Ondanks alles: Europese vakbonden blijven neoliberale EU steunen

Waar die steun van het EVV voor de EU vandaan komt, is niet helemaal duidelijk, te meer als je bedenkt dat de nationale bonden voortdurend in het geweer moeten komen tegen het Europees beleid. Begin februari zagen we in het noorden van Engeland een goed voorbeeld van de onrust die er leeft bij vakbonden over de praktijk van de Europese Unie. Toen begon de Italiaanse onderaannemer IREM aan een binnengehaalde klus bij de Lindsey olieraffinaderij, eigendom van het Franse Total, met ‘eigen’, meegenomen personeel. De opzijgeschoven Britse arbeiders, aangespoord door de aanstormende economische crisis, geloofden het verhaal van IREM, Total en minister van Economische Zaken Mandelson niet dat er geen sprake was van oneerlijke concurrentie. Ze legden het werk stil. Binnen een paar dagen werden meer dan 20 solidariteitsstakingen georganiseerd. De vakbonden Unite en GMB hielden vol dat als er al geen sprake was van lagere lonen, IREM toch minstens de werktijden uit de CAO niet respecteerde.
Na een week van onrust en felle debatten, tot in het Lagerhuis toe, bereikten IREM en de vakbonden begin februari een akkoord: 102 van de 198 banen gaan naar Britse arbeiders. En om de geruchten over sociale dumping de kop in te drukken verzocht de regering Acas, een bemiddelingsorganisatie bij arbeidsconflicten, om uit te zoeken of Europese dan wel Engelse wetgeving is gebroken.
Gouvernement des juges
Uit het onderzoek dat Acas op 16 februari publiceerde, blijkt dat IREM de in het geding zijnde Europese richtlijnen niet heeft geschonden. Bovendien werd door IREM de nationale Bouw-CAO gerespecteerd. Brendan Barber, voorzitter van de Engelse vakfederatie TUC, ziet het anders: ‘Het is nauwelijks verassend dat uit het Acas-onderzoek blijkt dat er geen wetten zijn gebroken aangezien de belangrijkste klacht van de vakbonden was dat de wet de arbeiders uit Engeland - waar ook geboren - onvoldoende beschermt. De Europese detacheringsrichtlijn is in het Verenigd Koninkrijk op zo’n manier omgezet dat Engelse sociale akkoorden niet hoeven te worden gerespecteerd.’
Barber refereert aan het feit dat de uit 1996 daterende detacheringsrichtlijn bepaalt dat minimumlonen en andere arbeidsvoorwaarden ook gelden voor gedetacheerde werknemers uit andere EU-lidstaten op voorwaarde dat zij zijn opgenomen in de nationale wetgeving of in algemeen verbindend verklaarde CAO’s. In Engeland is er geen praktijk waarbij alle CAO’s algemeen bindend worden verklaard. IREM had daarom geen verplichting de bouw-cao te volgen voor de uit Italië gedetacheerde werknemers. Maar volgens het onderzoek van ACAS heeft IREM de bouw-cao wel gerespecteerd, en dus lonen uitbetaald die drie keer hoger liggen dan de verplichte minima. Volgens IREM had de affaire daarom niets te maken met sociale dumping, maar werkte het met ‘eigen’ personeel omwille van hun vaardigheden. Volgens weer anderen heeft het te maken met het grote aantal werkonderbrekingen in Groot-Brittannië en de macht van de vakbonden op de werkvloer. Mocht dat laatste het geval zijn, dan blijft het werken met buitenlands personeel een gevaar voor de vakbeweging, of ze nu de lokale CAO volgen of niet.
Al met al is het nog steeds niet helemaal duidelijk wat er in Lindsey precies is gebeurd. Vast staat wel dat de werknemers in Europa als de dood zijn voor sociale dumping, en dat die vrees in de economische crisis alleen maar zal toenemen. In die zin kondigt het conflict rond Lindsey aan wat ons de komende jaren te wachten staat.
De TUC-voorzitter had zeker een punt wanneer hij stelde dat de detacheringsrichtlijn de werknemers onvoldoende beschermt. Dit weten we sinds de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak Viking (zie kader). Toen werd het precedent gevestigd dat het recht op staken om bestaande sociale rechten af te dwingen ondergeschikt is aan het ‘vrij verkeer van diensten’ dat één van de hoekstenen vormt van de gemeenschappelijke markt.
Sindsdien heeft het Europees Hof van Justitie zich nog drie maal uitgesproken over vergelijkbare zaken met telkens dezelfde ‘strikte’ interpretatie van de richtlijn. Het zijn opmerkelijke uitspraken. Voor de gelovigen in het Europees Sociaal Model is het opmerkelijk omdat het een ondubbelzinnige boodschap is dat het vrije-marktprincipe in de Europese Unie voorrang heeft. Alhoewel de Europese Unie in principe niet bevoegd is over zaken als lonen, sociale zekerheid, stakingsrecht en vrijheid van vereniging heeft het Hof beslist dat het over álles bevoegd is wanneer een afweging moet gemaakt worden met de beginselen van de vrije markt. Dat de Europese Commissie deze interpretatie en praktijk van gouvernement des juges niet betwist, kan worden afgeleid uit het feit dat zij een klacht tegen lidstaat Luxemburg heeft ingediend, zich beroepend op dezelfde beginselen (zie kader).
Het Europees Vakverbond was na de eerste uitspraak nog verheugd: het Hof erkende het stakingsrecht, ook al werd het onmiddellijk ondergeschikt aan het vrij verkeer. Toen een week later in de Zweedse zaak Laval het Hof oordeelde dat ‘een blokkade van de bouwwerven een restrictie [behelst] van de vrijheid om diensten aan te bieden’ en dus strijdig was met de Europese regels, sloeg de initiële vreugde om. Sindsdien roept het EVV op tot het opnemen van een ‘clausule sociale vooruitgang’ in de Europese verdragen om de sociale rechten enkele trapjes hoger te zetten in de Europese hiërarchie van normen, en tot het aanpassen van de detacheringsrichtlijn.
Maar het EVV boekt geen zichtbare vooruitgang met haar pleidooi. Incidenten zoals begin februari in Groot-Britannië geven weer dat de ongerustheid over de Europese praktijk in relatie tot de bescherming van sociale rechten groot is.
Europese samenwerking
Onderzoekers van de Friedrich Ebert Stiftung, de denktank van de Duitse sociaal-democratie, concluderen in hun paper ‘Overstretching Solidarity?’ dat er een discrepantie bestaat tussen de waardering van nationale vakbondsleiders voor de Europese eenmaking in principe en hun houding tegenover de hier concreet uit voortvloeiende maatregelen.
Een bekend voorbeeld is het ‘moderniseren’ van de arbeidsmarkt dat nodig is om de meeste competitieve regio ter wereld te worden (proces van Lissabon). In theorie steunen de vakbonden het proces van Lissabon, maar wanneer dit proces in de praktijk neerkomt op het flexibiliseren van arbeidsrelaties zoals het versoepelen van het ontslagrecht komt bijvoorbeeld de FNV in verzet. Toch steunt ook de FNV de Lissabon-agenda. Ander voorbeeld: overal spreken vakbonden zich uit tegen de toename van het aantal kortdurende contracten in de EU, terwijl dit voor de Europese Commissie een integraal onderdeel is van het proces van Lissabon. De vraag is in welke mate de vakbonden zich succesvol tegen concrete neoliberale maatregelen kunnen verzetten zolang zij de navelstreng die hen verbindt met het neoliberaal project van de Europese constructie niet doorknippen. Dat wordt in de lange recessie of depressie waar we voor staan een sleutelkwestie. De incidenten in Lindsey vormen maar een voorproefje.




