2 December 2020

Socialisten in de vakbeweging, een reactie op Ewout van den Berg en Hans Boot

Ons artikel ‘Onze vakbeweging, een reactie op linkse kritiek’, heeft tot twee reacties geleid. Hans Boot plaatste op Solidariteit onder de titel ‘Verantwoordelijkheid beperkt kritiek en onafhankelijkheid’, zoals hij het zelf omschreef ‘enkele kanttekeningen’ bij ons stuk. En Ewout van den Berg, van de Internationale Socialisten (IS) schreef een reactie onder de titel ‘Socialisten en de vakbond – een reactie op Grenzeloos’. In dit artikel gaan we op een aantal van de door Hans en Ewout opgeworpen punten in en proberen we ons standpunt verder te verduidelijken.

Een belangrijk punt in ons stuk was het onderscheid tussen de vakbond als vereniging (de leden en de structuren waarin de leden actief zijn), en het apparaat: de bezoldigde functionarissen, de mensen die in dienst zijn van de bond. Centraal in ons stuk stond het belang van de versterking van de positie van de vereniging ten opzichte van het apparaat. Het is jammer dat zowel Ewout als Hans dat element negeren en blijven redeneren binnen een kader van ‘basis’ versus ‘leiding’.

Ewout begint zijn bijdrage met de constatering dat de vakbond 'de collectieve verdedigingslinie voor werkende mensen tegenover de macht van de werkgevers is', maar dat 'achter dit front ook tegenstellingen schuilgaan die voor het werk van socialisten binnen de bond belangrijk zijn. Het artikel van Grenzeloos probeert echter deze tegenstellingen glad te strijden en maakt bovendien een karikatuur van onze rol binnen de vakbond’, schrijft hij vervolgens. Het eerste deel van die laatste zin is helaas typerend voor de manier van discussiëren die we bij de IS wel meer aantreffen. Anderen hebben in de visie van de IS niet gewoon een andere mening, een andere analyse, of een andere inschatting, maar een andere agenda. ‘Ze proberen tegenstellingen glad te strijken’. We zullen hieronder proberen duidelijk te maken dat wij er niet op uit zijn om tegenstellingen glad te strijken maar dat we van mening zijn dat de hele vakbondspolitiek niet gevangen kan worden in een schema van ‘de basis’ tegenover ‘de bureaucratische top’.

Opvallend in de benadering van Ewout is dat hij het in heel algemene termen over ‘de vakbeweging’ heeft en nauwelijks concreet ingaat op de ontwikkelingen in de FNV de afgelopen jaren. Hij heeft het over de vakbondsbureaucratie en het dubbelkarakter daarvan: 'ze organiseert werkende mensen en ze onderhandelt met kapitalisten.' en even verder: 'Zij wordt dus gedwongen om constant te balanceren tussen strijd en controle, tussen arbeid en kapitaal.'. Tegenover de bureaucratie, de vakbondsleiding of de vakbondstop (begrippen die voor Ewout identiek lijken te zijn) staat ‘de basis’, ‘de leden’. En de taak van socialisten is om de basis te organiseren, 'om aan de basis een strijdbaar netwerk op te bouwen dat de top onder druk kan zetten en indien nodig onafhankelijk daarvan in actie kan komen.'

De basis

Iedere socialist of andere linkse activist in de vakbond zal het met Ewout eens zijn dat in het vakbondswerk het organiseren van de basis centraal moet staan. Daarbij gaat het om zaken als het winnen van nieuwe leden voor de bond, op het werk en elders; het stimuleren dat die mensen ook actief vakbondslid worden en mee gaan draaien in een bedrijfsledengroep van de bond of in een plaatselijke afdeling; dat ze meedoen met allerlei acties en op den duur ook op allerlei andere manieren verantwoordelijkheid in de bond op zich gaan nemen.

Dat ook wij van Grenzeloos het vakbondswerk aan de basis als essentieel zien spreekt vanzelf. De eerste brochure die we in de serie  Grenzeloos geschriften in 2011 uitbrachten had dan ook als titel Vakbondswerk aan de basis. Een van ons (Rob) schreef in het voorwoord van die brochure: 'Het uitgangspunt is dat de vakbeweging haar kracht uiteindelijk moet putten uit de basis: uit de organisatie, de activiteit en de strijdbaarheid van de leden. Er komen in deze brochure vakbonds(kader)leden aan het woord die in zeer verschillende omstandigheden proberen de kracht van de vakbeweging aan de basis te versterken.' De vraag is natuurlijk waar vakbondswerk aan de basis ophoudt en het door Ewout en Hans zo problematisch gevonden nemen van (bestuurlijke) verantwoordelijkheid begint.

In 2014 bracht de IS en brochure uit met de titel Activerend vakbondswerk, hoe doe je dat? In deze brochure, geschreven door Hans Lammers en met een voorwoord van Patrick van Klink staat onder andere: 'Socialisten moeten natuurlijk altijd streven naar het geven van leiding aan hun collega’s. Zij doen dit niet alleen door de kracht van argumenten en door het geven van het goede voorbeeld, maar ook door het vervullen van posities binnen de vakbond, als kaderlid in een sectorraad, als OR-lid of als lid van het ledenparlement van de FNV. Soms kan het zelfs zinnig zijn om een hogere positie in te nemen in de vakbondshiërarchie, bijvoorbeeld als lid van het landelijk bestuur.' Dat lijkt ons duidelijk en juist. Dat geeft ook aan dat er geen waterdichte scheiding is tussen het werk aan de basis en het vervullen van posities op welk niveau van de bond dan ook inclusief het landelijke bestuur van de FNV.

We begrijpen dan ook niet wat Ewout bedoelt met zijn stelling dat het de taak van socialisten in de vakbeweging is om: 'Aan de basis een strijdbaar netwerk op te bouwen dat de top onder druk kan zetten en indien nodig onafhankelijk daarvan in actie kan komen'. Dat soort netwerken bestaan, ze bestaan uit vakbondskaderleden en strekken zich uit van de basis van de bond via allerlei organen van de bond tot aan het bestuur. We zouden zelfs kunnen zeggen dat de hele vakbond als vereniging een dergelijk netwerk is: honderden kaderleden die hun verantwoordelijkheid nemen in (het bestuur van) bedrijfsledengroepen, sectorraden, sectorbesturen, het ledenparlement, als vakbondsconsulent, in plaatselijke afdelingen, of in een van de landelijke netwerken van de FNV, of een ander landelijk orgaan zoals de Palestina werkgroep, of de recent opgerichte werkgroep handelsverdragen, of die een vakbondscafé, vakbondsscholingen of wat dan ook organiseren. Dat die netwerken versterkt moeten worden was precies de kern van ons artikel.

Of is Ewout van mening dat naast die bestaande netwerken er een apart netwerk moet worden opgebouwd dat  los van de bestaande structuren de top van de vakbeweging onder druk kan zetten? Als dat zo is dan zou dat een desastreuze aanpak zijn die er alleen maar toe kan leiden dat strijdbare leden geïsoleerd komen te staan van de meerderheid van de vakbondsleden.

Dat werken in de bestaande structuren en netwerken van en rond de bond (zoals bijvoorbeeld steuncomités of vakbondscafés) is het ‘verantwoordelijkheid opnemen’ waar wij het in ons vorige stuk over hadden. In sommige gevallen gaat het om formele bestuurlijke verantwoordelijkheid, soms, zoals bij het ledenparlement zelfs over bestuurlijke verantwoordelijkheid in het hoogste orgaan in de FNV structuur. In andere gevallen gewoon om taken die opgenomen worden zonder dat er van een formele bestuurlijke verantwoordelijkheid sprake is. Dat zijn geen ‘Binnenweggetjes om de bond strijdbaarder te maken door het innemen van bestuursposities‘, zoals Ewout dat noemt. Dat is de kern van het vakbondswerk en zou ook de kern van het werk van alle socialisten in de bond moeten zijn.

Bestuurders

Behalve honderden, zo niet duizenden actieve kaderleden kent de vakbeweging ook een apparaat van professionals. Bezoldigde bestuurders en allerlei andere functionarissen. Het lijkt ons duidelijk dat je een organisatie  als de FNV met 1,1 miljoen aangesloten leden - die allemaal verwachten dat de bond hun individuele en collectieve belangen behartigt – niet alleen met vrijwilligerswerk kunt runnen. Op de spanning tussen het apparaat van de bond en de vereniging zijn we in ons vorige stuk betrekkelijk uitvoerig ingegaan. En we hebben betoogd dat het versterken van de macht van de vereniging ten opzichte van het apparaat een belangrijk aspect is van de noodzakelijke democratisering van de bond.

Hieronder, in onze reactie op het stuk van Hans Boot gaan we verder op een aantal aspecten hiervan (de transparantie en informatievoorziening) in, maar het is goed om steeds voor ogen te houden dat het verschil tussen de vakbond als vereniging en het vakbondsapparaat niet samenvalt met die tussen basis en top.

Hoe verhoudt de vakbond als vereniging zich tot de bezoldigde bestuurders? Dat is een ingewikkelde relatie. Met de vernieuwing van de FNV is het ledenparlement als verenigingsorgaan formeel het hoogste orgaan van de FNV. Maar de bezoldigde bestuurders, met name die in het dagelijks bestuur van de FNV, hebben veel feitelijke macht. Ze hebben een geweldige informatievoorsprong, ze sturen het apparaat aan en hun voorzitter heeft als gekozen FNV voorzitter een eigen mandaat. In de nieuwe structuur is hun speelruimte beperkter dan daarvoor. Ze hebben nu te maken met een beleidsbepalend ledenparlement dat ook eens in de vier jaar de leden van het algemeen bestuur kiest.

Onder het kopje linkse bestuurders gaat Ewout in op de voorzittersverkiezing. Hij schrijft daarover: 'Op het moment dat er verkiezingen worden gehouden zullen we er altijd voor pleiten te kiezen voor linkse kandidaten. Zo gaven we met verkiezingen van de nieuwe FNV-voorzitter een stemadvies op Corrie van Brenk. Zij staan meer open voor het geluid van onderaf, maar zullen op zichzelf de vakbond niet strijdbaarder maken. Een focus op het veroveren van deze posities voedt bovendien het idee bij vakbondsleden aan de basis dat verandering uiteindelijk van bovenaf komt.'

Naar ons gevoel zet Ewout de boel hier op zijn kop. Natuurlijk zullen socialisten en andere linkse vakbondsactivisten voor de meest linkse kandidaten stemmen en daartoe oproepen. Maar de meest interessante vraag is waar die kandidatuur van Corrie van Brenk vandaan kwam, waar hij een uitdrukking van was. Want noch het feit dat er – voor het eerst in de geschiedenis van de FNV - een voorzittersverkiezing was, noch het feit dat er een linkse tegenkandidaat was, kwam uit de lucht vallen. Daar ging een proces van vele jaren strijd aan vooraf. We hebben daar de afgelopen jaren op Grenzeloos veel over geschreven en we kunnen dat als volgt samenvatten.

In 2009 manifesteerde zich in de Abvakabo een georganiseerde oppositie onder de naam ‘kloofdichters’. Het initiatief hiertoe werd genomen door Lot van Baaren (toen lid van de bondsraad van de Abvakabo afdeling Rotterdam) en Ger Geldhof (toen lid van de bonsraad voor de afdeling Amsterdam.) Zij opponeerden in de bondsraad al vele jaren tegen het toenmalige Abvakabo bestuur onder leiding van Edith Snoey, en merken hoe het wel lukte om in de Bondsraad zaken aangenomen te krijgen, maar dat die vervolgens door het bestuur niet of zeer halfslachtig uitgevoerd werden. Op basis daarvan concludeerden ze dat met dat bestuur de steeds verdere verrechtsing van de bond, het zich steeds meer omvormen tot een sociale ANWB, niet gestopt kon worden en ze besloten met medestanders met een eigen lijst met kandidaten voor het algemeen bestuur van de Abvakabo te komen: de kloofdichters.

Hierdoor geïnspireerd kwam er ook een lijst van bezoldigde bestuurders die zich met dezelfde uitgangspunten als ‘de kloofdichters’ kandidaat stelden voor het dagelijkse bestuur. Twee daarvan: Meindert van den Berg en Corrie van Brenk werden in het dagelijks bestuur gekozen en samen met de 7 kandidaten van de kloofdichters vormden die een meerderheid in het 15 leden tellende bestuur. Toen als gevolg van het conflict over het pensioenakkoord de op het congres herkozen Edith Snoey zich genoodzaakt zag op te stappen werd Corrie van vice voorzitter waarnemend voorzitter en het gezicht van de inmiddels veel strijdbaardere en activerender Abvakabo.

Toen vervolgens - ook als gevolg van het pensioenakkoord - de hele structuur van de FNV in elkaar zakte en uiteindelijk na veel interne strijd er een nieuwe structuur met naast een ledenparlement een gekozen voorzitter uit de bus kwam was het voor veel voorstanders van een strijdbare en democratische vakbeweging zeer voor de hand liggend dat Corrie zich als exponent van die stroming kandidaat zou stellen. En gelukkig deed ze dat ook. 'Een focus op het veroveren van deze posities voedt bovendien het idee bij vakbondsleden aan de basis dat verandering uiteindelijk van bovenaf komt', schrijft Ewout. In werkelijkheid was het dus precies andersom. Door de strijd vanuit de basis (via vakbondskaderleden die hun verantwoordelijkheid in de bond opnamen), kwam er eerst een ander Abvakabo bestuur, vervolgens een crisis in de FNV en uiteindelijk een vernieuwde FNV met verkiezingen voor het voorzitterschap en een linkse tegenkandidaat tegenover Ton Heers. Ondanks het feit dat Corrie die verkiezingen niet gewonnen heeft is dit hele proces een zeer positief element in de recente ontwikkeling van de FNV en het heeft zeker niet het idee gevoed dat de verandering uiteindelijk van bovenaf komt. In tegendeel.

Toen de IS op 1 mei 2013 een stemadvies voor Corrie uitbracht had ze gelukkig een heel andere benadering. Toen schreef de redactie van de socialist: 'Van Brenk is de huidige voorzitter van Abvakabo FNV en was vroeger werkzaam in de zorg, een sector die al langere tijd onder vuur ligt en waar steeds meer wordt teruggevochten tegen bezuinigingen, flexibilisering en stijgende werkdruk. In haar functie als voorzitter van Abvakabo heeft ze tot nu toe consequent gekozen voor de belangen van haar achterban. Zo vertikte ze het om haar handtekening te zetten onder het zorgakkoord dat zal leiden tot 50.000 ontslagen in de zorg. Er valt hier dus echt wat te kiezen en de uitslag zal grote invloed hebben op de koers van de vakbeweging.'

Het haalbare

Een probleem dat wij met de reactie van Hans Boot hebben is dat hij in een aantal gevallen niet ingaat op wat wij geschreven hebben, maar op wat we volgens hem weliswaar niet geschreven maar eigenlijk wel bedoeld hebben. Zo begint hij ermee de door ons gebruikte term ‘verantwoordelijkheid nemen’ als 'een typerende uitdrukking in deze tijden van participatie en zelfmanagement' en een 'ideologisch geladen begrip', neer te zetten. Maar dat is nog niet genoeg, want even verder schrijft hij: 'In het vervolg van de redenering blijkt het echter om iets anders te gaan. Ongenoemd speelt het begrip 'haalbaarheid' op. Namelijk in de nadruk op 'voldoende steun en vertrouwen' onder de 'achterban', wanneer een vakbondsactivist wat wil bereiken. Niet de hand overspelen en zorgen voor een voldoende draagvlak. En als ik het goed begrijp, ook bij '(delen van) het vakbondsapparaat'. Is die haalbaarheid niet verzekerd, wordt een voorstel of eis zinloos geacht, dus onverantwoord.' En even verder 'Hoewel de formulering 'Vuile handen' alleen in een tussenkopje van het artikel te lezen is, zou het daar wel eens over kunnen gaan. Die zou je moeten durven maken als onvermijdelijk gevolg van genomen verantwoordelijkheid.'

Via het ‘blijken’ en ‘ongenoemde begrippen’ geeft Boot zo een heel eigen interpretatie van wat wij volgens hem eigenlijk bedoelen. Dat lijkt ons niet zo'n zinvolle wijze van discussiëren. Wij schreven over het verantwoordelijkheid nemen het volgende: 'Wij zien de vakbeweging eerst en vooral als een organisatie van de arbeidersklasse - hoe reformistisch en gebureaucratiseerd die ook is. En dus vinden wij dat we als socialisten of als linkse activisten daarbinnen actief moeten zijn en onze verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat we alles moeten doen wat in ons vermogen ligt om de vakbeweging te versterken, uit te bouwen en strijdbaarder te maken.' En even verder: 'Als je op die manier je verantwoordelijkheid neemt betekent dat ook dat je niet kan volstaan met roepen dat er iets moet gebeuren en dat het bestuur of de werkorganisatie dat maar moet doen. Je moet er ook aan werken dat het gebeurt op de manier die mensen in beweging brengt. Daarbij moet je ook goed uitkijken dat je je hand niet overspeelt. Als je wilt dat er iets gebeurt dan moet je ook goed in kunnen schatten of er werkelijk iets op gang kan komen.'

Dat is dus heel iets anders dan wat Hans er van maakt. Zijn betoog dat ‘wat haalbaar is’ er toch wel komt en we juist in eerste instantie onhaalbare eisen moeten stellen om zowel onze collega’s als het apparaat aan het denken en op scherp te zetten slaat in dit verband dan ook nergens op. Natuurlijk moeten we bij de eisen die we aan de werkgevers of aan de regering stellen niet uitgaan van de zogenaamde haalbaarheid. De haalbaarheid of niet haalbaarheid wordt pas in de loop van de strijd voor die eisen bepaald. Het bij voorbaat uitgaan van de ‘haalbaarheid’ van eisen is niet veel meer dan een capitulatie vooraf. Dat zijn we helemaal met Hans en de door hem aangehaalde Toon Dekkers eens. Maar daar ging het helemaal niet over.

Wij schreven ook niet dat je goed moet uitkijken of je je hand niet overspeelt omdat de eisen wel eens niet haalbaar zouden kunnen zijn, we schreven 'Als wilt dat er iets gebeurt dan moet je ook goed in kunnen schatten of er werkelijk iets op gang kan komen.' En dat is natuurlijk heel iets anders. Je kan als FNV een looneis van laat ons zeggen 10% neerleggen in plaats van de huidige magere 3%. Wij zijn daar voor. En of dat realistisch is dat zal aan de eind van de rit wel blijken. Maar dat is iets anders dan bijvoorbeeld in het ledenparlement er voor pleiten dat de FNV een algemene landelijke staking uitroept om die eis binnen te halen. Voordat je dat doet moet je je eerst afvragen of je daarmee werkelijk iets op gang kan brengen, of dat de strijd verder brengt, of dat er misschien een andere vorm van actieopbouw nodig is. De vraag stellen is de vraag beantwoorden lijkt ons.

Verantwoordelijkheid en kritiek

Hans lijkt er vanuit te gaan dat het nemen van verantwoordelijkheid ook direct of noodzakelijkerwijs leidt tot een minder kritische opstelling. Dat lijkt ons de kern van het meningsverschil met hem. Dat tussenkopje ‘vuile handen’ waar Hans naar verwijst stond boven een passage waarin we stelden dat er een fundamenteel verschil is in het nemen van (mede)verantwoordelijkheid voor het beheer van de burgerlijke staat en voor een organisatie van de arbeidersklasse als de vakbond. Hans schrijft daarover: 'Een keuze, aangeduid als 'verantwoordelijkheid nemen' die echter begrenzing van de mogelijkheden tot kritiek op het lopende beleid en herkenbare onafhankelijkheid tot gevolg heeft.'

Wij zullen zeker niet ontkennen dat als je verantwoordelijkheid draagt in de bond het niet altijd makkelijk is om je rug recht te houden, niet mee te gaan met redeneringen die uitgaan van het haalbare, niet cynisch te worden over de mogelijkheden, kritisch te blijven en onafhankelijk te blijven denken. Gelukkig functioneren wij ook in andere verbanden, zoals dat van Grenzeloos, dat ons helpt scherp en kritisch te blijven en anders is er altijd nog onze achterban die ons kritisch volgt.

Waar we ons echter met hand en tand tegen willen verzetten en wat wij van een hoge mate van cynisme vinden getuigen is de stelling dat het nemen van verantwoordelijkheid in de bond automatisch leidt tot medeplichtigheid aan alles wat er fout is aan de vakbond of er fout wordt gedaan door de bond. En dat degenen die verantwoordelijkheid nemen geen kritiek meer kunnen of willen uiten. In uiterste consequentie leidt die opstelling er toe dat de bond overgelaten wordt aan het bezoldigde apparaat, aan de betaalde bestuurders.

Onze directe ervaring in de bond wijst ook precies de andere kant op. Kaderleden die bereid zijn de handen uit de mouwen te steken en verantwoordelijkheden op zich te nemen hebben veel meer prestige en vertrouwen dan degene die zich vooral beperken tot het leveren van kritiek. Actieve en verantwoordelijke kaderleden bereiken  met hun kritiek dan ook veel meer dan de criticasters aan de zijlijn. Juist omdat ze medeverantwoordelijkheid dragen wordt hun kritiek serieus genomen.

Onvolkomen democratie

Onder het kopje onvolkomen democratie gaat Hans terecht in op een heikel punt in de verenigingsdemocratie van de FNV: het gebrek aan informatie en verantwoording. Formeel is wat Hans daar over schrijft weliswaar niet juist: 'Zo ontbreekt elke openbare vastlegging van de bijeenkomsten van het ledenparlement (…)'. Op de site van de FNV worden verslagen van de zittingen van het ledenparlement geplaatst, maar die zijn uiterst beknopt, laat staan dat er ook verslagen staan van de werkgroepen en de externe contacten zoals Hans wenst.

We moeten daarbij wel opmerken dat de verantwoording van de leden van het ledenparlement vooral loopt via de sectoren waaruit zij zijn gekozen. Bij sommige sectoren loopt dat beter dan bij andere. Maar we zijn het helemaal met Hans eens dat er op dat vlak heel veel te verbeteren valt. Ook al overdrijft hij als hij  schrijft dat er sprake is van 'een onaanvaardbare uitsluiting van informatie, meningen en debatten voor de  ‘gewone’ leden'; 'dat er niet in democratische controle is voorzien', en dat de verandering van structuur een kwestie is van 'oude wijn in nieuwe zakken'.

Het gebrek aan informatie als basis voor meningsvorming en debatten is zeker niet tot het ledenparlement beperkt. In tegendeel. In de hele vakbeweging is dat een probleem. Heel lang is daar een cultuur dominant geweest waarin (bezoldigde) bestuurders hun gang gingen en de leden hooguit achteraf werden ingelicht. Met de verandering in de formele structuur kan er een begin worden gemaakt met het veranderen van deze cultuur. Daarvoor is de actieve inzet van (kader)leden onontbeerlijk. Kaderleden die bereid zijn hun verantwoordelijkheid in hun vakbond op te nemen.

Dossier: 
Soort artikel: 

Comments

Submitted by PeymanJafari (not verified) on

De discussie over de vakbond en de rol van socialisten is zeer welkom, maar helaas moet ik constateren dat de toon die de auteurs aan het begin van het artikel aanslaan bijzonder teleurstellend is. Deze onkameraadschappelijke toon leidt onnodig af van de inhoud van de discussie en ik vind het dan ook erg jammer überhaupt hierop te moeten reageren. Toch doe ik het, omdat ik van harte hoop dat de auteurs zich van hun misplaatste generaliserende stelling zullen distantiëren.

De auteurs beschuldigen niet alleen Ewout maar de IS in zijn algemeenheid van slechte discussiemanieren. Maar is dat echt zo?

Om te beginnen laten ze de eerste zin weg van de openingsalinea waarop ze reageren. De openingszin zet juist de toon van de rest van Ewouts artikel en maakt duidelijk dat de intentie een kameraadschappelijke discussie is: “Net als bij Grenzeloos zijn onze leden actief binnen de vakbond en zetten wij ons in om haar sterker te maken.” Hiermee wordt de gemeenschappelijke kader aangegeven waarin de discussie gevoerd wordt.

Maar helaas laten de auteurs die openingszin dus weg en citeren het vervolg van Ewouts openingsalinea: “De vakbond is immers de collectieve verdedigingslinie voor werkende mensen tegenover de macht van werkgevers. Maar achter dit front gaan ook tegenstellingen schuil die voor het werk van socialisten binnen de bond belangrijk zijn. Het artikel van Grenzeloos probeert echter deze tegenstellingen glad te strijken en maakt bovendien een karikatuur van onze rol binnen de vakbond.”

Vervolgens geven ze hun eigen interpretatie: “Het eerste deel van die laatste zin is helaas typerend voor de manier van discussiëren die we bij de IS wel meer aantreffen. Anderen hebben in de visie van de IS niet gewoon een andere mening, een andere analyse, of een andere inschatting, maar een andere agenda. ‘Ze proberen tegenstellingen glad te strijken’.”

Niets in het artikel van Ewout rechtvaardigt deze uithaal. Het verwijt dat de auteurs aan het adres van de IS maken gaat eerder op voor hun eigen benadering. Het is immers zo dat Ewout slechts een voor hen onwelgevallige mening verkondigt, niets meer en niets minder, maar toch zoeken ze daarachter een kwade agenda. Volgens Ewout bagatelliseert het artikel “Onze vakbeweging, een kritiek op linkse kritiek” de tegenstelling tussen “basis” en “top.” In dit nieuwe artikel blijkt dat opnieuw. De auteurs vinden het onderscheid tussen “vereniging” en “apparaat” veel belangrijker dan het onderscheid tussen “basis” en “top.” Dat is hun goed recht, maar het is ook Ewouts recht om te stellen dat ze met die formulering de reële tegenstelling tussen “basis” en “top” binnen de vakbeweging gladstrijken – een mening die binnen de marxistische traditie, en zeker binnen die waaruit ook Grenzeloos voorkomt – altijd prominent is geweest. Zoals Ewout schrijft, “Socialisten zouden de sociale positie die groepen mensen innemen als vertrekpunt moeten nemen.” Het verheffen van de tegenstelling tussen “vereniging” en “apparaat” tot de belangrijkste invalshoek verhult (bedoeld of onbedoeld) de machtsrelatie tussen beide, namelijk het feit dat ze niet naast elkaar staan maar in een hiërarchische relatie en daarom spreken we liever in termen van “basis” en “top” (en dan heb ik het nog niet eens over de structurele relatie die bestaat tussen delen van de top en de staat, via bijvoorbeeld de SER).

Deze discussie lijkt een theoretisch gehalte te hebben, maar reflecteert in feite de condensatie van historische ervaringen die kunnen helpen bij strategische oriëntaties van nu en het vermijden van valkuilen (de aanzuigende kracht waarover Hans Boot schrijft in ‘Verantwoordelijkheid beperkt kritiek en onafhankelijkheid’). De tegenstellingen tussen basis en de top zijn niet altijd zichtbaar, zeker niet op momenten dat de strijd in de vorm van stakingen op een laag pitje staat, maar ze zullen altijd de kop opsteken. Overigens publiceren we regelmatig concrete analyses van vakbondsstrijd en de ontwikkelingen binnen de vakbond (zie bijvoorbeeld de brochure van Maina van der Zwan, Van onderop en samen sterk: argumenten voor een democratische en strijdbare vakbeweging).

Deze analyse betekent voor ons samengevat drie dingen:

1) De prioriteit voor socialisten ligt in het versterken van de netwerken aan de basis. Patrick en Rob reageren met de stelling dat “Dat soort netwerken bestaan [al], ze bestaan uit vakbondskaderleden en strekken zich uit van de basis van de bond via allerlei organen van de bond tot aan het bestuur… honderden kaderleden die hun verantwoordelijkheid nemen in (het bestuur van) bedrijfsledengroepen, sectorraden, sectorbesturen, het ledenparlement, als vakbondsconsulent, in plaatselijke afdelingen.” Opnieuw doen ze alsof er geen verschil bestaat tussen de structurele positie die kaderleden die bijvoorbeeld in een bedrijfsledengroep zitten en zelf partij zijn in de botsingen tussen de werkvloer en het management en bestuursleden of juridische consultants die hun baan aan het apparaat en de onderhandelingspositie met de werkgevers te danken hebben. Ook de positie van de gekozenen in het ledenparlement is niet hetzelfde als die in het hoofdbestuur. De netwerken van kaderleden aan de basis opbouwen, waar mogelijk met bestuurders die aan de juiste kant staan, zou de prioriteit moet zijn.

2) Voorzichtig zijn met het innemen van posities binnen de bureaucratie, en ervoor zorgen dat wanneer socialisten in bezoldigde en bestuurlijke functies terechtkomen, ze verbonden blijven met de basis van de bond zodat ze hun ‘realisme’ niet gaan aanpassen aan wat de top realistisch vindt (zie ook het artikel van Hans Boot, ‘Verantwoordelijkheid beperkt kritiek en onafhankelijkheid’).
Dat we niet principieel tegen het innemen van posities in formele bestuursorganen van de vakbond zijn blijft natuurlijk uit het feit dat we dat al doen, en Patrick en Rob geven dit toe wanneer ze uit onze brochure Activerend vakbondswerk, hoe doe je dat? citeren, maar ze laten de daaropvolgende paragrafen weg waarin we stellen: 'Maar hoe hoger je komt binnen de bond hoe meer druk er op je staat om je te conformeren aan de manier die de gebruikelijke benadering is van de vakbondsbureaucratie: compromissen sluiten met directie of kabinet, de strijd afremmen, een deal sluiten en de klassentegenstelling tussen arbeid en kapitaal beschouwen als een eeuwig gegeven in plaats van iets wat afgeschaft kan worden.' En niet veel verderop: 'linkse bestuurders zijn niet immuun voor de druk die op alle vakbondsleiders staat en zelfs de beste onder hen zijn bang om openlijk te breken met de leiders van hun vakbonden...(...) zulke druk kan resulteren in aarzeling of halfslachtigheid op belangrijke momenten in een strijd waarbij veel verloren kan gaan.'

3) Steun voor bestuurders die de strijd vooruithelpen en kritiek wanneer ze die belemmeren.

Wat mij vooral verbaast is dat Rob en Patrick uit meerdere IS-publicaties citeren om te laten zien dat we in concrete gevallen eigenlijk wel zinnige dingen zeggen over vakbondswerk. Daarmee laten ze in feite zien dat Ewout terecht stelde dat ze in hun eerste artikel een karikatuur maakten van onze posities over de vakbond. Patrick schreef zelfs het voorwoord van een brochure dat we over vakbondswerk publiceerden. Dit deed hij nota bene op onze eigen uitnodiging. Maar desondanks schrijft hij dat we onfatsoenlijke discussiemanieren hanteren, slechts omdat we van mening zijn dat zijn stellingname leidt tot het gladstrijken van de tegenstellingen tussen de basis en de top. Nogmaals, dat is slechts een mening en de auteurs zouden bij zichzelf te rade gaan waarom ze reageren als door een wesp gestoken.

Submitted by Atte Houtsma (not verified) on

Een uitstekend artikel, ik kan me hier helemaal in vinden, vanuit Zorg heb ik als voorzitter en afgevaardigde in de Bondsraad van de toenmalige Abvakabo, mij ervoor 100% ingezet, en ja er moeten betere lijnen komen met de achterban maar dit is niet zo eenvoudige als het lijkt, in de nieuwe Zorg/Welzijn zijn heel veel sectoren in ook deze moeten worden opgebouwd in een activerende richting, we zijn bezig de tanker langzaam van richting aan het veranderen, de leden en niet leden horen meer en meer van de sector in de nieuwe FNV.

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Reageren