Borderless

16 November 2019

Marx en het ‘wetenschappelijk socialisme’

Woordje vooraf. Over het algemeen publiceren wij op Grenzeloos artikelen die betrekking hebben op de actualiteit. Maar af en toe plaatsen we ook stukken die niet direct een relatie hebben met actuele ontwikkelingen maar die ons inziens toch van belang zijn. Het stuk over Marx en de arbeiders dat we hier publiceren is daar een voorbeeld van. Het werd oorspronkelijk in 1982 samen met een stuk van Ronald Commers gepubliceerd in een brochure uitgegeven door Uitgeverij Leon Lesoil, (Antwerpen) en Internationale Socialistiese Publikaties (Amsterdam). Dankzij Adrien Verlee die de tekst beschikbaar stelde op het Nederlandstalige Marxistisch Internet-Archief kunnen wij hem hier opnieuw publiceren. [leestijd 70 minuten]

Een Pruisische politiespion schreef eens over Karl Marx, dat deze ‘iets demonisch en huiveringwekkends’ had. En hij voegde daaraan toe: ‘overigens ziet men op de eerste blik, dat men met een man van genie en van grote energie te doen heeft; zijn geestelijke superioriteit oefent een onweerstaanbare invloed uit op zijn omgeving’.

De mengeling van afschuw en bewondering, die uit deze woorden spreekt is symptomatisch voor vrijwel alle literatuur over Marx. De ‘grondlegger van het wetenschappelijk socialisme’ wordt aanbeden, verguisd of beide tegelijk. Hoe dan ook, negatief of positief, ‘aanraken’ is verboden. De klassieke definitie van het taboe dringt zich op. Wat Freud de ‘dubbelzinnigheid der gevoelsuitingen’ noemde, maakt een nuchtere en zakelijke beoordeling van Marx meestal onmogelijk. Daarin ligt waarschijnlijk ook de verklaring waarom er nauwelijks marxistische studies over Marx zijn. Waarom ziet men in Marx niet gewoon wat hij was: een gedeclasseerde burgerlijke intellectueel, die contact zocht met de arbeidersbeweging van zijn tijd?

Al meer dan vijftig jaar geleden deed Karl Korsch, de filosoof, het voorstel om het marxisme met zijn eigen methodes te onderzoeken. Nog steeds is daar weinig van terecht gekomen. In het onderstaande kleine essay wordt een bescheiden aanzet voor een marxistische Marx-biografie gegeven. Mijn belangstelling is daarbij vooral gericht op de verhouding tussen Marx en de arbeiders. Ik hoop aan te tonen, dat die relatie beslist niet zo simpel was als gewoonlijk wordt aangenomen. Historici zoals Na’aman, Brandenburg of Schäfer hebben de laatste twintig jaar materiaal aangedragen dat een kritische kijk op Marx rechtvaardigt. Enkele meer algemene conclusies, die uit dit alles volgen, geef ik in het laatste gedeelte van mijn beschouwing.

Nog een technische opmerking: teneinde de tekst niet door voetnotenkanker te laten overwoekeren heb ik de citaten van Marx en Engels op de Amerikaanse manier gecodeerd: in de tekst zelf wordt heel kort aangegeven waar ik ze vandaan heb gehaald. MEGA verwijst naar de Marx-Engels-Gesamtausgabe, Gr betreft de Grundrisse en MEW betekent Marx-Engels-Werke (allemaal DDR-edities). De code (MEW 13/17) geeft dus aan: Werke, deel 13, bladzijde 17.

“Alles möcht’ ich mir erringen,
Jede schönste Göttergunst,
Und im Wissen wagend dringen
Und erfassen Sang und Kunst”

(Alles zou ik willen veroveren,
elke schoonste gunst der goden,
en kennis gedurfd verwerven
en zang en kunst omvatten)

(Karl Marx, gedicht uit zijn studententijd)

Over de vroege jeugd van Karl Marx (geboren in 1818) is weinig bekend. We weten dat zijn vader, een welgestelde jurist in het West-Pruisische Trier, tot het meer verlichte deel van de burgerij behoorde. Voltaire, Rousseau, Kant, Locke en Leibniz: dat waren de denkers die deze man hogelijks waardeerde. Karls moeder was een zeer praktisch ingestelde vrouw van Nederlandse afkomst. Van haar stamt de gevleugelde – en wel érg Hollandse – opmerking, dat Karl beter kapitaal had kunnen maken dan erover schrijven.

Na zijn gymnasiumtijd en één jaar rechtenstudie in Bonn – waar hij onmiddellijk een slechte naam had gekregen als drinkebroer en vechtersbaas – werd Marx in 1836 door zijn vader naar Berlijn gestuurd. Hier werd een geheel andere Marx zichtbaar. De studentikoze bon vivant veranderde in een ontstellend ijverige kennisvergaarder. ‘In Berlijn aangekomen’, schreef hij aan z’n ouders, ‘sneed ik alle tot dan toe bestaande contacten af, legde met tegenzin af en toe bezoeken af en trachtte in wetenschap en kunst te verzinken.’ (MEGA III – 1/10)

Vanaf die tijd bleef Marx de onverzadigbare waarheidszoeker, die we kennen. Fritz Brupbacher karakteriseerde zijn theoretische persoonlijkheid treffend als volgt: ‘Iedere indruk, die van buiten komt, wordt onmiddellijk omgezet in abstractie en omgekeerd verlangt zijn onmiskenbaar abstract denkende brein naar steeds weer nieuwe prikkels, die het verwerken, abstraheren wil. (...) Reeds de jonge Marx bracht dagen en nachten, weken in het eenzame studeervertrek door en nam met ijzeren vlijt een enorme hoeveelheid kennis op, abstraheerde en systematiseerde, snakkend naar steeds weer nieuwe indrukken, teneinde de abstractie aller abstracties uit de verschijnselen te destilleren en zo via het abstractieproces te geraken bij de zin van de werkelijkheid, van het leven.’

Marx was een intellectuele alleseter geworden. In een lange brief uit 1837 aan zijn vader, die een half jaar later zou overlijden, schreef hij: ‘Daarbij had ik er een gewoonte van gemaakt uittreksels te maken uit alle boeken, die ik las, ondermeer uit Lessings Laokoon, Solgers Erwin, Winkelmanns kunstgeschiedenis, Ludens Duitse geschiedenis, en daar overpeinzingen bij te krabbelen. Tegelijkertijd vertaalde ik de Germania van Tacitus, de Libri Tristrium van Ovidius en begon privé, d.w.z. uit grammatica’s Engels en Italiaans te leren, waarmee ik tot nu toe niets heb bereikt, las Kleins strafrecht en zijn annalen en alle nieuwste literatuur.’ (MEGA III - 1/15) Dit alles (en nog meer) in een halfjaar, naast de gewone studie!

De gezondheid van Marx leed onder deze werkdrift. Zijn arts adviseerde hem op het platteland te gaan wonen. Marx vestigde zich in het gehucht Stralow, aan de rand van Berlijn. Daar leerde hij enkele leden van de zogenaamde ‘Doctorenclub’ kennen – een groep academici die regelmatig discussies organiseerde in een café aan de Berlijnse Gendarmenmarkt. Hoewel zelf nog niet afgestudeerd en behorend tot de jongeren verwierf Marx al snel groot aanzien bij de andere leden van de club. Eén van hen, Moses Hess, duidde hem enkele jaren later aan als ‘de grootste, misschien de enige thans levende werkelijke filosoof, die binnenkort, als hij in de openbaarheid zal treden, (...) de aandacht van heel Duitsland zal trekken’.

Via de Doctorenclub leerde Marx de wijsbegeerte van Hegel kennen, de grote Pruisische filosoof die enkele jaren eerder was overleden. Hegel zelf was een conservatieve denker geweest, die in de Pruisische staat de belichaming van zijn idealen had gezien. De leden van de Doctorenclub waren linkshegelianen, d.w.z. zij namen niet de politieke inhoud van Hegels ideeën over, maar wel de methode, die bekend staat als de dialectische. De dialectiek gaat ervan uit dat er geen stilstand is, dat alles zich ontwikkelt. Niets rust in zichzelf, maar elk verschijnsel draagt zijn eigen tegendeel in zich, eerst als kiem, later als directe tegenpool. De spanning tussen deel en tegen-deel leidt tot de overstijging (opheffing) van beide elementen in iets nieuws, dat zelf ook weer kiemen van een tegen-deel in zich bergt.

De doctoren gebruikten de dialectische methode vooral om het vraagstuk van de godsdienst te lijf te gaan. Vlak voordat Marx naar Berlijn was gekomen had één der linkshegelianen, David Friedrich Strauss, een boek over Het leven van Jezus gepubliceerd, waarin werd beweerd dat de Bijbelverhalen mythes vormen zonder reële historische inhoud. Destijds was dat een zeer schokkende mededeling; de Pruisische klassenmaatschappij werd immers met de Bijbel gerechtvaardigd. Kritiek op de Bijbel was daarmee onmiddellijk politieke kritiek op staat en samenleving. Daarop doelde Marx, toen hij schreef: ‘De strijd tegen de religie is dus direct de strijd tegen die wereld, waarvan het geestelijk aroma de religie is (...) De religie is de hunkering van het verdrukte schepsel, de inborst van een harteloze wereld, zoals zij de geest van geestloze toestanden is. Zij is de opium van het volk’ (MEW 1/379).

Van staatswege werd de religiekritiek niet zeer gewaardeerd, zoals te begrijpen valt. De overtuiging der linkshegelianen kostte hen hun academische loopbaan. Strauss verloor zijn docentschap in 1839, en Bruno Bauer – de centrale figuur van de Doctorenclub – werd in 1842 ontslagen. Marx had aanvankelijk gehoopt op een universitaire betrekking. Die kans was nu dus verkeken. Nadat hij in ’41 de titel ‘Doctor in de wijsbegeerte’ had verworven richtte hij zich daarom op de politieke journalistiek. De jonge liberale bourgeois werd in 1842 medewerker en al snel hoofdredacteur van het belangrijkste oppositionele burgerlijke blad, de Rheinische Zeitung in Keulen. Vrijwel dagelijks moest Marx conflicten uitvechten met censuur- en regeringsinstanties. Dat was één van de factoren, die hem duidelijk maakten dat kritiek op filosofie en religie ontoereikend is en dat het uiteindelijk gaat om de kritiek op de politieke en sociaaleconomische verhoudingen.

De eerste keer, dat Marx een concreet sociaal vraagstuk behandelde, was in de herfst van 1842, toen hij een reeks artikelen schreef over een wet tegen de houtdiefstal; veel paupers kapten hout in adellijke bossen om ’s winters thuis een vuurtje te kunnen stoken – daarop stonden zware straffen. Marx wierp zich op als verdediger van de armen en rechtvaardigde hun optreden. Een tweede keer behandelde Marx een sociale kwestie in het jaar daarop. Na een voetreis door het dal van de Moezel en na tal van gesprekken met de boeren daar schreef hij enkele artikelen waarin hij de Pruisische bureaucratie kritiseerde omdat ze de kleine boeren gewetenloos ruïneerde.

Naarmate hij sterker sociaal bewogen raakte begon Marx ook meer belangstelling te krijgen voor het filosofische materialisme. De hegelianen waren uitgegaan van de ideeën, van het denken, Marx begon nu uit te gaan van de materiële wereld, het doen van de mensen. Zijn leidsman daarbij was Ludwig Feuerbach, die vooral aandacht besteedde aan de concrete zinnelijkheid van de mens. Zijn befaamde adagium ‘De mens is wat hij eet’ vormt geen adequate samenvatting van zijn wijsbegeerte, maar geeft wel aan in welke richting zijn denken ging. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat de materialist Feuerbach (hij was al in ’36 door de universiteit ontslagen vanwege zijn religiekritiek) zich fel keerde tegen de Pruisische staat. Nog op hoge leeftijd sprak hij de heuglijke woorden: ‘Er zal geen verbetering komen totdat de laatste koning hangt aan de laatste papendarm’. (Marx heeft Feuerbach ook nadat hijzelf andere gedachten had ontwikkeld steeds een warm hart toegedragen).

Toen de regering in 1843 de ‘Rheinische Zeitung’ verbood werd daarmee aan Marx de laatste mogelijkheid ontnomen om politiek actief te zijn. Hij was nu definitief verstoten door zijn eigen klasse. Voortaan zou hij als een sociale randfiguur door het leven gaan. In juni van datzelfde jaar trouwde Marx met zijn jeugdliefde Jenny von Westphalen en verhuisde naar Parijs. In de lichtstad vulde Marx zijn tijd met historische, wijsgerige en economische studies. Daarbij kwam hij tot het inzicht dat de geschiedenis wordt bepaald door de economische en sociale ontwikkeling. Voor het eerst probeerde Marx zich nu op het standpunt der onderdrukte klassen te plaatsen.

De overgang van de bourgeoisie naar het proletariaat was dus, wat Marx betreft, in verschillende fasen verlopen. Na een eerste periode van ongericht zoeken volgde de ‘bekering’ tot het hegelianisme. De daaruit voortvloeiende religiekritiek leidde tot het verlies van een academisch toekomstperspectief. Zijn loopbaan als links-burgerlijk politiek journalist wekte bij Marx sociale interesse en belangstelling voor het filosofische materialisme. De beëindiging van deze loopbaan – en daarmee zijn declassering als burgerlijk intellectueel – deed Marx pogen zich aan te sluiten bij de belangen van de onderdrukte klassen, in het bijzonder van het proletariaat (In hoeverre die poging geslaagd is zullen we dadelijk nader bekijken). Er is een direct verband tussen de radicalisering en de declassering van Marx zichtbaar.

In september 1844 leerde Marx de jonge koopman Friedrich Engels kennen. Ook Engels had enige tijd filosofie gestudeerd in Berlijn. Na afloop van zijn militaire diensttijd was Engels op verzoek van zijn vader naar het Britse Manchester gereisd. In deze industriestad zag hij de massale ellende, die het kapitalisme veroorzaakte. Engels nam echter niet alleen de lijdende, maar ook de strijdende arbeiders waar en onderhield goede verbindingen met de chartistische arbeidersbeweging. In twee publicaties zette Engels zijn pas verworven inzichten uiteen: de Omtrekken van een kritiek der volkshuishoudkunde(1844), waarop ik nog terug kom, en De toestand van de arbeidende klasse in Engeland (1845). Engels was communist geworden. Bij hun ontmoeting bleken Engels en Marx het op alle belangrijke punten met elkaar eens te zijn. Hun beroemde vriendschap voor het leven was begonnen.

Begin ’45 werd Marx uit Frankrijk verbannen. Hij vestigde zich nu te Brussel. Korte tijd later begonnen hij en Engels met het schrijven van een lijvig boek, getiteld De Duitse Ideologie, waarin zij hun nieuwe theorie wilden uiteenzetten door middel van kritiek op Bruno Bauer, Feuerbach e.a. Het werk is tijdens hun leven nooit in druk verschenen, omdat geen uitgever bereid was het in zijn fonds op te nemen.

De Duitse Ideologie bevatte reeds vele essentiële uitgangspunten van het historisch materialisme. In tegenstelling tot de materialisten à la Feuerbach legden Marx en Engels de nadruk op het historische en vergankelijke van de dingen. Zij combineerden als het ware Hegels dialectiek met Feuerbachs materialisme.

‘Wij kennen slechts één enkele wetenschap, de wetenschap van de geschiedenis’, schreven ze. En die wetenschap moest niet van de hemel neerdalen op de aarde maar ‘van de aarde naar de hemel opstijgen’, ‘er wordt niet uitgegaan van datgene wat mensen zeggen, zich verbeelden, zich voorstellen (...); er wordt uitgegaan van de werkelijk actieve mensen en via hun werkelijk levensproces wordt de ontwikkeling van de ideologische reflexen en echo’s van dit levensproces weergegeven.’

Wat is die ‘werkelijk actieve mens’? Dat is de mens die leeft. ‘Voor het leven is vooral nodig eten en drinken, woning, kleding en nog een paar zaken’. Dit is het basisfeit waarop alle verdere theorie gebouwd dient te worden. De productie van het leven is een dubbele productie: enerzijds de dagelijkse arbeid om levensmiddelen etc. te verwerven, anderzijds het grootbrengen van de kinderen. Deze twee productieprocessen zijn beide maatschappelijk ‘in die zin, dat hieronder het samenwerken van meerdere individuen (...) wordt verstaan’. De hoogste vorm van maatschappelijke productie is het communisme, waarin de vervreemding is opgeheven, het privé-eigendom niet meer bestaat en de arbeidsdeling is opgeheven (MEW 3/18-35).

Terwijl zij deze gedachten noteerden probeerden Marx en Engels ook praktisch aansluiting te vinden bij de communistische beweging van hun tijd.

II

Parijs telde in de jaren dertig van de vorige eeuw zo’n 15 tot 30.000 Duitsers. Voor een klein gedeelte politieke vluchtelingen, merendeels echter ambachtslieden (kleermakers, schoenmakers enz.), die om economische redenen in de stad verbleven.

In 1834 ontstond uit de ‘Duitse volksvereniging’, waartoe vele der emigranten behoorden de Bond der Ballingen. Naar het voorbeeld van de Franse kleinburgerlijke republikeinen hielden de leden van de Bond zich vooral bezig met de ‘politieke bewerking van de Duitse ambachtslieden’ en met de ‘inwerking op de onderste volksklassen’.

De Bond vond gemakkelijk toegang bij deze sociale groepen. De regelmatige bijeenkomsten van Duitse ambachtslieden in kroegen en cafés werden benut om geschikte mensen te leren kennen. Bondsleden zongen radicale liederen en maakten zo hun opvattingen duidelijk. De discussies die daar op volgden werden gebruikt om politieke agitatie te bedrijven.

De Bond verenigde in zijn gelederen burgerlijke radicalen (journalisten e.d.) en meer plebejische halfproletarische werkers. Het duurde niet lang of daaruit ontstonden conflicten. Geleidelijk scheidden zich in de periode van 1835 tot ’37 groepen van de Bond af. Politieke en organisatorische meningsverschillen waren de oorzaak van dit splijtingsproces. De Bond der Ballingen was zeer autoritair georganiseerd: de leiding (aangeduid als ‘de berg’) was aan niemand verantwoording schuldig en kon zich geheel zelfstandig samenstellen. Besluiten werden van bovenaf bekendgemaakt zonder dat de leden geraadpleegd hoefden te worden. De basiseenheden van de organisatie (aangeduid als de ‘tenten’) hadden uitsluitend te gehoorzamen en opdrachten uit te voeren.

De tegenstelling tussen top en basis was tegelijkertijd een sociale tegenstelling: de ‘berg’ bestond uit kleinburgerlijke democraten, de ‘tenten’ omvatten vooral ambachtslieden en arbeiders. Het afgescheiden, meer plebejische, deel van de organisatie vormde in september 1937 de Bond der Rechtvaardigen, die wél democratisch gestructureerd was. De leiding (aangeduid als de ‘volkshal’) werd jaarlijks door alle leden gekozen en kon ook tussentijds worden afgezet indien de basis geen vertrouwen meer in haar had.

In de Bond der Rechtvaardigen – de eerste zelfstandige politieke organisatie van de Duitse arbeidersbeweging – werden omvangrijke politiek-theoretische debatten gevoerd. De in de Bond georganiseerde ambachtslieden waren mensen, die vaak nog wel hun eigen arbeidsmiddelen bezaten, maar zich toch al in een positie van loonafhankelijkheid bevonden. Gewoonlijk werkten zij in opdracht van ondernemers en soms ook in fabrieken en manufacturen.

In Frankrijk, maar vooral ook in Engeland, kwamen deze proletarische ambachtslieden in aanraking met de moderne industriële productie. De grote bedrijven toonden hen hun toekomst: verlies van de laatste restjes zelfstandigheid, een bestaan beheerst door honger en behoeftigheid. De opstand der ‘canuts’ in Lyon 1831, een der eerste bloedige conflicten tussen bourgeoisie en arbeiders, de aprilrevoltes van 1834 in Parijs en Lyon, de economische crisis van 1836-37 – dat alles liet bovendien zien dat de tegenstellingen in de kapitalistische maatschappij groeiden.

De leden van de Bond probeerden van al deze ontwikkelingen te leren. Zonder steun van ‘beroepsintellectuelen’ bouwden zij aan een eigen revolutionaire theorie. Terecht schreef Friedrich Engels vele jaren later: ‘Het strekt hen tot de hoogste eer, dat zij, die zelf nog niet eens volledig proletariërs waren, maar slechts een zich in de overgang naar het moderne proletariaat bevindend aanhangsel van de kleinburgerij, dat nog niet in directe tegenstelling tot de bourgeoisie, d.w.z. het grote kapitaal stond – dat deze ambachtslieden in staat waren hun toekomstige ontwikkeling instinctief te voorzien en, hoewel nog niet met volledig bewustzijn, zich als partij van het proletariaat te constitueren’ (MEW 21/211).

Wilhelm Weitling, een kleermakersgezel uit Magdeburg, die sinds 1835 in Parijs leefde, schreef op basis van de discussies binnen de Bond het program De mensheid hoe zij is en hoe zij zou moeten zijn. De leden van de Bond beschouwden deze publicatie als hun gemeenschappelijk werkstuk. Weitling was voor hen slechts de spreekbuis van de groep. Om de brochure te kunnen doen verschijnen brachten de leden ontroerende offers. Sommigen leenden daartoe hun kamer, anderen werkten ’s nachts als zetter, drukker of binder, nog anderen schonken geld, ja zelfs brachten zij bij gebrek aan geld hun uurwerken naar het pandhuis.

In het program werd gesteld dat er een ingrijpende en bloedige revolutie nodig zou zijn om het onrecht, de uitbuiting van de mens door de mens, af te schaffen. Een rechtvaardige maatschappij zou pas bestaan wanneer het communisme zou zijn verwezenlijkt: de goederengemeenschap waar het ordenende principe luidt: ‘een gelijke verdeling van de arbeid en een gelijk genot der levensmiddelen voor allen’. Weitlings communisme beschouwde zichzelf als onderdeel van een lange traditie: de Spartanen, Thomas Münzer, Jan van Leiden enz. Het program stelde duidelijk, dat de belangen van de arbeider en de bourgeois niet samenvallen en dat de arbeidersklasse zich daarom noodzakelijk zelfstandig zou moeten organiseren. De bevrijding van de arbeidersklasse kan slechts haar eigen werk zijn.

Toen in 1839 de Bond der Rechtvaardigen het slachtoffer werd van repressie van de kant van de Franse regering werden de activiteiten verplaatst naar Zwitserland en vooral naar Engeland. Ook in Duitsland zelf begon de Bond overigens enige invloed te verwerven. In Berlijn en Hamburg ontstonden afdelingen. In een reeks andere steden waren individuele leden actief.

In Londen was het vooral Karl Schapper, die het bondswerk voortzette. In februari 1840 richtte hij daar een ‘Communistische Arbeidersvormingsvereniging’ op – een met de bond gelieerde openbare organisatie. In Zwitserland was het Weitling, die de dragende kracht bleef. Tussen de verschillende secties van de bond was een intensief contact over de grenzen heen. Een regelmatige briefwisseling tussen Londen, Zwitserland en de restanten van de organisatie in Parijs zorgde voor uitwisseling van informatie en standpunten.

Al gauw werden meningsverschillen zichtbaar tussen Parijs en Londen enerzijds en Zwitserland anderzijds. Weitling radicaliseerde namelijk verder en begon steeds meer sympathie te voelen voor gewelddadige actie. In de lente van 1843 vatte hij zijn redenering als volgt samen: ‘We zijn nu in Zwitserland al met een paar honderd mensen. Laten we nu veronderstellen, dat iedereen elke maand iemand communist maakt, en deze nieuwe communist werft ook weer communisten, dan zijn we in het voorjaar van 1844 al met 40.000 man. Als 40.000 mannen in opstand komen, dan zou men wel respect voor ons krijgen.’ Ook pleitte Weitling voor de diefstal als revolutionaire daad, die het mogelijk zou maken het ‘lompenproletariaat’ te winnen voor de communistische revolutie.

De Parijse en Londense secties zagen niets in deze opvattingen. Zij gaven de voorkeur aan gestadige scholings- en voorlichtingsactiviteiten. Toen Weitling in ’44 naar Londen verhuisde omdat hij in Zwitserland eerst gevangen gezet en vervolgens verbannen was wegens godslastering, werden de discussies – die tot dan toe immers uitsluitend via brieven waren gevoerd – intensiever. Het centrale verschil in opvatting bleek betrekking te hebben op de vraag of het communisme reeds onmiddellijk te verwezenlijken zou zijn, of dat eerst aan bepaalde voorwaarden voldaan diende te zijn. Sommige communisten, zoals Pfänder en Mentel, meenden dat de tijd voor het communisme nog niet rijp was. Het communisme was in hun ogen het resultaat van een langdurig wetmatig proces, dat nog maar net was begonnen. Ook Schapper waarschuwde voor overhaaste revolutiepogingen. Laten we inzien, aldus Schapper, dat wij slechts bladeren zijn aan de grote boom van de mensheid en dat de komende generaties zullen oogsten wat wij met ons stille werken hebben gezaaid.

Lijnrecht hier tegenover stonden Weitling en Kriege, die van mening waren dat het communisme onmiddellijk te verwezenlijken zou zijn. Het communisme gedoogde geen uitstel: het ging daarbij immers om de enige mogelijkheid van het proletariaat om de huidige ellende te overwinnen. Voorlichting en scholing zouden daarom ontoereikend zijn. Vrijheid en recht konden slechts door harde strijd veroverd worden de tijd drong.

Opmerkelijk bij deze discussie is dat alle deelnemers aan het debat ervan uitgaan dat het communisme objectief-‘technisch’ gesproken allang mogelijk is. De standpunten verschillen alleen wanneer het gaat om het tempo waarmee het proletariaat leert – dus als het gaat om de subjectieve voorwaarden voor het communisme. Enkele jaren later zal dit tot heftige conflicten met Marx leiden. (zie VI).

III

In de lente van 1846 richtten Marx en Engels te Brussel het ‘Communistische Correspondentiecomité’ op. Dit comité, met vele contactpunten in Europa, was bedoeld om het wetenschappelijke socialisme in de jonge arbeidersbeweging te verankeren. Door middel van rondbrieven (‘Zirkulare’), ontelbare brieven en gesprekken, probeerden Marx en Engels hun ideeën te verspreiden. Dat gebeurde vanuit een zeer specifieke opvatting over hun eigen rol. Al in zijn Kritiek op Hegels wijsbegeerte van het recht uit ’44 had Marx geschreven: ‘Zoals de filosofie in het proletariaat haar materiële wapen vindt, zo vindt het proletariaat in de filosofie zijn geestelijke wapens, en zodra de bliksemschicht van de gedachte grondig is ingeslagen in deze naïeve volksbodem, zal zich de emancipatie van de Duitsers tot mensen voltrekken. (...) Het hoofd van deze emancipatie is de filosofie, haar hart het proletariaat. De filosofie kan zich niet verwezenlijken zonder de opheffing van het proletariaat, het proletariaat kan zich niet opheffen zonder de verwezenlijking van de filosofie.’ (MEW 1/391).

Marx plaatst hier bondig een aantal zaken tegenover elkaar:

Filosofie – proletariaat
geestelijk – materieel
hoofd van de emancipatie – hart van de emancipatie
bliksemschicht – naïeve volksbodem

Deze begripsparen laten duidelijk zien, dat Marx een soort arbeidsverdeling nastreefde, waarbij de radicale intelligentsia (de ‘filosofie’) de theorie ontwikkelt, die vervolgens door het proletariaat – deze ‘naïeve volksbodem’ – wordt opgezogen en in daden omgezet. Voorwaarde voor een dergelijk samengaan is, dat de theorie aansluit bij de problemen waar de werkende bevolking mee te kampen heeft: ‘De theorie wordt in een volk steeds slechts in zoverre verwezenlijkt, als zij de verwezenlijking is van zijn behoeftes (...) Het is niet voldoende, dat de gedachte naar de werkelijkheid streeft, de werkelijkheid moet zelf ook naar de gedachte streven.’ (MEW, 1/386).

Marx’ zelfbeeld als revolutionaire intellectueel komt hier duidelijk naar voren: hij ontwikkelt de theorie – het wetenschappelijk socialisme, – en draagt die over aan het proletariaat. Daarbij moet een dubbele strijd gevoerd worden: tegen ‘onwetenschappelijke’ opvattingen in het proletariaat en tegen concurrerende theorieën van andere intellectuelen. Slechts een helder ‘hoofd’ kan het ‘hart’ naar de overwinning leiden.