Viking Line
De eerste zaak staat bekend onder de naam Viking, naar de Finse ferrymaatschappij Viking Line die pendelt tussen Finland en Estland. In de loop van 2003 kondigt Viking aan dat ze onder Estse vlag wil gaan varen om zo Estse lonen aan haar personeel te kunnen uitbetalen. De Finse vakbond van het Vikingpersoneel geeft een stakingsaanzegging en op 2 december 2003 accepteert Viking de eisen van de bond. Als op 1 mei 2004 Estland toetreed tot de Europese Unie stapt Viking naar de rechtbank. De rechter geeft Viking gelijk maar vraagt tegelijkertijd aan het Europees Hof om een uitspraak te doen over hoe de rechten van werknemers zich verhouden tot de rechten op concurrentie en vrij verkeer. Op 11 december 2007 oordeelt het Europees Hof van Justitie dat dergelijke collectieve actie het voor een bedrijf ‘zelfs zinloos’ maakt om ‘haar recht van vrije vestiging uit te oefenen’ en dat dit niet aanvaardbaar is indien er ‘geen zwaarwegende argumenten van algemeen belang’ zijn.

EC versus Luxemburg
Na het Finse Viking, het Zweedse Laval en het Duitse Rüffert waar de deelstaat Nedersaksen werd teruggefloten voor het verplicht stellen van het nakomen van CAO’s bij openbare aanbestedingen, is de zaak ‘EC vs Luxemburg’ de vierde zaak waarin de Detacheringsrichtlijn de hoofdrol speelt: de Europese Commissie daagt in juli 2006 EU-lidstaat Luxemburg voor het gerecht omdat zij bepalingen uit haar arbeidsrecht, zoals de koppeling van de lonen aan de inflatie en de plicht tot het respecteren van CAO’s, had gekenmerkt als ‘bepalingen van openbare orde’ waardoor ze onder de Detacheringsrichtlijn zouden vallen. Het Europees Hof oordeelt op 19 juni 2008 dat een lidstaat van de Europese Unie niet het recht heeft om haar eigen arbeidswetgeving op te leggen aan alle werknemers op haar grondgebied, want de fundamentele vrijheid van dienstverrichting moet ‘strikt worden opgevat’.

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and email addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop