Na de Tweede Wereldoorlog leek het geluk de sociaal-democratische en communistische bewegingen toe te lachen. Rechts was verzwakt door haar – aanvankelijke - samenwerking met het fascisme. De communistische beweging daarentegen kon verder bouwen op het prestige dat ze had opgebouwd in het verzet en op het feit dat de Sovjet Unie de enige continentale macht was die Nazi-Duitsland had verslagen. De sociaal-democratische vakbeweging op haar beurt haalde haar macht en invloed uit de sociaal-democratische partijen die in grote delen van Europa aan de macht kwamen.
Minstens twee elementen zorgden er echter voor dat deze overwinningsroes niet gekapitaliseerd werd. Ten eerste heerste er een enorme angst voor economische rampspoed. Iedereen was diep overtuigd van de terugkeer van de vooroorlogse crisis. Bijgevolg werd er een deal gesloten tussen de kampen van arbeiders en kapitaal: sociale rust en dialoog in ruil voor het behoud van de vakbonds- en arbeidsrechten die in de jaren ’20 en ’30 waren binnengesleept. Ten tweede waren de rangen in de oorlog sterk uitgedund. Gebrekkig politiek leiderschap en een sterke depolitisering waren het gevolg. In deze context begint de Koude Oorlog.
Koude Oorlog
In het vorige deel hebben we kunnen lezen dat in 1949 al een einde kwam aan de naoorlogse verzoening tussen de sociaal-democratische en communistische vakbonden door een scheuring in de eenheidscentrale WFTU. De weggebroken bonden vormden de ICFTU terwijl de overgebleven bonden verder gingen onder de oorspronkelijke naam, de WFTU. Deze laatste wordt in de loop der jaren een onderdeel van het stalinistische staatsapparaat en verliest haar eerdere prestige en representativiteit - al wordt ze wel een sterke bondgenoot van vakbonden in het Zuiden actief in de bevrijdingsoorlogen.
De ICFTU daarentegen claimt al tijdens de Koude Oorlog de overwinning op basis van haar ledenaantal en loyaliteit in de strijd tegen het communisme. Met name het zeer invloedrijke Amerikaans lid, de AFL-CIO, kan bogen op een indrukwekkende geschiedenis om de ‘vrije vakbeweging’ te steunen. Maar liefst vier organisaties richt de AFL-CIO tussen ’62 en ’77 op met dit doel: een in Latijns Amerika om de tegenstanders van onder andere Allende en de contra’s in Nicaragua te steunen met miljoenen dollars; een tweede in Afrika waar het vakbondsleiders ‘onderwijst’ in het nut van handel met Amerika en de gevaren van het communisme; de derde in Azië - Vietnam, Korea... - en de laatste in Europa om de communistische bewegingen te breken door intriges, omkoperij en zwartmakerij.
De Europese leden van de ICFTU deelden het felle anticommunisme van de Amerikanen en weigerden elke samenwerking met de WFTU en wenden hun invloed aan om de WFTU - en de christelijke WCL - te weren uit internationale instanties. Ook bouwden ze mee aan top-down vakbonden in Afrika om het groeiende communisme te counteren, maar verzwakten met hun politiek van ‘no politcs in the trade union’ tegelijkertijd de onafhankelijkheidsstrijd. En in Europa stelden ze alles in het werk om de communistische (meerderheids)centrales in Frankrijk, Portugal en Italië te ondermijnen.
Maar in de loop der jaren ontwikkelde onder druk van kleine, maar sterke communistische groepen een pragmatisme dat ruimte liet voor toenadering tussen uit Oost- en West-Europese bonden. In 1969 leidde deze politiek van ‘vreedzame coëxistentie’ tot de uittreding van de AFL-CIO. In 1982 pas sluit de AFL-CIO zich weer aan.
ETUC en Europa
De ICFTU had een aantal regionale organisaties, waaronder de European Regional Organisation, opgericht in 1950. De ERO was echter geen succes, onder andere omdat niet alle bonden gecharmeerd waren van de zeer vergaande invloed van de Amerikanen op de ideologie en praktijk van de ERO. Met de terugtreding van de AFL-CIO kon het ontwikkelde ‘pragmatische anti-communisme’ verder worden uitgebouwd. En de oproep van met name de Britse TUC voor een nieuwe eenheidscentrale in Europa vond meer en meer gehoor.
Tegelijkertijd speelde er een ander debat. Welke rol moesten de Europese vakbonden innemen in het Europese project dat met de oprichting van de EGKS in 1952 en de EEG in 1957 vorm begon te krijgen? De meeste bonden van de betrokken landen steunden de EEG - het kwam immers uit sociaal-democratische koker. Voor hen was de centrale vraag hoe ze een voet tussen de deur moesten krijgen. In ’58 wordt daartoe het European Trade Union Secretariat opgericht dat in ’69 wordt opgevolgd door het European Confederation of Free Trade Unions (in the Community). Belangrijk om op te merken is dat deze organisaties zich enkel richtten tot bonden uit de EEG. Hiermee eindigt ook het internationale vakbondsproject van de ICFTU waarin het gezamenlijk zoeken naar een antwoord op het sterker wordende kapitalisme centraal stond.
Weer andere bonden, met name de communistische, stonden kritisch tegenover ‘het Europa van de bedrijven’ en maanden tot voorzichtigheid. Tot slot waren er nog de vakbonden actief in landen niet betrokken bij de EEG – zij zagen met lede ogen aan hoe het gemankeerde vakbondsinternationalisme van de ICFTU in Europa de vorm kreeg van een apart regionaal project gebaseerd op interstatelijke samenwerking. In ‘60 reageerden zij met de oprichting van het Trade Union Committee for the European Free Trade Area welke de ICFTU-leden uit de Europese Vrijhandelsassociatie samenbracht. In ‘69, hetzelfde jaar dat de AFL-CIO uit de ICFTU stapt en de Europese kernleden nog een stap verder zetten in hun regionale project, wordt de ERO ontbonden – de organisatie had geen raison d’être meer. Dat in ’73 beide regionale organisaties vervolgens fuseerden tot de huidige European Trade Union Confederation (ETUC) heeft het ideologische project – het zij-aan-zij mee uitbouwen van de EU – niet veranderd.
Dat de ETUC nooit lid is geworden van de ICFTU is ook een uiting van dit regionalisme, al speelde de wens om de Europese vakbonden te verenigen ook een – kleine - rol. Al gold dit in de praktijk vooral voor de christelijke vakbonden waarvan in ’74 een twaalftal zich aansloten. De aanvraag voor lidmaatschap van de Spaanse CCOO werd ruim tien jaar onbeantwoord gelaten en ook de Portugese en Franse communistische bonden werd jarenlang lidmaatschap geweigerd. De enige die wel lid mocht worden was de Italiaanse CGIL - nadat ze haar lidmaatschap van de WFTU had verminderd tot ‘associate member’. Het grote verschil met haar Zuid-Europese collega’s was dat de CGIL gesteund werd in haar aanvraag door de andere Italiaanse bonden.
Dat de ETUC sterk verbonden is met het Europese project blijkt ook uit haar financiën. Maar liefst zeventig procent van haar budget zou betaald worden door de Europese Commissie. Tegelijkertijd laat het de desinteresse zien van de lidbonden van de ETUC in het Europese project en de blijvende focus op de natiestaat. De ETUC moet dan ook eerder als een apparaat, een verzameling technocraten, gezien worden en niet als een federale of zelfs confederale organisatie.
Grote Leegte
De economische recessie waar links en rechts in de jaren direct na de wereldoorlog zo bang voor waren, is nooit gekomen. “Inderdaad, dankzij de samenwerking tussen arbeid en kapitaal” zullen allerlei mensen nu opmerken. Of dat zo is, is de vraag. Feit is in ieder geval dat in de loop van de jaren ’50 tot de prille jaren ’70 de economie boomde, de lonen omhoog schoten en de sociaal-democratische partijen een ‘arbeidersvriendelijk’ beleid voerden. En de vakbonden? Die vonden het geweldig, steunden het economische wonder en staken veel energie in het bestrijden van de communistische vijand, vooral in de oud-koloniale wereld.
Het arbeidersradicalisme dat in die jaren van voorspoed overal haar kop op stak heeft aan de ideologische koers niet lang veel kunnen veranderen. Hier en daar werden ronkende resoluties over zelfbeheer aangenomen, maar in de praktijk ontwikkelde zich geen economisch programma, en bleven de bonden trouw aan de sociaal-democratie.
De opkomst in de jaren ’80 en absolute overwinning in de jaren ’90 van neoliberale partijen enerzijds en het wegvallen de éénmakende communistische vijand tegelijkertijd maakte dat de ICFTU zich opeens in een vijandige wereld bevond waar ze niet langer een bondgenoot was in de strijd tegen het kwaad, maar slechts een hinderlijk archaïsch instituut.
Parallel vonden er nog een aantal andere veranderingen plaats die de positie van de ICFTU en haar lidbonden ondermijnden. Ten eerste moest de ICFTU constateren dat door de globalisering en de opening van markten meer en meer arbeiders niet georganiseerd waren. Ze was dan wel als enige vakbondscentrale uit de strijd gekomen - al moesten ze tot afgelopen november wachten tot de WCL zich gewonnen gaf - maar haar representativiteit was sterk gezakt. Een tweede probleem was dat de vakbeweging haar vanzelfsprekende positie binnen de sociaal-democratische familie kwijt was. Op nationaal niveau waren de vakbonden steeds meer een van de vele pressiegroepen geworden. En op internationaal niveau moest de ICFTU haar geprivilegieerde positie meer en meer delen met NGO’s werkzaam rond dezelfde thema’s. Jarenlang had de ICFTU haar werk geconcentreerd rond veilige onderwerpen als mensenrechten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het recht op organisatie – consensusonderwerpen waar geen ideologische discussies voor nodig zijn. Ten derde werd in de loop der tijd steeds duidelijker dat de economische globalisering op gespannen voet stond met de organisatieopvatting van de ICFTU; georganiseerd rond nationale vakbonden die denken vanuit ‘hun’ nationale belang, lukte het de ICFTU niet om internationale antwoorden te geven op de praktijk van de internationale concurrentie. En tot slot heeft de opkomst van de andersglobaliseringsbeweging de internationale vakbeweging ideologisch klem gezet. Het jarenlange gezwoeg in achterkamertjes om een sociale clausule – “die de concurrentiepositie niet aantast”, stel je voor! – in de WTO te krijgen, verbleekte tegen de massamobilisaties ‘voor een andere wereld’. Toen in ’96 de sociale minimumnormen werden weggestemd, ditmaal door ontwikkelingslanden wegens protectionisme, heeft de ICFTU ook die handdoek in de ring gegooid.
Kortom, de oprichting van de ITUC afgelopen november vond plaats onder de slechts denkbare omstandigheden; een ideologisch vacuüm en geen overwinning te claimen voor zolang als het geheugen strekt. Een dergelijk deprimerend verhaal kan alleen maar worden afgesloten met het obligate “en vanaf nu kan het alleen nog meer beter worden.” Laten we dat hopen.
Add new comment