringen legale migratie vrijwel onmogelijk maken, kiezen velen ervoor om hier illegaal te leven. Een van de organisaties die in Nederland opkomt voor de rechten van deze mensen is de Commission for Filipino Migrant Workers (CFMW). De zelforganisatie bouwt mee aan netwerken van Filippijnse migranten, geeft voorlichting over hun rechten en doet onderzoek naar misstanden op de werkvloer.
Kijk voor mee informatie op www.cfmw.org

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren