15 April 2021

Ander Europa

Subscribe to Ander Europa feed Ander Europa
www.andereuropa.org
Updated: 33 min 9 sec ago

Na de Nobelprijs, een heiligverklaring?

Mon, 04/12/2021 - 17:06

12 april 2021 - In 2012 kreeg de Europese Unie de Nobelprijs voor de vrede, misschien de hoogste onderscheiding voor bewezen diensten aan de mensheid die men op aarde kan verwachten. Maar het is nog iets anders om door buitenaardse, ja, hemelse instanties opgenomen te worden in de nauwe kring van heiligverklaarden. De toekenning van dat aureool is weer een stap dichter bij zijn verwerkelijking voor Robert Schuman (1886-1963), een van de 'vaders van Europa', die in 1950 als Frans minister van Buitenlandse Zaken en op aanwijzing van zijn kabinetschef Jean Monnet de aanzet gaf tot de 'Europese eenmaking'. Inderdaad, volgens kardinaal Marcello Semeraro, de prefect van de Vaticaanse Congregatie voor de Heiligverklaringen, is er belangrijke vooruitgang geboekt in het proces voor de zalig- en later mogelijke heiligverklaring van Schuman. We mogen niet op de zaken vooruitlopen, maar kan men zich voorstellen wat het voor ons, Europeanen, zou betekenen als er in het vlakbij het Brusselse Schumanplein gelegen Berlaymontgebouw (zo genoemd naar het katholiek klooster dat er vroeger stond) ook een crypte gewijd aan de heilige Schuman kon opgericht worden? Zou dat aan de Europese Volkspartij geen absolute meerderheid bezorgen in Raad en Parlement, zodat eens en voor altijd de laatste sporen van oppositie konden uitgewist worden? Nee, we mogen niet vooruitlopen, want alvorens er van heiligverklaring kan sprake zijn is er het stadium van de zaligverkaring, en daarvoor is geen omgekeerde gekwalificeerde meerderheid in de Congregatie nodig, maar een wonder (en een tweede voor de heiligverklaring). Een wonder is  een "indrukwekkende en rationeel onverklaarbare gebeurtenis". In de Europese context zou als wonder kunnen erkend worden dat er een vennootschapsbelasting van 50% wordt ingevoerd, of dat de EU niet langer de eis boycot van  een bindend VN-verdrag tegen de schending van mensenrechten door ondernemingen , dat kernwapens op het grondgebied worden verboden of zelfs maar dat de militaire budgetten worden gehalveerd en er een actieve vredespolitiek wordt gevoerd. Zulks zou een krachtig signaal uit de hemel zijn dat Schuman zijn volgelingen heeft gecontacteerd. Afwachten! (hm)      

Een ‘steeds nauwere Unie’ … voor wapenproductie en uitvoer

Mon, 04/12/2021 - 14:51

door Martin Broek (*) 12 april 2021   In hun streven naar een Europese wapenindustrie willen Duitsland en Frankrijk meer samenwerken op het gebied van wapenproductie en daarvoor bedenken ze nieuwe regels. De relatief strikte Duitse uitleg van de wapenexportrichtlijnen dreigt daarmee op een hellend vlak te komen. En in het kielzog van beide grote landen dreigt dit ook te gaan gelden voor het wapenexportbeleid van andere Europese landen. Eind 2019 had de European Round Table, een lobbyvereniging waar ook de bazen van de grote Europese wapenindustrieën deel van uitmaken, een speciale bijeenkomst in Toulouse, Frankrijk. Ze kregen daar gezelschap van Angela Merkel en Francois Macron. Op de agenda stond “een ambitieuzer Europees industrie- en innovatiebeleid.” Eerder in 2019 presenteerden de Duitse bondskanselier en de Franse president al het Verdrag van Aken, waarmee hun militaire samenwerking werd geformaliseerd. Er waren daarna nog wel enkele hordes te nemen. Frankrijk wilde de mogelijkheid hebben gezamenlijk geproduceerde militaire goederen naar Saoedi-Arabië te exporteren, terwijl Duitsland een wapenembargo tegen het Saoedische koninkrijk heeft. In aanwezigheid van de top van de Europese militaire industrie hebben Merkel en Macron in de verklaring van Toulouse hun meningsverschillen over wapenexportcontrole bijgelegd. Deze verklaring versoepelt de industriële samenwerking op defensiegebied tussen Frankrijk en Duitsland, met name voor het toekomstige ambitieuze luchtwapensysteem (het Future Combat Air System, FCAS of Next Generation Weapon System, NGWS) en de gevechtstank European Main Battle Tank (de European Main Battle Tank, EMBT of Main Ground Combat System, MGCS), twee van de belangrijkste Europese wapensystemen die momenteel ontwikkeld worden. Daarnaast bevat de verklaring een bijlage van twee pagina's met wapensystemen die van deze samenwerking worden uitgezonderd. Dat zijn handvuurwapens, artillerie, munitie, projectielen en luchtframes en motoren voor militaire vliegtuigen, tankkoepels en chassis. Kern van 'Toulouse' is informatie-uitwisseling in een vroeg stadium van een project, om onenigheid in een later stadium te voorkomen. Gewoonlijk wordt wapenexport gereguleerd door het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU (2008/944 / GBVB) en het VN-Wapenhandelsverdrag (ATT). De belangrijkste verandering is dat wanneer er problemen ontstaan over de interpretatie van deze wapenexportregels, er in 'Toulouse' wordt gedefinieerd dat een zogenaamde de-minimisverklaring leidend is. Dit betekent dat wanneer subsystemen en componenten minder dan 20 procent van het wapensysteem uitmaken, het land waar het systeem wordt geassembleerd de exportbeslissing kan nemen (een vergelijkbare de-minimis wordt gevolgd in geval van reparatie, opleiding en revisie). Een specifieke export kan worden stopgezet wanneer de nationale veiligheid van Frankrijk of Duitsland in het geding is. Nederlandse pleitbezorgers van wapenhandel Net voor de Nederlandse verkiezingen gebruikten de (inmiddels afgetreden) parlementariërs Van Helvert (CDA) en Bosman (VVD) de uitkomst van Toulouse om een bijna volledige afbraak van de Nederlandse wapenexportcontrole voor te stellen. Ze schreven een notitie over het Nederlandse wapenexportbeleid waarin ze beweerden dat exportcontrole de Nederlandse militaire industrie ondermijnt door een te strikte en grillige interpretatie van het Europese Gemeenschappelijk Standpunt betreffende wapenexport. Volgens de Nederlandse centrumrechtse parlementariërs is Nederland de padvinder onder volwassen wapenexporterende EU-landen. Ze constateren dat sommige EU-landen streng zijn bij het toepassen van wapenexportcontrole, en andere flexibel. Van Helvert en Bosman categoriseren Duitsland, Zweden en Zwitserland in één groep met Nederland als landen die een strikte uitleg volgen. Frankrijk is de grote boosdoener op het gebied van wapenexport en beperkt deze nauwelijks. Volgens de Nederlandse parlementariërs faalt het Nederlandse wapenindustriebeleid door een te strikte en grillige wapenexportcontrole die deals met conflictregio's en mensenrechtenschenders beperkt. De toenmalige parlementariërs onderstrepen het belang van de Nederlandse militaire industrie met cijfers en analyses. De militaire industrie genereert 0,7 procent van het bbp en levert tienduizenden banen op, maar geeft ook toegang tot de technologie van wapensystemen, de potentie om samen te werken bij ontwikkeling van wapens (waardoor Nederlandse militaire eisen kunnen worden meegenomen). Een sterke Nederlandse militaire industriële basis versterkt zelfs de Europese Unie, aldus de parlementariërs. Met zoveel Europees patriottisme kan men zich afvragen waarom CDA en VVD de aankoop van bijna de gehele vloot van de Koninklijke Luchtmacht in de VS steunden. Het kopen van Apache-gevechtshelikopters, F-35-gevechtsvliegtuigen, C-130-transportvliegtuigen, Chinook-heli's ) en Patriot-raketten versterkt de Amerikaanse wapenindustrie, niet een Europese defensie-industriële capaciteit. Niet alleen in de lucht, maar ook op zee heeft de VS een sterke invloed; projectielen voor Nederlandse marineschepen worden voornamelijk aan de andere kant van de Atlantische Oceaan gekocht. Steun voor Europese productie lijkt slechts als gelegenheidsargument te worden gebruikt.   Europese Unie en Verenigde Staten Dat de VS in de notitie ontbreekt is ook opmerkelijk aangezien de VS is al decennia lang de grootste importeur van Nederlandse componenten zijn. Er zijn nauwelijks politieke problemen geweest bij die leveringen. Nederlandse politici gaan ervan uit dat bondgenoten hun eigen wapenexportcontroles uitvoeren en eindbestemmingen voor onderdelen worden daarom niet gecontroleerd voor Nederlandse export naar de VS, Duitsland en andere EU / NAVO+-landen (behalve Turkije). Het probleem ligt niet op het gebied van de export van componenten. Het probleem voor de Nederlandse militaire industrie en hun spreekbuizen in het parlement zijn grotere subsystemen die worden ingebouwd in grote wapensystemen (vooral marineschepen) die bij export aan het parlement moeten worden gemeld. Bijna nooit zijn die meldingen een reden voor discussie en controverse, wel in het geval van Saoedi-Arabië en Egypte. Sinds de Amerikaanse verkiezingen ligt het 'zachte' Nederlandse beleid ten aanzien van wapenexport naar Saoedi-Arabië in lijn met het standpunt van de VS. Verbazingwekkend hoe snel het buitenlands beleid kan veranderen. Al in de eerste maand ging het beleid van Biden rechtstreeks in tegen het beleid van zijn voorgangers Obama en Trump, die beiden Saoedi-Arabië steunden. De VS lijken op dit moment een meer op mensenrechten gericht wapenexportbeleid toe te willen passen. Flexibel wapenhandelsbeleid De Nederlandse parlementariërs stellen in hun memo voor om bij Europees Defensiefonds (EDF) gefinancierde projecten een algemene vergunning te verlenen nog voordat een wapensysteem is ontwikkeld. Hiermee moet worden voorkomen dat Nederlandse bedrijven buiten de boot vallen omdat potentiële partners vrezen dat de Nederlandse overheid uiteindelijk geen exportvergunning zal verlenen. (p. 11) In door het EDF gefinancierde programma's spelen verschillende Nederlandse bedrijven zoals TNO en Damen een grote rol en er is een groeiend spectrum aan wapens die binnen het programma gesteund worden. Het voorstel opent bijvoorbeeld de deur voor ongebreidelde medewerking aan ontwikkeling, productie en export van drones – dit is namelijk een van de sleuteltechnologieën waarop de EU zich richt – als Nederlandse bedrijven meedoen in met EU-financiering door het EDF. Andere voorstellen van de twee inmiddels afgezwaaide parlementariërs zijn:
  • deelnemer worden aan de Duitse Franse verklaring van Toulouse (of als dit niet lukt het gelijkaardige bilaterale overeenkomst aangaan met een van hen of andere lidstaten van de Europese Unie en Noorwegen)
  • de 20 procent 'de minimis'-regel gebruiken als standaard bij de verkoop van subsystemen en componenten voor belangrijke wapensystemen die door de EU en Noorwegen worden geproduceerd.
  • ruimte creëren voor meer inbreng van het Ministerie van Economische Zaken ten opzichte van het Ministerie van Buitenlandse Zaken als het gaat om wapenexportbeslissingen.
Componenten en subsystemen Componenten vormen het grootste deel (rond 80%) van de Nederlandse wapenexport en worden bij export naar een EU / NAVO + -land niet vaak als problematisch ervaren, ook niet als de eindbestemming van de wapensystemen in Nederland controversieel zou zijn. Ze vallen zelfs onder de Algemene en Globale exportvergunningen [efn_note]  Zie voor een recentere User Guide in het Nederlands: HANDBOEK STRATEGISCHE GOEDEREN EN DIENSTEN; Geschreven voor bedrijven en andere belangstellenden (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, maart 2018)[/efn_note]. Daardoor is er voor wapenindustrieën nauwelijks een belemmering om hiermee internationaal samen te werken en onderdelen tussen bedrijven uit te wisselen. Ook grotere subsystemen voor grote wapensystemen zijn zelden controversieel. Subsystemen kunnen gevechtsdatasystemen en vuurleidingsradar zijn. Thales levert momenteel subsystemen voor Duitse fregatten die naar Egypte worden geëxporteerd. Het is een van de grootste vergunningen die in 2020 zijn afgegeven. De schepen kosten € 5-600 miljoen, de systemen € 114 miljoen. De 20 procent de-minimisregel is misschien net genoeg om zelfs deze grote export buiten controle van het Nederlands parlement te houden. Hoge standaard Bij nadere beschouwing van de Duits-Franse samenwerking wordt wel duidelijk dat Bosman en Van Helvert enkele cruciale punten hebben gemist:
  • de Duits-Franse band is niet zo sterk als het memorandum suggereert. In de media zijn de moeilijkheden tussen Duitsland en Frankrijk bij de ontwikkeling van het Future Air Combat System (het belangrijkste onderdeel van de militaire industriële samenwerking) breed uitgemeten. Na weken van moeizame onderhandelingen werden slechts minieme resultaten bereikt en er is nog steeds een reële dreiging van een veto over het programma. Ook de gevechtstank dreigt vast te lopen. Franse defensiedeskundigen schreven onlangs in een gezamenlijk ingezonden artikel dat Duitsland “een partner is die niets gemeen heeft met Frankrijk.”
  • Bosman en Van Helvert suggereren ten onrechte dat de overeenkomst alle militaire componenten omvat. De bijlage sluit een breed scala aan wapensystemen uit, waaronder houwitsers zoals de PzH2000 (door hen juist als voorbeeld genoemd van een wapen dat baat kan hebben bij een dergelijke overeenkomst).
  •  De ontwikkelingen in het wapenexportbeleid van de Verenigde Staten hebben een dynamiek die richting het Nederlandse beleid gaat. In Frankrijk zelf worden de ontwikkelingen in het wapenexportbeleid ook steeds meer in twijfel getrokken, dat blijkt bijvoorbeeld uit het Franse parlementaire Maire-Tabarot rapport over wapenexportcontroles. Franse politici en ngo's maken zich steeds meer zorgen over wapenexport. Nederland wordt in dat debat naar voren gebracht als voorbeeld.
De Duitse wapenindustrie wil het lakse Franse beleid gebruiken om de Duitse strikte wapenexportcontrole te omzeilen. Er is geen enkele reden om in Nederland dit idee te omarmen. Het huidige wapenexportregime biedt meer dan voldoende ruimte voor industrieën om samen te werken. En slechts in enkele gevallen wordt een levering een halt toegeroepen. Maar dat is nou precies het doel van het wapenexportbeleid. Misschien is het waar dat als Nederlanders geen wapens levert, en andere landen wel, het resultaat nihil is. Maar als Nederland anderen gaat volgt in die laksheid, dan is het resultaat ook duidelijk: dan zal de controle op wapenexporten verzwakken of zelfs verdwijnen. (*) Martin Broek is onderzoeker bij Stop Wapenhandel. Zijn artikel verscheen onder de titel Afbraak wapenexportcontrole. Met dank voor de invitatie tot overname.

Europese stoelendans in Istanbul

Fri, 04/09/2021 - 23:50

door Frank Slegers 9 april 20121   Turkije is kandidaat-lid van de Europese Unie. Het toetredingsproces is door de EU wel bevroren, maar onlangs verbeterden de relaties. Daarom gingen Charles Michel, voorzitter van de Europese Raad, en Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, op 6 april samen op bezoek bij hun Turkse collega Recep Tayyip Erdoğan. Dit bezoek werd wereldnieuws dankzij de “stoelendans”, waarbij Michel sneller ging zitten dan von der Leyen. Wat gingen beide Europese voorzitters doen in Istanbul? Zoals de Italiaanse premier Mario Draghi achteraf zei: Erdoğan is wel een dictator, maar ook met dictators moet je willen samenwerken om de belangen van je eigen land te dienen. Na een jaar bittere twisten denken de Europese leiders dat het tijd is de banden met de Turkse president weer aan te halen. Zij hopen met Joe Biden in het Witte Huis de ruimte te krijgen om hun ambities als grootmacht in het Midden-Oosten waar te maken, natuurlijk in samenspraak met de Amerikaanse vrienden.   Lastige klant Erdoğan is een lastige klant. Hij beschikt over het tweede sterkste leger van de NAVO, en heeft óók ambities. Met de regelmaat van een klok liep hij de laatste tijd zijn Europese collega’s voor de voeten. Hij aarzelt niet de militaire kaart te trekken. In Syrië bestookte hij de Koerden, nochtans een bondgenoot van de VS en dus het Westen, en hij hield samen met Rusland het regime van Assad recht. In Nagorno-Karabach bezorgde hij samen met hetzelfde Rusland de overwinning aan Azerbeidzjan, en trapte daarmee tegen de zere schenen van de Franse president Emmanuel Macron, medevoorzitter van het comité belast met een vreedzame oplossing voor het conflict. In Libië ondersteunde hij militair de internationaal erkende regering in Tripoli, terwijl (weer) Macron had ingezet op de concurrerende generaal Haftar. Toen Erdoğan geen luchtafweergeschut kon kopen bij zijn bondgenoten van de NAVO kocht hij het in Rusland. In de Oostelijke Middellandse Zee ging hij boren naar gas, in de territoriale wateren van Griekenland en Cyprus. Wat het verdeelde Cyprus betreft stelde hij voor het eiland te verdelen in twee autonome staten, wat meteen de kaart van de territoriale wateren zou hertekenen. Nu valt wel iets te zeggen voor de positie van Erdoğan. Het zijn de Griekse Cyprioten die de hereniging van Cyprus tegenhouden. Verder heeft Griekenland met al zijn kleine eilandjes voor de Turkse kust wel veel territoriaal water. Turkije wordt buiten de exploitatie van het gas in de Middellandse Zee gehouden door een coalitie van Griekenland, Cyprus, Israël en Egypte. Maar de EU volgt de eigen lidstaten, Griekenland en Cyprus. Erdoğan is natuurlijk niet de enige die militair actief is. Frankrijk patrouilleert regelmatig aan de overkant van de Middellandse Zee, waar het ‘historische banden’ heeft. Zo kan je natuurlijk alles uitleggen. Maar de spanning met Frankrijk was te snijden, zeker toen Erdoğan zich ook nog eens opwierp als de leider van de soennitische moslims, en hard uitviel tegen het islamofobe beleid van Macron. Kortom, nu Biden president is van de VS en de banden met de EU weer aanhaalt, werd het volgens de Europese leiders tijd een nieuwe modus vivendi te zoeken met Erdoğan.   Handel Het helpt dat de Turkse economie er slecht aan toe is. De EU is de belangrijkste handelspartner van Turkije, terwijl Turkije de vijfde handelspartner is van de EU. Hier heeft de EU dus wat drukkingsmiddelen. De douane-unie met Turkije ligt dan ook op de onderhandelingstafel. Maar er is  niet alleen handel: Europese bedrijven hebben ook belangrijke investeringen in Turkije, bijvoorbeeld in de auto-industrie. Economische sancties zijn dan een tweesnijdend zwaard, en dat weten vooral de Duitsers, die dan ook ‘pragmatischer’ zijn in hun benadering dan Frankrijk.   Turkijedeal Erdoğan heeft dan weer een andere troef: hij huisvest voor rekening van de EU 3,5 tot 4 miljoen Syrische vluchtelingen. De EU lost het vluchtelingenvraagstuk immers op door vluchtelingen buiten de grenzen te houden. Zo legde de EU 6 miljard euro op tafel voor de ‘Turkijedeal’. In februari vorig jaar stuurde Turkije enkele honderden vluchtelingen in bussen naar de Griekse grens om aan de afspraken te herinneren, en de EU onder druk te zetten. De Europese Commissie zou naar verluidt nu 2,5 miljard euro zoeken om de komende drie jaar verder de “opvang in de regio” van Syrische vluchtelingen te financieren…   Machtsstrijd Na meer dan een jaar spanningen beslisten de EU en Turkije dus dat het weer eens tijd was om te praten, en togen Michel en von der Leyen naar Istanbul. Maar daar liep het mis. Voor de fotoshoot was geen stoel voorzien voor von der Leyen. Zij moest naar een lagere sofa, net zo een als die voorzien voor de Turkse minister van buitenlandse zaken. Dat incident gaf aanleiding tot een ontzettende rel, die nog voort dendert in Brussel. Het raakt immers de gevoelige snaar van de machtsverdeling tussen de Europese instellingen, met name de Raad en de Commissie, die niet echt is opgelost, en een voortdurende factor is van instabiliteit (denk aan: vaccinaties). Michel en von der Leyen gingen in Istanbul even laten zien dat de EU meetelt in de wereld, maar werden door die duivelse Erdoğan voor aap gezet, zo leek het wel. Of was het de macho Erdoğan die von der Leyen vernederde, als wraak voor haar kritiek op de terugtrekking van Turkije uit het Verdrag tegen geweld op vrouwen, onderhandeld in de Raad voor Europa? Turkije zou zich teruggetrokken hebben omdat het Verdrag strijdig is met door haar gekoesterde familiewaarden. Ook Polen en Hongarije zouden overigens om dezelfde reden het Verdrag nog niet hebben geratificeerd… Niets van dit alles, zo lijkt het volgens de laatste berichten. De macho in kwestie zou niet Erdoğan zijn, maar Charles Michel, wiens protocollaire diensten een en ander geregeld hebben met de Turken,… Ter plekke leek hij in elk geval geen probleem te hebben een trapje hoger te zitten dan von der Leyen. Dat weerspiegelt vast hoe menige lidstaat aankijkt tegen de Commissie. De verhoudingen tussen Michel en von der Leyen waren sowieso al niet geweldig. Dit gaat niet helpen. Michel heeft zijn wekelijkse afspraak met von der Leyen voor komende maandag al afgezegd. De relaties van de EU met Turkije vormen een machtsstrijd, zowel in de schoot van de EU (Duitsland of Frankrijk, de Raad of de Commissie,…) als tussen de EU en Turkije. Zoals dat gaat in een machtsstrijd (zie eerder de Brexit) wordt opgeroepen kamp te kiezen: voor de Europese waarden, tegen de vrouwen onderdrukkende dictator Erdoğan. Turkije is volgens de wereldvakbond ITUC één van de tien landen in de wereld waar de arbeidsrechten er het slechtst aan toen zijn. Dan snap je wel dat de EU het moeilijk heeft met Erdoğan, toch?  Spontaan heb je natuurlijk meer sympathie voor de vernederde von der Leyen dan voor de twee macho’s op de grote stoelen… Toch zou kamp kiezen tussen de EU en Turkije een vergissing zijn. Het staat echte solidariteit in de weg, solidariteit van onderop, over de grenzen heen.    

Brexit: de ontsnapping

Wed, 04/07/2021 - 18:51

 7 april 2021

Dit is het derde essay van Perry Anderson waarvan we de samenvatting door David Elstein vertaalden. Het eerste publiceerden we op 22 maart, zie De Europese ‘coup’. U vindt er ook de verwijzing naar de bronteksten en een korte voorstelling van de auteur. Het tweede, Een Unie van steeds nauwere samenwerking? volgde op 31 maart. De samenvatting van het derde essay door D. Elstein verscheen op 28 maart 2021 bij OpenDemocracy onder de titel Why the UK’s system of government is vastly superior to the European Union.

 

Perry Anderson samenvatting door David Elstein    

Perry Andersons derde essay over het Europese project, 'The Breakaway', schetst de geschiedenis van de betrokkenheid van het Verenigd Koninkrijk, van niet-deelnemer tot afgewezen kandidaat tot lid gedurende 47 jaar en vervolgens tot een kletterend vertrek.

[spacer size="20"] Het Verenigd Koninkrijk was een ongeïnteresseerde toeschouwer toen zes Europese staten de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vormden, de voorloper van de Europese Unie in de jaren vijftig. Het was er evenmin bij betrokken toen bij het Verdrag van Rome in 1957 de Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd opgericht, die de Gemeenschap voor Kolen en Staal verving. Later brachten de nationale economische achteruitgang en de roerige buitenlandse ontwikkelingen, zoals de Suez-crisis en de dekolonisatie, de twee Harolds – de premiers Harold Macmillan en Harold Wilson - ertoe toch te opteren voor het lidmaatschap van de Gemeenschappelijke Markt, de Europese vrijhandelszone. De Franse president Charles de Gaulle sprak evenwel zijn veto uit over beide verzoeken. Pas toen Georges Pompidou de Gaulle opvolgde, slaagde een conservatieve eerste minister, Edward Heath, erin de impasse te doorbreken en zich in 1973 samen met Denemarken en Ierland bij de zes oprichtende lidstaten van de EEG aan te sluiten. Een veertigtal van Heath's eigen parlementsleden waren tegen toetreding, maar een groep van 69 pro-Europese parlementsleden van de anders zo vijandige Labourpartij was in de meerderheid, zodat Heath een meerderheid van 17 stemmen kreeg voor de goedkeuring van de wet op de Europese Gemeenschappen in 1972. Misschien weerhield de geringe marge hem ervan zijn belofte na te komen om niet tot de EEG toe te treden zonder "de volledige instemming" van het Britse volk. Hij verwierp het idee van een referendum dat in die formulering besloten lag en vermeed het onloochenbare feit te vermelden dat het Verenigd Koninkrijk een zekere mate van soevereiniteit had opgeofferd door in te stemmen met de suprematie van het Europees recht,  een voorwaarde om lid te worden van de EEG. Het was Wilson die, terug aan de macht gekomen, "opnieuw ging onderhandelen over de door Heath bedongen voorwaarden", en vervolgens in 1975 een referendum organiseerde. Bij een opkomst van 64% was een tweederdemeerderheid het eens met Wilsons akkoord.   De Britse tegenwerking  Toen Margaret Thatcher de algemene verkiezingen van 1979 won, startte zij een campagne om de onevenredige bijdrage van het VK aan de EEG-begroting te verlagen, en slaagde erin tweederde terug te winnen. De Europese Akte van 1987, een ingrijpende herziening van het Verdrag van Rome, droeg haar persoonlijk stempel, nadat ze erdoor was geloodst door de door haar benoemde commissaris. De positie van het land in Europa leek zowel apart als veilig. Maar Thatcher - die gebroken had met haar Minister van Financiën, Nigel Lawson, omwille van zijn pogingen om het pond sterling het wisselkoersmechanisme van de EEG te laten volgen - was vastbesloten zich te verzetten tegen het streven van Brussel en Frankfurt om het mechanisme op te waarderen tot een volwaardige eenheidsmunt. Dit verzet dwong tot het aftreden van haar minister van Buitenlandse Zaken, Geoffrey Howe, die op zijn beurt aan de basis lag van haar eigen vertrek uit Downing Street. Haar voorkeurskandidaat, John Major, haalde het en onderhandelde over een Britse opt-out van de euro. Desalniettemin tekende hij, tot ontsteltenis van veel van de hem genegen Lagerhuisleden, het Verdrag van Maastricht van 1992, dat de Europese Unie creëerde. De anti-Maastricht Tories, die zagen dat de Denen het verdrag in een referendum verwierpen, riepen op om dat in eigen land ook te doen, daarin gesteund door de Liberaal-Democraten. De positie van Major werd fataal ondermijnd toen het VK werd gedwongen uit het wisselkoersmechanisme te stappen, na een run op het pond op ‘Zwarte Woensdag’ later in 1992. Onder zware druk van Brussel hield Denemarken een tweede referendum, waarbij het eerste ongedaan werd gemaakt. Major wist het Britse parlement er uiteindelijk toch van te overtuigen Maastricht te ratificeren, maar zijn gezag over zijn eigen partij was gebroken, en het vernederende vertrek uit het wisselkoersmechanisme had het blazoen van de Tory’s  zo bezoedeld dat Tony Blair de verkiezingen van 1997 met gemak won. De drie opvolgers van Major als leider van de Tory’s, allemaal tegenstanders van Maastricht, moesten electoraal alle drie de duimen leggen voor Blair. Blair's meest geduchte tegenstander bleek zijn minister van Financiën Gordon Brown te zijn, wiens verbeten weerstand alle plannen van de premier om toe te treden tot de eenheidsmunt dwarsboomde. Wat Brown niet had zien aankomen toen hij zelf premier werd in 2007, was de financiële crisis van het jaar daarop. Hij werd in 2010 van het toneel verdreven, en de eerste pro-Europese leider van de Conservatieven sinds Major - David Cameron - kwam aan het hoofd te staan van de grootste partij binnen een coalitie met de Liberaal-Democraten, de meest fervente pro-Europeanen in het Parlement.   De weg naar het referendum  Deze overwinning werd echter overschaduwd door de Europese verkiezingen van 2009, waar de opkomende UK Independence Party (UKIP) Labour verdrong naar de tweede plaats. Onder druk van het verkiezingssucces van UKIP en van zijn eigen ontevreden parlementsleden kwam Cameron in een dynamiek terecht die hij ten onrechte dacht te kunnen beheersen. In 2011 keurde het Parlement wetten goed waardoor een referendum vereist werd alvorens het Verenigd Koninkrijk een nieuw verdrag met de Europese Unie kon sluiten. Ondertussen ondermijnde de vastberadenheid van Angela Merkel om haar geliefd Begrotingspact erdoor te drukken - als bescherming van de eurozone tegen externe en interne druk - de positie van Cameron. Hij sprak zijn veto uit tijdens een stemming in de Europese Raad van december 2011, waar de regeringsleiders van de Europese Unie bijeenkomen. Maar Merkel omzeilde de Raad en zorgde ervoor dat de voorstellen werden opgenomen in een multilateraal intergouvernementeel verdrag dat buiten het bereik van de EU viel. De machteloosheid en marginaliteit van het Verenigd Koninkrijk konden niet duidelijker worden aangetoond. In 2013 beloofde Cameron een in/uit-referendum als hij de volgende verkiezingen zou winnen. De reputatie van de Lib Dems was ernstig beschadigd door beleid dat zij hadden gesteund, en ander dat ze hadden opgegeven,  om in de coalitie te blijven. De verkiezingen van 2015 waren voor hen een electoraal debacle, en Cameron kreeg een duidelijke meerderheid, niet langer gehinderd door een junior partner die zijn veto over een referendum had kunnen uitspreken. Hij koos ervoor om zijn belofte na te komen, daarin aangemoedigd door zijn succes bij het afslaan van een Schotse onafhankelijkheidspoging.   De Brexit-campagne Cameron plande het referendum voor juni 2016, maar waar zijn eigen partij eensgezind was gebleken over de kwestie Schotland, was zij over de Europese Unie diep verdeeld. De overwinning van UKIP in de Europese verkiezingen van 2014 (op basis van evenredige vertegenwoordiging, in tegenstelling tot de normale Britse verkiezingen) had veel Tory-parlementsleden bang gemaakt voor een directe confrontatie in een Westminster-verkiezing, waar het meerderheidsstelsel (‘winner takes all’) van toepassing is. Eén Tory-parlementslid nam ontslag, vocht mee aan de daaropvolgende tussentijdse verkiezingen voor de UKIP, en won. Tientallen Toryparlementsleden vormden een machtige en gedisciplineerde partij binnen de partij, de zgn. European Research Group (ERG, pro-Brexit). Maar haar tactisch vernuft, ontwikkeld in Westminster, zou hoogstwaarschijnlijk weinig uitgehaald hebben in een referendumcampagne. Het was eerder het besluit van een groot deel van Camerons kabinet om zich aan te sluiten bij de Leave-campagne, onder leiding van Michael Gove en Boris Johnson (die geen lid waren van de ERG), waardoor de aantrekkingskracht van Brexit zich uitbreidde tot buiten de harde kern Brexiteers, en een groot deel van de Labour-parlementsleden en -kiezers kon aantrekken. De nieuwe leider van Labour, Jeremy Corbyn, sprak slechts lauwe steun uit voor de Europese Unie en hield zich verre van pro-EU-campagnes met Conservatieven. Het resultaat was dat, hoewel 73% van de parlementsleden van alle partijen Remain steunde en dit het officiële beleid was van alle partijen behalve UKIP, die steun niet echt tot uiting kwam. Dit in tegenstelling tot het Schotse referendum, waarbij anti-onafhankelijkheidspartijen de krachten bundelden om een ‘nee’ te promoten. De mensen dachten daar echter anders over dan hun parlementsleden. Perry Anderson vermeldt dat "de enige sociaal-economische groep waar een meerderheid voor Remain stemde de meest welvarende laag van de bevolking was, bestaande uit leden van de categorieën A en B". Over het geheel genomen won Leave  52%, "oplopend tot 64% in de armste categorieën van C2-DE" [efn_note]Het betreft bevolkingscategorieën die door Britse marktonderzoekers-adverteerders ingedeeld werden in 6 groepen, A, B, C1, C2 , D en E, op basis van het beroepsbezigheid en inkomen van het gezinshoofd.  [Noot van de vertaler][/efn_note]. Kiezers onder de 24 jaar waren 73 tegen 27 voor Remain; de meesten boven de 44 kozen Leave. Met 81% van degenen die voltijds onderwijs volgen die de voorkeur geven aan Remain, "was het in Engeland geografisch gezien alleen al in universiteitssteden dat Remain ruim won".   Waarom heeft "Leave" gewonnen? Voor Remainers, zegt Anderson, was er een gevoel dat het verlaten van de Unie een overwinning zou zijn voor chauvinisme en reactie; en ook dat het "een bedreiging zou vormen voor de levensstandaard, die bij vertrek sterk zou dalen"; maar voor de armste kiezers "was het belangrijkste punt de controle over hun eigen lot en dat van het land, iets dat alleen kon worden veiliggesteld door uit de EU te stappen". Een ander motief voor steun aan Leave was een breder gevoel van herwonnen onafhankelijkheid, waarbij, aldus Anderson, "controle over immigratie en grenzen op de tweede plaats kwam".   Anderson ontkent niet dat immigratie wel degelijk een rol speelde in de beslissingen van de Leave-stemmers. Een van de "twee cruciale erfenissen van New Labour" was de sterke toename van immigratie "als gevolg van het besluit van Blair in 2004 om zijn Oost-Europese bondgenoten te belonen voor hun trouwe rol in de oorlog in Irak" door niet te proberen het vrije verkeer te beperken (zoals Duitsland deed) toen de EU dat jaar werd uitgebreid. "Uiteindelijk kwamen er zo'n 700.000 Polen, veel meer dan waar Blair op had gerekend. Geen enkel ander Europees land kende zo vroeg een instroom van vergelijkbare omvang en snelheid. In 2017 hadden 400.000 Roemenen en Bulgaren zich bij hen gevoegd." De regering Cameron "kon niets doen om de toestroom te stoppen of te verzachten". De tweede erfenis - het falen van Blair om het te halen op Brown en toe te treden tot de euro - "was waarschijnlijk doorslaggevender". Als een land eenmaal deel uitmaakt van de eenheidsmunt, "wint de angst voor de gevolgen van een vertrek het van al het andere als de kwestie bij verkiezingen aan de orde komt". In de eurozone wordt immers "het spaargeld van de mensen in euro's aangehouden. Uit de Monetaire Unie stappen onder zulke omstandigheden zou groot waardeverlies meebrengen. Geen enkele partij met een draagvlak onder de bevolking durft zo'n vooruitzicht te riskeren." Anderson citeert het oordeel van de politiek socioloog Claus Offe: "Hoewel het opleggen van de eenheidsmunt een enorme vergissing was voor Europa, dreigt het terugdraaien ervan nog grotere schade toe te brengen aan de gewone burger." De Leave-campagne slaagde omdat er geen sprake was van een vergelijkbaar gevaar. Ironisch genoeg heeft volgens Anderson geen van beide partijen in het Brexit-debat "de geringste aandacht besteed aan het voor de hand liggende feit dat (afgezien van ministaatjes als Liechtenstein, Monaco of Luxemburg) de twee rijkste landen van Europa, met de meest geavanceerde welvaartssystemen, niet tot de EU behoren: Zwitserland en Noorwegen. Beide samenlevingen hebben integratie met de Unie in volksreferenda afgewezen, wat hun bloei sindsdien niet belemmert."   De moeilijke zwangerschap van Brexit  Cameron trad af na het referendum. Zijn opvolgster, Theresa May, riep in 2017 verkiezingen uit om haar parlementaire positie te versterken, maar ondanks het feit dat ze het aandeel van haar partij in de stemmen met 5% verhoogde, verloor ze genoeg zetels om haar meerderheid in het Lagerhuis te verliezen, waardoor ze afhankelijk werd van de tien parlementsleden van de Democratic Unionist Party (DUP) in Noord-Ierland. De terugtrekkingsovereenkomst die zij met Brussel heeft gesloten, met inbegrip van een achtervangregeling (‘backstop’) die ervoor moet zorgen dat er geen harde grens tussen de Ierse Republiek en Noord-Ierland kan worden opgelegd, heeft de DUP volledig van zich vervreemd. Bovendien namen verschillende leden van haar kabinet ontslag, waaronder Boris Johnson. Met haar partij zwaar verdeeld, had May geen kans om een meerderheid in het Lagerhuis te krijgen voor haar deal zonder steun van Labour. En wat Labour overkwam, was “erger dan chaos”, aldus Anderson, met veel van haar parlementsleden die een tweede referendum steunden, of een 'People's Vote', zonder duidelijkheid over de vraag of dit inhield dat de eerste uitslag ongedaan werd gemaakt, of dat dit alleen maar een tweede opinie betekende. De voorstanders waren verdeeld over wat hun voorkeur had, en de People's Vote organisatie viel uiteindelijk uit elkaar. "Op de achtergrond," zegt Anderson, "onder druk van de PLP [efn_note] PLP staat voor Parliamentary Labour Party, en duidt het geheel van de Labour-verkozenen aan in het Parlement. Alhoewel de term niet ironisch bedoeld is, klopt het dat veel van deze verkozenen zich als een aparte ‘partij’ gedragen en zich weinig gelegen laten liggen aan partijstandpunten. [Noot van de vertaler][/efn_note], de Guardian, de BBC en haar eigen jeugd, dreef de Labour-leiding af naar een veralgemeende obstructiepolitiek in het Lagerhuis." Nadat haar deal herhaaldelijk was afgewezen door het Lagerhuis, trad May uiteindelijk af. Haar opvolger, Johnson, ondervond zowel in de rechtbank als in het Parlement weerstand toen hij zich probeerde te ontworstelen aan de valstrik die May’s einde had betekend. Hij riep herhaaldelijk op tot een akkoord tussen de partijen over vervroegde verkiezingen om uit de impasse te geraken, maar pas toen de Lib Dems, die zelfs een tweede referendum hadden afgewezen, kozen voor verkiezingen waarin zij campagne zouden voeren voor het intrekken van de uittrede-aankondiging, werd Labour gedwongen om zich te laten kennen. Tegen de voorspellingen in had Johnson een terugtrekkingsovereenkomst met de Europese Unie gesloten, die voorzag in een intermezzo van elf maanden waarin over een langetermijnverdrag kon worden onderhandeld. Hij beweerde dat het akkoord een oplossing bood voor de kwestie van de Ierse backstop, maar de DUP was daar niet van overtuigd. Zij verloren echter prompt hun invloed, aangezien Johnson bij de verkiezingen van december 2019 aan een flinke meerderheid geraakte, wat zijn afhankelijkheid van de DUP beëindigde. Corbyn diende daarop zijn ontslag in en zijn opvolger, Keir Starmer, die zo lang voor een tweede referendum had gepleit, besloot nu dat Brexit een feit was en na slechts vier uur debat  loodste hij Johnson’s verdrag met de EU mee door het Lagerhuis.   Tegenstanders van  Brexit  Anderson citeert de gangbare prognoses van een verlies van 4% aan potentiële groei van het Britse BBP bij een overeengekomen vertrek, vergeleken met 6% zonder een akkoord.  "Wat zou anders verwacht kunnen worden, gezien het verschil - de Europese Unie is meer dan zes keer zo groot als het Verenigd Koninkrijk in productie en bevolking - in de onderhandelingsmacht van de twee partijen?" Maar hij merkt op dat macro-economische voorspellingen op lange termijn zelden waterdicht zijn, en dat de EU hoe dan ook verre van een voorvechter van vrijhandel is: "Het is een mercantilistisch blok, vol subsidies (denk alleen maar aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid) en beschermingen (denk alleen maar aan diensten) van velerlei aard, bedoeld om buitenstaanders te barricaderen voor de privileges die insiders wel hebben." Anderson laat dan drie auteurs aan het woord over de relatie van het VK met de Europese Unie: Ferdinand Mount, Peter Oborne en Geoffrey Wheatcroft. Allen hadden banden met of sympathieën voor de Tories in het verleden, maar hekelen nu de partij en haar leiderschap, samen met Brexit (Oborne, die Leave had gestemd, zag het niet meer zitten bij de beroering van 2019). Mount had eerder al de Unie bestempeld als "een oligarchie waarin de oligarchen geen reden zien om hun praktijken of hun ambities te wijzigen. Geen enkel vorig imperium ... heeft de centralisatie zo ver doorgevoerd". De euro was "het oligarchenproject dat een einde maakt aan alle oligarchenprojecten". Dat is geschreven in 2012. Ook meer recentelijk, in de Brexit-context, heeft hij niet geprobeerd "de gammele en overduidelijk onvolmaakte instellingen van de EU te verdedigen"; maar hij is zo beledigd door de persoon en het beleid van Boris Johnson ("een louche, verraderlijk karakter"), dat hij niet anders kan dan het Brexiteer-sentiment veroordelen dat hem aan de macht heeft gebracht. Oborne geeft toe dat hij geen "passie heeft voor Remain... alleen een diep knagend gevoel dat we een grote fout maken". Ook Wheatcroft was slechts een ‘lauwe’ Remainer, die zich ervan bewust was dat de Unie te vroeg was uitgebreid en vervolgens op rampzalige wijze de euro aan Zuid-Europa had opgelegd. Hij was het niet eens met het referendum zelf, dat hij demagogisch van aard en misleidend van opzet vond; toch biedt hij geen betere oplossing voor de vraag naar democratische legitimiteit, die de Europese Unie zo duidelijk niet had ingelost. De drie punten van kritiek, aldus Anderson, worden ondermijnd door het feit dat het Verenigd Koninkrijk zich nooit volledig heeft gecommitteerd aan het unieproject: geen enkele Remainer heeft ooit betoogd dat het Verenigd Koninkrijk had moeten toetreden tot de eurozone, of zelfs tot de Schengen-zone voor vrij verkeer.   Nooit de twee  Volgens Anderson is de kern van de zaak dat Westminster en Brussel twee totaal verschillende soorten politieke structuren vertegenwoordigen. Wat ook de zwaktes van het Britse systeem mogen zijn - anachronistische domkoppen als politici, verkiezingen op basis van winner takes all, een ongekozen Hogerhuis, de bevordering van zakkenvullers, een parlement dat "in een oogwenk tot een stemming moet overgaan" - volgens Anderson "blijft het een feit dat Britse regeringen alleen kunnen overleven als zij een meerderheid in het Lagerhuis hebben... en als zij vallen, moeten er verkiezingen volgen om hen te vervangen. "In de EU daarentegen worden de bewindslui door de regeringen benoemd; in de praktijk is dit een flauw afschijnsel van een bewuste democratie.” Hoe irritant ook en “hoe groot ook de tekortkomingen... Westminster is enorm superieur aan deze opgedirkte synarchie" [efn_note] Synarchie betekent letterlijk ‘gemeenschappelijk bewind’, maar wordt meestal pejoratief gebruikt, vooral met de connotatie van de heerschappij van een geheime clan.  [Noot van de vertaler][/efn_note]. Dat is "de eigenlijke bron van de ruzie tussen Londen en Brussel". Voor Andersons staat het vast:

De Europese Unie, zoals die vorm heeft gekregen, spreekt onophoudelijk over democratie en de rechtsstaat, zelfs als zij deze ontkent. Er hoeft geen kwade opzet aan te pas te komen. Wat zij is geworden, staat gegrift in de geest van degenen die zich van het project meester hebben gemaakt: een eenmaking van het continent van bovenaf, heimelijk waar mogelijk, dwingend waar nodig... Van de 27 landen die momenteel deel uitmaken van de Unie, heeft geen enkel land een ononderbroken parlementaire geschiedenis die vergelijkbaar is met die van Engeland.

De fundamentele Euroknoeiboel  Anderson heeft een lage dunk van de "fundamenteel oligarchische" Europese heersende kaste: "de hoogste gelederen zijn al lang gecorrumpeerd door onschendbaarheid bij hun machtsuitoefening". Hij noemt een reeks beschuldigingen en veroordelingen: van misbruik van overheidsgelden, aanranding, verduistering, plagiaat, betrokkenheid bij belastingontduiking, verzwijgen van betalingen, ontvangst van verdachte donaties en onverstandige intimiteit met grote fraudeurs. Deze "smakeloze voorvallen" mogen niet worden "gegeneraliseerd naar de hele Europese politieke klasse"; maar "waar het Europa betreft, is er zelden een tegenstelling tussen eigenbelang en oprecht idealisme". De onderliggende premisse van de Unie "is de passiviteit van de bevolking onder de politieke klasse en haar aanhangers". Bovendien is "het centristische opinieblok dat gematigde conservatieven, gematigde liberalen, pragmatische sociaal-democraten en zelfvoldane Groenen omvat... veel groter dan zijn tegenstanders ter rechter- of ter linkerzijde, en blijft het overweldigend dominant in de Unie". Gebeurtenissen en krachten van buitenaf hebben lagen vaak aan de basis van het centraliserende karakter van de EU. Bij de pandemie is het niet anders. Nu is het 'Next Generation EU' pakket van 750 miljard euro "geprezen als een doorbraak door de Nederlander Luuk van Middelaar", die stelt dat Merkel "de laatste twee taboes van het Duitse monetaire denken heeft doorbroken: collectieve schuld en regelrechte subsidies; voor deze ene keer; maar in Parijs en Berlijn weten ze dat wie deze brug een keer oversteekt, het vaker kan doen: het precedent is geschapen". Hoe wat Anderson deze "krachtige voorwaartse beweging" noemt zich zal ontwikkelen is niet zeker. Een federalistische superstaat lijkt onwaarschijnlijk, en een soort federale pan-Europese politieke unie gecombineerd met een gemeenschappelijk economisch en veiligheidsbeleid voor een gelijkgestemde binnenste groep lijkt nog verder weg. Het federalistische doel is "nooit bereikt; maar evenmin ... is de geleidelijke vooruitgang in die richting ooit gestopt of omgebogen; is het dan geloofwaardig dat deze nu zijn grens heeft bereikt? "Of zou het kunnen dat huidige EU-formule - verwatering van soevereiniteit zonder betekenisvolle democratie, verplichte unanimiteit zonder gelijkwaardigheid van de deelnemers, cultus van de vrije markt zonder bekommernis om de  vrije handel - voor onbepaalde tijd stand zal houden?"    

7 april: Wereldgezondheidsdag

Wed, 04/07/2021 - 12:08

7 april 2021 - De Wereldgezondheidsdag 2021 staat natuurlijk in het teken van de strijd tegen Covid-19, maar is voor vakbonden en sociale bewegingen die zich inzetten voor de gezondheid als een openbaar goed de gelegenheid om hun eisen kenbaar te maken. Het Netwerk tegen de privatisering en commercialisering van de gezondheidszorg roept in een open brief de regeringen van de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie op om de eis voor de opschorting van de intellectuele eigendomsrechten op de vaccins te ondersteunen. Het roept ook iedereen op om de petitie (Europees burgerinitiatief) in die zin te ondertekenen. Er is ook een oproep van een reeks vakbonden, waaronder het Belgische ABVV en ACV, de Franse CGT en Duitse DGB, Ze ondersteunen de eis om de patenten op vaccins op te schorten, en bepleiten de wereldwijde transfer van technologieën voor de productie ervan. Arbeiders, boeren, familiebedrijfjes moeten financieel ondersteund worden en door investeringsplannen moeten miljoenen banen gered worden. Ook  Alter Summit, een netwerk van vakbonden en sociale bewegingen, ondersteunt deze eisen en eist openbaarheid over de productiekosten van vaccins en de overheidssubsidies die eraan besteed werden. Met een grafiek over de evolutie van het aantal ziekenhuisbedden per 1000 inwoners (zie hieronder) wordt ook aangetoond dat de huidige moeilijkheden onder pandemieomstandigheden mede te wijten zijn aan de bezuinigingsrondes van de voorbije jaren. [spacer size="20"] [caption id="attachment_20472" align="aligncenter" width="700"] Ziekenhuisbedden per 1000 inwoners in Europese lidstaten. Grijs: toestand in 1990; rood: toestand in 2018. Behalve in Polen is er een aanzienlijke vermindering, zelfs meer dan 50% zoals in Letland, Finland, Litouwen, Zweden, Italië of het Verenigd Koninkrijk.[/caption]    

COVAX-brochure: vaccin tegen EU-propaganda

Tue, 04/06/2021 - 18:34

6 april 2021 - De Europese Unie weigert, samen met de rest van de Westerse wereld, in te gaan op de vraag van armere landen van het Zuiden, daarin gesteund door gezondheidsorganisaties, experten, burgerbewegingen, ook een aantal europarlementsleden, om het patentrecht op coronavaccins tijdelijk op te heffen.  Mooie woorden van Commissievoorzitter  von der Leyen ten spijt ("Niemand is veilig tot we allen veilig zijn", "Om corona te overwinnen moeten vaccins alle hoeken van de planeet bereiken, en zo vlug mogelijk") zijn de winsten van Big Pharma een grotere bekommernis van de Europese autoriteiten dan het welzijn van de wereldbevolking. Maar de Commissie heeft haar antwoord klaar: wij zijn bij de belangrijkste donors van COVAX, het initiatief dat wereldwijde toegang vaccins zal garanderen, ook voor lage- en middeninkomenslanden!" COVAX ontstond in kringen van het Wereld Economisch Forum (Davos), de Bill & Melinda Gates Foundation en kreeg steun van de  (op droog zaad zittende) WHO, de Wereldgezondheidsorganisatie. Nu zou men kunnen zeggen: of de kat grijs of zwart is doet er niet toe, als ze maar muizen vangt. Dan verliest men echter uit het oog dat een ad hoc structuur als COVAX, met weinig doorzichtige beslissingsorganen en financieel afhankelijk van Westerse private en publieke donaties, door Big Pharma en "geostrategische" Westere leiders bij verre verkozen wordt boven de "onteigening van intellectuele eigendom".  Het is een vorm van multistakeholder governance , het ideale kader voor lobby's en onuitgesproken privé-belangen. Over COVAX brachten Friends of the Earth en het Transnational Institute zopas een brochure uit: COVAX: a global multistakeholder group that poses political and health risks to developing countries and multilateralism.  Aanbevolen als vaccin tegen EU-propaganda! (hm)        

Ongeduld in Die Linke … om te regeren

Fri, 04/02/2021 - 00:29

door Herman Michiel 2 april 2021   In Duitsland is er nogal wat zenuwachtigheid rond de Bondsdagverkiezingen van 26 september aanstaande. Die verkiezingen zullen meebeslissen over de opvolging van huidig bondskanselier Angela Merkel, waardoor ook Parijs, Rome, Madrid, Brussel en de andere  medespelers in het ‘Europees Concert’ richting Berlijn kijken. Werd tot nog toe nooit ernstig betwijfeld dat die nieuwe kanselier opnieuw uit de christendemocratische CDU zou komen, volgens recente polls is dat niet meer zo zeker. De CDU had al veel moeilijkheden om een kandidaat-kanselier voor te stellen, het tegenvallende coronabeleid en het mondkapjesschandaal waarbij Union (CDU/CSU)- politici betrokken zijn verklaart veel van een vrij spectaculaire evolutie in de voorspellingen. Een gemiddelde over een aantal dergelijke polls gaf op 1 februari nog 36% voor de Union, 19% voor de Grünen, 15 voor de sociaaldemocratische SPD en 8% voor Die Linke. Op 29 maart daarentegen waren de cijfers respectievelijk 27%, 22%, 17%, en 7%. Een Kantar-voorspelling gaf  zelfs een lichte voorsprong voor ‘links’, waaronder het samengaan van SPD, Grünen en Die Linke wordt bedoeld, ook bekend als rood-rood-groen (rrg of r2g). Bij onze verslaggeving van de verkiezing van een nieuw voorzitterschap van Die Linke schreven we nog dat “regeringsdeelname van Die Linke op federaal vlak totaal uitgesloten is”. Volgens laatstgenoemde prognose zou dat dus niet het geval zijn, maar prognoses moet men met één of veel  korrels zout nemen. Dat neemt niet weg dat de nieuwe leiding van Die Linke meteen in haar kaarten liet kijken en dat minstens de helft van het nieuwe duo voorzitterschap, met name Susanne Hennig-Wellsow, verklaarde “deze kans te willen grijpen om te regeren”. In een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 28 maart zegt ze “niet meer te kunnen wachten” omdat zoveel mensen zich zorgen maken over hun  bestaan, een slecht betaalde job hebben of hun kinderen in armoede zien opgroeien. “Daarom moet Die Linke nu regeren, om iets te veranderen”, aldus Hennig-Wellsow. Van de andere helft van het Linke co-voorzitterschap, Janine Wissler, wordt aangenomen dat ze minder staat te trappelen om op het vlak van de deelstaten, laat staan op dat van de Bondsrepubliek, mee te regeren, maar zeer duidelijk was ze daar niet over op het partijcongres van eind februari waarop ze verkozen werd. Het hele scenario van een rood-rood-groene Duitse regeringscoalitie met een SPD-kanselier is weinig waarschijnlijk, maar het geeft ons wel een inkijk in de opvattingen die bovendrijven bij Die Linke; op dat vlak zijn er natuurlijk ook parallellen met de Nederlandse SP, Podemos en anderen. Of men dan effectief meeregeert of niet, de werking van een partij wordt grondig door zulk perspectief bepaald. Wat is daarvan te verwachten voor Die Linke? Het is absoluut duidelijk dat een partij die 7 à 9% haalt geen enkele krachtsverhouding zou hebben tegenover coalitiepartners met een dubbele of zelfs drievoudige score, en die in de voorbije decennia genoeg hebben aangetoond dat ze tot onaanvaardbare compromissen bereid zijn om toch maar hun beheersfuncties te behouden. De afschuwelijke Hartz-IV hervormingen zijn tenslotte het werk van … SPD en Grünen. Het staat ook onomstotelijk vast dat Die Linke haar antimilitaristische, anti-NATO standpunten zou moeten afzweren, zoals SPD-chef Walter-Borjans onlangs nog onderstreepte, en dat om een figurantenrolletje te gaan spelen in een bondsregering. Zou Die Linke er stemmen mee winnen? Dat is verre van zeker. Ze zou er wel leden en sympathisanten door verliezen, want zoals voorbije zomer nog bleek is er een krachtige Duitse vredesbeweging die nauwkeurig opvolgt hoe links zich opstelt in militaire aangelegenheden. Naast zulke speculatieve winst- en verliesrekening is er een fundamentelere overweging. Welke troef kunnen radicaal-linkse partijen uitspelen? Meestal niet hun electorale score, niet hun ‘ervaring’ en ook niet hun goeie verhoudingen met ondernemers, bankiers, het IMF of de OESO. Hun troef is het antikapitalistisch alternatief, het socialisme, een duurzaam sociaal-economisch-ecologisch programma voor de toekomst. Hun partijen zijn niet bedoeld om het bestaande systeem mee te beheren, maar om het toekomstige systeem te propageren, voor te bereiden en er aanzetten toe te geven waar mogelijk. Regeringsverantwoordelijkheid opnemen? Jazeker, maar op voorwaarde dat er een redelijke kans is om het alternatieve programma vooruit te helpen. Dat kan alleen als men voldoende krachtsverhoudingen heeft uitgebouwd, zoniet is men het schaamlapje, de excuus-Truus en het saldo voor een parlementaire meerderheid om er asociale, neoliberale ecocide maatregelen mee door te drukken. Het is een rol waar groenen een woordje kunnen over meespreken, maar dat helaas niet doen. Linkse partijleiders die zeggen dat ze “niet meer kunnen wachten” zouden hun conclusies moeten trekken en een partij zoeken met een tijdsperspectief dat niet verder reikt dan de volgende verkiezingen.    

Een Unie van steeds nauwere samenwerking?

Wed, 03/31/2021 - 16:03

31 maart 2021  

Dit is het tweede essay van Perry Anderson waarvan we de samenvatting door David Elstein vertaalden. Het eerste publiceerden we op 22 maart, zie De Europese ‘coup’. U vindt er ook de verwijzing naar de bronteksten en een korte voorstelling van de auteur. De samenvatting van het tweede essay door D. Elstein verscheen op 14 maart 2021 bij OpenDemocracy onder de titel How all-powerful institutions keep Europe in gridlock.

[spacer size="20"]

Een Unie van steeds nauwere samenwerking? Perry Anderson samenvatting door David Elstein   Perry Anderson's essay "Ever Closer Union?" onderzoekt de betekenis van de verschillende instellingen binnen de Europese Unie. Hun gemeenschappelijk uitgangspunt, zo stelt hij vast, is dat ze de democratie tot een minimum beperken, waarbij de leiders van de machtigste staten het roer in handen hebben en besturen vanuit een onneembare vesting van regels. Anderson begint met het Europese Hof van Justitie, dat in 1952 werd opgericht als onderdeel van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Deze EGKS groeide uit tot de Europese Economische Gemeenschap en uiteindelijk de Europese Unie (EU). Anderson merkt op dat de eerste voorzitter van het Hof een Italiaanse fascist was, de eerste Duitse rechter een ‘toegewijde’ nazi, een van de eerste advocaten-generaals een Duitser die tijdens de oorlog nauw betrokken was bij het bestuur van bezet Frankrijk, en de andere advocaat-generaal een Vichy-functionaris, "belast met de coördinatie van de eerste golf van vervolging van Franse joden". Niet alle benoemingen bij het Hof waren fascisten, maar zij "waren bijna allemaal politiek" - slechts weinigen hadden juridische kwalificaties. De tweede reeks benoemingen zette dit patroon voort: een politicus van de Duitse centrum-rechtse Christen-Democratische Unie (CDU), de zoon van een vooraanstaand Nederlands politicus, de broer van de Italiaanse minister van Financiën (en voormalig assistent van de fascistische minister van Justitie), een Duitse sociaal-democraat geworden voormalige nazi, een Italiaan die in de oorlog had geholpen bij het bestuur van het bezette Rodos, een Fransman - vooraanstaand lid van de MRP, ook weer een christendemocratische partij -  die als militair gouverneur van Algerije had gediend (maar tenminste een rechtendiploma had en minister van Justitie was geweest). Deze laatste, Robert Lecourt, "was een fervent federalist" die lid was geweest van het Actiecomité voor de Verenigde Staten van Europa, in 1955 opgericht door de invloedrijke Europese unionist Jean Monnet. Het was Lecourt die "een historisch vonnis schreef waarbij een nationale wet ongedaan werd gemaakt" in een baanbrekende zaak die een klein Nederlands bedrijf tegen de Nederlandse regering had aangespannen.[efn_note]Er wordt hier verwezen naar de zaak Van Gend & Loos in 1963, waar in een pietluttig handelsgeschilletje de prioriteit van het Europees recht werd afgekondigd. Zie bv. De zanderige ondergrond van de Europese rechtsorde [Noot van de vertaler][/efn_note] Het jaar daarop deed Lecourt uitspraak in een andere baanbrekende zaak [efn_note]Hier gaat het over de zaak Costa-ENEL.[Noot van de vertaler][/efn_note], die door twee Italiaanse advocaten tegen hun eigen regering was aangespannen. Met deze twee arresten werd "de hoeksteen van de Europese justitie gelegd".   De letter of de geest? Nadat Lecourt in 1967 voorzitter van het Hof was geworden, kreeg hij als rechter gezelschap van Pierre Pescatore, zwager van de Luxemburgse premier, die "een uitgesprokener en vruchtbaarder voorvechter van het federalisme was dan Lecourt", met "de ene gedurfde uitspraak na de andere die het gezag van het Hof over de opeenvolgende aspecten van het leven van de Gemeenschap bezegelde". Volgens Pescatore moet de geest van het Verdrag van Rome - het verdrag waarbij in 1957 de Europese Economische Gemeenschap werd opgericht - prevaleren boven "een louter letterlijke lezing". De initiatieven van het Hof werden "door de Nederlandse auteur Luuk van Middelaar gevierd als de coup die in wezen aan de basis lag van de huidige Unie". Wetenschappers zoals de Duitser Dieter Grimm  dagen Pescatore uit: zij die de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Economische Gemeenschap hebben opgesteld, zouden volgens hem de belangrijkste beslissingen van het Hof als "revolutionair hebben beschouwd, omdat de beginselen die zij aankondigden niet in de verdragen waren overeengekomen... en vrijwel zeker niet zouden zijn aangenomen als de kwesties aan de orde waren gesteld". Ook de Britse auteur Thomas Horsley betwijfelt de legitimiteit van de machtsgreep van het Hof: het Verdrag van Rome verleende het Hof van Justitie alleen rechterlijke controle "ten aanzien van handelingen van de instellingen van de Unie", niet ten aanzien van die van de lidstaten. Men kan niet beweren dat hiermee strijdige uitspraken de geest van het Verdrag vertegenwoordigen wanneer de tekst ervan duidelijk het tegendeel stelt, aldus Horsley: het Hof "is onweerlegbaar onderworpen aan de naleving van de EU-Verdragen".   Almachtig, onbegrijpelijk In een normale democratie, aldus Anderson, kunnen de beslissingen van een rechtbank "gewijzigd of ingetrokken worden door gekozen wetgevende lichamen. Die van het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen dat niet. Zij zijn onomkeerbaar." Er zou een nieuw verdrag nodig zijn, ondertekend door elke lidstaat, om een beslissing van het Hof van Justitie ongedaan te maken - een volstrekt onwaarschijnlijk scenario. Ondertussen heeft elk besluit grondwettelijke kracht, zodat het moet worden weerspiegeld in elk opeenvolgend EU-verdrag. Die worden daardoor zo enorm uitgebreid dat ze in feite verworden tot "enorme cryptogrammen die het geduld of het bevattingsvermogen van elk democratisch publiek te boven gaan". Zoals de voorzitter van het Hof in 1990 zei: "Er is eenvoudigweg geen kern van soevereiniteit die de lidstaten als zodanig kunnen inroepen tegen de Gemeenschap". Maar hoe zit het met de zogezegd ongenaakbare Duitse ‘grondwet’ (Grundgesetz), zoals die wordt aangewend door het Duitse Constitutionele Hof (Bundesverfassungsgericht) in Karlsruhe? De rechters aldaar hebben verklaard dat het Hof van Justitie van de Europese Unie zich niet tegen deze wet kan verzetten, maar hebben in de loop der jaren bij vijf betwistingen steeds een echte confrontatie vermeden. Horsley bekritiseert het Europese Hof van Justitie niet alleen vanwege zijn gebrek aan democratische legitimiteit, maar ook vanwege zijn gebrek aan technische deskundigheid, en dat bij een rechtbank met algemene rechtsmacht die een zo breed terrein bestrijkt. De kritiek van Grimm is omvattender: “door met zo'n missionaire ijver discriminatieverboden tegen buitenlandse bedrijven uit te vaardigen, kan bijna elke nationale regeling worden opgevat als een belemmering van de markttoegang".   Het bouwwerk van de Commissie  In zijn essay heeft Anderson het vervolgens over de Europese Commissie, de 'regering' van de Europese Unie, die bestaat uit een politicus uit elke lidstaat, gesteund door tienduizenden ambtenaren. Hij begint met de eerste voorzitter: "Tussen 1958 en 1964 zat Walter Hallstein een Commissie voor die uiterst creatief was in het vinden van manieren en middelen om het Verdrag van Rome te omzeilen in het hogere belang van de Europese eenheid." De Commissie en haar belangrijkste directoraten - voor mededinging en juridische diensten - waren verantwoordelijk voor 80% van de zaken die voor het Hof van Justitie werden gebracht, en bouwden zo aan "een steeds uitgebreider bouwwerk van Europees recht dat de rechten van de nationale wetgevende instanties terzijde schoof". Hallstein omschreef dit in 1964 als "het begin van een echte en volledige politieke unie". Het zou nog 20 jaar duren voordat een even activistische Commissievoorzitter aantrad: Jacques Delors, "een veel charismatischer en meer gezaghebbende figuur dan Hallstein". Hij zag toe op de invoering van de Europese Akte en het streven naar een gemeenschappelijke munt, vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. Hij streefde ook een ‘solidariteitsagenda’ na, waarbij hij herverdeling zag als een onderdeel van regio-overschrijdende sociale rechtvaardigheid. De omvang van de cohesiefondsen die hij daartoe inrichtte was volgens Anderson echter "niet veel meer dan de aalmoezen van een liefdadigheidsinstelling". Door de uitbreiding van de Europese Unie heeft elk van de 27 overblijvende lidstaten een commissarispost gekregen, zodat een meerderheid, ook al vertegenwoordigt die minder dan 13% van de EU-bevolking, in theorie de commissarissen uit de zes grootste lidstaten, die 70% van die bevolking vertegenwoordigen, kan wegstemmen. Maar, zegt Anderson, "besluiten worden altijd genomen op basis van 'consensus' - dat wil zeggen, achter een façade van unanimiteit, onder dwang of veto van de zes grootste staten." De commissarissen worden benoemd voor een termijn van vijf jaar en worden bijgestaan door 33.000 permanente bureaucraten, die toezicht houden op het geheel van regels van de Unie, het acquis communautaire, dat is uitgegroeid van zo'n 2800 bladzijden op het moment dat het Verenigd Koninkrijk in 1973 toetrad tot de Europese Economische Gemeenschap tot een mammoet van 90.000 bladzijden. Daarin zijn alle handelswijzen en normen vastgelegd die de later toegetreden lidstaten moeten ondertekenen alvorens te worden toegelaten. Anderson noemt het "het meest formidabele tekstmonument van bureaucratische expansie in de geschiedenis van de mensheid"; samen met de 34 ‘procedures’ die binnen de Commissie worden gebruikt, maakt het de werking van de Unie vrijwel ondoordringbaar voor gewone burgers - maar vermoedelijk niet voor het leger van 30.000 geregistreerde lobbyisten in Brussel, die meestal de belangen van het bedrijfsleven vertegenwoordigen. Het zich voortdurend uitbreidend acquis dient in zijn complexiteit en reikwijdte verder om de centraliteit van het Hof van Justitie en de Commissie te consolideren ten koste van de lidstaten en hun constitutionele hoven, hun diplomaten en hun ambtenaren.   Machteloos parlement Wat het Europees Parlement betreft - oorspronkelijk niet meer dan een "assemblee" - hebben de kleine machtsuitbreidingen in de loop van de decennia de democratische legitimiteit nauwelijks vooruitgeholpen. De 705 leden van het Europees Parlement, gesteund door een staf van meer dan 7.000 medewerkers, kunnen "geen regering kiezen, geen wetgeving initiëren, geen belastingen heffen, geen welvaart creëren en geen buitenlands beleid bepalen". Kortom, concludeert Anderson, "het is in de normale opvattingen een schijnparlement, dat helemaal niet is wat het schijnt", waarbinnen politieke meningsverschillen "haast volledig uitgewist worden" worden. De opkomst bij de Europese verkiezingen ligt vaak onder de 50%; hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van afgevaardigden bij parlementaire zittingen. De meeste besluiten over wetgeving worden genomen tijdens ‘trialoog’-vergaderingen tussen vertegenwoordigers van de Commissie, het Parlement en de Raad van Ministers (ministers van de nationale regeringen van de lidstaten). Anderson haalt het boek 'European Integration’ van Christopher Bickerton aan: "Tussen 2009 en 2013 werd 81 procent van de voorstellen van de Commissie in eerste lezing aangenomen via de trialoogmethode; slechts 3 procent bereikte ooit de derde lezing, waar teksten in plenaire zittingen van het Parlement worden besproken." Anderson ziet een diepe kloof tussen het Parlement en degenen die het zogenaamd vertegenwoordigt. Tachtig procent van de Nederlandse Europarlementariërs steunde het ontwerp van het Europees Grondwettelijk Verdrag, dat in 2005 door 62% van de Nederlandse kiezers werd verworpen. Het jaar daarvoor was slechts 39% van de Nederlandse kiezers naar de stembus gegaan voor de Europese parlementsverkiezingen; vergelijk dat met de 63% die tegen de wensen van hun Europarlementariërs over het grondwettelijk verdrag stemden. "Het Parlement", aldus Anderson, "is het minst belangrijke onderdeel van de Unie", maar het levert in zekere mate de “legitimatie die elke zichzelf respecterende liberale orde nodig heeft".   Particulier bankieren De Europese Centrale Bank, die werd opgericht om de eenheidsmunt te beheren krachtens het Verdrag van Maastricht van 1992, hoeft daarentegen geen enkele verantwoording af te leggen, tenzij dan in het verre vooruitzicht van een nieuw verdrag. De centrale banken van de eurozone benoemen elk een lid van de raad van bestuur, aangevuld met zes leidinggevenden. "De werkzaamheden van deze raad," merkt Anderson op, "zijn geheim, de besluiten zijn formeel unaniem en een afwijkend standpunt wordt nooit gepubliceerd." Hoewel de economieën van de landen van de eurozone zeer verschillend zijn, werd dit fundamenteel feit veronachtzaamd in wat Anderson ziet als een drang van de promotors van de euro "om een munt te creëren die de deelnemende staten zo dicht bij elkaar zou brengen dat zij verplicht zouden zijn de monetaire unie te laten uitmonden in een politieke unie". In de praktijk bleek deze politieke unie te ver gegrepen voor de onderhandelingen van Maastricht, maar het ontbreken ervan heeft de spanningen verergerd tussen economieën van verschillende grootte, met verschillende structuren en verschillende ontwikkelingsniveaus. Een van de manieren om met deze spanningen om te gaan zou zijn geweest dat de bank overheidsschuld zou hebben uitgegeven, maar Maastricht verbood dat: dat kunnen alleen de lidstaten. Toen Mario Draghi, de derde president van de bank, een manier vond om dit te omzeilen om een financiële crisis binnen de eurozone in 2009 aan te pakken, vertelde zijn hoofd onderzoek later aan de Financial Times dat "het hele concept om de Europese regels te omzeilen en QE ['kwantitatieve versoepeling', of geldcreatie) te doen zonder het QE te noemen, buitengewoon slim was". Draghi's maatregelen waren duidelijk in strijd met de artikelen 123 en 125 van het Verdrag van Lissabon van 2007, en werden juridisch aangevochten. Het Europees Hof van Justitie schoot echter te hulp met wat Thomas Horsley "" gekonkel ‘van Herculische afmetingen’ noemde.   Naties en lidstaten Anderson beoordeelt Christopher Bickertons boek European Integration als "het meest fundamentele van alle werken over de EU van het afgelopen decennium", en benadrukt de ondertitel ervan: 'From Nation-States to Member States'. Hij citeert:

Het begrip lidstaat drukt een fundamentele verandering uit in de politieke structuur van de staat, waarbij horizontale banden tussen nationale bestuurders de overhand krijgen boven verticale banden tussen regeringen en hun eigen samenleving.

Betekenisvol voor Anderson is dat deze overgang samenviel met - of een weerspiegeling was van - een parallelle verschuiving naar deregulering en liberalisering van de markt in de EEG-landen, waardoor de Europese Akte in 1986 kon worden aangenomen. Daarna kon elke weerstand van de bevolking tegen de sociale gevolgen van deze veranderingen - werkloosheid, loondeflatie, bezuinigingen op de sociale voorzieningen - worden afgewend door te verwijzen naar besluiten van de Europese Gemeenschap en het Europese Hof van Justitie. Bickerton opnieuw:

Nationale regeringen, als vertegenwoordigers van de lidstaten, proberen  de macht van het volk in te perken door zich te binden aan een reeks externe regels, procedures en normen; dit is een manier om de wil van het volk los te koppelen van het beleidsvormingsproces.

Zelfs toen het lidmaatschap van de eurozone verschillende lidstaten, met name Italië en Griekenland, dwong tot ongewenste bezuinigingsmaatregelen, werd deze druk geformaliseerd in het Begrotingspact van 2012, door Anderson bestempeld als een "spectaculaire inperking van de volkssoevereiniteit". Maar de nationale leiders die om de twee maanden in de Europese Raad bijeenkomen, kunnen ten minste hun spierballen laten zien met betrekking tot de verschillende crises die zij zowel intern als extern moeten aanpakken. Het is in deze Raad dat de reële macht tot uiting komt, zij het indirect. Hoewel alle 27 staten nominaal gelijk zijn, betekent hun feitelijk grootteverschil dat Duitsland en Frankrijk de werkzaamheden en resultaten domineren. "Simpelweg," merkt Anderson op, "geen enkel voorstel dat niet naar hun zin is, heeft enige kans om aangenomen te worden, terwijl elk voorstel waar zij zich met kracht achter scharen, kan worden afgezwakt, maar niet zal worden tegengehouden door de andere twee dozijn staten van de Raad." Hij voegt eraan toe dat Brexit deze realiteiten verder heeft onderstreept: er zullen geen veto's meer zijn zoals die van het VK over het begrotingspact (dat op enigerlei wijze werd omzeild door een verdrag buiten de structuur van de EU om te creëren).   Waar is de EU goed voor? Een van de grotere claims van de Unie, aldus Anderson , is dat "na 1945 er nooit meer enig risico van een nieuwe uitbraak van vijandelijkheden tussen Duitsland en Frankrijk was, of een van de andere landen van West-Europa.” Maar de Koude Oorlog sloot dit uit en de oprichting van de NAVO, twee jaar voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, maakte van "de hele regio een Amerikaans veiligheidsprotectoraat". De conflicten op de Balkan werden in feite verergerd door meningsverschillen binnen de EU, betoogt hij. De engagementen van de EU op het gebied van de mensenrechten waren moeilijk te onderkennen toen de VS om samenwerking verzocht bij uitleveringen en "de EU-leden meewerkten aan ontvoeringen en het leveren van martelkamers op het grondgebied van de Unie". Na de aanvankelijke humanitaire reactie van Duitsland - de 'Merkel miljoen' - werd het vluchtelingenbeleid in wezen een veiligheidskwestie. Hoewel Anderson de intentie en sommige resultaten van de sociale cohesiefondsen prijst, merkt hij op dat deze niet opwegen tegen de 40% van de EU-begroting die wordt besteed aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarvan rijke Franse boeren de belangrijkste begunstigden zijn. De algemene economische voordelen zijn nog moeilijker vast te stellen. In de begindagen van ‘de zes’ waren de groeipercentages hoog, maar niet hoger dan die van andere Europese landen. Sinds 1973, eerst met de EEG, daarna met de EU, is de groei van het bbp gestaag gedaald, van gemiddeld 2,7% per jaar van 1973 tot 1979 tot 1,2% van 2012 tot 2019. Wat de euro betreft, is de poging om economieën in zeer verschillende ontwikkelingsfasen en met zeer verschillende beleidsbehoeften in de eurozone op te nemen, zeer gevaarlijk. Het permanente exportoverschot dat Duitsland binnen de EU heeft, zonder enig gevaar voor het normale corrigerende effect van een opwaardering van de munt, maakt het voor de belangrijkste begunstigde van het systeem politiek onmogelijk om verandering te overwegen; terwijl de slachtoffers van deze onevenwichtigheid geen beleid kunnen voeren dat beter op hun behoeften is afgestemd, noch uit het systeem kunnen stappen uit angst voor economische ineenstorting. "Vandaar de val waarin Europa zich bevindt," concludeert Anderson: "het kan noch vooruit noch achteruit." Dus, voor "internationale vrede, mensenrechten, sociale solidariteit, economische groei is de oogst behoorlijk schraal."    

EU: patentrecht boven mensenlevens

Mon, 03/29/2021 - 17:14

door Herman Michiel 28 maart 2021   In oktober 2020 vroegen Zuid-Afrika en Indië aan de Wereldhandelsorganisatie (WTO) om tijdelijk het intellectueel eigendomsrecht (patenten e.d.)-op te heffen op coronavaccins en andere technologieën om het virus te bestrijden. De oproep kreeg de steun van Artsen zonder Grenzen en honderden andere organisaties, en ook de directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) sprak zich hiervoor uit. In december vorig jaar kreeg zijn organisatie een wereldwijde petitie voorgeschoteld waarin meer dan 900.000 mensen zich achter de eis stelden; momenteel loopt nog binnen de EU een ‘burgerinitiatief’-petitie waarin de Europese Commissie verzocht wordt om binnen de WTO op het verzoek van de armere landen in te gaan. De vraag van Zuid-Afrika en Indië wordt inmiddels gesteund door meer dan 100 landen, maar botst op het neen van de rijke minderheid: de Verenigde Staten, Zwitserland, Noorwegen, Groot-Brittannië … en ja hoor, ook van de Europese Unie die zich zo graag opwerpt als het morele anker van de globalisatie. De Europese Commissie beweert dat ze met haar bijdrage in het COVAX-fonds genoeg doet om armere landen aan het vaccin te helpen, maar denkt er niet aan om een van de pijlers van de kapitalistische winsteconomie, het intellectueel eigendomsrecht, in vraag te stellen. Natuurlijk hanteert men hierbij het argument dat zulks de innovatiecapaciteit van de farmaceutische industrie zou onderuithalen. Dat een groot deel van de wereldbevolking daardoor dreigt  niet of slechts zeer laat ingeënt te worden speelt hierbij geen rol. Natuurlijk zou de Europese Commissie zo’n standpunt niet kunnen verdedigen als een meerderheid van de lidstaten, of zelfs maar één van de toonaangevende lidstaten, er tegen was. De bekende antilobby-onderzoeksgroep Corporate Europe Observatory (CEO) probeerde daarom na te gaan welke lidstaten zich verzetten tegen een maatregel van wereldwijd openbaar nut. De onderzoekers botsten daarbij echter op grote moeilijkheden, wegens de geheimhouding binnen de Raad van Ministers. Het is via deze Raad dat de lidstaten vertegenwoordigd zijn in de EU [efn_note] naast de Raad van de Ministers, ook Raad van de EU genoemd, is er de Europese Raad bestaande uit de staats-en regeringsleiders waarvan de topbijeenkomsten wel het nieuws halen, maar de inhoudelijke discussies eveneens geheim zijn. [/efn_note]; de Raad wordt bijgestaan door een 150-tal werkgroepen allerhand waar hoge ambtenaren plannen in detail bespreken en geschillen uitvechten. De werkzaamheden zijn eveneens geheim. In EU more worried about Parma ham branding than COVID vaccine patents beschrijft CEO zijn zoektocht naar het interne Europese debat over de coronapatenten. Uit de werkgroepen van de Raad komt er sporadisch een oppervlakkig verslagje, maar standpunten van de lidstaten moet men er tevergeefs in zoeken. Het was per toeval dat CEO een gelekt document in handen kreeg vanuit een Duits ministerie; want al zijn er geen officiële verslagen van werkgroepen, ambtenaren worden natuurlijk wel ondersteld nauwkeurig verslag uit te brengen bij hun hiërarchie. En hieruit blijkt dat de werkgroep buitenlandse handel van de Raad het voorstel van Zuid-Afrika en Indië herhaald besprak, maar dat er eensgezindheid was onder de lidstaten en de Europese Commissie om op het gebied van patentrecht geen enkele toegeving te doen. Misschien nog stuitender is dat uit het lek ook blijkt dat lidstaten er zich van bewust zijn dat hun standpunt op weerstand in de publieke opinie kan stoten, en dat daarop moet ingespeeld worden door een gepast communicatiebeleid. Zo werd gesuggereerd om op een ‘constructieve’ manier met ngo’s te communiceren. Een Nederlandse vertegenwoordiger prees de Europese Commissie voor de manier waarop ze het met leden van het Europees Parlement aanpakte… Met de pas gelanceerde ‘Conferentie over de toekomst van Europa’ wil de EU de indruk wekken dat ook de burgers hun zeg hebben. Als men dan moet vaststellen dat die burgers niet eens mogen weten welke standpunten hun eigen regering innam op besloten Europese vergaderingen is het duidelijk de dergelijke conferentie niet meer is dan een PR- operatie.    