Marx ziet het verschil tussen zichzelf en de andere socialistische theoretici (Cabet, Proudhon enz.) vooral in het feit, dat de anderen ‘ideale’ systemen uitdenken over een perfecte communistische maatschappij, terwijl hij analyseert hoe de werkelijkheid zich ontwikkelt. De systeembouwers zijn volgens hem het product van de eerste, nog zeer onrijpe, fase van de arbeidersbeweging. In zijn venijnige aanval op Proudhon – het boek Misère de la philosophie uit 1847 – zette hij deze visie uiteen. ‘Zoals de economen de wetenschappelijke vertegenwoordigers van de bourgeoisklasse zijn, zo zijn de socialisten en communistende theoretici van de klasse van het proletariaat. Zolang het proletariaat nog niet genoeg ontwikkeld is, om zich als klasse te constitueren, en de strijd van het proletariaat met de bourgeoisie daarom nog geen politiek karakter bezit; zolang de productiekrachten nog in de schoot van de bourgeoisie zelf niet genoeg ontwikkeld zijn, om de materiële voorwaarden te laten doorschijnen, die nodig zijn voor de bevrijding van het proletariaat en de vorming van een nieuwe maatschappij – zolang zijn deze theoretici slechts utopisten, die teneinde de behoeftes van de onderdrukte klasse te bevredigen systemen verzinnen en naar een zich herstellende wetenschap zoeken. Maar in die mate waarin de geschiedenis voortschrijdt en daarmee de strijd van het proletariaat duidelijker trekken begint te vertonen, hoeven zij niet meer de wetenschap in hun hoofd te zoeken; zij hoeven zich alleen rekenschap te geven van datgene, wat zich voor hun ogen afspeelt, en zich tot het orgaan daarvan te maken. Zolang zij de wetenschap zoeken en alleen maar systemen maken, zolang zij zich in het begin van de strijd bevinden, zien zij in de ellende uitsluitend de ellende, zonder de revolutionaire omverwerpende kant erin te onderkennen, die de oude maatschappij op haar kop zal zetten. Vanaf dat ogenblik wordt de wetenschap het bewuste resultaat van de historische beweging en houdt zij op doctrinair te zijn, zij is revolutionair geworden.’ (MEW 4/143).

Hoofdprioriteit van het ‘Communistische Correspondentiecomité’ was dan ook de uitschakeling van de ‘doctrinaire’, ‘onwetenschappelijke’ opvattingen in de Bond der Rechtvaardigen. Het eerst kwam Weitling aan de beurt. Hoe dat in zijn werk ging weten we dank zij een verslag van Paul Annenkov, een Rus die destijds contact had met Marx. Vele jaren later, in 1880, publiceerde hij zijn herinneringen aan die periode in het tijdschrift ‘Vestnik Evropy’ (de Europese Bode). Ik zal het betreffende fragment geheel weergeven, omdat het ons een zeer typisch beeld van Marx verschaft. Op 29 maart 1846 stelde Annenkov zich in Brussel aan Marx voor: ‘Al tijdens de eerste ontmoeting nodigde Marx mij uit voor een bespreking, die de volgende dag zou plaats grijpen tussen hem en de kleermaker Weitling, die destijds in Duitsland een tamelijk grote arbeiderspartij achter zich had staan. Deze vergadering was belegd teneinde, indien mogelijk, de leiders van de arbeidersbeweging een gemeenschappelijke tactiek te doen overeenkomen. Ik aarzelde natuurlijk niet en gaf gevolg aan de uitnodiging.

De kleermaker Weitling was een knappe, blonde jongeman in een ietwat fatterig gemodelleerd jasje, met een koket opgedraaid snorretje. Hij leek eerder op een handelsreiziger dan op de sombere, verbitterde, door de last van de arbeid en van de gedachte neergedrukte arbeider, die ik had verwacht.

Nadat wij ons oppervlakkig aan elkaar hadden voorgesteld, wat van de kant van Weitling met een zekere gezochte hoffelijkheid geschiedde, gingen we aan een klein groen tafeltje zitten. Aan de smalle kant had Marx plaatsgenomen, het potlood in de hand, zijn leeuwenhoofd over een vel papier gebogen. Zijn onafscheidelijke vriend en compagnon in de propaganda, de rechte, Brits voorname, serieuze Engels met zijn hoge gestalte, opende de zitting met een toespraak. Hij zette uiteen, hoe noodzakelijk het is, dat de mannen die zich wijden aan de hervorming van de arbeid, hun opvattingen aan elkaar duidelijk maken en een algemeen program vaststellen, dat voor alle partijgangers, die óf niet de tijd óf niet de mogelijkheid hebben om zich met theoretische vraagstukken bezig te houden, als banier zou kunnen dienen, waarrond zij zich zouden kunnen scharen. – Hij was nog niet klaar met zijn toespraak of Marx richtte al zijn hoofd op en stelde rechtstreeks aan Weitling de vraag:

‘Vertelt u ons toch eens, Weitling, u die met uw communistische propaganda zo veel lawaai in Duitsland hebt gemaakt en zo veel arbeiders hebt aangetrokken, die u van hun werk en brood hebt beroofd: met welke argumenten verdedigt u uw sociaalrevolutionaire agitatie en waarop denkt u deze in de toekomst te grondvesten?’. Ik herinner mij nog heel precies zelfs de vorm van deze barse vraag, die in de kleine kring een hartstochtelijke discussie opende, die overigens, zoals ik zal laten zien, niet lang duurde.

Weitling leek de bespreking tot gemeenplaatsen van de liberale mooipraterij te willen beperken. Met een ernstige, bezorgde uitdrukking op zijn gezicht begon hij uiteen te zetten, dat het niet zijn taak was nieuwe economische theorieën te scheppen, maar dié theorieën te gebruiken die, zoals in Frankrijk duidelijk te zien is geweest, de arbeiders de ogen openen, die hen leren aan geen enkele belofte geloof te hechten en hun hoop uitsluitend op zichzelf te vestigen.

Hij praatte veel, maar tot mijn verbazing en in tegenstelling tot de toespraak van Engels onduidelijk en verward, ook wat de vorm betreft, zich vaak herhalend en de eigen woorden verbeterend en slechts met moeite conclusies bereikend, die bij hem vaker te laat of vroeger dan de voorwaarden kwamen. Hij had nu met geheel andere toehoorders te maken dan degenen die gewoonlijk zijn werkplaats omringden of zijn krant en zijn gedrukte pamfletten over de huidige economische toestand lazen, en hij raakte daardoor de vrijheid van het denken en spreken kwijt.

Hij zou vermoedelijk nog langer gesproken hebben, als Marx hem niet met toornig samengetrokken wenkbrauwen had onderbroken en met zijn antwoord was begonnen. De essentie van zijn tegenargument was, dat het eenvoudig bedrog is om het volk op te ruien, zonder het vaste grondslagen voor zijn handelingen te geven. Het opwekken van fantastische verwachtingen, waarvan zojuist sprake was geweest, aldus ging Marx verder, zou nimmer aan de lijdenden redding brengen, maar wel de ondergang. Vooral in Duitsland is de benadering van de arbeiders zonder streng wetenschappelijke ideeën en concrete leer niets anders dan een leeg, gewetenloos spel met de propaganda, waarbij aan de ene kant een geestdriftige apostel verondersteld wordt en aan de andere zijde uitsluitend ezels, die met opengesperde muilen luisteren. – Hier, voegde hij eraan toe, terwijl hij plotseling met een heftige handbeweging op mij wees, hier is een Rus in ons midden. In zijn land, Weitling, zou misschien uw rol op zijn plaats zijn, dáár alleen kunnen werkelijk met succes verenigingen van absurde apostelen en absurde volgelingen worden opgericht en bestaan.

In een beschaafd land als Duitsland, meende Marx verder, kan men zonder stevige, concrete leer niets beginnen en is ook tot nu toe niets bereikt behalve lawaai, schadelijke opwinding en vernietiging van de zaak zelf, die men ter hand heeft genomen.

De bleke wangen van Weitling kregen kleur en zijn taal werd vrij en levendig. Met een van opwinding trillende stem begon hij te bewijzen dat een man die honderden mensen in naam van de idee der rechtvaardigheid, solidariteit en broederliefde om zich heeft geschaard, niet een inhoudsloos, lui mens genoemd kan worden, dat hij, Weitling, zich bij de huidige aanvallen troost met honderden brieven, verklaringen en betuigingen van dankbaarheid, die hij uit alle delen van zijn vaderland ontvangt en dat misschien zijn bescheiden voorbereidende werk voor de gemeenschappelijke zaak van groter belang is, dan de kritiek en de schrijftafelanalyses, die ver van de lijdende wereld en de kwellingen van het volk worden ontwikkeld.

Bij de laatste woorden sloeg Marx in volle woede met de vuist zó hard op tafel, dat de lamp begon te beven en opspringend riep hij: ‘Nog nooit is de onwetendheid iemand tot nut geweest.’

Wij volgden zijn voorbeeld en stonden eveneens op. Het gesprek was ten einde, en terwijl Marx ongewoon boos en geprikkeld in de kamer op en neer liep, nam ik snel afscheid van hem en de anderen en ging naar huis – ten zeerste verrast door datgene wat ik zojuist had gezien en gehoord.’

Tot zover Annenkov. De geschilderde episode is van groot historisch belang. Op deze opmerkelijke avond in Brussel werd voor het eerst een deel van de arbeidersbeweging, belichaamd in Weitling, geconfronteerd met de leiderschapspretenties van de wetenschap, belichaamd in Marx. De wetenschap matigt zich daarbij een autoritaire houding aan tegenover het onwetenschappelijke arbeiderscommunisme. Het gesprek wordt geheel beheerst door Marx, die begint met een inquisitie-vraag en afsluit met een arrogante uitroep. De discussie zelf betreft niet de gemeenschappelijkheden van arbeiders en wetenschappers, maar de ‘onwetendheid’ van Weitling. Marx had niet de bedoeling Weitling op de een of andere manier voor te lichten of de les te lezen. Het verwijt van de onwetendheid was principieel bedoeld. Marx en Engels wisten dat Weitling, die zonder ‘streng wetenschappelijke ideeën’ werkte en toch vele arbeiders had georganiseerd, niet door hen zou worden overtuigd. Zij moesten daarom met Weitling breken om hun ambities te kunnen verwezenlijken.

Bij dit alles moeten we in gedachte houden dat de op dat moment 38-jarige Weitling internationaal bekend stond als de grondlegger van het Duitse communisme, wiens geschriften in het Engels, Frans en Noors waren vertaald, en die als onverzettelijke revolutionair ongeveer een jaar kerker achter de rug had. Marx (destijds 28 jaar) was net als Engels nog een vrijwel onbekende intellectueel. Zij probeerden bekendheid voor hun ideeën te verwerven door de befaamde Weitling zeer bruusk te kritiseren. In dat verband ging Engels in augustus 1846 naar Parijs om de daar verblijvende Duitse arbeiderscommunisten – in de briefwisseling tussen Marx en Engels regelmatig aangeduid als ‘lomperds’, ‘ezels’ en ‘landlopers’- te bewerken. Of, duidelijker gezegd, om de Weitling-aanhangers en andere concurrenten uit de Bond der Rechtvaardigen ‘te mieteren’ (MEW 27/32).

Na de confrontatie met Weitling probeerden Marx en Engels via hun correspondentiecomité de meerderheid van de Bond der Rechtvaardigen (Schapper c.s.) voor de eigen opvattingen te winnen. In tegenstelling tot hetgeen meestal wordt beweerd is deze poging nooit geheel geslaagd. Een brief van de Londense arbeiderscommunisten aan Marx en Engels van juli 1846 zegt bijvoorbeeld: ‘Jullie hebben gelijk, wanneer jullie de filosofische en sentimentele richtingen van het communisme bestrijden, zodra zij eenzijdig zijn en het alleenrecht opeisen, maar jullie moeten ook vermijden eenzijdig te worden – en jullie worden het wanneer jullie de mogelijkheid van het communisme uitsluitend willen grondvesten op de toenemende nood van de arbeiders en de vervolmaking van de machines etc. (...) Niet allen zijn zulke grote economen als jullie, verlangt daarom ook niet dat iedereen het communisme moet opvatten, zoals jullie dat doen.’

De Londense communisten zagen het ‘wetenschappelijke socialisme’ slechts als één theorie uit meerdere. Zij wensten een vreedzaam en tolerant naast elkaar bestaan der verschillende opvattingen. Bovendien meenden zij dat het communisme niet kan volstaan met een louter economische onderbouwing. Kortom: de Londense communisten geloofden dat Marx en Engels de beweging zeer van dienst zouden kunnen zijn, maar zij waren niet bereid zichzelf als de ‘naïeve volksbodem’ te beschouwen, waar de wetenschappelijke socialisten hen voor aanzagen.

IV

In februari 1847 werden Marx en Engels lid van de Bond der Rechtvaardigen, die zij tot dan toe van buitenaf hadden beïnvloed. Op het ogenblik van hun toetreding bevond de Bond zich juist middenin een uitgebreide programmatische discussie. De Londense leiding had een aantal problemen geformuleerd, zoals:
- ‘Wat is de plaats van het proletariaat tegenover de hoge en lage bourgeoisie?’
- ‘Wat is communisme, en wat willen de communisten?’
- ‘Op welke manier kan de goederengemeenschap het snelst en gemakkelijkst worden ingevoerd?’.

Op het eerste bondscongres (begin juni 1847) werd door 12 à 15 afgevaardigden over deze kwesties gedebatteerd. Tot de aanwezigen behoorden Engels (namens de Parijse communisten) en Wilhelm Wolff namens de rond Marx gegroepeerde Brusselse communisten. Op het congres werd een ‘communistische catechismus’ ontworpen, evenals nieuwe statuten. De naam van de Bond werd veranderd in Bond der Communisten. Op het tweede bondscongres (eind november, begin december 1847) – met als afgevaardigden behalve Engels nu ook Marx zelf – werden de statuten in iets gewijzigde vorm aangenomen. Artikel één luidde: ‘Het doel van de Bond is de omverwerping van de bourgeoisie, de heerschappij van het proletariaat, de opheffing van de oude, op klassentegenstellingen berustende burgerlijke maatschappij en de oprichting van een nieuwe maatschappij zonder klassen en zonder particuliere eigendom.’ (MEW 4/596) Marx kreeg de opdracht om de in de loop van het jaar gevoerde programmatische discussies in een manifest samen te vatten. In januari 1848 had Marx zich – bijgestaan door Engels – van deze taak gekweten. In februari rolde het eerste exemplaar van het Manifest van de Communistische Partij in Londen van de drukpersen.

Het Communistisch Manifest zet in vier hoofdstukken uiteen wat de communisten als ‘hun visie, hun doelstellingen, hun tendensen’ voor ogen hebben. Het eerste hoofdstuk behandelt uitvoerig de groeiende tegenstelling tussen proletariaat en bourgeoisie. ‘De gehele maatschappij splitst zich meer en meer in twee grote vijandige kampen, in twee grote, direct tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat’ (MEW 4/463) Naarmate de burgerlijke maatschappij zich ontwikkelt neemt de omvang en kracht van de arbeidersklasse toe. Het kapitalisme degradeert de arbeider tot ‘een louter aanhangsel van de machine’, zodat het werk onzelfstandig en onaantrekkelijk wordt. Omdat de proletariër steeds minder scholing nodig heeft, neemt zijn loon af. ‘De kosten, die de arbeider veroorzaakt, zijn bijna uitsluitend beperkt tot de levensmiddelen, die hij voor zijn onderhoud en voor de voortplanting van zijn soort nodig heeft. De prijs van een waar, dus ook van de arbeid, is echter gelijk aan haar productiekosten. In dezelfde mate, waarin de walgelijkheid van de arbeid groeit, neemt daarom het loon af.’ (MEW 4/469) De noodzaak van een omwenteling ten gunste van het proletariaat wordt van dag tot dag groter.

Het tweede hoofdstuk bespreekt de rol van de communisten binnen de proletarische verzetsbeweging: ‘De communisten zijn geen bijzondere partij tegenover de andere arbeiderspartijen. Zij hebben geen belangen die gescheiden zijn van de belangen van het gehele proletariaat. Zij stellen geen bijzondere principes op, volgens welke zij de proletarische beweging willen modelleren. De communisten onderscheiden zich van de overige proletarische partijen alleen doordat zij enerzijds in de verschillende nationale gevechten van de proletariërs de gemeenschappelijke, van de nationaliteit onafhankelijke belangen van het gehele proletariaat benadrukken en tot hun recht doen komen, en doordat zij anderzijds in de verschillende ontwikkelingsfasen, die de strijd tussen proletariaat en bourgeoisie doorloopt, steeds het belang van de beweging als geheel vertegenwoordigen. De communisten zijn dus praktisch het meest vastberaden, steeds verder drijvende deel van de arbeiderspartijen van alle landen.’ (MEW 4/474).

Hoofdstuk drie bevat een omstandige polemiek tegen andere socialistische opvattingen (Fourier, Cabet, Proudhon, Owen, e.a.). Het vierde hoofdstuk schetst tenslotte beknopt de taken voor de komende periode. ‘Hun grootste aandacht richten de communisten op Duitsland, omdat Duitsland aan de vooravond van een burgerlijke revolutie staat en omdat het deze omwenteling onder hoger ontwikkelde voorwaarden van de Europese beschaving in het algemeen en met een veel verder ontwikkeld proletariaat volbrengt dan Engeland in de 17de en Frankrijk in de 18de eeuw. De Duitse burgerlijke revolutie kan dus slechts het directe voorspel van een proletarische revolutie zijn.’ Daarom zullen de communisten in Duitsland ‘gemeenschappelijk met de bourgeoisie’ strijden ‘tegen de absolute monarchie, het feodale grondeigendom en de kleinburgerij.’ Tegelijkertijd zullen de communisten de arbeiders een zo helder mogelijk bewustzijn bijbrengen over ‘de vijandige tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat’ opdat onmiddellijk na de overwinning van de bourgeoisie ‘de strijd tegen de bourgeoisie zelf’ een aanvang kan nemen (MEW 4/492-93).

Het Communistisch Manifest is een ‘marxistisch’ werkstuk. Daarover kan geen twijfel bestaan. Maar betekent dit nu ook, dat met het verschijnen van het manifest de Bond der Communisten ‘marxistisch’ is geworden, zoals meestal wordt beweerd? Het antwoord moet ontkennend zijn. Veeleer is het Communistisch Manifest een tekst, die zó geformuleerd is, dat de verschillende stromingen uit de bond zich er alle in konden herkennen. We mogen niet vergeten, dat Marx het manifest schreef als samenvatting van de diverse discussiebijdragen die in de voorafgegane periode in de Bond naar voren waren gebracht. Marx moest van de verschillende opvattingen een voor de gehele organisatie aanvaardbare synthese maken – blijkbaar heeft hij dat met succes gedaan, want zijn tekst werd in Londen zonder aarzelen gedrukt. Men had deze taak aan Marx toebedeeld, niet zozeer omdat hij als de onbetwistbare theoretische leider werd gezien, maar omdat hij als vlot schrijvende en verstandige intellectueel daartoe in staat werd geacht. Dat de arbeiderscommunisten Marx niet als onmisbaar beschouwden blijkt ook wel uit het feit, dat het Londense centrale comité op 24 januari 1848 nog aan Marx had geschreven dat hij moest opschieten of men zou de opdracht aan iemand anders overdragen: ‘In het geval dat K. Marx het manifest niet opstelt, verlangt de centrale leiding de onmiddellijke terugzending van de hem door het congres overhandigde documenten.’ – aldus de aanmaningsbrief. Een week later was de tekst af, zodat sindsdien Marx’ naam met het manifest is verbonden.

V

In 1848 brak de revolutionaire storm los boven Europa. Het hevigst getroffen werden de heersende klassen in Frankrijk. De heerschappij van de grote geldmagnaten was ernstig in diskrediet gebracht door corruptie affaires en omkopingsschandalen. Eerste Minister François Guizot had geroepen ‘Verrijkt u zich, mijne heren!’ en de machtigen hadden graag aan zijn oproep gehoor gegeven. Zelfs de ‘burgerkoning’ Louis-Philippe had kans gezien zijn enorme vermogen door beursspeculaties verder te vergroten.

Toen vanaf 1847 een diepe economische crisis zichtbaar werd, kreeg de Franse regering het steeds moeilijker. Onder de werkende bevolking groeide de onvrede. Maar ook de industriële en handelsbourgeoisie, die geen deel had in de politieke macht, drong aan op veranderingen. In februari 1848 werd een door de diverse oppositionele stromingen georganiseerde manifestatie ten gunste van een parlementaire hervorming door de regering onderdrukt. Het volk van Parijs aanvaardde dat niet. Grote mensenmassa’s verzamelden zich uit protest op de boulevards bij de Champs- Élysées. Onder het zingen van de Marseillaise en het roepen van leuzen trokken arbeiders en studenten naar het Palais Bourbon, waar parlement en regering zetelden. Een bloedig treffen tussen soldaten en demonstranten was het resultaat. De revolutie was begonnen.

Metershoge barricades versperden in de volgende dagen de straten van Parijs; hardnekkige gevechten kostten vele doden. Toen de nationale Garde weigerde mee te doen aan de onderdrukking van de opstand en het moreel van de overige troepen snel bleek te verslechteren zette de koning Guizot af.

Maar de opstandelingen waren daarmee niet tevreden. Zij wilden veel méér dan een nieuwe minister-president. Een menigte bestormde het koninklijk paleis. Meer dan honderdduizend mensen namen er een kijkje. De troon werd verbrand op de Place de la Bastille. De monarchie was ten val gebracht. De nieuwe voorlopige burgerlijke regering kon slechts met moeite verhinderen, dat de Franse driekleur door een rode vlag werd vervangen. De arbeiders haalden een flinke buit binnen. De arbeidsdag werd verkort (tot tien uur in Parijs en elf uur in de provincie), pers- en vergadervrijheid werden hersteld en het kiesrecht uitgebreid.

Heel Europa volgde de Franse gebeurtenissen met spanning. Overal werden onderdrukte nationaliteiten en bevolkingsgroepen erdoor geïnspireerd. In maart 1848 verdreven de bewoners van Milaan de Oostenrijkse bezettingsmacht; tezelfdertijd braken de opstanden uit in Hongarije en bij de Tsjechen. Slovaken, Serviërs, Slovenen en Kroaten kwamen in beweging tegen de Habsburgse monarchie. In het Poolse Poznan ontbrandde het verzet tegen de Pruisische overheersing. En ook België en Engeland raakten in beroering.

In het Duitse rijk was de reactie op de Franse gebeurtenissen het sterkst. In tegenstelling tot Frankrijk, waar al eeuwen een centrale staat bestond, was Duitsland nog versnipperd. Daardoor nam de revolutie hier de vorm aan van een groot aantal betrekkelijk geïsoleerde opstanden: eerst in het Groothertogdom Baden – dat aan Frankrijk grensde – en vervolgens in de andere delen van het rijk. Na dagenlange straatgevechten in Berlijn werd zelfs de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV op de knieën gedwongen en genoodzaakt democratische hervormingen door te voeren. Overal werden nieuwe regeringen benoemd, bestaande uit vertegenwoordigers van de liberale grootburgerij. In Pruisen werd Ludolf Camphausen – een groothandelaar in olie en graan – de nieuwe minister-president.

Vanaf de eerste dag probeerden de nieuwe regeringen ‘rust en orde’ te herstellen. De volksmassa’s waren nuttig geweest bij het veroveren van de politieke macht door de bourgeoisie, maar nu dit eenmaal bereikt was diende de beweging weer aan banden te worden gelegd, volgens het motto: ‘De moor heeft zijn schuldigheid gedaan, hij kan gaan’.

De omvang van het proletariaat was in deze tijd nog betrekkelijk gering. Echte fabrieksarbeiders vormden een kleine minderheid van de bevolking. Veel loonafhankelijken waren thuiswerkers, gezellen of behoorden tot het dienstpersoneel. In Pruisen telde men bijvoorbeeld krapjes 600.000 fabrieksarbeiders en 350.000 gezellen en leerlingen op een totale bevolking van ruim zestien miljoen. Desondanks gaf de arbeidersklasse blijk van groeiend klassebesef. In het kielzog van de revolutie ontstonden vanaf eind maart 1848 op vele plaatsen arbeidersverenigingen. Niet, dat al deze verenigingen socialistisch waren; het merendeel stond nog sterk onder burgerlijke invloed. Maar er was niettemin een begin van zelforganisatie.

De belangrijkste centra van arbeidersstrijd waren Berlijn, de hoofdstad van Pruisen, en Keulen, het middelpunt van de Duitse industrie. De Berlijnse arbeiders stonden helemaal aan het begin van hun leerproces. Via barricadegevechten hadden zij de burgerij in het zadel geholpen – en nu waren ze achteraf teleurgesteld. Acht dagen na de overwinning vond dan ook een grote bijeenkomst plaats, waaraan meer dan twintigduizend mensen deelnamen. De discussie eindigde in een volslagen chaos. Praatjesmakers en demagogen stichtten verwarring en zorgden voor een mislukking.

Een paar dagen later kwam een groep van 150 arbeiders bijeen om over deze en eerdere ervaringen te praten. De groep kwam tot de gevolgtrekking, dat men eerst in kleinere kring duidelijkheid moest scheppen voordat men weer massameetings zou organiseren. De vergadering besloot daarom alle Berlijnse vakbonden, bedrijven enz. uit te nodigen om vertegenwoordigers te kiezen, die een centraal comité zouden moeten vormen voor alle arbeiders van de stad.

Aldus geschiedde. Op 19 april was het comité reeds opgericht. Onmiddellijk begon het met agitatie, publicaties en vergaderingen. Vanaf 1 juni liet het comité drie keer per week Das Volk verschijnen – een krant, die als doelstelling had ‘enerzijds de burgerij te ondersteunen bij de strijd tegen de aristocratie, tegen de middeleeuwen, tegen de machten van gods genade, anderzijds de kleine ambachtslieden en de arbeiders bij te staan tegen de macht van het kapitaal en de vrije concurrentie.’

Vanuit Berlijn werd het initiatief genomen tot de oprichting van een arbeidersparlement voor heel Duitsland, dat zou moeten ijveren voor de afschaffing van de werkloosheid, staatsvoorzieningen voor invalide arbeiders, beperking van de arbeidsduur, progressieve inkomstenbelasting, gratis onderwijs, kosteloze rechtsbijstand enz. Het ‘parlement’ kwam bijeen op 23 augustus 1848. Aanwezig waren vertegenwoordigers van 35 arbeidersverenigingen, uit Berlijn, Breslau (Wroclaw), Hamburg, Leipzig, Königsberg (Kaliningrad), München en andere grote Duitse steden. Het congres besloot tot de vorming van een overkoepelende landelijke organisatie, de Arbeidersverbroedering, met een trapsgewijze opbouw van plaatselijke en regionale comités, en een centraal comité als hoogste instantie. De nieuwe bond – de eerste massaorganisatie van de Duitse arbeidersklasse – groeide snel. Afdelingen schoten uit de grond.

De belangrijkste leider van de Arbeidersverbroedering was ongetwijfeld de typograaf Stephan Born (schrijversnaam van Simon Buttermilch). Born was een van de zeer weinigen, die het Communistische Manifest echt hadden begrepen. Hij kende Marx en Engels al sinds hun Brusselse tijd persoonlijk en werd door Marx beschouwd als een ‘modelleerling’. Born probeerde nu dus via de arbeidersverenigingen de Duitse proletariërs de ideeën van Marx bij te brengen: heel langzaam en voorzichtig, opdat er sprake zou zijn van een werkelijk diepgeworteld leerproces. In toespraken, op congressen en in artikelen zette hij de grote tegenstelling uiteen tussen ondernemers en arbeiders. Aan de ambachtelijke gezellen legde Born uit, dat zij niet met hun meesters solidair moesten zijn maar met de fabrieksarbeiders; dat de meesters in feite solidair waren met de fabriekseigenaren, en dat de maatschappij anders in elkaar zit dan ze tot dan toe hadden verondersteld. Het blad Verbrüderung – de opvolger van Das Volk – werd al snel het meest populaire blad van de werkende bevolking. Zelfs toen alle redactieleden gevangen werden gezet kon het blijven voortbestaan. Het voorzag in een werkelijke behoefte.

Vanuit socialistisch standpunt gezien was de Arbeidersverbroedering het belangrijkste resultaat van de periode na de revolutie van ’48. Toch negeerden Marx en Engels deze hele ontwikkeling (In de meeste Marx-biografieën wordt er dan ook geen aandacht aan besteed). De reden daarvan zal aanstonds duidelijk worden.

Na de geslaagde maartrevolutie had de Bond van Communisten zichzelf ontbonden. De meeste leden, die tot dan toe in Londen, Parijs of Brussel hadden gewoond, keerden terug naar hun vaderland om in de diverse steden de democratische bewegingen te versterken. Marx en Engels vestigden zich in Keulen en namen deel aan de oprichting van een nieuwe krant, de Neue Rheinische Zeutung (NRZ). De NRZ (ondertitel ‘Orgaan van de democratie’) beschouwde zichzelf als de spreekbuis van de radicale democraten. De lijn van het blad bestond eruit de liberale bourgeoisie ‘rode peper in de kont’ te strooien; de brede volksmassa’s van kleinburgers, arbeiders en boeren moesten de grootbourgeoisie voorwaarts drijven. De arbeiders dienden zich te organiseren, maar niet om hun eigen eisen naar voren te brengen, doch om de grootbourgeoisie tot democratische maatregelen te dwingen. De actieve rol bij de invoering van de politieke democratie was bestemd voor de burgerij. Daarom wilde de NRZ bijvoorbeeld niet, dat er arbeiders in de parlementen zouden komen. Over de opstelling van een proletarische kandidaat in Elberfeld berichtte de krant dan ook zeer sceptisch en toen de gekozen wever na korte tijd terugtrad kon men zijn vreugde nauwelijks verhelen. Geheel in dit kader schreef Engels vanuit Barmen aan Marx: ‘De arbeiders beginnen enigszins in beweging te komen, nog zeer onbehouwen, doch massaal. Ze hebben onmiddellijk coalities (belangenorganisaties – Mvdl) gevormd. Dat is echter voor ons juist een obstakel.’ (MEW 27/126) Marx en Engels keerden zich tegen de zelfstandige klasseactie van de arbeiders; hun analyse had hen immers gezegd, dat de revolutie burgerlijk zou zijn. De arbeiders wilden in hun onbesuisdheid echter méér dan dat en liepen hen zodoende voor de voeten. Daarom paste ook de Arbeidersverbroedering niet in de theorie en werd zij door het wetenschappelijk socialisme verwaarloosd. De eerlijkheid gebiedt te vermelden, dat Marx en Engels in de nadagen van de revolutie, in het voorjaar van 1849, erop aandrongen, dat de Keulse arbeidersvereniging zich wél aansloot bij de Arbeidersverbroedering. Deze manoeuvre vormde echter slechts een zwaktebod. Later hebben de beide wetenschappelijke socialisten deze episode zoveel mogelijk verhuld. Toen Engels in 1885 terugblikte probeerde hij de Arbeidersverbroedering te kleineren door (geheel ten onrechte) te schrijven dat zij ‘grotendeels alleen op papier bestond en een zo ondergeschikte rol speelde dat de reactie pas in 1850 het nodig vond haar te onderdrukken’ (MEW 21/219). Over de Keulse toenadering van 1849 repte hij met geen woord.

VI

In de eerste helft van 1849 slaagden de conservatieve krachten in Duitsland erin de ‘orde’ te herstellen. Het verzet van de bevolking was gebroken. De NRZ werd verboden. Op 19 mei verscheen het laatste nummer, geheel gedrukt met rode inkt. Marx moet het land verlaten. Aanvankelijk probeerde hij zich met zijn gezin in Parijs te vestigen. Maar ook daar werd hem gauw het verblijf onmogelijk gemaakt. Zo vertrok hij naar Londen, waar hij in augustus 1849 arriveerde en voor de rest van zijn leven zou blijven wonen.

De communistische vereniging voor arbeidersvorming bestond daar nog steeds. Weliswaar hadden veel oude leden de roep van de revolutie gevolgd en waren weer naar Duitsland getrokken, maar een aantal had er de voorkeur aan gegeven in Engeland te blijven. Oude leiders, zoals Karl Schapper waren wel naar Duitsland gegaan, maar hadden er later de voorkeur aan gegeven weer naar de Britse hoofdstad terug te keren. Marx trad toe tot de vereniging en probeerde haar naar zijn opvatting te modelleren. In maart 1850 publiceerden hij en Engels een discussietekst, waarin zij poogden de lessen te trekken uit de mislukte revolutie van 1848-49. Terwijl zij voorheen de arbeidersklasse in Duitsland als een aanhangsel van de bourgeoisie hadden behandeld, schreven zij nu dat bij een volgende revolutie de arbeiders moesten trachten ‘met alle mogelijke middelen’ eigen kandidaten in het parlement te krijgen. ‘Zelfs daar, waar geen enkele kans op succes aanwezig is, moeten de arbeiders hun eigen kandidaten opstellen om hun zelfstandigheid te bewaren, hun krachten te tellen, hun revolutionaire positie en partijstandpunten in de openbaarheid te brengen.’ (MEW 7/251)

Enkele maanden later formuleerden Marx en Engels hun visie op de oorzaken van komende revoluties. ‘Een nieuwe revolutie’, schreven zij, ‘is alleen mogelijk als gevolg van een nieuwe crisis.’ Zolang er economische voorspoed heerst ‘kan van een werkelijke revolutie geen sprake zijn. Een dergelijke revolutie is alleen in de periodes mogelijk waarin deze beide factoren, de moderne productiekrachten en de burgerlijke productievormen, met elkaar in tegenspraak geraken.’ (MEW 7/440)

Deze theorie die de revolutie uit objectieve ontwikkelingen afleidde, stuitte binnen de Londense communistenbond op hevig verzet. Op een vergadering in september 1850 scheurde de organisatie: aan de ene kant stonden Marx en Engels, gesteund door enkele arbeiderscommunisten (Pfänder, Eccarius) en aan de andere kant Willich, Schapper en de meerderheid van de leden. In zekere zin herhaalde zich de discussie, zoals die eerder in Brussel tussen Marx en Weitling was gevoerd. Marx legde de nadruk op de objectieve, ‘wetmatige’ aspecten; de meerderheid van de arbeiderscommunisten schonk, net als Weitling destijds, vooral aandacht aan de subjectieve voorwaarden van een omwenteling. Schapper en de zijnen meenden dat de proletarische heerschappij elk moment tot stand zou kunnen komen, op voorwaarde dat de arbeidersklasse daartoe bereid zou zijn. ‘Zou dat niet het geval zijn, dan zou ik net zo goed kunnen gaan slapen’, merkte Schapper op. Marx wees dit revolutionaire ongeduld af op grond van zijn wetenschappelijke benadering. Zijn stelling luidde: ‘Jullie moeten 15, 20, 50 jaar burgeroorlog meemaken, om de verhoudingen te veranderen, om jullie zelf de vaardigheid tot heersen bij te brengen.’ (MEW 8/598)

Aan alle betrokkenen was duidelijk dat er sprake was van een zeer principieel verschil in opvatting: geeft de subjectieve wil of de objectieve mogelijkheid tot verandering de doorslag? De definitieve opheffing van de Bond der Communisten maakte in elk geval één ding duidelijk: het ‘marxisme’ was nooit werkelijk tot de arbeiderscommunisten doorgedrongen. Teleurgesteld schreef Engels in februari 1851 aan Marx: ‘Hebben wij niet sedert zo-en-zoveel jaar gedaan, alsof janrap en zijn maat tot onze partij behoorden, terwijl wij helemaal geen partij hadden en de mensen, die wij beschouwden als aanhangers van onze partij, althans officieel, (...) zelfs niet de uitgangspunten van onze zaken begrepen hadden?’ (MEW 27/190).

VII

Karl Marx is in bredere kring vooral bekend als de auteur van de driedelige studie Het Kapitaal – overigens naar alle waarschijnlijkheid een van de meest genoemde en minst gelezen boeken aller tijden. Het Kapitaal heeft een zeer langdurige en moeizame wordingsgeschiedenis gekend. Al in 1844 – drieëntwintig jaar voordat het eerste deel verscheen – was Marx begonnen met de systematische bestudering van de economie. Bewijs daarvoor zijn de in de lente van dat jaar gemaakte uittreksels van economische studies en een slechts als fragment bewaard gebleven manuscript over ‘Politiek en Economie’.

Bij zijn eerste terreinverkenningen werd Marx zeer sterk beïnvloed door Engels, die in datzelfde jaar in de ‘Deutsch-Französische Jahrbücher’ een uiterst belangwekkend essay had gepubliceerd over de Omtrekken van een kritiek der Volkshuishoudkunde. Uiteraard betreft het hier nog een zeer onrijpe publicatie, maar enkele essentiële uitgangspunten van Marx’ latere theorie waren er toch al geformuleerd. Het opstel opende bijvoorbeeld met de volgende zin: ‘De volkshuishoudkunde ontstond als een natuurlijk gevolg van de uitbreiding van de handel en met haar komt in de plaats van het eenvoudige onwetenschappelijke gesjacher een ontwikkeld stelsel van het geoorloofde bedrog, een complete verrijkingswetenschap.’ (MEW 1/ 499) Het klassekarakter van de heersende economische theorie werd hier dus duidelijk aan de kaak gesteld. Daarmee samenhangend kwam Engels tot de ontdekking, dat de burgerlijke economie voortdurend over kapitaal praat en nauwelijks over arbeid, hoewel toch uiteindelijk de arbeid ‘de hoofdzaak bij de productie’ is, omdat kapitaal ook slechts het resultaat van arbeid is (MEW 1/512). Voorts wees Engels op het feit, dat de concurrentie de drijfveer van het kapitalisme is en dat concurrentie het gevolg is van het bestaan van particuliere eigendom. ‘Uiteindelijk komt alles op concurrentie neer, zolang het particuliere eigendom bestaat’ (MEW 1/513). Zolang de concurrentie heerst, betoogde Engels verder, zullen er crises optreden. Hun einde is pas in zicht wanneer het huidige stelsel door een bewust gepland systeem wordt vervangen: ‘Als de producenten als zodanig wisten hoeveel de consumenten nodig zouden hebben, als zij de productie zouden organiseren, als zij haar onderling zouden verdelen, dan zou de wisselvalligheid van de concurrentie en haar neiging tot crisis onmogelijk zijn. Produceert met bewustzijn, als mensen, niet als versnipperde atomen zonder bewustzijn van de eigen soort, en jullie zijn van alle kunstmatige en onhoudbare tegenstellingen af. Zolang jullie echter doorgaan met de huidige onbewuste, gedachteloze, door het toeval beheerste manier van produceren, zolang blijven de handelscrises bestaan; en elke volgende moet universeler, dus erger worden dan de voorgaande, moet een grotere hoeveelheid kleine kapitalisten verarmen en de omvang van de louter van de arbeid levende klasse in toenemende mate vermeerderen.’ (MEW 1/515)

Aanvankelijk was Marx van plan op zeer korte termijn een economische studie te publiceren. Al in 1845 had hij een contract gesloten met uitgever Leske uit Darmstadt voor een boek met de voorlopige titel ‘Kritiek van de volkshuishouding’. Het wilde maar niet gereedkomen. Begin augustus 1846 beloofde Marx dat hij een eerste deel eind november zou hebben voltooid. ‘Het tweede deel kan snel volgen’ voegde hij er overmoedig aan toe (MEW 27/447). Maar ook daarvan kwam niets terecht. De revolutieperiode van ’48/49 legde vervolgens de studie lam. Pas in 1850 kon Marx de draad weer opnemen.

De 50er jaren waren voor Marx jaren van politiek en maatschappelijk isolement. In haar memoires schreef zijn vrouw Jenny later: ‘Karl deed aan geen enkele demonstratie meer mee. Hij en zijn vrienden traden uit de arbeidersvereniging en ieder van hen trok zich volledig terug in de privésfeer.’ Het organische contact tussen wetenschappelijk socialisme en arbeidersorganisaties was nu geheel verbroken. De arbeidersbewegingen in de verschillende Europese landen waren na de nederlagen van ’48-49 vrijwel uitgeschakeld. Zelfs stakingen kwamen in de eerste helft van de jaren vijftig nauwelijks voor. In deze fase van windstilte en reactie wijdde Marx zich aan de voortzetting van zijn economische studies. Zijn nieuwe woonplaats Londen was daarvoor bij uitstek geschikt. Niet alleen was Londen, als hoofdstad van het hoogst ontwikkelde kapitalistische land, de beste plek om de opkomende productiewijze praktisch te zien functioneren, ook had Marx sinds de zomer van 1850 toegang gekregen tot de bibliotheek van het British Museum (een instelling die niet voor iedereen toegankelijk was en is), zodat hem bijna alle belangrijke economische literatuur ter beschikking stond.

Na de literatuur enigszins verkend te hebben begon Marx in september 1850 met het maken van omvangrijke uittreksels van economische klassieken. Een hele reeks brieven aan Engels laat zien, dat Marx binnen korte tijd zeer fundamentele kritieken op de klassieke auteurs – vooral David Ricardo – ontwikkelde.

Gezien deze snelle vorderingen meende Marx reeds in april ’51: ‘Ik ben zover, dat ik over vijf weken met de hele economische stront klaar ben. Als dat gedaan is zal ik thuis de economie uitwerken en mij in het Museum op een andere wetenschap storten. Dit begint me te vervelen.’ (MEW 27/228) Dat het vervolgens toch nog zo vele jaren duurde voordat het project, althans gedeeltelijk, was voltooid had verschillende oorzaken. De minst belangrijke is waarschijnlijk dat Marx ondanks vele pogingen daartoe geen uitgever kon vinden. Belangrijker is, dat Marx bij de uitwerking van zijn kritiek van de politieke economie aanvankelijk dacht op alle belangrijke vragen een antwoord te hebben gevonden, maar bij verder doordenken steeds weer op nieuwe problemen stuitte. Een derde factor was de slechte financiële situatie waarin het gezin Marx verkeerde. Ondanks vele schenkingen van Engels was Marx genoodzaakt als ‘free lancer’ te schrijven voor de ‘New York Tribune’. Deze broodwinning noopte hem regelmatig om specifieke studies te verrichten die weinig met zijn theoretische werk te maken hadden. Marx haatte de journalistiek. In een brief uit ’53 klaagde hij hoe saai dit geknoei voor de krant was, hoeveel tijd het hem roofde en dat het allemaal uiteindelijk toch niks voorstelde (MEW 28/592). Eind ’57 schreef hij aan Lasalle, dat hij voor zijn wetenschappelijke studies alleen nog ’s nachts tijd had (MEW 29/548).

Van de zomer in 1851 tot eind ’52 werd Marx vrijwel geheel in beslag genomen door journalistieke bezigheden. Eind ’52 zette hij zijn studies voor korte tijd voort, maar al snel volgde een tweejarige pauze. Begin 1855 maakte hij een nieuwe start. Marx las zijn oude aantekeningen weer door. De ziekte van zijn vrouw, de dood van zijn zoontje Edgar en tenslotte ook zijn eigen verslechterende gezondheid zorgden echter voor de zoveelste onderbreking.

Eind ’56 werden de eerste tekenen zichtbaar van een nieuwe economische crisis. Marx verwachtte dat een revolutionaire situatie hieruit zou volgen, net als uit de crisis van 1847 de opstanden van ’48 gevolgd waren. Koortsachtig ging hij nu aan de slag om zijn werk af te hebben voordat het zover zou zijn. ‘Ik werk als gek door de nachten heen aan de samenvatting van mijn economische studies, opdat ik tenminste de hoofdlijnen duidelijk heb vóór de zondvloed’, schreef hij in december 1857 aan Engels (MEW 29/225). Welke intellectuele prestatie Marx leverde werd zichtbaar toen hij in maart 1858 het manuscript, bekend als de Grundrisse (Hoofdlijnen) in ruwe vorm had voltooid: in slechts negen maanden tijd had hij ruim 750 pagina’s tekst geproduceerd, terwijl hij daarnaast regelmatig bijdragen aan de New York Tribune had geleverd. Het behoeft dan ook niet te verbazen, dat Marx onmiddellijk na de afronding van zijn werk ernstig ziek werd als gevolg van overwerktheid en uitputting. Een persklare versie van de Grundrisse is er nooit gekomen. De nog ongepolijste aantekeningen werden pas in de jaren 1939-41 gepubliceerd door het Marx-Engels-Lenin-Instituut te Moskou.

Het is niet mogelijk hier uitgebreid in te gaan op de inhoud van de Grundrisse. Ik moet daarom volstaan met enkele opmerkingen. Het baanbrekende van de tekst zit allereerst in het methodische aspect. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Ricardo, die zich vooral met distributievraagstukken bezig hield, ging Marx er als eerste van uit, dat de maatschappij dient te worden gezien als een totale dialectische samenhang: productie, distributie, ruil en consumptie dienen als elementen van één groot economisch proces te worden gezien, die weliswaar verschillend zijn maar tegelijkertijd bij elkaar horen en elkaar wederzijds beïnvloeden. Het zijn allemaal ‘geledingen van een totaliteit, verschillen binnen één eenheid’ (Gr 20). De productie is daarbij natuurlijk het uitgangspunt, maar een voortgezet productieproces vereist distributie, ruil, consumptie enz. ‘Er vindt wisselwerking plaats tussen de verschillende momenten. Dit is het geval bij ieder organisch geheel.’ (Gr 20-21)

Bovendien – en daarin ligt toch wel zijn grootste verdienste – wijst Marx op het historische, vergankelijke, dynamische karakter van de verschillende productiewijzen. Met klem zet hij zich af tegen de burgerlijke economen, die net doen alsof de huidige maatschappij de enig denkbare is en die daarom de historische bepaaldheid ervan vergeten. In deze vergeetachtigheid ligt ‘de hele wijsheid van de moderne economen, die de eeuwigheid en harmonie van de bestaande maatschappelijke verhoudingen bewijzen.’ (Gr 9) Marx toont aan, dat de wareneconomie, zoals we die in het kapitalisme kennen, ontstaan is uit andere productiewijzen, die nog niet op veralgemeende warenproductie gebaseerd waren. De begrippen van de politieke economie (waar, kapitaal enz.) zijn dan ook historisch bepaald en niet geschikt voor de analyse van alle maatschappijformaties.

Marx beschouwde de Grundrisse slechts als een onderdeel van zijn geplande grote werk. Het plan voor de opbouw van die ultieme studie werd meerdere keren door hem veranderd. Toen hij met het schrijven van de Grundrisse begon had hij vijf boeken voor ogen (Gr 28-29), maar toen het manuscript zijn afsluiting naderde, was hij alweer van mening veranderd: er zouden zes boeken moeten komen, die achtereenvolgens zouden behandelen: het kapitaal, het grondeigendom, de loonarbeid, de staat, de internationale handel en de wereldmarkt (MEW 29/551). Alleen het boek over het kapitaal zou (gedeeltelijk) gereedkomen, maar er zaten uiteindelijk wel tal van elementen uit de andere geplande boeken in. Om zichzelf en zijn omgeving gerust te stellen publiceerde Marx in 1859 bij Duncker in Berlijn zijn eerste ‘echte’ economische werk, Bijdrage tot de kritiek van de volkshuishouding. Dit boek was echter duidelijk niet afgerond en Marx kondigde dan ook vervolgstudies aan (MEW 13/7). Acht jaar later, in ’67, kwam eindelijk het eerste deel uit van Het Kapitaal, zijn levenswerk.

VIII

In het voorwoord van Het Kapitaal vergelijkt Marx zichzelf met een fysicus, die natuurprocessen observeert. Hij spreekt over ‘de natuurwetten van de kapitalistische productie’, die hij beschouwt als ‘met ijzeren noodzaak werkende en zich doorzettende tendensen’ (MEW 23/12). Enkele bladzijden verder omschrijft hij zijn visie als het ‘standpunt, dat de ontwikkeling van de economische maatschappijformatie opvat als een natuurhistorisch proces’ (MEW 23/16). Marx lijkt hier geheel gevangen in een objectivistische maatschappijopvatting: als beoefenaar van het wetenschappelijk socialisme staat hij boven de werkelijkheid, bestudeert haar en hoopte haar ‘natuurwetten’ te ontdekken. Het subjectieve, de zelfstandige daad die tegen deze wetten in gaat, staat hier los van en past ook eigenlijk niet in de theorie. Het is precies deze objectivistische neiging van het wetenschappelijk socialisme, waar reeds de vroege arbeiderscommunisten zo’n moeite mee hadden. We herinneren ons nog hun klacht uit 1846: de theorie wordt ‘eenzijdig’ wanneer men het communisme uitsluitend wil grondvesten op economische wetmatigheden.

Marx heeft deze kritiek nooit begrepen. Zijn isolement in de jaren vijftig versterkte bovendien de objectivistische tendensen in zijn denken nog verder. Karl Korsch had gelijk toen hij in 1931 noteerde dat Marx’ theorie zich in de periode na 1850 steeds meer had ontwikkeld ‘tot een zuiver abstracte beschouwende theorie over de door uitwendige wetten bepaalde objectieve afloop van de maatschappelijke ontwikkeling (...) Onder de marxistische economie verstaan tegenwoordig zowel de apologeten als de critici van het marxisme gewoonlijk alleen nog maar een in de vorming van een wetenschappelijk systeem tot afronding komende poging tot theoretische afleiding van alle gegeven economische verschijnselen van de burgerlijke maatschappij uit het onkritisch aangenomen axiomatische grondbegrip van de “waarde”’.

In hoeverre is dit objectivisme in de analyses van het Kapitaal terug te vinden? De belangrijkste theoretische bijdrages van Het Kapitaal zijn de arbeidswaardeleer en de uitbuitings- of meerwaardetheorie. Marx zelf wees daarop in een brief aan Engels: ‘Het beste van mijn boek is ten eerste (daarop berust alle begrip van de feiten) het onmiddellijk in het eerste hoofdstuk beklemtoonde dubbelkarakter van de arbeid, al naar gelang zij zich in gebruikswaarde of ruilwaarde uitdrukt, ten tweede de behandeling van de meerwaarde onafhankelijk van de bijzondere vormen zoals winst, intrest, grondrente etc.’ (MEW 31/326).

Laten we eerst bekijken wat de arbeidswaardeleer volgens Marx in grote lijnen inhoudt. Daartoe volgen we zijn redenering in het eerste hoofdstuk op de voet.

a) Elke waar is primair ‘een uitwendig voorwerp, een ding, dat door zijn eigenschappen menselijke behoeften van een of andere soort bevredigt’ (MEW 23/49). Deze eerste ‘factor’ van de waar, de gebruikswaarde, is dus niets anders dan de nuttigheid van het product. Daarnaast kent elke waar nog een tweede ‘factor’: de ruilwaarde. Deze is niets anders dan de ‘kwantitatieve verhouding (...) waarin gebruikswaarden van een bepaalde soort geruild worden tegen gebruikswaarden van een andere soort.’ (MEW 23/50) Bijvoorbeeld: X schoensmeer wordt geruild tegen Y zijde enz. Elke waar is dus tegelijkertijd gebruikswaarde én ruilwaarde.

b) Vervolgens stelt Marx dat – als twee waren tegen elkaar geruild worden – er een derde factor moet bestaan, die in beide waren aanwezig is en hun fundamentele gemeenschappelijkheid vormt. Beide waren zijn gelijk aan een derde factor ‘die als zodanig noch het een noch het ander is. Ieder van beide moet dus tot een derde gereduceerd kunnen worden. Een eenvoudig meetkundig voorbeeld moge dit verduidelijken: om de oppervlakte van alle rechtlijnige figuren te bepalen en te vergelijken, lost men ze op in driehoeken. De driehoek zelf reduceert men tot een van zijn zichtbare figuur geheel verschillende uitdrukking – het halve product van zijn basis en zijn hoogte. Net zo zijn de ruilwaarden van de waren te reduceren tot iets gemeenschappelijks, waarvan zij een meer of minder vertegenwoordigen.’ (MEW 23/51)

c) Wat kan dit gemeenschappelijke derde van de waren zijn? Het gaat blijkbaar niet om hun stoffelijke eigenschappen, zoals kleur, gewicht, samenstelling enz., want van deze gebruikswaarde-eigenschappen wordt in het ruilproces nu juist geabstraheerd. ‘Ziet men af van de gebruikswaarde van de warenlichamen, dan rest hen nog slechts één eigenschap, die van arbeidsproducten.’ (MEW 23/52) Een gebruikswaarde heeft dus alleen waarde, indien zij een kristallisatie vormt van menselijke arbeid. De arbeid is dus de ‘waardevormende substantie’, waarvan de ruilwaarde de verschijningsvorm is. Hoe meer arbeid belichaamd is in een waar, des te groter is de waarde van die waar.

d) De hoeveelheid arbeid, die is opgegaan in een waar, wordt gemeten in arbeidstijd. Hoe langer de arbeidsduur, des te waardevoller de waar. Betekent dit nu, dat een waar, die vervaardigd is door een langzame, luie persoon meer waarde bevat dan een die uit snelle, vlijtige handen afkomstig is? Uiteraard ontkent Marx dat. Het gaat niet om de arbeidstijd als zodanig, maar om de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, dat wil zeggen, de ‘arbeidstijd, vereist, om één of andere gebruikswaarde voort te brengen met de aanwezige maatschappelijk-normale productievoorwaarden en de maatschappelijke doorsnee-graad van bekwaamheid en intensiteit van de arbeid.’ (MEW 23/53)

e) De arbeid, die een bepaalde waar voortbrengt, bezit blijkbaar een dubbelkarakter. Zij brengt immers tegelijkertijd een gebruikswaarde en een waarde voort. Zij is dus zowel waardevormend als gebruikswaardevormend. Marx noemt deze arbeid concrete arbeid (arbeid van de timmerman, de schoenmaker enz.) voor zover zij gebruikswaarde produceert. De arbeid is tevens abstracte arbeid voor zover het alleen om de waardevorming gaat. De concrete inhoud van de arbeid doet er dan niet meer toe. Niet wát er gemaakt wordt is dan van belang, maar hoeveel het gemaakte waard is.

In schema:
Schema arbeidswaarde

Tot zover de theorie van de arbeidswaarde. Direct met deze theorie verbonden is de theorie van de meerwaarde, die is opgebouwd rond het begrip van de abstracte, waardevormende arbeid.
a) Er is één waar, die zich van alle andere waren onderscheidt doordat zij in staat is méér waarde voort te brengen, dan zij zelf vertegenwoordigt: de arbeidskracht. ‘Onder arbeidskracht of arbeidsvermogen verstaan wij het geheel van de lichamelijke en geestelijke vaardigheden, die in de lijfelijkheid, de levende persoonlijkheid van een mens bestaan en die hij in beweging zet, zo vaak als hij gebruikswaarden van een bepaalde soort produceert’ (MEW 23/181). De arbeider biedt zichzelf, zijn arbeidskracht, aan op de markt. ‘Hij en de geldbezitter ontmoeten elkaar op de markt en treden in een verhouding tot elkaar als gelijkwaardige warenbezitters.’ (MEW 23/182). Geld wordt geruild tegen arbeidskracht.
b) ‘De waarde van de arbeidskracht is net als die van elke andere waar bepaald door de arbeidstijd die noodzakelijk is voor de productie, dus ook reproductie, van dit specifieke artikel (...) Voor zijn instandhouding heeft het levende individu een bepaalde som van levensmiddelen nodig. De voor de productie van de arbeidskracht noodzakelijke arbeidstijd lost zich dus op in de voor de productie van deze levensmiddelen noodzakelijke arbeidstijd, ofwel de waarde van de arbeidskracht is de waarde van de voor de instandhouding van haar bezitter noodzakelijke levensmiddelen’ (MEW 23/185). Voor zover de arbeider scholing heeft genoten verhogen de daarmee verbonden kosten de waarde van zijn arbeidskracht. Voor de doorsnee-arbeidskracht zijn deze kosten echter van weinig belang.
c) Wanneer de arbeider zijn arbeidskracht heeft verkocht gaat hij voor de kapitalist produceren. De producten zijn eigendom van de kapitalist. ‘De kapitalist betaalt bv. de dagwaarde van de arbeidskracht. Haar gebruik, net als dat van iedere andere waar, bv. van een paard, dat hij voor een dag huurt, is dus van hem gedurende die dag’ (MEW 23/200).
d) De waarde van de door de arbeidskracht voortgebrachte waren is groter dan zijn eigen waarde. Daardoor valt zijn arbeidsdag in twee delen uiteen. Gedurende één deel van de dag produceert hij de waarde die gelijk is aan de waarde van zijn arbeidskracht. Dit noemt Marx de noodzakelijke arbeidstijd. Voor de rest van de dag produceert de arbeider voor de kapitalist. Dit tijdsbestek noemt Marx surplusarbeidstijd. De waarde die in dit deel van de dag wordt geproduceerd, heet meerwaarde. ‘Zo doorslaggevend het voor de kennis van de waarde in het algemeen is, hem louter als stolsel van arbeidstijd te begrijpen, als louter veruitwendigde arbeid, zo doorslaggevend is het voor de kennis van de meerwaarde, hem louter als stolsel van surplusarbeidstijd, als louter veruitwendigde meerarbeid te begrijpen.’ (MEW 23/231)

Noodzakelijke arbeid en surplusarbeidstijd

e) De verhouding tussen noodzakelijke en surplusarbeidstijd noemt Marx de meerwaardevoet. ‘De meerwaardevoet is daarom de exacte uitdrukking van de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht door het kapitaal of van de arbeider door de kapitalist.’ (MEW 23/232) Marx geeft het volgende voorbeeld: een arbeider ontvangt een weekloon van £52. Hij maakt per week producten ter waarde van £132. Het wekelijks meerproduct heeft dan een waarde van £80 (£132 – £52). ‘De meerwaardevoet is dus 80/52 = 15311/13 %. Bij een tienurige doorsnee-arbeidsdag geeft dit: noodzakelijke arbeid = 331/33 uur en meerarbeid = 62/33 uur.’ (MEW 23/233)

Onmiddellijk valt op, dat in Marx’ theorie de klassenstrijd geheel ontbreekt. Wie mocht denken, dat de hoogte van het arbeidsloon het resultaat is van een krachtmeting tussen arbeiders en kapitalisten, kan zich beslist niet op Marx’ kapitaal beroepen. Marx reduceert de arbeiders – althans hun arbeidskracht – tot een waar, die in wezen niet verschilt van alle andere waren.

Steeds zijn er socialisten geweest, die daar grote moeilijkheden mee hadden. Eén van hen was bijvoorbeeld Karl Liebknecht, de revolutionair die in 1919 samen met Rosa Luxemburg werd vermoord. In zijn postuum uitgegeven Studies over de bewegingswetten van de maatschappelijke ontwikkeling merkte hij op dat- als Marx gelijk zou hebben – er eigenlijk helemaal niet over uitbuiting van de arbeidersklasse gesproken zou kunnen worden. Op de voor hem kenmerkende omslachtige manier schreef Liebknecht: ‘Bij Marx krijgt de arbeider zijn arbeidskracht als zodanig volledig betaald; alleen wordt in het arbeidsproces van een beweerde mystieke eigenschap (vaardigheid) van deze arbeidskracht geprofiteerd, namelijk die: meer te kunnen produceren dan voor haar reproductie nodig is. Deze constructie van de uitbuiting lijdt aan grote onduidelijkheid, ja aan een ernstige inwendige tegenstrijdigheid: want als de arbeidskracht werkelijk de vaardigheid bezit meer te produceren dan voor haar reproductie nodig is – heeft de werkgever, die de arbeidskracht verwerft, dan alleen dat deel van haar verworven en betaald, dat voor haar reproductie nodig is, of niet veeleer ook het overige, de rest ervan, haar occulte macht, het mystieke iets, het waardevoortbrengende vermogen, dat verder gaat dan de zelf-reproductiekracht? Wat rechtvaardigt de bewering als zou er één of andere relatie bestaan tussen de waarde van het loon (koopprijs van de arbeidskracht) en de zelf-reproductiekracht van de arbeidskracht? De arbeidskracht, zoals zij is, telle quelle, met al haar eigenaardigheden is verworven en geheel betaald, zoals met de koopprijs van een bloem niet alleen de stengels, bladeren enz., maar ook haar vermogen om te geuren en door kleur en vorm te verblijden is betaald. (...) Waarin zit, wat betekent ‘uitbuiting’ als werkelijk de gehele arbeidskracht is betaald, een volledig equivalent voor de waarde van de arbeidskracht gegeven is?’.

De laatste jaren zijn, juist ook vanuit ‘marxistische’ hoek, steeds meer problemen zichtbaar gemaakt bij Marx’ economische theorie. Daarover alleen al zou een lijvige studie geschreven kunnen worden. Ik wil daarom volstaan met enkele verdere kanttekeningen bij het begrip van de ‘waar arbeidskracht’.
a) De gedachte dat de waarde van de arbeidskracht wordt bepaald door de waarde van de levensmiddelen voor haar instandhouding is door de geschiedenis weerlegd. Het moderne consumptieniveau van de arbeidersklasse kan er niet mee worden verklaard. Veeleer moet gezegd worden, dat de hoogte van het arbeidsloon wordt bepaald door twee factoren, namelijk 1) de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal en 2) de groei van de kapitalistische productie, die gepaard moet gaan met een stijgende levensstandaard, opdat de massaproductie van consumptiegoederen verkocht kan worden.
b) ‘Gewone’ waren worden geproduceerd onder concurrentievoorwaarden, met zo min mogelijk kosten in een zo kort mogelijke tijd. Voor de arbeider, die zijn arbeidskracht (re)produceert, gaat dit niet op.
c) Terwijl in het productieproces een machine afgeschreven wordt en dus geleidelijk zijn eigen waarde overdraagt op de producten, gaat dit voor de arbeidskracht niet op. Deze is in het productieproces als gebruikswaarde aanwezig en niet als waarde, zoals de machine. Hieruit volgt logisch, dat de arbeidskracht binnen het arbeidsproces niet als waar functioneert en dus ook niet zichzelf reproduceert.
d) Voor alle niet-kapitalistische productiewijzen zegt Marx terecht dat de arbeidsproducten, die niet voor de instandhouding van de productie noodzakelijk zijn, het meerproduct vormen. Voor het kapitalisme geldt dit echter – uitgaande van Marx’ tweedeling van het arbeidsproces – niet meer. Dan bevatten opeens alle producten in zich noodzakelijke en meerarbeid. Luxegoederen belichamen aldus noodzakelijke arbeid en loongoederen meerarbeid.

Waarom weigerde Marx deze en andere bezwaren onder ogen te zien? Het antwoord ligt voor de hand. Als men zegt dat de waarde van de arbeidskracht mede bepaald wordt door de klassenstrijd, dan wordt die waarde letterlijk onvoorspelbaar en onberekenbaar. Dan sluipt er een willekeurig element in de theorie, dat niet ‘natuurwetenschappelijk’ kan worden vastgelegd. De schijn van exactheid is dan doorbroken (inderdaad komt dan zelfs zo’n wezenlijke hypothese van de marxistische economie als de ‘tendentiële daling van de winstvoet’ – die overigens nog nooit overtuigend is aangetoond – op losse schroeven te staan!).

Deze kritische kanttekeningen hebben niet de bedoeling om Marx’ prestatie te kleineren. Het Kapitaal bevat een schat aan inzichten, die nog steeds actueel zijn. De scherpzinnige kritiek op andere theoretici, de historisering van het begrip waar, de analyse van de voorgeschiedenis van het kapitalisme (de oorspronkelijke accumulatie), dat alles en nog meer blijft van buitengewoon belang.

Een laatste kanttekening in dit verband. Kritiek op de waarde- en meerwaardetheorie betekent niet dat daarmee het kapitalisme wordt goedgepraat. Gerald A. Cohen – een marxistische filosoof die onlangs de Isaac Deutscher Memorial Prize ontving – heeft er terecht op gewezen dat de arbeidswaardeleer niet nodig is om toch het kapitalisme als een uitbuitingsstelsel te kunnen karakteriseren. Want of Marx’ theorie nu precies klopt of niet, het blijft een feit, dat de arbeidersklasse een maatschappelijk meerproduct voortbrengt waarover zij geen zeggenschap heeft.

IX

Tijdens de laatste drie jaren voordat hij Het Kapitaal voltooide raakte Marx weer betrokken bij de arbeidsbeweging. Na de jaren vijftig, waarin de reactie de boventoon had gevoerd, was de arbeidersklasse in verschillende landen weer in beweging gekomen. In Engeland werd in 1860 de London Trades Council gevormd, een vakbond die onder andere ijverde voor een negenurige werkdag. In Frankrijk had Napoleon III de antivakbondswetten verzacht in de hoop, dat hij de arbeiders zou kunnen gebruiken tegen de groeiende liberale oppositie. En in Duitsland ‘wekte Lassalle’, zoals Marx schreef, ‘na een vijftienjarige sluimering’ ‘de arbeidersbeweging weer’ (MEW 32/568). Deze herleving van de arbeidersbeweging ging gepaard met een groeiend internationalisme vooral in Engeland. De Italiaanse vrijheidsstrijder Garibaldi werd in Londen als een volksheld onthaald. De vakbonden organiseerden een massameeting uit solidariteit met de Noordelijken in de Amerikaanse burgeroorlog. De meest invloedrijke gebeurtenis was echter de Poolse opstand van 1863, die tot een samenwerking tussen Franse en Engelse arbeiders leidde. Op een vakbondsdemonstratie in Londen was een Franse delegatie aanwezig; Franse en Engelse bonden droegen bij aan elkaars stakingsfondsen. Op 28 september 1864 vond een Frans-Engelse meeting plaats nabij Covent Garden. Het zou de bijeenkomst worden waar de (eerste) Internationale werd opgericht.

Het spreekt voor zich dat Marx deze ontwikkelingen nauwgezet volgde. In een brief aan Engels beschreef hij hoe hij zelf bij de septembermeeting betrokken werd: ‘Een zekere Le Lubez werd naar mij gestuurd, of ik namens de Duitse arbeiders deel wilde nemen, in het bijzonder een Duitse arbeider als spreker voor de meeting etc. wilde leveren. Ik leverde Eccarius, die een groot succes was, en ik was er ook – als zwijgende figuur op het podium. Ik wist, dat zowel van Londense als Parijse kant deze keer werkelijke ‘machten’ aanwezig waren en besloot daarom af te wijken van mijn anders zo vaste regel om dergelijke uitnodigingen af te slaan.’ (MEW 31/13)

De zaal was overvol met zo’n 20.000 aanwezigen. Verschillende nationaliteiten begroetten elkaar met officiële verklaringen. Le Lubez zette vervolgens het Franse plan uiteen om in Londen een centraal comité te vormen met subcomités in andere Europese hoofdsteden. George Wheeler en William Dell, twee Britse vakbondskaders, stelden, hierbij aansluitend, voor een internationale associatie (vereniging) te vormen en een commissie te kiezen, die regels zou opstellen voor de nieuwe organisatie. Dit voorstel werd aangenomen. Er kwam een commissie van 34 leden: zevenentwintig Engelsen, drie Fransen, twee Italianen en twee Duitsers, Eccarius en Marx.

In de volgende maanden herhaalde zich in zekere zin de voorgeschiedenis van het Communistisch Manifest. Ook nu weer kwam het er uiteindelijk op neer, dat Marx verschillende discussiebijdrages van arbeiders verwerkte tot een eigen tekst, de Inwijdingsgroet van de Internationale Arbeiders Associatie. Wederom was er sprake van een tekst die ‘marxistisch’ was, maar ook voor de niet-marxisten in de beweging aanvaardbaar was. Marx schreef daarover aan Engels: ‘Het was heel moeilijk de zaak zo te brengen, dat onze opvatting in een vorm verscheen, die haar acceptabel maakte voor het huidige standpunt van de arbeidersbeweging (...) Er is tijd nodig voordat de herleefde beweging weer de oude vermetelheid van de taal toestaat. Nodig is fortiter in re, suaviter in modo(krachtig in de zaak, gematigd in de vorm – MvdL)’ (MEW 31/16).

Inderdaad is de Inwijdingsgroet een tactische meesterzet. De toenmalige beweging geloofde zeer sterk in het belang van de arbeiderscoöperaties. Marx speelde daarop in door te stellen dat ‘de waarde van deze grote experimenten niet overschat (kan) worden. Door de daad, in plaats van door argumenten, bewijzen zij, dat productie kan geschieden op grotere schaal en in overeenstemming met de vooruitgang van de moderne wetenschap zonder het bestaan van een klasse van bazen’. Tegelijkertijd wees Marx er evenwel op dat coöperaties uiteindelijk ingepast kunnen worden in het kapitalistische stelsel ... tenzij de gehele maatschappij één grote coöperatie zou worden: ‘Teneinde de werkende massa’s te bevrijden moet het coöperatiestelsel op nationale schaal ontwikkeld en met nationale middelen bevorderd worden.’ (MEW 16/11-12) Op exemplarische wijze probeerde Marx zo zijn wetenschappelijk socialisme aan te laten sluiten bij de opvattingen van de toenmalige arbeidersbeweging.

Marx genoot binnen de Internationale groot aanzien: men waardeerde hem zeer omdat hij als geleerde partij koos voor de arbeidersklasse. Marx van zijn kant begon de Internationale steeds meer te zien als een apparaat dat door hem beheerst werd. In ’67 schreef hij aan Engels: ‘De zaken gaan vooruit. En bij de volgende revolutie, die misschien dichterbij is dan het lijkt, hebben wij (d.w.z. jij en ik) deze machtige machine in onze handen.’ (MEW 31/342-43). Zo eenvoudig lag het echter niet. Zonder twijfel oefende Marx lange tijd een doorslaggevende invloed uit. Hij overdreef niet erg, toen hij in 1871 opmerkte dat de Algemene Raad van de Internationale ‘theoretisch door het Duitse element beheerst’ werd en dat de andere leden van de Raad ‘deze heerschappij, d.w.z. de Duitse wetenschap, erg nuttig en zelfs onontbeerlijk’ vonden (MEW 33/330). Maar het feit, dat men Marx’ advies zeer waardeerde, betekende geenszins dat de organisatie uit kritiekloze discipelen bestond. ‘De geschiedenis van de Internationale was een voortdurende strijd van de Algemene Raad tegen de sektes en amateuristische strevingen, die probeerden in te gaan tegen de werkelijke beweging van de arbeidersklasse binnen de Internationale.’ (MEW 33/328-9) In de acht jaar dat de Internationale heeft bestaan zag Marx zich gedwongen om tal van interne conflicten uit te vechten, onder andere tegen Mazzini en zijn aanhangers, de blanquisten, proudhonisten en de lassalleanen. Zijn grootste tegenstrever was evenwel Bakoenin, volgens Marx ‘een mens zonder enige theoretische kennis’ (MEW 33/329). Bakoenin bewonderde Marx om zijn economische ideeën – hij had zelfs een gedeelte van Het Kapitaal in het Russisch vertaald – maar op alle belangrijke politieke punten bestreed hij hem. Bakoenin was tegen elke vorm van staatsmacht (Marx was voor hem een ‘autoritaire communist’), keerde zich tegen centralisatie van de Internationale en opponeerde tegen iedere vorm van samenwerking met burgerlijke politieke partijen.

Aanvankelijk was Bakoenins invloed in de Internationale gering, maar tegen het eind van de jaren zestig veranderde dat. Marx probeerde Bakoenin uit de organisatie te werken. Dat lukte toen echter niet. Na de Frans-Pruisische oorlog en de daaruit ontstane Commune van Parijs (1870) raakte de Internationale snel verzwakt. De oorlog had het nationalisme doen opleven; de Commune was ten koste van duizenden doden bloedig onderdrukt en bevorderde de demoralisatie bij de Franse beweging. Tegelijkertijd leek de Commune Bakoenins opvatting te bevestigen, omdat de opstandige Parijzenaars onmiddellijk de staatsmacht ontbonden en door een directe basisdemocratie vervangen hadden.

Al deze factoren versterkten de invloed van Bakoenin, die binnen de Internationale een eigen (geheim) netwerk had opgebouwd. Toen het erop begon te lijken dat de Internationale bakoeninistisch zou worden deden Marx en Engels al het mogelijke om de organisatie te ‘redden’. Op hun aandringen werd Bakoenin tijdens het congres te Den Haag (1872) geroyeerd en werd de Algemene Raad verplaatst naar New York, zodat de gehele organisatie een zekere dood tegemoet ging wegens gebrek aan contact met de Europese bewegingen. Vlak vóór het congres had Marx in een brief geschreven: ‘Op het internationale congres (Den Haag, begin 2 sept.) gaat het om leven of dood van de Internationale’ (MEW 33/505). Uiteindelijk heeft Marx blijkbaar gedacht: liever een dode organisatie dan een levende met een verkeerde theorie. Het lijkt waarschijnlijk dat de Internationale ook zonder Marx’ ingrijpen uiteen zou zijn gevallen – zij het enige tijd later. Waar het hier echter om gaat is dat Marx deze ontwikkeling niet heeft afgeremd maar juist bevorderd.

X

Hoe enorm belangrijk Marx het programmatische aspect voor de arbeidersbeweging vond werd nog één keer duidelijk in 1875. Toen fuseerden de twee arbeiderspartijen in Duitsland, de ‘lassaleanen’ en de ‘eisenacher’, waardoor een proletarische eenheidspartij ontstond. Op het fusiecongres, in mei ’75 in het Thüringense Gotha, werd een program aangenomen, dat de officiële opvattingen van de nieuwe organisatie vastlegde.

Marx was furieus. Het programma deugde niet en dus zou er van de organisatie niets terecht komen. Hij sprak over ‘een naar mijn mening volstrekt verwerpelijk en de partij demoraliserend programma’ (MEW 19/13). Liever nog had hij gezien dat de nieuwe partij helemaal géén programma had aangenomen: ‘Iedere stap werkelijke beweging is belangrijker dan een dozijn programma’s’. Daarom zou men beter ‘eenvoudig een afspraak over actie tegen de gemeenschappelijke vijand hebben kunnen maken. Wanneer men echter principiële programma’s maakt (...) dan richt men voor het oog van de wereld mijlpalen op, waaraan zij het niveau van de partijbeweging meet.’ (MEW 19/13-14).

In uitvoerige kanttekeningen zette Marx zijn kritiek op het programma uiteen. Ongetwijfeld is deze kritiek, de Marginalia bij het programma van de Duitse arbeiderspartij, na het Communistisch Manifest en de Inwijdingsgroet de derde belangrijke politiek-programmatische tekst van Marx. In zijn barse kanttekeningen ging Marx voor het eerst nader in op de ontwikkelingen na de proletarische revolutie. Maar bovenal schreef hij het program van Gotha aan flarden, pedant maar scherpzinnig. Het programma opende bijvoorbeeld met de zin: ‘De arbeid is de bron van alle rijkdom en alle cultuur.’ Marx commentarieert: ‘De arbeid is niet de bron van alle rijkdom. De natuur is evenzeer de bron der gebruikswaarden (...) als de arbeid.’ Het programma zei: ‘De bevrijding van de arbeid vereist de verheffing van de arbeidsmiddelen tot gemeenschappelijk eigendom van de maatschappij en de coöperatieve regeling van de totale arbeid met rechtvaardige verdeling van de opbrengst van de arbeid.’ Marx commentarieerde: ‘Wat is de opbrengst van de arbeid? Het product van de arbeid of zijn waarde? En in het laatste geval, de totale waarde van het product of alleen het gedeelte van de waarde, dat de arbeid extra heeft toegevoegd aan de waarde van de opgebruikte productiemiddelen? (...) Wat is ‘rechtvaardige’ verdeling? Beweren de bourgeois niet dat de huidige verdeling ‘rechtvaardig’ is? En is zij niet inderdaad de enige ‘rechtvaardige’ verdeling op basis van de huidige productiewijze? Worden de economische verhoudingen door juridische begrippen geregeld, of ontstaan niet omgekeerd de juridische verhoudingen uit de economische? Hebben niet ook de socialistische sektariërs de meest uiteenlopende opvattingen over ‘rechtvaardige’ verdeling?’ (MEW 19/15-18). Enzovoorts, enzovoorts. Marx’ kritiek was volledig juist. Maar dat hielp niets. Het programma werd door de Duitse beweging aangenomen zonder dat Marx’ opmerkingen serieus waren genomen.

De vrees van Marx, dat het programma demoraliserend zou zijn, bleek volkomen ongegrond. De Rijksdagverkiezingen van 1877 betekenden een grote overwinning voor de Duitse partij: het aantal stemmen steeg van 379.500 (in ’74) tot 486.000.

De laatste jaren, tot zijn overlijden in 1883, vormden een nieuwe periode van betrekkelijk isolement in Marx’ leven. De arbeidersbeweging bevond zich bijna overal in een periode van tegenslagen. Door ziekte en uitputting lagen voorts de theoretische studies van Marx vrijwel stil. De delen twee en drie van Het Kapitaal, die Engels samenstelde na Marx’ dood, zijn dan ook bijna geheel gebaseerd op aantekeningen uit de periode vóór 1867.

XI

De kritische politieke biografie, zoals fragmentarisch geschetst in het voorgaande, verwijst naar bepaalde grenzen van het wetenschappelijk socialisme.

Op de eerste plaats is het opmerkelijk, dat de ideeën van Marx tijdens zijn leven nooit werkelijk geworteld zijn in de arbeidersorganisaties. Noch de Bond der Communisten, noch de Internationale, noch de Duitse arbeiderspartij van 1875 hadden zich het wetenschappelijk socialisme werkelijk eigen gemaakt. Marx zelf schijnt dit niet zo scherp te hebben willen zien. In het nawoord bij de tweede oplage van Het Kapitaal (1873) schreef hij: ‘Het begrip dat Het Kapitaal snel in brede kringen van de Duitse arbeidersklasse vond, is het beste loon van mijn werk’ (MEW 23/19). Recent historisch onderzoek heeft definitief duidelijk gemaakt dat hier sprake was van een illusie. De Duitse arbeiders wisten aantoonbaar over de oorspronkelijke Marx vrijwel niets en uit de tweede hand slechts heel weinig. Zelfs de leiders van de beweging hadden merendeels Het Kapitaal niet gelezen. De historicus Hans-Josef Steinberg schrijft over de Duitse partij in de jaren zeventig van de vorige eeuw: ‘Volgens de bronnen kan men met zekerheid slechts voor vijf personen onder de leidende partijleden een solide kennis van de economische theorie van Karl Marx vaststellen’

Ook in de latere tijd is dat nooit echt veranderd. Sprekend is wat Willi Böpple onlangs vertelde, een man die vóór de nazistische tijd parlementslid was voor de Duitse communistische partij en die zich later aan de zijde van Trotski’s Linkse Oppositie heeft geschaard. Böpple zei over de partijleden in de jaren twintig: ‘De massa van de leden, die toch veel, veel, veel meer gepolitiseerd was dan tegenwoordig, die had een verkeerde opvatting: theorie, dat is iets, dat heel hoog zweeft, dat is iets voor een paar slimmeriken, die kunnen dat, die snappen dat, en als ze erover praten, dan begrijp je er soms ook iets van, maar in grote lijnen is dat iets wat mij als simpele kameraad van de basis niet aangaat. (...) Ik kan op grond van mijn eigen ervaring alleen maar zeggen, de poging om de geschiedenis te begrijpen, en de conclusies daaruit te bevatten, dus uit de theorie af te leiden, en die dan weer in de praktijk toe te passen, zoiets is slechts te verwezenlijken in kleine groepen, in kleine kaderorganisaties.’

Het opvallende is, dat grote massa’s van de marxistische theorie alleen dit oppikken, wat niet typisch marxistisch is: bijvoorbeeld dat er fundamentele klassentegenstellingen zijn, dat er uitbuiting is, dat de arbeiders een meerproduct maken waarover zij niets te zeggen hebben en dat de bevrijding van de arbeidersklasse alleen het resultaat van haar eigen inspanningen kan zijn. Al deze ‘programmapunten’ waren al door de arbeiderscommunisten vóór Marx geformuleerd en zijn historisch de uitkomst van een zelfstandig proletarisch leerproces, waaraan intellectuelen geen deel hebben gehad. En juist die punten die wel typisch marxistisch zijn (de arbeidswaardeleer, de grondrentetheorie, de tendentiele daling van de winstvoet enz.) – die zijn door de massa’s nooit verwerkt.

Dit brengt ons bij de vraag, waardoor deze betrekkelijke onmacht van Marx wetenschappelijk socialisme wordt veroorzaakt. Oskar Negt en Alexander Kluge hebben er terecht op gewezen, dat intellectuelen en arbeiders structureel op een verschillende manier praten en denken. Voor de arbeider ‘is de kortste verbinding tussen twee ervaringen niet de zuivere logica. Hij schetst mede een gedeelte van de situatie, neemt daardoor ook emotioneel een standpunt in, tast zijn eigen plaats binnen de situatie af, terwijl hij spreekt.’ Omstanders worden impliciet voortdurend uitgenodigd om opmerkingen te maken en zo aan het spreken deel te nemen. Deze associatieve manier van denken en spreken staat in schril contrast tot die van intellectuelen, waarbij men geacht wordt ‘zakelijk’ en ‘logisch’ te redeneren en de eigen persoon weg te moffelen. De historicus Wolf Schäfer gebruikte de termen ‘wild’ en ‘getemd’ denken (ontleend aan Claude Levi-Strauss) om dit verschil aan te duiden. Het ‘wilde’ denken sluit direct aan bij de ervaring en de alledaagse fantasie en is vandaar ook emotioneel. Het ‘getemde’ denken daarentegen werkt zoveel mogelijk zonder gevoel en staat los van de directe waarneming. De historische ervaring doet ons vermoeden dat er een fundamenteel vertaalprobleem bestaat bij de omzetting van ‘getemd’ in ‘wild’ denken: het lijkt onmogelijk het wetenschappelijk socialisme op grote schaal te laten wortelen in de arbeidersklasse. In de woorden van de jonge Marx: de theorie streeft wel naar de werkelijkheid, maar de werkelijkheid streeft niet naar de theorie. Deze bewering klinkt ketters en misschien is zij dat ook wel. Maar wat dan nog?

Mijn stelling is beslist niet theorievijandig bedoeld. Ik wil absoluut niet beweren dat de wetenschap voor de arbeidersbeweging onbelangrijk is. Het enige wat ik naar voren breng is, dat de verhouding tussen theorie en beweging uiterst problematisch is. Als de arbeidersklasse zichzelf wil bevrijden, dan zal zij niet aan de hand van bepaalde ‘wetenschappelijke socialisten’ moeten lopen, maar uit de eigen ervaringen met de eigen intellectuele middelen moeten leren. Intellectuelen kunnen daarbij uiteraard diensten verlenen, voor zover zij met hun ideeën geheel aansluiten bij de dagelijkse waarnemingen van de klasse, maar ze kunnen niet pretenderen de leiding of voorhoede te zijn.

Ook inhoudelijk zijn de mogelijkheden van de wetenschap kleiner dan marxisten gewoonlijk willen toegeven. Wetenschap is gebaseerd op herhaling. Pas wanneer er in bepaalde verschijnselen een regelmaat ontdekt kan worden (‘als dit-en-dit gebeurt, dan is het gevolg zus-en-zo’) vermag de wetenschap veronderstellingen te formuleren. Dat het kapitalisme periodiek crises voortbrengt kan bijv. pas ontdekt worden als er een aantal van dergelijke crises heeft plaatsgevonden. Deze simpele constatering heeft twee belangrijke gevolgen.

1) De mensen en hun maatschappij zijn (gelukkig) niet geheel regelmatig. Natuurlijk zitten er bepaalde patronen in de maatschappelijke ontwikkeling. Maar er is geen sprake van dat alle verschijnselen volgens wetmatige patronen tot stand komen. Steeds weer zijn er in de geschiedenis van kapitalisme en reëel bestaand socialisme spontane ‘explosies’ geweest die door de wetenschappelijke socialisten niet werden voorzien en ook niet konden worden voorzien. Steeds opnieuw ook moesten theorieën als gevolg van subjectief-bepaalde ontwikkelingen veranderd of verworpen worden. Natuurlijk zijn er socialisten, die menen dat de wetenschap uiteindelijk wél alles zal kunnen verklaren en voorspellen. Zij zullen echter aan zichzelf moeten toegeven, dat die overtuiging weinig met materialisme en veel met een metafysisch geloof te maken heeft. Marx zelf heeft – onder andere via zijn arbeidswaardeleer -geprobeerd een algemene natuurwetenschap van de maatschappij te ontwikkelen. Niet alleen heeft dit, zoals we zagen, geleid tot een onhoudbare theorie van de arbeidskracht. Maar bovendien is die poging ook anderszins niet geslaagd: zijn opvatting bijvoorbeeld dat iedere economische crisis tot revolutionaire situaties leidt is niet bewaarheid, ook niet tijdens zijn eigen leven. De door Marx voorspelde radicale bewegingen voor 1857-58 – de reden waarom hij de Grundrisse zo snel voltooide – zijn bijv. nooit ontkiemd (een zelfkritiek heeft hij daar overigens nooit aan verbonden).

2) In de loop van de maatschappelijke ontwikkeling komen steeds weer nieuwe regelmatigheden te voorschijn, juist omdat de maatschappij zich ontwikkelt (stagflatieverschijnselen, de groeiende toepassing van kernenergie en het verzet daartegen enz.). Dit betekent dat de wetenschap nooit voltooid kan zijn zolang haar studieobject onvoltooid is.

Beide aspecten hebben samen één gevolg: elke wetenschappelijke theorie van de maatschappij loopt steeds gedeeltelijk achter de werkelijkheid aan. Een goed voorbeeld daarvan is de houding van Marx en Engels tegenover de Arbeidsverbroedering 1848/49. Omdat deze organisatie niet in hun theorie paste, en zij weigerden hun theorie te herzien, moesten zij er wel een volkomen verkeerd standpunt over innemen (beter gezegd: ze deden bij voorkeur alsof de Arbeidersverbroedering niet bestond – een zeer bijzondere variant van het materialisme).

Een politiek die zich uitsluitend baseert op het wetenschappelijk socialisme is ook technisch onmogelijk. Socialistische politiek kan per definitie alleen slagen indien zij ruimte laat voor improvisatie, spontaneïteit en subjectiviteit. Is die ruimte er niet, dan verstart de beweging en wordt zij een rem op de ontwikkeling. Het ‘wilde’ en het ‘getemde’ denken zullen op de een of andere manier moeten samengaan. (Hoe precies, dat is nu net de vraag).

In de lente van 1845 schreef Marx in een notitieboekje zijn beroemde Stellingen over Feuerbach (pas na Marx’ dood gepubliceerd). De derde van deze stellingen zei: ‘dat de opvoeder zelf opgevoed moet worden’ en dat het daarom niet opgaat de maatschappij te splitsen in twee gedeeltes, waarvan ‘het ene verheven is boven het andere’ (MEW 3/6). Zo ook zal het ‘getemde’ denken niet boven maar naast het ‘wilde’ denken moeten staan. Pas dan kan de theorie werkelijk praktisch worden.

Soort artikel: 

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Reageren