Het post-Assad-leiderschap van Syrië laat zijn volk in de steek, wat leidt tot protesten tegen armoede en ongelijkheid. Joseph Daher blikt terug op een jaar onder Ahmed al-Sharaa.
In november werden in verschillende steden die onder controle staan van de regering van Ahmed al-Sharaa grote bijeenkomsten ter ondersteuning van de Syrische regeringsautoriteiten georganiseerd. Hoewel die bijeenkomsten werden gepresenteerd als demonstraties ‘tegen verdeeldheid’ en voor de eenheid van het land, waren er onder de demonstranten sektarische slogans te horen.
Hetzelfde gold voor de massale demonstraties ter ere van de eerste verjaardag van de val van het regime van Assad. Die gebeurtenissen benadrukken de duidelijke politieke en sociaaleconomische versnippering van het land nu.
Sinds de omverwerping van het voormalige Syrische regime heeft de politieke transitie de huidige heersende autoriteiten, onder leiding van Hay'at Tahrir Sham (HTS), de gelegenheid geboden om hun macht over de politieke en economische instellingen te consolideren. In de afgelopen maanden hebben onder hun toezicht ernstige schendingen van de mensenrechten plaatsgevonden, met name de bloedbaden aan de kust en in Sweida. Bovendien heeft het neoliberale en bezuinigingsbeleid van de leiders geleid tot aanhoudende hoge armoede in het hele land.
Het is niet verwonderlijk dat in een dergelijke context de protesten voor democratische en sociaaleconomische rechten de afgelopen maanden zijn toegenomen.
Veiligheid, democratie en inclusie
Onlangs hebben delen van de Alawitische gemeenschappen geprotesteerd tegen de voortdurende schendingen waaraan ze sinds de val van Assad worden blootgesteld. Ze riepen op tot veiligheid, met name bescherming tegen voortdurende moorden en ontvoeringen (met name van vrouwen) en federalisme. En ze veroordeelden de onevenredige willekeurige ontslagen die ze hebben ondergaan door toedoen van overheidsinstanties, evenals de hoge kosten van levensonderhoud.
Ghazal Ghazal, het hoofd van de Alawitische Islamitische Raad in Syrië en de diaspora, riep zelfs op tot een boycot van de vieringen ter gelegenheid van de val van het voormalige regime en drong er bij de Alawieten op aan om tijdens een 'algemene staking' van 8 tot 12 december thuis te blijven om te protesteren tegen het 'nieuwe onderdrukkende regime'.
Ook in Sweida vinden er voortdurend demonstraties plaats tegen de ernstige schendingen van de mensenrechten die sinds de zomer door de heersende autoriteiten en de aan hen gelieerde gewapende groeperingen tegen burgers zijn begaan. Naast de moorden is de bevolking het slachtoffer geworden van ontvoeringen (met name van vrouwen) en gedwongen verplaatsingen, vaak op sektarische gronden.
Intussen worden de nationale rechten van de Koerden door de heersende autoriteiten nog steeds genegeerd en soms zelfs afgewezen. Bovendien zijn de onderhandelingen met de Autonome Administratie in Noord- en Oost-Syrië (AANES) tijdens wat een proces van integratie met Damascus zou moeten zijn, in een impasse geraakt door meningsverschillen over militaire, civiele en economische aangelegenheden.
Meer in het algemeen hebben de heersende autoriteiten maatregelen genomen om hun controle over de samenleving te versterken, onder meer door te trachten de democratische rechten te beperken.
De afgelopen maanden hebben de lokale autoriteiten niet geaarzeld om beperkingen op te leggen aan de organisatie van politieke conferenties. Hoewel die maatregelen aanvankelijk meestal informeel waren, worden ze nu langzaam vastgelegd. Zo heeft het Syrische ministerie van Toerisme in november een circulaire uitgegeven waarin toeristische instellingen wordt verzocht geen evenementen of conferenties van politieke aard te organiseren zonder voorafgaande toestemming van het secretariaat-generaal voor politieke zaken.
Dat betekent dat het secretariaat-generaal voor politieke zaken – dat pas na de val van Assad door het ministerie van Buitenlandse Zaken is opgericht – nu uitgebreide bevoegdheden heeft, waaronder het toezicht op politieke activiteiten.
In sommige gevallen zijn evenementen ronduit geannuleerd, zoals het seminar Political Thought: Necessity or Not? dat in november zou worden georganiseerd door voormalig politiek gevangene Aslan Abdel Karim. De lokale autoriteiten zeiden dat dit kwam omdat de vereniging die de conferentie organiseerde geen vergunning had, maar volgens de wet mogen verenigingen die een vergunning hebben aangevraagd (wat hier het geval was) hun activiteiten voortzetten totdat een definitief besluit is genomen.
Evenzo hebben talrijke Syrische organisaties en verenigingen medio oktober kritiek geuit op de richtlijn van de minister van Sociale Zaken en Arbeid over haar aanpak van ngo's. Ze beschuldigden haar van het gebruik van praktijken 'gebaseerd op een repressieve verenigingswet die lange tijd door het vorige regime werd gebruikt om de activiteiten van ngo's aan banden te leggen, hun leden te vervolgen en gevangen te zetten'.
Dat heeft geleid tot bredere vragen over de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting die zijn waargenomen. Hoewel de lokale en internationale pers sinds de val van Assad zeker veel meer vrijheid heeft om in Syrië te opereren, zijn er niettemin aanvallen op onderzoekers en journalisten gemeld.
In november werd de Syrische activist en politiek onderzoeker Laith al-Zoubi door de autoriteiten gevangengezet en gemarteld, zonder dat er een arrestatiebevel was uitgevaardigd of dat de zaak aan de rechter was voorgelegd.
Protest
De toenemende sociaaleconomische uitdagingen van het land leiden tot steeds meer kritiek van Syriërs op het regeringsbeleid. Afgezien van hun wens om kapitaal te vergaren in grote luxueuze vastgoedprojecten, hebben de huidige regerende autoriteiten geen beleid of plan voor de wederopbouw voorgesteld. En de bevolking is daar duidelijk niet blij mee.
Sommigen zijn zelfs gaan demonstreren tegen vastgoedprojecten zoals dat van het in Koeweit gevestigde Al-Omran Real Estate Development Co. (eigendom van een Syrische zakenman). Het stadsontwikkelingsinitiatief 'Boulevard of Victory' in Homs was het doelwit van lokale protesten waarbij mensen spandoeken droegen met de tekst: 'Geen boulevard, nee tegen ontheemding'. Er werd zelfs een vergelijking gemaakt met het 'Home Dream', een stadsherontwikkelingsplan dat onder Bashar al-Assad was opgesteld.
De georganiseerde actie leidde ertoe dat het bedrijf aankondigde het deel van zijn plan dat door de omstreden wijk liep, te annuleren.
In het onderwijs gingen leraren enkele weken in staking en demonstreerden ze voor overheidsinstellingen in Aleppo en Idlib, onder de slogan 'De beweging gaat door totdat aan onze eisen is voldaan'. Ze eisen een vast dienstverband, de snelle herplaatsing van degenen die zijn ontslagen en loonsverhogingen die gelijke tred houden met de stijgende kosten van levensonderhoud.
Er werden ook stakingen georganiseerd door minibuschauffeurs in Damascus en arbeiders van het particuliere bedrijf Madar Aluminium, die betere arbeids- en levensomstandigheden eisten.
In december hielden arbeiders van de haven van Tartous een sit-in voor het gebouw van het gouvernement om te protesteren tegen hun overplaatsing – waarvan zij via WhatsApp en zonder enige voorafgaande kennisgeving op de hoogte waren gesteld – naar afgelegen locaties in Jarablus en al-Bukamal, grensovergangen in de oostelijke gouvernementen.
Bovendien hebben veel mensen in het hele land hun woede geuit over de enorme stijging van de elektriciteitstarieven, en in steden als Salamiyeh en Homs zijn demonstraties georganiseerd. De elektriciteitsprijzen zouden mogelijk kunnen stijgen met een exorbitante 3.000 tot 6.000 procent in elk huishouden, uitgaande van een continue elektriciteitsvoorziening.
Uiteindelijk zullen veel mensen, ongeacht de hoogte van de stijging, gedwongen worden hun elektriciteitsverbruik te rantsoeneren, wat in bredere zin zal leiden tot een nieuwe stijging van de inflatie.
Ondanks de verhoging van het minimumloon sinds eind juli (tot 68 dollar per maand) kan het grootste deel van de bevolking, of ze nu in dienst zijn van de staat of de particuliere sector, met hun salaris niet in hun behoeften voorzien. Volgens schattingen van Qasioun bedroegen de minimale kosten van levensonderhoud voor een Syrisch gezin van vijf personen in Damascus eind september ongeveer 645 dollar. Bovendien is een groot deel van de samenleving afhankelijk van geld dat door familieleden in het buitenland wordt overgemaakt.
De minister van Financiën heeft hierop gereageerd met de aankondiging van een loonsverhoging (met 200 procent) voor arbeiders in de gezondheids- en onderwijssector. Die mogelijke toekomstige verhoging is echter nog steeds onvoldoende om de nood van de bevolking te verlichten en de voortdurende stijging van de kosten van levensonderhoud tegen te gaan.
In die context, en nu we de eerste verjaardag van de val van Assad vieren, is het van cruciaal belang dat elke autoritaire praktijk van de nieuwe heersende autoriteiten wordt bestreden. Tegelijkertijd moet er een economisch project worden opgezet dat streeft naar sociale rechtvaardigheid, herverdeling van rijkdom en een wederopbouwproces dat ten goede komt aan het grootste deel van de bevolking.
Terwijl de wereldwijde media en leiders debatteren over de toekomst van Syrië, heeft het land dringend behoefte aan een alternatief politiek project dat democratische, sociale en economische rechten combineert en samenwerking tussen verschillende protestbewegingen en, meer in het algemeen, de bredere Syrische bevolking in al haar diversiteit bevordert.
Foto: De vrouwen van Raqqa gingen op 3 maart de straat op om Internationale Vrouwendag te vieren. Bron: SDF Press/Youtube.
Joseph Daher is academicus en auteur van Syria after the Uprisings, The Political Economy of State Resilience; Hezbollah: the Political Economy of Lebanon’s Party of God; Marxism and Palestine.
Dit artikel stond op The New Arab. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.
Reactie toevoegen