De Klein Metaal is niet één sector, maar bestaat uit 8 sectoren. De voornaamste sectoren zijn Metaalbewerking, natte en droge installatie (respectievelijk loodgieterij en c.v.) en motorvoertuigen en carrosserie. Het is echter niet het werk dat bepaalt of een bedrijf tot de Klein Metaal behoort, maar de grootte van het bedrijf. Bedrijven met minder dan 1200 arbeidsuren per maand horen tot de Klein Metaal en indien er meer wordt gewerkt heet het Groot Metaal. Voor bedrijven die groter groeien is er echter een dispensatieregeling.
Die structuur van de Klein Metaal komt terug in de CAO. Er is één CAO (A-gedeelte) waarin de belangrijkste arbeidsvoorwaarden (loon, vrije dagen, overwerk) zijn geregeld en voor elke sector apart binnen de Klein Metaal is er een B-gedeelte.
In de Klein Metaal werken 380.000 mensen, verdeeld over 38.000 bedrijven. FNV Bondgenoten heeft ongeveer 55.000 leden, verdeelt over 18 regio's. De ondernemers zijn 'verenigd' in 13 werkgeversorganisaties die alleen leden hebben in de Klein Metaal. Die organisaties vaardigen samen één onderhandelaar af. Omdat het voor deze man ook geen doen is om alle partijen in zijn achterban op één lijn te krijgen, telt hij de verslechteringsvoorstellen uit alle sectoren bij elkaar op en noemt dat het CAO-bod.
Vaststellen van de eisen
Door de bedrijfsgroepraad (hoogste kaderleden) is besloten om de CAO-onderhandelingen anders aan te pakken dan anders. De Klein Metaal is een sector met een organisatiegraad en een gemiddelde bedrijfsgrootte die zo laag is, dat met de vuist op de tafel slaan geen effectieve onderhandelingsmethode is. Bovendien voelen de bestuurders in de Klein Metaal daar ook niet voor.
De eerste verandering was dat de bestuurders niet kwamen met een conceptbrief met onderhandelingsvoorstellen. Er werd een enquête gemaakt door de landelijk onderhandelaarster en vier vertegenwoordigers uit de bedrijfsgroepraad. Kaderleden werd vervolgens gevraagd met die enquête in de hand minstens 10 collega's, leden en niet-leden, te interviewen.
Daarnaast werd er in de regio's een meer fundamentele discussie georganiseerd over de toekomst van de CAO. De vraag werd toegespitst op de vraag of er meer gedifferentieerd zou moeten worden, een wens van sommige ondernemers en werknemers. Dit zou kunnen in de vorm van het maken van specifieke afspraken per sector ( uitbreiden van het B-gedeelte), het a la carte systeem waarbij werknemers rechten uit de CAO tegen elkaar uit kunnen ruilen en meer keuze per aanspraak hebben. De eerste twee opties kregen weinig steun. Voor de werknemers in de kleine bedrijven bleek een gedetailleerde bescherming nog steeds essentieel.
Met de resultaten van de enquêtes werd in iedere regio een lijstje met eisen (maximaal acht) samengesteld. Met dit verlanglijstje in de hand werden vanuit elke regio twee mensen afgevaardigd naar een bijeenkomst waar de definitieve lijst werd samengesteld. Zesendertig mensen die een hele dag met elkaar onderhandelden, met last maar zonder ruggespraak. Achteraf was er te weinig tijd, maar de leden hadden wel het idee dat ze inbreng hadden. De definitieve lijst bestond ook weer uit acht eisen en werd in december naar de werkgevers gestuurd.
Op basis van die voorstellen en het lijstje van de werkgevers is drie keer onderhandeld. Dit was van te voren in de bedrijfsgroepraad afgesproken. Vaker onderhandelen zou de interesse van de leden doen verdwijnen. Echter, omdat van de kant van de werkgevers het oude patroon werd gehanteerd, eerst eindeloos zeuren over hun eigen verslechteringsvoorstellen, was er na drie keer geen CAO.
Actieopbouw
De opbouw van de actie moet de ondernemers hebben verrast. In plaats van een landelijke staking die met een paar duizend mensen misschien twee dagen zou kunnen worden volgehouden, werd gekozen voor een andere tactiek. Leden konden aangeven of ze bereid waren actie te ondernemen. Wat voor actie maakte niet uit: petitie aanbieden, werkonderbreking, staking, alles was mogelijk. Als die actiebereidheid was gevonden kreeg het bedrijf van de bond een protocol aangeboden. Aan de bazen werd vervolgens gevraagd dit te ondertekenen. Weigerden ze dit dan zou de actie plaatsvinden. Bedrijven waar geen bereidheid was tot actie kregen geen protocol aangeboden. Achteraf was deze strategie niet houdbaar. Werkgevers wilden de garantie dat als zij het protocol tekenden en er een slechtere CAO uit zou komen, die dan ook voor hun bedrijf zou gelden.
Maar de acties konden vrij lang volgehouden worden. Vooral de installatiesector begon hier last van te krijgen. De activiteit van de leden in die sector werd beloond; hun eisen kwamen hoger op de prioriteitenlijst. Uiteindelijk was het gevolg dat de installatiebedrijven druk gingen uitoefenen op de onderhandelaar van de werkgevers. Dit resulteerde in een CAO waar veel mensen tevreden over zijn. Dit heeft zich ook vertaald in een ledengroei bij de vakbond van vier procent in de maanden februari en maart. In sommige regio's verdubbelde het aantal kaderleden.
Beoordeling
In de beoordeling van de acties komt naar voren dat het nodig is om vakbondsleden in de OR meer vakbondswerk te laten doen. Vaak zijn de OR-leden de enige kaderleden die je hebt in een bedrijf. In het algemeen is de nieuwe werkwijze de actieve leden goed bevallen. Waarschijnlijk betekent dit ook dat de leden een teruggang naar het oude systeem niet zullen accepteren. Maar of de nieuwe strategie navolging gaat krijgen is de vraag. Het experiment heeft erg weinig aandacht gekregen in de reguliere vakbondspers.
Nawoord:
Beste mensen,
Voor vragen over de CAO in het klein metaal verwijzen wij jullie graag naar http://www.fnvbondgenoten.nl/
Add new comment