Nieuwe inzichten van klimaatexperten

Fri, 03/26/2021 - 10:43

26 maart 2021 - Future Earth is een onderzoeksprogramma gedragen door een wereldwijd interdisciplinair netwerk van onderzoekers  die naar duurzame oplossingen zoeken voor globale problemen zoals klimaatopwarming, pandemieën, watervoorziening enz. Ze brachten een brochure uit die op bevattelijke manier 10 recente nieuwe inzichten in de klimaatwetenschap voorstelt.  Hier een overzicht van de 10 topics . De brochure (34 blz, PDF, 9.7 MB) kunt u ook downloaden (klik op de figuur).

Nederland: ook geen links succes

Thu, 03/25/2021 - 15:07

door Herman Michiel 25 maart 2021   In de media vindt men voor en na verkiezingen uitgebreide commentaar en analyse, en dat is bij de voorbije Nederlandse parlementsverkiezingen niet anders. Ook wie de Nederlandse politiek niet van nabij meemaakt kan daar een ander van opsteken. Zo over de sterke ‘versplintering’ van het Nederlandse politieke spectrum, met maar liefst 37 partijen en partijtjes die naar de gunst van de kiezer dongen. Of de merkwaardige vaststelling dat Rutte geen electorale prijs moet betalen voor de ‘toeslagenaffaire’. En dan de speculaties over welke coalitie hier uit de bus kan komen en hoe lang dat zal duren, aangezien de formule VVD+D66+CDA net onvoldoende is voor een meerderheid. Natuurlijk ook dat, wat men samen als ‘links’ aanduidt, waaronder verstaan PvdA+SP+GroenLinks+ Partij van de Dieren+Bij1, maar op een vijfde van de stemmen kon rekenen, slechts iets meer dan het bruine uiteinde van het politieke spectrum, Wilders’ PVV+ Baudets Forum voor Democratie en zijn afsplitsing JA21. [caption id="attachment_20418" align="alignright" width="420"] De tabel toont enkel de partijen die minstens één zetel behaalden. Voor de anderen en meer uitgebreide informatie over het verkiezingsresultaat, zie Wikipedia.[/caption] Onnuttig zijn de mainstreamanalyses niet , want ze geven met enige mate van waarschijnlijkheid het verloop van de politieke bedrijvigheid in de nabije toekomst weer. De politieke journalisten die dit denkwerk leveren zijn meestal ook veel beter thuis dan de gewone burger in het mini-universum van de parlementaire partijpolitiek. Maar de ietwat linkse burger wil natuurlijk meer dan een prognose over waar het waarschijnlijk heen gaat. Hij/zij wil weten waarom het aan zijn/haar kant van het spectrum zo slecht gaat,  waarom een ç§!*}  als Rutte nu voor de vierde keer premier kan worden, waarom de eigen zoveel groenere, socialere, vooruitstrevendere partij het er zo slecht vanaf brengt. En wat daaraan te doen valt natuurlijk. Bij het zoeken naar een antwoord daarop blijken de mainstreamanalyses al heel wat minder nuttig, want die hebben het in het algemeen over het beheer van het bestaande, en niet over een strategie naar iets anders. De linkse(re) partijen zelf en hun leiding zijn als betrokkenen ook niet de beste beoordelaars. We zijn dus aangewezen op de linkse critici van (en deels in) deze partijen, en aangezien de ‘impasse van links’ geen typisch Nederlands verschijnsel is, is het goed dat ook heel wat buitenlandse linkse commentatoren hun licht op de Nederlandse verkiezingen lieten schijnen. Wat komt hierin naar voren?   PvdA Laat ons toch beginnen bij de PvdA, en een van haar meer kritische beleidsmedewerkers aan het woord laten over een partij waarvan de toekomst toch wel erg onzeker lijkt (24,8% in 2012, 5,7% in 2017, of van 38 naar 9 zetels,  en opnieuw 5,7% in 2021). René Cuperus becommentarieert voor een internationaal publiek de “triomf van de twee liberalismen” (het ‘economische’ van de VVD en het ‘culturele’ van D66). Maar hij komt niet verder dan het uitdrukken van zijn consternatie. De beste omschrijving van het resultaat is volgens Cuperus “a confusing climax of paradoxes”: liberalen zitten het eind van het neoliberaal tijdperk voor, groenen krijgen klappen terwijl de klimaatproblematiek bij kiezers in de bovenste lade ligt, het EU-enthousiaste VOLT krijgt meteen drie zetels in een eurosceptisch land, enzovoorts. Als hij dan de coalitievorming bespreekt lijkt het wel alsof partijen hun beleidslijn niet uitstippelen, maar dat die door de situatie wordt opgelegd: als Ruttes meerderheid niet met de Christenunie kan tot stand komen gebeurt het misschien met de groenen, of met de PvdA… Cuperus spreekt ook luchtig over een “fusie tussen Nederlandse groenen en Nederlandse sociaaldemocraten”, niet als een politiek project met een bepaalde sociale doelstelling, maar als overlevingsstrategie. Dan moet gezegd dat de Amsterdamse politicoloog Merijn Oudenampsen toch wat dieper graaft naar de wortels van de teloorgang van een partij. In Decline of the Dutch Left verwijst hij naar Wim Kok die in 1995 een “definitief vaarwel aan de socialistische ideologie“ toezegde, waarin hij alleen “ideologische ballast” zag. Oudenampsen herinnert ook aan minister Lodewijk Asscher die in 2015 Corbyn en zijn kritiek op de soberheidsprogramma’s hekelde met het beeld van de gokverslaafde vader die zijn kinderen een zomervakantie belooft. Dat beeld lag niet zo ver van dat van partijgenoot Dijsselbloem over de Grieken die hun geld opmaken aan ‘drank en vrouwen’.   SP Maar genoeg nu over de PvdA, die eigenlijk niet langer kan verweten worden de socialistische principes overboord gegooid te hebben, want die ‘ideologische ballast’ is al lang niet meer aan boord. Bij de SP is die er in principe nog wel. Wat zit daar fout? Veel wijzer worden we niet van freelance journalist Kevyn Levie die het in Jacobin heeft over ‘Nederlands links’, zonder onderscheid tussen PvdA, GroenLinks en de SP. (Over Bij1 meent hij te weten dat een groot deel van de 3000 leden liberale neigingen heeft.). Ze waren alle drie niet in staat om de crisis aan te grijpen als het momentum om een alternatief te verdedigen en “over te gaan naar een ander soort economie”. Alsof dat een streefdoel zou zijn van de partij van Lilianne Ploumen of Jesse Klaver. Maar is het een streefdoel van de partij van Lilian Marijnissen? Levie heeft het niet over de recente ‘zuivering’ bij de SP van de jongerenafdeling ROOD waarvan een deel het wel wil hebben over een ander soort economie. Als zoiets gebeurt enkele maanden voor de verkiezingen zegt het meer over een partij dan duizend programmapunten. Daarover had Alex de Jong het al in januari in hetzelfde Jacobin, en hij komt erop terug bij zijn commentaar op het links debacle bij deze verkiezingen. “De zwakte van links (het slechtste resultaat in een eeuw) gaat duidelijk dieper dan een ongelukkige campagne of foute inschattingen van individuele leiders. Links als referentiekader voor een politieke identiteit heeft veel aan kracht verloren.”  Meer specifiek in verband met de SP schrijft hij:

“Het zoveel mogelijk negeren van ‘culturele’ kwesties als antiracisme en de erfenis van het koloniale verleden (en imperialistisch heden) van Nederland in combinatie met aandringen op de bereidheid tot compromissen (zelfs met de VVD) wordt vaak verdedigd als middel om ‘boze werkende mensen’ weg te houden bij uiterst rechts. Het blijkt opnieuw niet te werken. Waar het wel effect in heeft is het wegjagen van jonge linkse mensen. Niet alleen lijkt de breuk met ROOD onherstelbaar te zijn, de kiezersaanhang van de SP behoort ondertussen tot een van de oudste van het land.”

  GroenLinks Op het ineenzakken van GroenLinks – 4 zetels in 2012, 14 in 2017, 8 in 2021 - is minder commentaar gekomen. Binnen en buiten de partij wordt verwezen naar het coronavirus dat de klimaatproblematiek verdrong, en de onmogelijkheid voor Jesse Klaver om zijn hoofdtroef – zichzelf – uit te spelen onder lockdown-omstandigheden. Maar voor wie geïnteresseerd is in partijen die op een echte ‘systeemwissel’ uit zijn bestond er nooit enige twijfel dat GroenLinks zich daar niet toe rekent. Klavers kritiek op Rutte ging decrescendo naarmate de campagne vorderde, en gaf tenslotte aan ook met Rutte in een kabinet te willen. De kans daarop lijkt nu wel niet  zeer reëel.   Links: quo vadis? Het is natuurlijk niet alleen in Nederland dat de vraag gesteld wordt waar het heen moet met ‘links’ [efn_note] Zie bv. Die Linke heeft nieuwe leiding, maar geen strategie [/efn_note]. Vooral na tegenvallende verkiezingsresultaten wordt gezocht naar feilen in de communicatie, het campagneverloop wordt in vraag gesteld, enzovoorts. In een zeer gemediatiseerde samenleving heeft dit alles zijn belang, maar er is één vraag die zou moeten primeren op alle andere: wat willen we met deze partij bereiken? Het helpt als we het volgende onderscheid maken. Men kan een partij zien als een vehikel om binnen de perken van het bestaande bestel (de kapitalistische eigendoms- en productieverhoudingen, de burgerlijke democratie) het beleid zoveel mogelijk in de gewenste richting te sturen. Dit is wat men traditioneel het reformisme noemt. Ik vind het een eerbare betrachting; als het woord een pejoratieve betekenis heeft gekregen is het vooral omdat de sociaaldemocratische partijen die er zich op beroepen niet meer aan reformisme doen. Sommige groene partijen zijn hierin consequenter, en verdedigen een zo ecologisch mogelijk beleid binnen de kapitalistische verhoudingen. Er is een tweede optie: een partij kan opgericht worden met het expliciete doel de bestaande verhoudingen grondig te veranderen, te revolutioneren. Het is een perspectief op langere termijn, en sluit niet uit dat men reformistische beleidsopties voorstelt of steunt, maar die worden gezien als een stap in het langetermijnperspectief. De Griekse marxistische socioloog Stathis Kouvelakis drukte het nogal brutaal maar duidelijk als volgt uit:

“We hebben geen nood aan radicaal linkse partijen die deals sluiten met de sociaaldemocratie om het aantal huisuitzettingen te beperken, het minimumloon met 50 € te verhogen of wat ontslagen in de openbare sector ongedaan te maken. Als men echt denkt dat dit de weg is die moet gegaan worden moeten we ons binnen het kader van de sociaaldemocratie opstellen, en proberen enkele verbeteringen te verkrijgen. Maar voor een politieke stroming die beweert een alternatieve maatschappijvisie te hebben kan zoiets aannemen als politieke horizon neerkomen op het overboord gooien van deze visie.”

Ook dit vind ik een eerbare keuze, die ik persoonlijk de voorkeur geef, omdat ecologische noch sociale duurzaamheid m.i. binnen het kapitalisme kunnen verwezenlijkt worden. Maar het onderscheid in perspectief tussen de twee partijopvattingen hoeft geen splijtzwam te betekenen voor linkse samenwerking. Een radicaal-linkse partij die de strijd alleen met woorden voert (type Griekse KKE) mist even goed haar doel als een reformistische die in het electoralisme verzuipt. De ideeënstrijd tussen deze twee fundamentele opties vindt trouwens meestal plaats binnen één en dezelfde linkse partij; waar elders zou dat trouwens kunnen? Binnen Die Linke komt het grotendeels neer op de voor- en tegenstanders van regeringsdeelname binnen de deelstaten (‘rood-rood-groen’), en het is een goede zaak dat de twee stromingen vooralsnog allebei hun plaats behouden in de partij. Wat de Nederlandse SP betreft is het een veeg teken dat die plaats er blijkbaar niet meer is voor de jeugdige radicalen. Moet Bij1 nu van nul terug beginnen en de rol overnemen die de SP ooit speelde?        

Duitsland: miljarden ‘minnelijke schikking’ voor kernuitstap

Tue, 03/23/2021 - 09:00

23 maart 2021 – In 2011 besloot Duitsland tot een kernuitstap, na eerdere aarzelingen definitief gemotiveerd door de kernramp in Fukushima. Dit was voor de Zweedse energiereus Vattenfall aanleiding om van Duitsland een schadevergoeding van meerdere miljarden te eisen, zich beroepend op het ‘Energiecharterverdrag’. Met dit laatste kunnen bedrijven zich richten tot een uitzonderingsrechtbank (‘arbitragehof’)  om  van overheden compensatie te eisen als ze zich in hun winstvooruitzichten geschaad voelen door beleidsbeslissingen. Begin maart raakte bekend dat Duitsland een minnelijke schikking heeft getroffen : mits betaling van 1,4 miljard € door de Duitse belastingbetaler zal Vattenfall zijn claim – inmiddels opgelopen tot 6 miljard €, waarvan 1,6 miljard ‘proceskosten’ - intrekken. In antwoord op een vraag van Die Linke in de Bundestag bleek de Duitse regering voor deze zaak al 21,7 miljoen € aan advocaten en expertise betaald te hebben. Blijkbaar heeft de Duitse overheid weinig vertrouwen in het Europees Hof van Justitie. Dit oordeelde immers (in de zaak Achmea) dat uitspraken van een arbitragehof in bilaterale investeringsakkoorden tussen EU-lidstaten in strijd zijn met het Europees recht. Als een mogendheid als Duitsland buigt voor een dubieuze miljardenclaim van een bedrijf kan men zich voorstellen hoeveel druk zulke investeringsclausules (‘ISDS’)  uitoefenen op veel kleinere landen. Het feit dat de moedermaatschappij van Vattenfall voor 100% eigendom is van de Zweedse overheid geeft ook te denken over de fantastische samenwerking tussen lidstaten om de energietransitie tot een goed einde te brengen. (hm)    

De Europese ‘coup’

Mon, 03/22/2021 - 11:40

22 maart 2021  

Perry Anderson publiceerde de afgelopen maanden drie interessante essays over de Europese Unie in de London Review of Books (LRB). De essays zijn vrij beschikbaar (met een toegangsbeperking per maand), maar vrij lang, wat veel potentiële geïnteresseerden kan afschrikken. Van verschillende zijden had men het gelukkige idee om er samenvattingen van te maken. Een overzicht van de drie essays door Robert Tombs verscheen op de site Brave New Europe: Perry Anderson: A Devastating Indictment of the EU. Anderzijds maakte David Elstein uitgebreidere afzonderlijke samenvattingen van twee van de drie essays voor openDemocracy – het derde volgt -  waar ze met een Creative Commons licentie verschenen. Het is van deze teksten dat we u de komende weken de Nederlandse vertaling aanbieden. Voor wie geen probleem heeft met Engels en niet kan wachten, ziehier de drie oorspronkelijke essays en hun samenvatting:

Hoorde u nog niet van Perry Anderson? Hij is een van de meest briljante en veelzijdige levende linkse intellectuelen, marxist, polyglot, historicus, socioloog, commentator, essayaist, auteur, lange tijd hoofdredacteur van New Left Review, een paar generaties ouder dan de meesten van ons, maar toch tien jaar jonger dan Noam Chomsky, en ook nog even alive and kicking.

  De Europese ‘coup’ Perry Anderson samenvatting door David Elstein   Het uitgangspunt voor Andersons eerste essay, 'The European Coup', is een boek van de Nederlandse schrijver Luuk van Middelaar, 'The Passage to Europe: How a Continent Became a Union', waarvan de recensies bulken van de lofbetuigingen, aldus Anderson. Van Middelaar, geboren in 1973, studeerde geschiedenis en filosofie aan de universiteit, bij Frank Ankersmit, die vooral bekend stond om zijn bewondering voor de ‘esthetiek’ van het vinden van politieke compromissen om conflicten op te lossen. Van Middelaar werd lid van de VVD, ging naar Parijs om zijn masterscriptie te schrijven en begon vervolgens aan een studie over de pensioenstelsels van de EU. In 2001 schreef hij een artikel voor een Nederlandse krant waarin hij de invasie van Afghanistan na 9/11 steunde. Alleen een sterke leider, zo betoogde hij, kan voor mensenrechten zorgen en "de last van de moderne mens" op zich nemen. Tegen die tijd had hij een stageplaats bemachtigd bij de Nederlandse EU-commissaris Frits Bolkestein, een vooraanstaand VVD-politicus die een liberalisering van de arbeidsvoorwaarden erdoor probeerde te drukken. Van Middelaar werd er zich bewust van de beperkingen van de activistische politiek en keerde terug naar de VVD om als politiek secretaris van de leider van de partij het partijmanifest van 2005 te helpen schrijven. Het werd geen succes en van Middelaar vertrok om            te schrijven, dat Anderson beschrijft als "een werk van indrukwekkende geleerdheid en historische verbeelding... anders dan alles wat voor of sindsdien over de EU is geschreven". In het boek volgt Van Middelaar de weg van de zes landen die deelnamen in het Schumanplan van 1950 en de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) tot het Verdrag van Rome van 1957, dat de Europese Economische Gemeenschap in het leven riep. De artikelen van het Verdrag zouden ten uitvoer worden gelegd door middel van voorstellen van een permanente Commissie in Brussel aan een interstatelijke Raad van Ministers, waarvan de besluiten de eerste acht jaar met eenparigheid van stemmen zouden moeten worden genomen.   De eerste staatsgreep  Vastberaden verzet van de Franse president Charles de Gaulle was bedoeld om ervoor te zorgen dat meerderheidsbesluiten niet langer het ‘essentiële belang’ van een lidstaat terzijde konden schuiven, een beginsel dat was vastgelegd in het Compromis van Luxemburg van 1966. Maar tegen die tijd had het Europese Hof van Justitie bepaald dat de verordeningen van de Gemeenschap door de nationale rechtbanken moesten worden gehandhaafd, iets waarin het Verdrag niet voorzag, maar dat door Van Middelaar werd geprezen als ‘een meesterlijke zet’. Anderson hierover: Het Hof pleegde op 5 februari 1963 een staatsgreep in naam van een nieuwe, autonome rechtsorde, terwijl het beweerde dat - hoewel niemand daarvan op de hoogte was - deze rechtsorde even oud was als het Verdrag zelf. De inbreuk op de status quo werd dus verhuld. Een jaar later ging het Hof nog een stap verder door burgers toe te staan bij het Hof in beroep te gaan tegen de staten waartoe zij behoorden: nog een ‘coup’, waarmee de weg naar Europese ‘eenheid’ verder werd vrijgemaakt. Van Middelaar merkte scherp op dat het nationale veto tegen meerderheidsstandpunten zelden werd gebruikt, niet in het minst, in Andersons woorden, omdat "de alchemie van de Unie erin bestaat unanimiteit te bereiken door de dreiging van een meerderheid" - "mocht een lidstaat zich verzetten... kan er druk worden uitgeoefend om zich met 'andere middelen' te conformeren".   De Craxi-coup  Toen in 1985 de Europese Akte, bedoeld om de gemeenschappelijke markt voor goederen uit te breiden tot diensten, het stadium bereikte waarin een wijziging van het Verdrag van Rome nodig was via het mechanisme van een intergouvernementele conferentie, was Italië gastheer van de beslissende bijeenkomst van de Europese Raad. De Italiaanse premier, Bettino Craxi, voelde een gebrek aan consensus en besloot het mechanisme van de conferentie te omzeilen door rechtstreeks tot stemming over te gaan. De meerderheid van zeven landen had een veto kunnen uitspreken tegen de minderheid van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken of Griekenland, maar geen van de drie koos ervoor om Italië te overbluffen. Van Middelaar "kan nauwelijks zijn enthousiasme bedwingen", zegt Anderson, voor wat hij noemt "een geheime staatsgreep vermomd als een procedurebesluit". Dit heeft vervolgens "de deur opengezet" voor nog vijf verdragsherzieningen - "elk een stap", aldus Anderson, "in de richting van een compacte Europese Unie met juridische autoriteit over haar lidstaten". Nu kunnen zelfs formele herzieningen worden omzeild als de Europese Raad een "passerelle", of loopplank, uitvaardigt die, behalve bij een afwijzing door een nationaal parlement, standaard wordt uitgevoerd. De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten - niet te verwarren met de Raad van Ministers. Hij is na de olieschok van 1973 voortgekomen uit een Frans initiatief om regelmatig topontmoetingen te houden. Een ander Frans project - de eenheidsmunt - werd door Berlijn goedgekeurd in ruil voor de instemming van Parijs met de eenmaking van Duitsland na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, en dus - impliciet - met de onvermijdelijke opkomst van die uitgebreide staat als economische overheerser van de Unie. Twee jaar later werd met het Verdrag van Maastricht van 1991 de Europese Unie formeel opgericht, samen met nieuwe agentschappen, waaronder een arm voor het buitenlands beleid. De snelle uitbreiding van de EU met Zweden, Oostenrijk en Finland, en de ex-communistische staten in het Oosten, werd vergemakkelijkt door de invoering van gewogen stemmingen in de Raad van Ministers. Deze uitbreiding bracht weinig samenhang in de rol van de EU op het wereldtoneel: getuige de ineenstorting van Joegoslavië, dat "in een reeks burgeroorlogen verzeilde", aldus Anderson, en waar "de nieuwe Unie machteloos bleek om het tij van rampspoed te keren". De instelling van een permanente voorzitter van de Europese Raad hielp om gericht te reageren op nieuwe crises. Meer cosmetische voorstellingen van eenheid kwamen in de vorm van een Europees volkslied - de 'Ode an die Freude' - en de blauw-gouden vlag, "overgenomen", aldus Anderson, "van de (ongerelateerde) Raad van Europa van 1949, met zijn bijna vijftig leden".   De hofmuzikant  Anderson erkent een aantal tastbare voordelen van de Unie - grensoverschrijdend reizen, goedkoop telefoneren, toegang tot ziekenhuizen - maar is minder overtuigd van het vrije verkeer van werknemers ("een zegen voor elites, minder voor de massa") en pogingen tot herverdeling ("het gemeenschappelijk landbouwbeleid doet denken aan het corrumperende cliëntelisme van het oude Rome"). En hij is totaal niet onder de indruk van wat van Middelaar "een enorme inspanning om de bevolking inspraak in de besluitvorming te geven" noemt. Het Europees Parlement "is geen volkstribune: het treedt op als een hofmuzikant" - zijn relatieve machteloosheid verklaart wellicht waarom de kiezers slechts een milde belangstelling voor zijn verkiezingen hebben getoond. In ieder geval is ‘inspraak’ in de ogen van Anderson hopeloos zwak. De marginaliteit van hun rol betekent, aldus Anderson, dat er voor de leden van het Europees Parlement "geen realiteit is buiten de kamer waarin zij zetelen, waar een soort permanente grote coalitie - in feite een institutioneel kartel - zelfs het formele onderscheid tussen hen doet vervagen". Van Middelaar ziet het ontbreken van engagement als een tijdelijk probleem: "elke dynastie begint met een machtsgreep" - de legitimiteit van de "coup-sequentie" hangt niet af van electoraten. Evenmin is hij geïnteresseerd in de economische gevolgen van het Europese project voor de burgers: "het acroniem EEG is nergens te vinden" in zijn boek, aldus Anderson. Evenzo blijft de achtergrond van de rechters in Luxemburg, wier beslissingen Europese geschiedenis maakten, volledig onbesproken... Behalve dat hij Craxi's "briljante bluf" ophemelt, rept Van Middelaar met geen woord over hem - de meest corrupte Italiaanse politicus van zijn tijd. Hij plaatst de Raad waar deze thuishoort, niet slechts de formele instantie aan de top, maar de allesoverheersende instantie van de EU, het vehikel dat de richting bepaalt waarin Europa zich heeft bewogen, in de richting van een steeds grotere unie, als een club van staten die met elkaar verbonden zijn door een gemeenschappelijk project dat hun identiteit als naties niet uitdooft.   De lange termijn  Anderson vergelijkt van Middelaar met Friedrich Gentz, een belangrijke medewerker van de Oostenrijkse diplomaat Klemens von Metternich bij het vormgeven van de contrarevolutie in het post-Napoleontische Europa. Gentz erkende dat het Congres van Wenen weinig meer was dan een plan waarbij "de overwinnaars de buit van de overwonnenen met elkaar moesten delen". Maar de EU is een echo van het Metternich-systeem: in haar streven naar collectieve veiligheid legt zij de afzonderlijke ambities van de natiestaten aan banden. Van Middelaar maakte zijn eigen 19e-eeuwse vergelijkingen. De oprichters van de Unie haddenvolgens van Middelaar "een diep besef van de erfenis van het Concert der Naties" (een gedeelde afspraak tussen de Europese mogendheden die de vrede op het continent bewaarde gedurende tientallen jaren in de eerste helft van de 19e eeuw en opnieuw tot de Eerste Wereldoorlog.)  De Europese Raad vormde, zegt hij, "een hedendaags Wenen 1814-1815" - dat was de tijd toen het Congres van Wenen, gehouden na de nederlaag van Napoleon, een systeem van ontmoetingen tussen machtige Europese landen opzette om hun geschillen op te lossen. In onze tijd kan het Europese project collectieve resultaten opleveren die buiten het bereik van individuele staten liggen, maar het is alleen de Europese Raad die het gewicht heeft om de grootste kwesties binnen de structuur van het project aan te pakken. Van Middelaar daarentegen, aldus Anderson, "laat weinig twijfel bestaan over de veel lagere achting die hij heeft voor de Commissie, een nuttige maar saaie fabriek van regels, en voor het Parlement, een winderige spelonk van woorden". Bovendien komen alle besluiten van de Raad tot stand "achter gesloten deuren, in beraadslagingen waarvan geen notulen worden gemaakt, die mededelingen uitgeven onder het zegel van een consensus die ver boven elke inspraak van het volk is bereikt". Ook het Hof van Justitie "beraadslaagt in het geheim en verbiedt elke afwijkende uitspraak bekend te maken, en doet zijn uitspraken als unanieme edicten". Van Middelaar's instemming met deze situatie wordt onderstreept door zijn bewondering voor de reeks staatsgrepen die dit heeft opgeleverd: "hun slachtoffers overrompelen en voor een voldongen feit plaatsen dat niet meer teruggedraaid kan worden" - ook al is een staatsgreep "geen term die geassocieerd wordt met enige vorm van democratische politiek". Van Middelaar volgde hiermee bewust Gabriel Naudé en "zijn werkelijk verbazingwekkende boek", 'Political Considerations on Coups d'Etat', geschreven in de eeuw na Machiavelli, waarin plotselinge, geheime en verrassende acties, soms als bliksemschichten, soms heel onzichtbaar, ter ondersteuning van staatsbelangen worden geprezen. In de ogen van Naudé moet de "verlichte elite" de "prikkelbare massa's" de baas worden.   Zwakke regeringen in Zuid-Europa  Vanaf zijn nieuwe positie als speciaal adviseur van de eerste voltijdse voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, kon Van Middelaar de werking van de EU van dichtbij gadeslaan en na vier jaar op deze uitkijkpost een nieuw boek produceren, 'Alarums and Excursions: Improvising Politics on the European Stage’. Hierin juicht Van Middelaar - dit keer zonder ze 'coups' te noemen - de manoeuvres toe waarbij maatregelen om de euro te redden het Verdrag van Maastricht omzeilen en "zwakke regeringen in Zuid-Europa" als voetveeg gebruiken; of nog als de bezwaren van het Verenigd Koninkrijk tegen het Begrotingspact worden uit de weg gegaan. Hij prijst het akkoord dat Angela Merkel met Recep Tayyip Erdoğan over vluchtelingen heeft bereikt als politiek vitaal, maar "ethisch en juridisch aanvechtbaar".   Brexit Wat Brexit betreft, betekende de harde lijn die door Brussel werd gevolgd, ter ondersteuning van Dublin en gesteund door Parijs en Berlijn, een volwassenwording voor de EU: "botweg gezegd zou het niet in het belang van de Unie zijn als het goed zou gaan met het VK na de Brexit", terwijl de Commissie haar belang zou demonstreren door het publiek te laten zien "hoe moeilijk het is om aan haar klauwen te ontsnappen". Anderson vraagt zich echter af hoe het niet inwilligen van de minimale verzoeken van David Cameron met betrekking tot het vrije verkeer kan worden omschreven als "een triomf van Europees staatmansschap", gezien de vage formulering van dat beginsel in de bepalingen van het Verdrag van Rome. Een andere Britse zonde, naast het willen verlaten van de EU, was volgens van Middelaar de vermeende bezwijking van het VK voor het ‘populisme’, de vijand van elke eliteheerschappij. Net als referendum- en verkiezingsuitslagen in andere landen, zoals de door Brussel genegeerde 'Deense ramp' - was de Britse stemming in strijd met het consensusbeginsel. Van Middelaar is niet tegen wat oppositie binnen de EU, maar alleen als die "ervan overtuigd is dat wat ons als Europeanen op dit continent verenigt, groter en sterker is dan alles wat ons verdeelt" - zo "afgezaagd", zegt Anderson. Simpel gezegd, aldus Anderson, "hebben democratische systemen reële opposities die op een dag kunnen regeren, maar de Europese Unie is zo georganiseerd dat dit niet het geval is". Als van Middelaar naar het oude Griekenland kijkt voor de rol van koor die het EU-publiek zou kunnen spelen, antwoordt Anderson: "de vergadering waar alle belangrijke kwesties rechtstreeks door de burgers werden besproken en beslist – de grootste uitvinding van de Atheners - wordt zelfs nooit vernoemd". Ook de zware ontberingen van de moderne Grieken - de jongeren, de ouderen, de armen - nadat de bezuinigingseisen van de Troika (de EU, het IMF en de Europese Centrale Bank) ter verdediging van de euro met tegenzin door de Griekse regering werden geslikt, worden niet genoemd. Van Middelaar is diplomatieker dan Van Rompuy zelf, die zei: "Ik denk dat de Unie overgedemocratiseerd is - het optreden van de Troika heeft misschien een beetje te veel in de schijnwerpers van de media gestaan". "Dat gebeurt beter tijdens een black-out", merkt Anderson somber op.    

‘Innovatieve methodes’ om zijn verantwoordelijkheid voor vluchtelingen te ontlopen

Thu, 03/18/2021 - 17:16

door Charlotte Slente (*) 19 maart 2021   Vijf jaar geleden nam de aanpak van de Europese Unie (EU) ter bescherming van vluchtelingen een wending met de lancering van de verklaring EU-Turkije. De verklaring en de bedoelingen ervan werden met wijdverbreid ongeloof ontvangen. Vijf jaar later is de regeling een referentie geworden voor beleidsmakers en een soort blauwdruk voor het ontlopen van verantwoordelijkheden op het gebied van bescherming.   Gevolgen van het insluitingsbeleid  Er is geen gebrek aan berichten over de verwoestende gevolgen voor de vrouwen, mannen en kinderen die de afgelopen vijf jaar bescherming zochten in de EU van het insluitingsbeleid dat voortvloeit uit de regeling met Turkije. Deze heeft bijgedragen tot een permanente toestand van overbevolking, ondermaatse levensomstandigheden en uiterst slechte toegang tot diensten op de Egeïsche eilanden. [caption id="attachment_20402" align="alignleft" width="450"] Moria-detentiecentrum op Lesbos (Foto Danish Refugee Council)[/caption] Humanitaire hulpverleners ter plaatse, waaronder de Deense Vluchtelingenraad, hebben stelselmatig melding gemaakt van belemmeringen bij de toegang tot de asielprocedure, gebrek aan toegang tot rechtsbijstand en het veelvuldig gebruik van detentie. In hartverscheurende rapporten wordt ook gewezen op de verslechterende geestelijke gezondheidstoestand van vluchtelingenkinderen als gevolg van de onveilige en onwaardige omstandigheden op de eilanden, en de onzekerheid waarin asielzoekers gedurende vele maanden worden vastgehouden. De lacunes in de bescherming en de tekortkomingen van het insluitingsbeleid die voortvloeien uit de verklaring EU-Turkije zijn duidelijk.   Het olievlek-effect Een even belangrijk, maar minder tastbaar resultaat van de verklaring EU-Turkije is echter de inspiratie die het model blijft bieden aan EU-lidstaten die op zoek zijn naar innovatieve manieren om hun verantwoordelijkheid voor vluchtelingen te ontlopen. De Europese beleidsreactie op asiel en migratie is onevenredig gericht op de kleine fractie die illegaal naar de EU trekt. In het voorgestelde nieuwe EU-migratiepact speelt samenwerking met derde landen inzake de controle en het beheer van onregelmatige migratie en het voorkomen van verdere bewegingen van vluchtelingen een centrale rol. De verklaring EU-Turkije wordt genoemd als model voor het beoogde ‘grotere engagement’ met geselecteerde partnerlanden. Terwijl de kernelementen van het nieuwe EU-pact die betrekking hebben op het binnenlands beleid van de lidstaten deze blijven verdelen, is er - zoals tijdens recente Raadszittingen in de afgelopen week is herhaald - veel gemakkelijker een gemeenschappelijke basis te vinden als het gaat om het verder versterken van de samenwerking op migratiegebied met landen buiten de EU. De onderliggende logica van de aanpak bestaat erin te trachten het aantal mensen dat bescherming in de EU zoekt, te beheersen en te verminderen, en de terugkeer van afgewezen asielzoekers te bevorderen door nauw samen te werken met derde landen. Een Deens wetsvoorstel dat momenteel wordt besproken, gaat nog een stap verder en stelt voor om asielzoekers die in Denemarken aankomen, over te brengen naar een land buiten de EU om daar hun asielverzoek te behandelen. Belangrijk is dat het derde land degenen zou opnemen die internationale bescherming nodig hebben. Het voorstel stuit op felle kritiek van het Deense maatschappelijk middenveld. Afgezien van de voor de hand liggende bezorgdheid over de mensenrechten, vrezen de Deense Vluchtelingenraad en anderen voor de negatieve gevolgen voor de internationale samenwerking op het gebied van vluchtelingen. Indien een land als Denemarken zijn deel niet op zich neemt, is de kans groot dat de landen die vluchtelingen opvangen dit voorbeeld zullen volgen, met mogelijk verwoestende gevolgen voor hun bescherming. Deze bezorgdheid wordt gedeeld door de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) in haar opmerkingen naar aanleiding van de openbare hoorzitting over het wetsvoorstel, waarin wordt onderstreept dat een dergelijke aanpak "het internationale beschermingssysteem kan ondermijnen" en "niet in overeenstemming is met de mondiale solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid".   Wereldwijde verdeling van verantwoordelijkheid Vijf jaar na de lancering van de verklaring EU-Turkije zijn de gevolgen voor de bescherming die voortvloeien uit de regeling duidelijk, en de rimpeleffecten en de mogelijk negatieve impact op de wereldwijde bescherming van vluchtelingen zijn onmiskenbaar. De verklaring van de EU en Turkije en het Global Compact on Refugees (‘Marrakesh-akkoord’, 2018) zijn beide gedeeltelijk voortgekomen uit de politieke crisis in Europa in 2015-2016. Terwijl de EU-Turkije-verklaring in wezen was ontworpen als een model voor het ontlopen van verantwoordelijkheden voor vluchtelingen in Europa als reactie op de paniek van beleidsmakers, erkende het Global Compact on Refugees  daarentegen de noodzaak van een mondiale verdeling van verantwoordelijkheden als een belangrijk centraal onderdeel van een functionerend mondiaal asielstelsel waaraan alle staten moeten voldoen. Nu bijna 80 miljoen mensen van huis en haard verdreven zijn, moeten de verbintenissen van het Global Compact on Refugees verder worden uitgewerkt en uitgevoerd, in plaats van nog meer regelingen met derde landen te treffen, geïnspireerd door de verklaring EU-Turkije. Wanneer het delen van verantwoordelijkheid mislukt en een paar landen er alleen voor opdraaien, worden ontheemden niet de bescherming geboden die zij nodig hebben en waar zij recht op hebben. De pogingen van de EU en haar lidstaten om de vluchtelingenverantwoordelijkheid te externaliseren dragen ertoe bij dat de balans nog verder uit evenwicht raakt. Er is behoefte aan méér solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid, niet aan minder. En er is behoefte aan een innovatieve aanpak die de rechten respecteert om de bescherming en hulp voor vluchtelingen te verbeteren, niet voor het ontlopen van zijn beschermingsverantwoordelijkheid.   (*) Charlotte Slente is secretaris-generaal van de Deense Vluchtelingenraad (Danish Refugee Council). Dit is een Deense koepel van ngo’s en vrijwilligersorganisaties die hulp verlenen aan vluchtelingen en ontheemden. Slente’s artikel verscheen op 17 maart 2021 op Euractiv. Nederlandse vertaling Ander Europa.

‘Coronanationalisme’

Wed, 03/17/2021 - 18:42

17 maart 2021 - De Europese Unie, kampioen van de vrijhandel, geeft geen krimp als een van de lidstaten beslag legt op coronavaccins die voor een derde land bestemd zijn… Begin deze maand blokkeerde Italië een vracht van 250.000 AstraZeneca Covid-19 vaccins bestemd voor Australië. De Italiaanse overheid rapporteerde dit ook aan de Europese Commissie, die daar verzet had kunnen tegen aantekenen, maar ze deed dit niet. Volgens Brussel was dit exportverbod dus in overeenstemming met de in januari uitgevaardigde EU-regels over exportcontrole op vaccins (in EU-speak ‘transparantieregels’ genoemd).  “Jammer, maar noodzakelijk”, was de commentaar van europarlementariër Peter Liese, lid van Angela Merkels CDU, en ook de Franse minister voor gezondheid Olivier Véran stond openlijk achter de Italiaanse beslissing. Italië verantwoordde zich met de bewering dat Australië geen kwetsbaar land is. Maar in Australiës ex-kolonie Papoea-Nieuw Guinea (9 miljoen inwoners) is een corona-catastrofe in de maak die volgens eerste-minister James Marape binnekort één op de drie of vier bewoners kan treffen. Australië roept nu samen met Papoea-Nieuw Guinea de EU op om haar vaccin-protectionisme te verlaten en binnen de kortste keren één miljoen AstraZeneca dosissen naar Canberra te laten vetrekken. De exportblokkering door Italië is de eerste in haar soort, althans de eerste officieel erkende, maar Commissievoorzitter von der Leyen zei dat er nog kunnen volgen. Eerder al ontstond beroering als de EU dreigde de uitvoer van vaccins naar het Verenigd Koninkrijk via Noord-Ierland te blokkeren, in weerwil van het Brexit-akkoord.  En daarvoor al werden ladingen beschermingsmateriaal, o.a. bestemd voor Zwitserland tegengehouden aan de Duitse grens. “In nood leert men zijn vrienden kennen”, zegt de volkswijsheid. Veel vrienden zal de Europese Unie niet gewonnen hebben in deze noodsituatie, terwijl ze voor eigen publiek ook al maar een belabberde wedstrijd speelde. In haar ‘geostrategische’ grootheidswaan vertikt de EU het zelfs om het vaccin van de Russische ‘vijand’ de aandacht te geven die het verdient. Onder die omstandigheden klinkt de verbolgenheid van Europees ‘president’ Charles Michel over de beschuldigingen van Europees ‘vaccinnationalisme’ nogal  misplaatst. (hm)    

Die Linke heeft nieuwe leiding, maar geen strategie

Mon, 03/15/2021 - 21:30

door Loren Balhorn (*) 15 maart 2021  

Na jaren van stagnerende peilingen en dalende verkiezingsresultaten hoopt de Duitse partij Die Linke dat haar nieuwe leidersteam haar zal doen terugkeren naar de belofte van de jaren 2000. Maar aangezien haar sociale basis in het voormalige Oosten verbrokkelt, heeft Die Linke niet alleen een andere marketingstrategie nodig - zij moet haar wortels in het leven van de arbeidersklasse opnieuw opbouwen.

Op 27 februari hield de socialistische partij van Duitsland, Die Linke, eindelijk haar lang uitgestelde partijcongres. Janine Wissler, een rijzende ster in de linkervleugel van de partij, en Susanne Hennig-Wellsow, partijleider in Thüringen, waar Die Linke regeert aan het hoofd van een centrum-linkse coalitie, namen het roer over van Bernd Riexinger en Katja Kipping, voorzitters van de partij met een  lange staat van dienst. De bijna negenjarige ambtstermijn van Riexinger en Kipping was oorspronkelijk een verstandshuwelijk tussen de partij van extreem-links en een aanzienlijk deel van het gematigder kamp. Zij zagen toe op een zekere stabilisatie binnen de partij, maar ook op onmiskenbare stagnatie. Geen van beiden bleek bijzonder charismatisch of echte publieksfiguren, en hun leiderschap werd herhaaldelijk uitgedaagd in de media door ex-parlementsvoorzitter Sahra Wagenknecht, die in 2018 een funeste poging deed om een links-populistische formatie, Aufstehen, op te richten. Die Linke schommelt al jaren tussen 6 en 9 procent in de peilingen, niet in staat te leren uit de eigen fouten en ook niet om te profiteren van die van anderen - wat het Duitse weekblad Der Spiegel ertoe bracht te vragen of de partij ‘sclerotisch’ was geworden.   [caption id="attachment_20383" align="aligncenter" width="690"] De twee pas verkozen co-voorzitters van Die Linke: Janine Wissler (l) en Susanne Hennig-Wellsow (r)[/caption]   Het is dan ook begrijpelijk dat Wissler en Hennig-Wellsow worden bejubeld als een kans om de partij nieuw leven in te blazen. Het online-congres dat hen koos was opmerkelijk rustig vergeleken met eerdere bijeenkomsten, met weinig openlijke botsingen en een algemene consensus dat, met een reeks van deelstaat- en federale verkiezingen later dit jaar, het nu de tijd is voor eenheid en partijopbouw. Maar ondanks alle blijken van overeenstemming kreeg het probleem van wat voor soort partij er moet worden opgebouwd geen duidelijk antwoord.   De fakkel doorgeven De opkomst van Wissler en Hennig-Wellsow, die geen oppositie ondervonden, markeert de consolidatie van een nieuw partijcentrum dat aanzienlijk verschilt van de krachten die in 2004-2007 samensmolten om Die Linke op te richten. Op dat moment had de Partij voor Democratisch Socialisme (PDS) - de opvolger van de Oost-Duitse regeringspartij en een soort Oost-Duitse belangengroepering van na 1990 - de kiesdrempel van 5 procent om weer in het parlement te komen niet gehaald, en begon te vrezen voor haar voortbestaan. Ondertussen zette de regerende sociaaldemocratische partij (SPD) onder Gerhard Schröder haar linkervleugel, in de figuur van ex-minister van Financiën Oskar Lafontaine, buitenspel en begon een reeks harde arbeidsmarkthervormingen door te voeren die een aanzienlijk deel van haar basis van zich vervreemdden. Dat leidde tot een afsplitsing (Arbeit und Sozialrechte - das Wahlalternatief, of WASG) onder leiding van Lafontaine en verscheidene andere linkse SPD'ers. Met de PDS buiten het parlement en een SPD die het sociaaldemocratische beleid de rug bleek toe te keren, ontstond er ruimte voor een nieuwe linkse kracht. PDS en WASG vormden in 2004 al snel een electoraal verbond, dat in 2007 Die Linke werd. Daarop traden ook kleinere groepen toe die Die Linke zagen als een kans om radicaal-linkse ideeën in de mainstream te brengen. Hoewel numeriek een minderheid, hadden zij door hun relatieve jeugdigheid en hun soms voltijds activisme een buitenproportionele impact op het partijgebeuren, terwijl de oprichtende generaties van de PDS en de WASG het soms moeilijk hadden om nieuwe kaderleden voort te brengen. Vijftien jaar later kan worden gezegd dat van de oorspronkelijke oprichters van Die Linke alleen de PDS haar doel onvoorwaardelijk heeft bereikt: Die Linke is nu zonder twijfel een landelijke politieke kracht, met voor het eerst in haar geschiedenis meer leden afkomstig uit het Westen dan uit het Oosten van Duitsland. Dit is echter ten koste gegaan van de Oost-Duitse identiteit en de sociale basis van de partij. Die Linke verliest snel terrein in de oostelijke deelstaten, nu haar traditionele ledenbestand afkalft en de partij haar status als natuurlijke thuishaven van Oost-Duitse proteststemmers verliest aan het rechts-populistische Alternative für Deutschland (AfD). Hoewel er niet weinig Oost-Duitsers in de partijleiding zitten, zijn de meesten te jong om een groot deel van hun leven in de DDR te hebben doorgebracht, en een specifieke Oost-identiteit speelt weinig rol in hun politiek. De WASG heeft echter haar doel om de SPD onder druk te zetten zodat ze terugkeert naar haar oude beleid - of zelfs om haar te vervangen als de leidende partij van de arbeid - steeds verder uit het zicht zien verdwijnen. De steun voor Die Linke binnen de Duitse vakbonden, die nog steeds tot de sterkste van Europa behoren, is niet groter dan bij haar oprichting, misschien zelfs zwakker. Terwijl de steun voor de SPD in het industriële hart van Duitsland de afgelopen tien jaar is gekrompen en nu op 15% staat, heeft Die Linke vrijwel geen voordeel van deze ontwikkeling ondervonden. Zijn hartstochtelijk pleidooi voor de opbouw van een ‘verbindende partij’ die arbeiders met andere sociale bewegingen verenigt siert aftredend partijvoorzitter Riexinger, die lange tijd werkte voor Ver.di, de vakbond van dienstverleners.  Die Linke heeft enig terrein gewonnen onder werknemers in de zorgsector, maar over het geheel genomen lijkt zijn boodschap geen weerklank te vinden bij de traditionele sociaaldemocratische basis, die in plaats daarvan grotendeels politiek passief is geworden, of, erger nog, is overgelopen naar rechts. Als gevolg daarvan, en ondanks de beste bedoelingen van Die Linke, is de partij steeds meer een partij van jonge, progressieve stedelingen, met een slinkende aanwezigheid onder industriearbeiders of in plattelandsgebieden.   Een veranderde partij?  Nu de georganiseerde arbeidersbeweging en de Oost-Duitse identiteitspolitiek op hun retour zijn, zijn deze kringen van jonge activisten in veel opzichten de winnaars geworden van de veranderende interne samenstelling van de partij, een realiteit die door de nieuwe covoorzitters zelf wordt belichaamd. Hoewel hun ideologische achtergrond aanzienlijk verschilt - Wissler was tot voor kort lid van de trotskistische groep Marx21, terwijl Hennig-Wellsow de Thuringse partij gedurende haar regeringsperiode heeft geleid - begonnen beiden hun politieke carrière als studentenactivisten in het begin van de jaren 2000 en hebben ze het grootste deel van hun volwassen leven als fulltime partijfunctionaris en parlementslid doorgebracht. Ze worden geflankeerd door een partijbestuur dat in toenemende mate een beroep doet op jonge politici van vergelijkbare herkomst. Hoewel de nieuwe partijleiding jonger en diverser is dan ooit tevoren, zijn het in grote lijnen ook functionarissen die hun carrière begonnen als campusactivisten. Voor velen van hen zijn de partij en haar jongerenorganisaties de enige politieke arena die ze ooit hebben gekend. Zoals PDS-doyen André Brie al in 2018 opmerkte, trekt Die Linke weliswaar jongeren aan, maar het algemene gebrek aan actieve leden betekent dat jonge rekruten vaak zo snel in de gelederen stijgen dat ze "weten hoe ze meerderheden op een partijcongres moeten organiseren, maar geen gevoel voor normale mensen meer hebben." Deze trend blijkt uit de ‘hippe’ subculturele esthetiek die de partij de laatste jaren aan haar publieke imago probeert te verlenen, maar die, eerlijk gezegd, geforceerd overkomt. Wagenknecht en haar medestanders hebben hun twijfels geuit over de verschuiving van de partij in de richting van jonge, stedelijke progressieven, maar neigen ertoe deze ontwikkeling te duiden als het resultaat van een bewuste keuze van de vertrekkende leiding om een partij te worden van wat zij spottend latte macchiato links noemen - waarbij zij hen afschilderen als stedelingen uit de middenklasse die meer geïnteresseerd zijn in symbolische diversiteit en het gebruik van de juiste voornaamwoorden dan in de herverdeling van rijkdom. Hoewel met name Kipping heeft geprobeerd de partij te positioneren als het "voornaamste adres voor jonge mensen die de wereld willen veranderen", valt het te betwijfelen of dit de moeilijkheden van de partij in haar traditionele milieus verklaart. Uiteindelijk hebben alle politieke partijen jonge, enthousiaste leden nodig om campagnes te leiden en de partij over het algemeen draaiende te houden. Wat voor kern van waarheid er ook in zit, het kamp Wagenknecht doet geen recht aan de complexiteit van de werkelijke situatie. Het baseert zich op stereotypen van wat de ‘arbeidersklasse’ is en wil (een beetje meer law and order, een beetje minder feminisme), en, wat nog belangrijker is, het negeert de bredere historische context ten gunste van simplistische verklaringen. Uiteindelijk worden oorzaak en gevolg door elkaar gehaald, waarbij een in de meeste gevallen vrij zwak leiderschap de schuld krijgt van fundamentele veranderingen die het bereik van een enkele partij te boven gaan, laat staan van een partij die ruimgeteld nauwelijks 10 procent van de stemmen haalt. De verschuiving naar de stedelijke middenklasse is geen verschijnsel dat alleen Die Linke betreft, en is ook niet begonnen onder het leiderschap van Kipping en Riexinger. De ontkoppeling van links t.o.v. zijn historische arbeidersbasis is een decennialang proces geweest, dat niet zozeer wortelt in verschuivende esthetische voorkeuren of beleidsveranderingen aan de top, als wel in de relatieve neergang van de verwerkende industrie en de gelijktijdige opkomst van de dienstensector en de witteboordenbanen. Deze ontwikkelingen versnelden de versnippering van de arbeidersmilieus die na de Tweede Wereldoorlog begon, en holden de gemeenschappen uit die ooit het fundament van links vormden. Tegen de tijd dat de SPD aan het eind van de jaren negentig een neoliberale koers ging varen, was dit proces al grotendeels voltooid. In de praktijk heeft de erosie van de georganiseerde arbeidersklasse ertoe geleid dat de politiek steeds meer de arena is geworden van de midden- en hogere klasse. Historisch gezien was dit altijd het geval voor de meeste politieke krachten. Maar van cruciaal belang was dat niet voor links, dat erin slaagde miljoenen arbeiders bewust te maken van hun klassenbelangen en hen te organiseren tot een machtig blok - een blok dat in staat was zijn belangen te doen gelden door middel van stakingen, verkiezingscampagnes, en soms zelfs revoluties. Dit was met name het geval in Duitsland, althans tot 1933. Maar van nieuwe Europese linkse partijen als Die Linke tot de Labour Party onder leiding van Corbyn, zijn recente pogingen om de socialistische beweging nieuw leven in te blazen grotendeels bemand door goedwillende activisten die voor het overgrote deel gerekruteerd zijn uit de geschoolde middenklasse. Dat is in 2021 meer het geval dan ooit tevoren. In termen van actief partijlidmaatschap vormden arbeiders waarschijnlijk nooit een belangrijk onderdeel en dat is nu nog minder het geval. Die Linke-leden hebben dus moeite om hun taal te spreken, simpelweg omdat die niet de hunne is. In de historische arbeiderspartijen waren jonge linkse intellectuelen organisch verbonden met een proletarische basis en via die weg politiek gevormd. Dit is natuurlijk niet langer het geval. Voor velen van de jonge generatie van de partij zijn arbeiders in hun politieke verbeelding slechts een van de vele onderdrukte groepen die zij proberen te vertegenwoordigen. Een abstracte bevestiging van de macht van de arbeiders kan van tijd tot tijd in hun retoriek opduiken, maar in de praktijk speelt de arbeidersklasse geen bijzonder belangrijke subjectieve rol. En hoe zou dat ook kunnen? Een socialistische arbeidersbeweging is iets wat zij alleen uit de geschiedenisboeken kennen, als zij die al kennen.   Identiteitspolitiek is niet het probleem Wat Die Linke en veel nieuwe linkse formaties lijkt te treffen, is niet zozeer de boeman van de ‘identiteitspolitiek’, een slecht gedefinieerde term die meestal als een scheldwoord wordt gebruikt, maar een politiek die kan worden omschreven als ‘identitair’ - politiek die niet is afgeleid van iemands objectieve economische belangen, maar veeleer als een verzameling morele overtuigingen. Op die manier begrepen gaat politiek minder over het ontwikkelen van een strategie om een meerderheid voor zich te winnen en meer over het overbrengen van de juiste ethische principes en het projecteren van de juiste esthetische gevoeligheden, een tendens die onlangs werd bekritiseerd door uittredend Die Linke parlementslid Fabio De Masi. Deze politieke habitus helpt ook te verklaren waarom de centrale boodschap die van het congres van vorige week leek uit te gaan niet een specifiek beleidsstandpunt of Die Linke's campagneplatform was, maar eerder de diversiteit van haar nieuwe leiderschap en de onaantastbaarheid van haar pro-LGBTQ, feministische, en anti-racistische geloofsbrieven. Zeker, een socialistische partij zou al deze dingen moeten zijn, en het zou fout zijn om te suggereren dat deze dingen intrinsiek kiezers uit de arbeidersklasse afstoten die alleen maar zouden geven om lonen en gezondheidszorg. Toch moet men zich afvragen of dit soort boodschap weerklank vindt bij mensen buiten Die Linke's directe achterban, laat staan dat het hen een reden geeft om op Die Linke te stemmen. De zorg om het imago van Die Linke maakt niet altijd een duidelijk onderscheid tussen morele principes en strategische prioriteiten, wat ertoe neigt dat alle kwesties als even belangrijk worden voorgesteld: de taak van een moderne socialistische partij is dan te functioneren als een beweging van bewegingen’ of, zoals de partij zichzelf beschrijft, een ‘partij in beweging’. Maar wat betekent dat concreet? Wat zijn de strategische hefbomen om op een dag de macht over te nemen en de maatschappij opnieuw vorm te geven? Op dit vlak heeft Die Linke ervoor gekozen om het antwoord te omzeilen, door vage formuleringen aan te bieden over campagne voeren voor progressieve verandering zowel "op straat als in het parlement," "door vrijdagen voor de toekomst, Black Lives Matter en vakbonden in gelijke mate te steunen" en door de nadruk te leggen op een vage focus op ‘organiseren’.  In plaats van zich expliciet te beroepen op de arbeidersklasse, spreekt de partij over "een samenleving van de velen", een zinswending die rechtstreeks uit het (opzijgeschoven) draaiboek van Corbyn komt en in het Duits nog minder inspirerend klinkt dan in het Engels. Als de laatste zes jaar ons iets geleerd hebben, dan is het wel dat deze aanpak een heel slechte voorbereiding is op de aanzienlijke politieke en economische druk waarmee socialisten te maken krijgen telkens een nationale verkiezingsoverwinning binnen bereik lijkt, wat, gezien de weinig rooskleurige vooruitzichten voor een revolutionaire opleving op korte termijn, de enige manier is waarop Die Linke realistisch gezien kan hopen echte verandering teweeg te brengen. De Griekse linkse partij Syriza, die qua samenstelling sterk op Die Linke lijkt, leerde deze les in 2015 op de harde manier nadat ze aan de macht was gekomen op een golf van anti-bezuinigingsgevoelens en frustraties van het volk over de Europese geldschieters. Na haar aantreden bleek Syriza niet méér te kunnen doen dan haar aanhangers te verzamelen bij protesten en demonstraties. De partij bleek niet bestand tegen de institutionele chantage van de EU en capituleerde al snel op alle fronten. Syriza is nog steeds de op één na grootste politieke kracht in Griekenland, maar de ‘partij van de bewegingen’ staat nu dichter bij de neoliberale sociaaldemocratische partij die ze versloeg, terwijl de gevierde bewegingen die haar aan de macht brachten nog niet hersteld zijn van de nederlaag. Jeremy Corbyn heeft nooit de kans gekregen om te zien hoe politieke macht aanvoelt, maar de kans is groot dat hij voor een vergelijkbare situatie zou hebben gestaan. Hoewel hij echte steun genoot in de vakbonden, werd zijn campagne vooral gedragen door jonge, enthousiaste aanhangers, van wie velen hun eerste stappen hadden gezet in de studentenbeweging van 2010. Hun bedoelingen waren ongetwijfeld nobel, maar hun gebrek aan diepere wortels in de Britse samenleving of de instellingen van de arbeidersbeweging betekende dat zodra Corbyn was verslagen, een groot deel van de radicale golf wegebde, en het was slechts een kwestie van maanden voordat de linkerzijde van Labour werd verpletterd, met demoralisatie en verbijstering tot gevolg. De vage strategische formuleringen die van Die Linke's partijcongres uitgaan zijn bedoeld om publieke schermutselingen te vermijden, wat waarschijnlijk onvermijdelijk is in een verkiezingsjaar. Maar ze wijzen ook op een diepere strategische malaise die heel links teistert en die niet verder lijkt te kunnen gaan dan protestmarsen en een incidentele verrassende verkiezingsoverwinning. Er zijn geen gemakkelijke antwoorden en geen sluiproutes om een socialistische meerderheid in Duitsland (of waar dan ook) op te bouwen, maar het feit dat wat misschien wel Europa's belangrijkste socialistische partij is, strategische schijnremedies lijkt te herhalen die elders al hebben gefaald, is niet bepaald geruststellend.   De partij van het arbeidersbelang  Wat heeft de toekomst in petto voor Die Linke? Met een peiling van de drie centrum-linkse partijen samen die slechts iets boven de 40 procent ligt, lijken de vooruitzichten voor de partij om in de herfst in de regering te komen gering. In werkelijkheid zou Die Linke de zwakste partij in een coalitie zijn en waarschijnlijk gedwongen zijn om het grootste deel van haar programma op te geven. Ervan uitgaande dat de partij genoeg stemmen krijgt om in het parlement te blijven, zal ze echter hard moeten nadenken over hoe ze zichzelf opnieuw kan uitvinden als een effectieve oppositie en de publieke verbeelding kan terugwinnen zoals ze dat kortstondig deed in 2009, toen ze haar beste resultaat ooit behaalde. Daarvoor is meer nodig dan het aankloppen op voldoende deuren of het organiseren van voldoende demonstraties, zoals één vleugel van de partij lijkt te geloven. Organiseren en activisme zijn beide waardevolle en noodzakelijke componenten van een socialistische strategie, maar organisatoren en activisten alleen vormen geen voldoende sociale basis om een massabeweging op te bouwen. De meeste mensen zijn niet per se geïnteresseerd in ‘activisme’ en willen niet ‘georganiseerd’ worden - een socialistische partij moet dat tot op zekere hoogte accepteren en nadenken over hoe ze hen toch kunnen bereiken. Uiteindelijk beoordelen de meeste mensen een partij niet op de vraag of ze de juiste ideologische hokjes aankruist, maar op haar praktische gebruikswaarde. Die Linke zal haar missie op de lange termijn alleen kunnen waarmaken als zij erin slaagt een massapartij van de arbeidersklasse te worden, met diepe wortels in de nog altijd machtige arbeidersbeweging. Van cruciaal belang is dat zij op die manier de steun kan mobiliseren die nodig is om het op te nemen tegen machtige kapitalistische belangen. Dat betekent campagne voeren rond universele thema's zoals huisvesting, transport en lonen die een wig drijven tussen Die Linke en de gevestigde partijen, en tegelijk laten zien dat zij in staat is om waar mogelijk concrete verbeteringen voor arbeiders te bereiken, zoals de bevriezing van de huurprijzen in Berlijn. Het betekent ook het soort agressieve maar serieuze retoriek gebruiken waar Wagenknecht en De Masi al jaren in uitblinken. Dat zij op gespannen voet staan met hun partij is jammer, aangezien veel Linke-politici nog wel wat van hen zouden kunnen leren als het gaat om het houden van een overtuigende verkiezingsspeech. Dit betekent echter niet, zoals sommige critici beweren, dat de partij kwesties als seksisme, racisme en andere vormen van onderdrukking moet negeren om als een arbeiderspartij te worden gezien. De historische arbeiderspartijen waren altijd organisaties die streden voor de rechten van vrouwen en minderheden, en zij speelden vaak een voortrekkersrol in deze strijd. Maar in tegenstelling tot de linkse partijen van vandaag, konden zij aannemelijk maken dat de enige weg naar universele emancipatie de strijd voor een socialistische orde was, en dat de weg naar het socialisme noodzakelijkerwijs liep via het opbouwen van een sterke arbeidersbeweging, geleid door een sterke socialistische partij. Zo'n beweging of partij bestaat vandaag niet - maar ze bestonden ook niet toen de socialistische beweging werd opgericht. Ze moeten worden gecreëerd. Het goede nieuws is dat er weinig landen zijn die betere voorwaarden bieden om dat te doen dan Duitsland, met zijn sterke vakbonden en een robuuste welvaartsstaat om te verdedigen en op voort te bouwen. Of Die Linke het potentieel heeft om zo'n massapartij te worden, is een open vraag. Maar als de enige noemenswaardige socialistische organisatie in Duitsland kunnen we alleen maar hopen dat het lukt.   (*) Loren Balhorn is lid van Die Linke en redacteur bij Jacobin, waar hij reeds heel wat over Duitse politiek publiceerde. Dit artikel verscheen bij Jacobin op 14 maart 2021 onder de titel Germany’s Left Has New Leadership but Not a Strategy. Nederlandse vertaling Ander Europa.    

Tijdelijk beschikbaar: documentaire over de coronapandemie in Griekenland

Sun, 03/14/2021 - 15:39
Bewaren als PDF

14 maart 2021 – Onze onvolprezen boodschapper in Griekenland, Bruno Tersago, meldt dat een interessante documentaire door George Avgeropoulos over de pandemie in Griekenland een paar keer gratis kan bekeken worden.  Bruno: “De documentaire is de komende dagen gratis online te bekijken via de website van iMEdD, de Incubator for Media Education and Development. U moet er wel snel bij zijn, want op 19 maart is de laatste gratis voorstelling.”

Dit zijn de dagen en uren (Belgische-Nederlandse tijd) waarop de documentaire online te bekijken is (Grieks gesproken, met Engelse ondertitels):

  • 14.03.2021: om 17:00, 20:00 en 23:00
  • 15.03.2021: om 19:00, 21:00 en 23:00
  • 16:03.2021: om 19:00, 21:00 en 23:00
  • 17.03.2021: om 19:00, 21:00 en 23:00
  • 18.03.2021: om 19:00, 21:00 en 23:00
  • 19.03.2021: om 19:00, 21:00 en 23:00

U vindt de documentaire terug via deze link: https://parontes.imedd.org/watch/

Dank u, Bruno!

Hits: 1

De gevaarlijke illusies van een EU-vaccinpaspoort

Fri, 03/12/2021 - 15:57

Luiza Bialasiewicz en Alberto Alemanno (*) 12 maart 2021   Sommige lidstaten van de Europese Unie en pressiegroepen oefenen steeds meer druk uit om de huidige reisbeperkingen in verband met het coronavirus te versoepelen; het idee om speciale privileges toe te kennen aan degenen die gevaccineerd zijn, krijgt steeds meer aanhang. De Europese Commissie is van plan een vaccinatiecertificaat voor de hele EU voor te stellen - de zogenaamde 'digitale groene kaart' – die Europeanen "geleidelijk in staat moet stellen zich veilig in de Europese Unie of daarbuiten te verplaatsen - voor werk of toerisme". De EU-lidstaten blijven verdeeld over de kwestie: landen met toeristische bestemmingen zoals Oostenrijk, Griekenland, Italië en Spanje zijn voorstander, maar België, Frankrijk en Nederland (waar het onderwerp een heet hangijzer is geworden in de aanloop naar de nationale verkiezingen) hebben aanzienlijke twijfels. In het licht van de huidige stand van de vaccinatiecampagne in het grootste deel van Europa is het voorstel van de Commissie in het beste geval voorbarig, in het slechtste geval zeer gevaarlijk en zeer discriminerend. Zoals hier betoogd, is de invoering van een digitale groene EU-pas gebaseerd op een inherent gebrek aan logica, niet alleen wetenschappelijk gezien, maar ook vanuit juridisch-territoriaal en ethisch oogpunt. Paradoxaal genoeg zou een 'vaccinatiepaspoort' Europa niet verenigen door de reisbeperkingen te versoepelen, maar alleen maar nieuwe grenzen creëren: dwars door het continent, dwars door gemeenschappen en zelfs dwars door gezinnen, verdeeld tussen 'veilige' en 'onveilige' lichamen.    Gebrekkige wetenschap achter vaccinpaspoorten   Laten we eerst de gebrekkige wetenschappelijke veronderstellingen achter het voorstel uit de doeken doen. Het certificaat berust op de veronderstelling dat degenen die gevaccineerd zijn, het virus niet langer bij zich dragen. Uit de huidige wetenschappelijke gegevens blijkt echter dat de goedgekeurde COVID-19-vaccins de ziekte weliswaar tegenhouden, maar de overdracht niet volledig stoppen, zoals blijkt uit de talrijke gevallen van gevaccineerde gezondheidswerkers in Italië (en elders) die positief op het virus testten. COVID-19-vaccins - zoals alle vaccins - voorkomen ziekte, geen infectie. De vaccins die voor gebruik in de EU zijn goedgekeurd, zijn effectief in het voorkomen van ziekte en dus van de symptomen van COVID-19. Vermindering van de ziektesymptomen vermindert de mogelijke overdracht door degenen die gevaccineerd zijn, maar dat maakt ze nog niet volledig ‘veilig’ voor niet-gevaccineerde derden. Dit is de reden waarom epidemiologen erop aandringen dat, totdat een voldoende groot percentage van de bevolking gevaccineerd is, alle andere beperkingen, zoals het dragen van maskers en sociale distantie, in acht moeten blijven worden genomen.   Vaccinwoestijnen   De zeer variabele uitrol van vaccinatieprogramma's in de EU is ook een probleem, waardoor sommige EU-ingezetenen veel meer kans hebben om gevaccineerd te worden dan andere. Er bestaan ook aanzienlijke verschillen binnen landen, met een moeilijkere toegang tot vaccins voor mensen buiten grote stedelijke gebieden, en verschillen in de capaciteit van verschillende regio's om de toediening van vaccins te organiseren. Hoewel de meeste EU-landen hun best hebben gedaan om ervoor te zorgen dat er geen ‘vaccinwoestijnen’ zoals in de VS ontstaan, zijn de territoriale verschillen in toegang, zelfs onder prioritaire groepen, nog steeds aanzienlijk. In achtergestelde gebieden die slecht worden bediend door de gezondheidszorg (in de stad of op het platteland) is de kans vaak groter dat er ook veel meer mensen aarzelen om een vaccin te nemen, zoals in het Verenigd Koninkrijk is geconstateerd.   Prioritaire categorieën: wie zijn de eerstelijnswerkers?   Dergelijke verschillen worden nog groter wanneer we nagaan hoe de verschillende lidstaten prioritaire groepen voor vaccinatie selecteren. Na de categorieën met het hoogste risico, zoals medisch personeel en bejaarden, is elke lidstaat vrij om de volgende categorieën te bepalen. De definitie van ‘essentiële’ of ‘eerstelijns’-werknemer is namelijk niet overal in de EU dezelfde. Zo worden bijvoorbeeld Italiaanse en Oostenrijkse onderwijzers en universiteitsdocenten al opgeroepen voor vaccinatie, terwijl die in Nederland nog een aantal maanden moeten wachten. De kwestie van de toegang tot vaccins is nog ingewikkelder voor de miljoenen Europeanen van wie de formele status niet overeenstemt met hun huidige verblijfplaats. Dit omvat zowel migranten binnen de EU als onvolledig gedocumenteerde of gedeeltelijk reguliere niet-EU-immigranten. Al deze personen hebben momenteel geen toegang tot vaccinatie, wat waarschijnlijk zal leiden tot het ontstaan van een zwarte markt voor vaccins. Bij gebrek aan een billijke toegang voor het publiek zal de particuliere vraag naar het vaccin waarschijnlijk toenemen. Getuige de vaccinatiepakketten voor de Verenigde Arabische Emiraten en Indië, terwijl Lufthansa onlangs heeft aangekondigd dat het overweegt ‘vaccinvluchten’ naar Moskou aan te bieden. Verenigingen in de reissector zoals IATA werken ook samen met de techgiganten Microsoft en Oracle om nieuwe digitale gezondheidspasjes te creëren, zoals The Economist opmerkt in zijn recente rapport over 'The Future of Travel', waarin wordt voorspeld dat "gezondheidsinformatie net zo essentieel zal worden voor internationale reizen als een paspoort vandaag de dag is".   Gezondheid: een publiek of een privé goed?   De mogelijkheid om ‘voor te sorteren’ door veel geld te betalen voor een vaccin doet een andere fundamentele juridische vraag rijzen: moeten vaccins niet worden beschouwd als een middel voor de volksgezondheid, en als zodanig worden gereguleerd? Het opzetten van een systeem dat particuliere toegang stimuleert (wat het geval zou zijn met een voor de hele EU geldend vaccincertificaat) is uiterst problematisch: zowel vanuit juridisch/ethisch oogpunt, als vanuit epidemiologisch oogpunt. Zoals Wolfgang Münchau opmerkte in zijn stuk over ‘vaccin-elitisme’ (waarin hij commentaar gaf op de onwil van sommige Duitse burgers om het Oxford/Astra-Zeneca-vaccin te krijgen), zijn vaccins een schoolvoorbeeld van een openbaar goed: "uw bescherming ontstaat niet doordat u een beter vaccin krijgt dan uw buren. Uw bescherming vloeit voort uit het feit dat al uw buren een vaccin krijgen, zodat zij u niet besmetten". Er zijn nog andere juridische en regelgevingskwesties. Volgens de eerste besprekingen zouden reizigers van buiten de EU die zijn ingeënt met Chinese of Russische vaccins, die niet zijn goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenbureau, niet in aanmerking komen voor de digitale groene kaart. Dit zou automatisch burgers van Turkije of Servië uitsluiten, waar deze vaccins het meest worden gebruikt, maar mogelijk ook mensen uit EU-landen zoals Hongarije, dat zowel de Chinese Sinopharm-vaccins als de Russische Sputnik V-vaccins heeft gekocht.   Een 'fetisj' op het gebied van veiligheid   De hamvraag is wat de beweegredenen achter de Groene Pas zijn. Als het de bedoeling is de veiligheid van individuele reizigers aan te tonen, dan nopen de huidige wetenschappelijke inzichten tot voorzichtigheid. Of is het een economische beweegreden die voorrang geeft aan reizen en toerisme ten koste van de veiligheid van andere Europeanen? Het lijkt meer op het wekken van de indruk van veiligheid dan een geloofwaardige beleidsoptie; een fetisj die EU-politici in staat stelt hun burgers een fysiek tastbare illusie van controle te bieden. In plaats van te investeren in een fetisj, zou de EU nog nauwer moeten samenwerken met de lidstaten om de productiecapaciteit van vaccins op te voeren en te zorgen voor een billijke verdeling (waarbij het aanleggen van nationale voorraden en ‘vaccinnationalisme’ wordt verboden), en tevens voor de hele EU categorieën van prioritaire groepen moeten vaststellen. De COVID-19-pandemie heeft in de hele Europese Unie zeer ongelijke gevolgen gehad. De EU en haar lidstaten moeten zich concentreren op het aanpakken van deze gevolgen, in plaats van bij te dragen tot de creatie van extra-ongelijkheid door middel van een uitsluitingsmechanisme, waar het vaccincertificaat op zou neerkomen. De digitale groene pas lijkt misschien een goede oplossing om het risico van een pandemie te beheersen, maar is gebaseerd op een profilering die minder te maken heeft met het werkelijke virusrisico dan met ongelijke toegang tot vaccinprivileges.   (*) Luiza Bialasiewicz is een politiek-geografe, professor aan het Departement Europese Studies van de Universiteit van Amsterdam; ze werkt vooral op het buitenland- en grensbeleid van de EU, en de visies over buitenlandbeleid van extreem-rechts. Alberto Alemanno is professor Europees recht aan het HEC in Parijs, en  heeft bijzondere aandacht voor lobbying door burgerbewegingen. Het hier weergegeven artikel verscheen oorspronkelijk als The dangerous illusions of an EU ‘vaccine passport’ op 9 maart op OpenDemocracy met een Creative Commons licentie; de Nederlandse vertaling is door Ander Europa.  

Minimumlonen: een kijk uit Oost-Europa

Wed, 03/10/2021 - 21:49

door Herman Michiel 10 maart 2021   In oktober 2020 pakte de nieuwe Europese Commissie uit met een voorstel tot richtlijn over ‘gepaste’ minimumlonen in de Unie. Daarover verscheen een interessante commentaar vanuit Tsjechië, commentaar die ook in grote mate model kan staan voor de Oost-Europese realiteit. De auteur, Katerina Smejkalova, is in Praag onderzoekster voor de Friedrich-Ebert-Stiftung, een instituut verbonden met de Duitse SPD. Geen broedplaats dus voor vlijmscherpe kritieken, maar juist daardoor krijgen de bedenkingen van Smejkalova extra gewicht. Kort samengevat luidt haar stelling: in Tsjechië verdient de helft van de bevolking niet genoeg om decent leven, en daar zal de Europese richtlijn zoals ze voorligt niets aan veranderen. Smejkalova gaat expliciet in tegen macro-economische argumentaties die de lage lonen en Oost-Europa relativeren. De lonen zijn er lager, zegt me dan, maar het prijsniveau is er ook lager. En het gestaag groeiende BBP zegt niet veel over het welzijn van de bevolking; het groot aandeel buitenlandse investeringen betekent ook een grote outflow van winsten. De inkomensongelijkheid is in deze landen vaak ook kleiner dan in West-Europa, wat dan tot de foute indruk leidt dat er minder ‘armen’ zijn, in die mate zelfs dat Tsjechië vaak wordt voorgesteld als 11 van de landen met de minste armen in Europa. Een land met weinig armen, maar waarvan de helft geen decent inkomen heeft, is natuurlijk zeer merkwaardig. Een groep onderzoekers heeft daarom de krachten gebundeld in het Platform voor een fair minimumloon en ging na hoeveel men in Tsjechië moet verdienen om gewoon rond te komen, daarbij verwijzend naar het Britse concept van een living wage. Terwijl het gangbare minimumloon het resultaat is van onderhandelingen tussen vakbonden en patroons, en eventueel door de staat wordt beïnvloed of bekrachtigd, wordt het fair minimumloon jaarlijks berekend aan de hand van de prijs van een korf van basisbehoeften. De experten van het Platform voor een fair minimumloon kwamen voor 2020 aldus aan een bedrag van 1238 € (Tsjechische kroon omgerekend naar euro), en voor de dure hoofdstad Praag kwam het op 1450 €. Het wettelijk minimumloon daarentegen bedraagt 573 €. Zelfs het gemiddelde loon in Tsjechië, 1190 €, ligt dus nog onder het fair minimumloon. Hieruit blijkt ook dat een norm die vaak gehanteerd wordt, namelijk dat het minimumloon 50 of 60% van het gemiddelde (mediane) loon moet bedragen, fel beneden het niveau kan liggen vereist voor een decent leven. Maar een procentuele norm biedt dan toch het voordeel van de duidelijkheid, iets wat ontbreekt in de voorstellen van de Europese Commissie, zoals terecht opgemerkt door Smejkalova. Het wordt aan de lidstaten overgelaten om gepaste maatregelen te nemen teneinde tot adequate minimumlonen te komen… “Één ding is kristalhelder”, aldus Smejkalova, “de richtlijn zal niet de grote sprong voorwaarts zijn die de Commissie aankondigde in verband met een eerlijke verloning in de EU.” Er wordt met andere woorden weer een groot shownummer voorbereid dat het superieure ‘Europees sociaal model’ moet bewijzen, terwijl in de feiten weinig of niets verandert. Een bijzonder hypocriet aspect van de Commissievoorstellen is dat nu plots de deugden van vakbonden en collectieve loononderhandelingen worden opgehemeld, en dit door een instelling die al het mogelijke deed en doet om vakbonden te boycotten. “Member States with high collective bargaining coverage tend to have a low share of low-wage workers, low wage inequality and high minimum wages”, stelt de Commissie plots vast. Een late bekering ? Niets van. De Commissie weet dat vakbonden moeten optornen tegen een patronale loondictatuur, in veel gevallen nog versterkt door regeringsmaatregelen die van ‘vrije loononderhandelingen’ een lachertje maken (zoals in België, waar de reële lonen de volgende twee jaar met 0,4% mogen stijgen). Katerina Smejkalova koppelt ook enkele meer algemene beschouwingen aan deze analyse van de Commissievoorstellen, beschouwingen die bijzonder relevant lijken nu een hoop Oost-Europese lidstaten zich niet willen ‘plooien’ naar het Europees ‘model’:

“Indien de voorstellen in hun huidige vorm worden aanvaard, zal waarschijnlijk het volgende gebeuren. De lageloonlanden zullen, nu als voorheen, de lage lonen als passend voorstellen, omdat er, zoals totnogtoe, nauwelijks een andere keuze mogelijk is in het kader van de wetten van de vrije markt. Dat zal in deze regio alleen maar de ontgoocheling in de EU vergroten, des te meer als deze regels onterecht verkocht worden als het einde van ‘aan de slag maar toch arm’ [working poor] in Europa. Dat perspectief is er helemaal nog niet in Centraal-en Oost-Europa.”

In een andere publicatie gaat Smejkalova, samen met Eszter Kováts, nog dieper in op deze blijvende Oost-Westkloof in de Europese Unie. De ‘ever closer Union’ zal echt niet voor morgen zijn…    

De EU zal de loonkloof dichten, en andere fabels

Mon, 03/08/2021 - 13:29

8 maart 2021 - Vrouwendag. Al kent vrouwendiscriminatie vele vormen, die op het gebied van het loon blijft maar overeind. Maar de "gender pay gap" wordt  kleiner, zeggen personeelsdirecteurs en andere patronale woordvoerders. Het Europees Vakverbond berekende echter dat het aan het huidig tempo tot 2104 zal duren eer de kloof gevuld is, gemiddeld gesproken welteverstaan.  Onderstaande grafiek geeft de loonkloof (2019) voor de lidstaten van de Europese Unie. Een geluk voor Duitsland en Oostenrijk dat Estland en Letland het nóg slechter doen, anders stonden ze met een kloof van bijna 20% op kop.     Maar bij haar aantreden als eerste vrouwelijke voorzitter van de Europese Commissie zei Ursula von der Leyen dat ze er iets zou aan doe, en wel binnen de eerste honderd dagen van haar mandaat. De honderd dagen werden er  460, maar goed, op 4 maart jl. stelde de Commissie een voorstel tot richtlijn voor, haar pay transparency proposal. Nee, de Commissie stelt niet voor dat loondiscriminatie op basis van geslacht verboden wordt, maar de discriminatie moet transparant worden. Vrouwelijke werknemers moeten kunnen weten hoeveel ze gediscrimineerd worden, maar ook dat maar onder bepaalde voorwaarden. Zo wijst het Europees Vakverbond erop dat loonaudits en actieplannen er alleen zouden komen in bedrijven met meer dan 250 werknemers. De werkgevers zouden ook zelf kunnen bepalen welke jobs in aanmerking genomen worden bij de audits. En traditiegetrouw spreekt de Commissie niet van vakbonden maar van 'werknemersvertegenwoordigers'; dat kan ook nog vele richtingen uitgaan. De richtlijn gaat er blijkbaar van uit dat werkgevers zich zullen schamen als hun loondiscriminatie duidelijk aan het licht komt, en dat ze dan hun gedrag zullen bijsturen. De ervaring leert echter dat werkgevers zich niet vlug schamen. Of zouden vrouwen spoorslags naar de baas moeten stappen als ze minder betaald blijken dan de mannelijke collega's? Is dat niet een beetje te veel een gok: opslag of ... ontslag? Eigenlijk zou Frau von der Leyen beter moeten weten. In haar eigen land is namelijk precies zo 'n "transparantiewet" al enkele jaren in voege. Overtuigend is het resultaat geenszins, vooral in een land waar de kloof fenomenaal groot is. En de Europese 'transparantiewet' moet ook nog spitsroedenlopen langs de regeringen van de lidstaten, die door hun werkgeverslobbys goed ingepeperd zijn geen te zotte dingen goed te keuren. Vrouwen zouden best niet te veel rekenen op Europese wetgeving als ze deze eeuw nog voor hetzelfde geld als de mannen willen uitgebuit worden door een baas. (hm)    

Pages