Borderless

19 November 2019

Tegenstellingen in de EU

Ongeveer een kwart eeuw lang, van 1980 tot 2004, waren grote delen van de bevolking van nieuwe lidstaten enthousiast over de Europese Unie. Dat enthousiasme bekoelde naarmate duidelijk werd hoe de EU in het voordeel van de rijkste lidstaten werkt.

Veel Portugezen, Grieken en Spanjaarden zagen toetreding tot de EU als een waarborg voor politieke stabiliteit – alle drie hadden ze nog maar kort geleden een militaire dictatuur achter zich gelaten. Ook zag men een kans om de levensstandaard te verbeteren en in de eerste jaren na hun toetreding was er sprake van aanzienlijke financiële transfers van de rijkere EU landen richting de nieuwe lidstaten in Zuid-Europa. (niet toevallig was de EU veel minder populair in rijkere landen als Groot-Brittannië en de Scandinavische landen).

De toetreding van deze mediterrane landen tot de eurozone in het eerste decennium na de eeuwwisseling kon ook op positieve reacties rekenen. Alhoewel slechts mogelijk gemaakt door krediet steeg de welvaart. Iets soortgelijks gebeurde in de landen van het voormalige Oostblok: ook hier zag men toetreding tot de EU als een garantie voor politieke stabiliteit en het openen van de weg naar beter betaalde banen in het westen, krediet om uitgaven te kunnen doen stijgen en de kans om vrij rond te reizen in de unie. De transfers werden echter al snel drastisch ingeperkt en enkele productiesectoren, in het bijzonder de landbouw, liepen zware klappen op omdat zij moesten concurreren met de ontwikkelde West-Europese agriculturele industrie.

De jaren tussen 2008 en 2010 zijn een waterscheiding in de manier waarop Europeanen naar de EU kijken. De kritiek nam toe, vooral als gevolg van de neoliberale maatregelen van de Europese Commissie en hun beruchte beleid van het promoten van ‘vrije en eerlijke marktwerking’. Daar kwamen in 2009-2010 nog de gevolgen van economische crisis en de eurocrisis bij.

Kern en periferie in de EU

Op wereld niveau bestaat een rangorde met een ‘kern’, gevormd door de Verenigde Staten, de EU en Japan, en een periferie van zogenaamde ‘ontwikkelingslanden’. Een dergelijke hiërarchie bestaat ook tussen de 27 lidstaten van de EU: hier bestaat de kern uit de machtigste staten: Duitsland en Frankrijk maar ook Groot-Brittannië, Italië en de voormalige Benelux landen. De periferie is ondergeschikt aan besluiten van deze overheersende kern en bestaat voornamelijk uit landen in het zuiden en het oosten van de EU, plus Ierland in het westen. Eenzelfde tegenstelling tussen de 16 landen van eurozone resulteerde in de introductie van het acroniem PIGS (Portugal, Ierland, Griekenland, Spanje), wat tot grove racistische grappen leidde. De EU heeft altijd geweigerd om een gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen om nieuwe lidstaten te helpen hun economische achterstand vergeleken met de kern in te halen. Deze weigering is de belangrijkste oorzaak van de structurele economische ongelijkheden die nu het proces van Europese integratie belemmeren.

In de afgelopen tien jaar zijn Duitsland, Nederland en Oostenrijk een beleid gaan voeren dat ‘neo-mercantilistisch’ genoemd kan worden: door middel van het verlagen van lonen werd de export naar andere delen van de EU en vooral van de eurozone opgeschroefd. In september 2010 hadden 7,3 miljoen loonarbeiders in Duitsland slechts een parttime baan met een inkomen van 400 euro per maand. Duitsland heeft zo economisch een betere concurrentiepositie gekregen vergeleken met Griekenland, Spanje, Portugal en ook landen die niet tot de eurozone behoren als Roemenië, Bulgarije en Hongarije. Deze landen werden geconfronteerd met een groeiend tekort op de handelsbalans met Duitsland en andere kernlanden. Het huidige betalingstekort van deze landen is het spiegelbeeld van overschotten in de kernlanden, vooral in Duitsland. Dit tekort bestaat uit publieke en privé schulden en moet gecompenseerd worden door externe contributies: buitenlandse investeringen of leningen. Het betalingstekort bestaat voor het grootste deel uit privé-schulden, voornamelijk aan banken uit de kernlanden. Met uitzondering van Spanje werd weinig geïnvesteerd in deze periferie of werden investeringen teniet gedaan door kapitaalverlies omdat multinationals hun winsten naar huis haalden. In sommige Oost-Europese landen als Hongarije, Slowakije en de Tsjechische republiek verdwijnt op deze manier meer geld uit het land dan er door investeringen binnen komt.

We kunnen dus stellen dat de schulden van de periferie het gevolg zijn van het opereren van de commerciële sector in de EU. Omdat ze onmogelijk de concurrentie aan konden gaan met de kernlanden, gingen landen in de periferie lenen bij banken uit de kernlanden. Daarnaast maakten ze schulden bij de eigen financiële ondernemingen die sinds toetreding tot de eurozone een steeds grotere rol gingen spelen. De consumptie steeg en in sommige landen, Spanje, Ierland, Hongarije, Roemenië en Bulgarije, groeide een vastgoedbubbel die nu geklapt is.

Sinds het begin van de economische crisis is de rente steeds verder gestegen en dit betekent een nog grotere overheveling van kapitaal van de periferie naar de kern. Dit kapitaal zal voornamelijk gaan naar ondernemingen die obligaties van landen in de periferie gekocht hebben en naar de regering van kernlanden die Griekenland ‘steunen’ door het tegen 5,2 procent rente geld te lenen. Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk bijvoorbeeld lenen tegen twee procent rente maar verstrekken krediet tegen 5,2 procent – een zeer winstgevende manoeuvre. Vergeleken met 2007-2008 vragen de financiële markten nu twee of drie keer zoveel rente en het totaal aan schulden is enorm. Het geld dat de kernlanden lenen aan Griekenland, Ierland of Portugal wordt terugbetaald aan banken die een rente van tien procent of nog hoger berekenen. Kortom, de periferie wordt leeggezogen door de kern.

Daarnaast wordt kapitaal van de periferie naar de kern overgeheveld door ongelijke handel omdat Duitsland en andere kernlanden productiever zijn dan de periferie. Zoals Marx schreef in deel drie van Das Kapital: ‘Kapitalen geïnvesteerd in handel met het buitenland kunnen een hoger winstpercentage opleveren omdat, ten eerste, zij wedijveren met handelswaar geproduceerd in andere landen met inferieure productie krachten waardoor het meer ontwikkelde land zijn waren boven de waarde kan verkopen maar toch nog goedkoper dan de concurrerende landen. (…) Hetzelfde kan zich voordoen in relatie met het land waar de koopwaar naar toe wordt geëxporteerd en het land van waaruit handelswaar wordt geïmporteerd: namelijk dat de laatste meer gematerialiseerde arbeid aanbiedt als soort dan dat het ontvangt en daarbij toch handelswaar goedkoper ontvangt dan het zelf kan produceren.’

Een ander Europa

Verschillende bepalingen in de verdragen die vorm geven aan de EU, de eurozone en de Europese Centrale Bank moeten worden geschrapt. Artikelen 63 en 125 van het verdrag van Lissabon bijvoorbeeld verbieden transfer van kapitaal of hulp aan een land dat in moeilijkheden verkeert en moeten worden geschrapt. Ook het ‘Stabiliteits- en Groeipact’ moet geschrapt worden. De huidige verdragen moeten vervangen worden door nieuwe overeenkomsten die op democratische wijze opgesteld zijn. Op die manier kunnen verschillende landen vorm geven aan solidariteit en zowel werkgelegenheid als milieu in acht nemen.

Het monetair beleid en de statuten en praktijk van de ECB moeten grondig op de schop. De politiek kan de ECB nu niet dwingen extra geld uit te geven en dit is een serieuze belemmering. De EU heeft een rampzalige keuze gemaakt door de ECB boven de landelijke regeringen en daarmee de bevolking te plaatsen: mensen zijn ondergeschikt gemaakt aan geld.

De logica van het neoliberalisme leidde tot de crisis en heeft gefaald. Het was deze logica die sociale standaarden omlaag drukte: minder sociale zekerheid, minder banen, minder publieke voorzieningen. Een kleine minderheid heeft geprofiteerd van de crisis door de rechten van anderen te vertrappen. De schuldigen worden beloond, de slachtoffers betalen! De basis van de EU, met het Stabiliteits- en Groeipact voorop, rust op deze onhoudbare logica. Nu meer dan ooit moeten we streven naar een ander Europa, gebaseerd op solidariteit.

Een democratisch Europa moet weigeren bepaalde principes ter discussie te stellen. Sociale en financiële gerechtigheid moet verdedigd en verbeterd worden. Door het terugschroeven van de bewapening en het verlaten van NAVO kan geld beschikbaar komen voor sociale voorzieningen. Een op de toekomst gericht Europa moet kiezen voor duurzame energie en het beleid van ‘fort Europa’ onmiddellijk verlaten. Een Europa gebaseerd op solidariteit en samenwerking moet een Europa gebaseerd op de concurrentie die alle standaarden naar beneden drijft vervangen.

 

Eric Touissant is voorzitter van het ‘comité voor de afschaffing van de schuld van de derde wereld’ en schrijver van verschillende boeken over internationale financiële instituten. Dit is een bewerking van een artikel dat eerder verscheen op www.internationalviewpoint.org

 

Tags: 
Dossier: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren