5 December 2020

Strijd om de vakbeweging

Op 1 Mei presenteerden de kwartiermakers hun voorstellen voor de De Nieuwe Vakbeweging (DNV). Deze plannen hebben nog lang geen einde gemaakt aan de strijd binnen de vakbeweging over wat de koers moet zijn. Willen we een bond die opkomt voor zijn leden of die een partner is in een verlamd poldermodel? Een die mensen mobiliseert om op te komen voor hun belangen of slechts calculerende individuen ziet? Grenzeloos sprak met twee vakbondsactivisten die vanaf het begin betrokken zijn bij de discussie over de koers van de vakbeweging.

Het lijkt er op dat de onenigheid in de vakbeweging alleen maar gegroeid is. Wat zijn nu eigenlijk de tegenstellingen?

 

Patrick van Klink: Om de ontwikkelingen in de vakbeweging te begrijpen moet je de context in gedachten houden. De vakbeweging heeft de laatste jaren een aantal nederlagen geleden, het neoliberalisme is doorgezet, een derde van de arbeidsbevolking heeft een flexcontract of is zzp-er. Hoe reageer je op die ontwikkelingen? Daarin zijn grofweg twee benaderingen. Een groep zegt; ‘zzp-ers zijn de toekomst, dat zijn de mensen die we moeten organiseren.’ In deze benadering zijn zzp-ers allemaal zelfstandige individuen en moet de vakbeweging in de eerste plaats individuele hulp bieden. De andere benadering is dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt een achteruitgang is, het gevolg van ons falen om de markt te beteugelen. Daardoor zijn veel mensen terechtgekomen in pulpbanen. De huidige vakbeweging is daar niet op ingericht en moet zich dus reorganiseren, die mensen bijstaan en de strijd met het neoliberalisme aangaan.

De eerste benadering accepteert de grote laag zzp-ers en flexwerkers als een gegeven. Lot van Baaren: Zzp-ers worden vaak gezien als het logische gevolg van een veranderende samenleving, zonder dat er gekeken wordt naar waar die verandering vandaan komt en wie daar wel of geen baat bij heeft. Hetzelfde geldt voor flexwerkers: er zijn veel meer flexwerkers, maar waarom dan?
P: Sterker nog, er bestaat het idee dat zo’n baan voor iedereen de toekomst is.

Wat opvalt in het rapport van de kwartiermakers is het mensbeeld dat er in naar voren komt. Een beeld van werknemers als individuele ondernemers die proberen om hun kansen om op de markt succesvol te zijn te maximaliseren - en daarin bijgestaan moeten worden door de vakbeweging. Dat gaat lijnrecht in tegen de benadering waarin voor gedeelde belangen opgekomen moet worden. P: Zo’n idee is niet beperkt tot delen van de vakbeweging, je ziet het zelfde idee bij D66 en grote delen van GroenLinks en de PvdA. Als we allemaal ons leven lang leren, kunnen we allemaal succesvol zijn. Dat mensen gedeelde belangen hebben waar je gezamenlijk voor op moet komen zie je sterker bij de SP en de linksere PvdA’ers.
L: Die tweede visie betekent dus ook dat de vakbeweging zelf sterk moet staan en mensen in beweging moet brengen, ze bewust moet maken dat ze zelf iets moeten doen. De vakbeweging dus niet als een hulpverlener die van buiten komt, maar als een verzameling van sterke mensen.

Maar er hebben natuurlijke grote veranderingen plaatsgevonden in de samenstelling van de Nederlandse arbeidersklasse. En de vakbeweging loopt daar op achter, het idee van de club van grijzende,witte mannen. L: Die karikatuur is te makkelijk. De oorzaak van dit falen van de vakbeweging ligt niet in ‘grijs en wit’ maar in de benadering die de FNV de laatste jaren gevolgd heeft, een benadering waarin bestuurders steeds minder naar de achterban luisterden. Met als dieptepunt het pensioenakkoord. Een vakbeweging die wel luistert naar de werkvloer is er dus ook een voor flexwerkers want die kom je daar tegen en die hebben alle leeftijden en kleuren. Wat mensen op de werkvloer bezig houdt, loon, arbeidsomstandigheden, vakinhoudelijke kwesties of weer iets anders, verschilt van tijd tot tijd. Voor werknemers in de zorg is nu heel belangrijk dat ze ook goede kwaliteit willen leveren. Als je democratisch georganiseerd bent krijg je dat mee. Dan ga je daar met zijn allen mee aan de slag. Om vervolgens te zorgen dat afspraken over bijvoorbeeld de werkdruk ook daadwerkelijk uitgevoerd worden moet je als vakbeweging sterk staan op de werkvloer.

Je legt sterk de nadruk op organisatie op de werkvloer. Maar is dat nu niet juist het moeilijke geworden? Werk is uitbesteed, mensen werken ergens maar tijdelijk, werken op afstand, dat maakt het allemaal moeilijk om die mensen in een organisatie samen te brengen. Het antwoord van Jetta Klijnsma is dat je de vakbeweging daarop moet aanpassen en de vakbeweging in wezen iets wordt dat iedereen voor zich, thuis van achter de computer zelf in kan vullen. Ook als je het daar niet eens mee bent, dat is wel een reactie op reële veranderingen. L: Maar dat is de oplossing zoeken in de structuur van de bond zelf. Dat gaat niet werken. Je kunt wel alle flexwerkers in een vereniging stoppen maar hoe gaan die een CAO organiseren? En waar? Ze zitten allemaal in andere sectoren. Wie gaat die mensen organiseren? Dat blijft allemaal onduidelijk. Uiteindelijk gaat het om aanwezig zijn als bond, als organisatie. Dat is iets anders dan een bond die bereikbaar is voor advies en hulpverlening.
P: De groei van het aantal zzp-ers is ook niet alleen negatief. Er zijn natuurlijk veel mensen die niet voor een baas willen werken en meer vrijheid willen hebben. Dat juich ik alleen maar toe, en als mensen hun werkende leven op die manier vorm kunnen geven is dat heel mooi. Maar er zijn ook veel zzp-ers voor wie hun positie alleen maar meer onzekerheid betekent en voor wie bijvoorbeeld de noodzaak om voortdurend beschikbaar te zijn alleen maar meer onvrijheid betekent. Bijvoorbeeld schilders die ontslagen worden en dan maar gedwongen voor zichzelf beginnen. Vroeger waren voor deze groepen collectieve volksverzekeringen, voor ziekte bijvoorbeeld. Die zaken kan de bond ook weer op de agenda zetten. Dat krijg je alleen maar terug als je daar samen voor opkomt.

Het gaat dus om welke insteek je hebt. Zie je werknemers als losstaande individuen of als een groep die iets met elkaar deelt?

 

P: Dat blijft het grote verschil. Het gaat niet alleen om veranderingen, zoals de opkomst van flexwerk. In de jaren tachtig, negentig veranderde er veel in de arbeidsorganisatie en gingen werkgevers veel directer met werknemers in gesprek over hun werk om dit steeds efficiënter in te richten. Dat ging langs de bond of de ondernemingsraad heen. Daarvoor was het nog; ‘de baas luistert niet, ik stap naar de bond die luisteren wel.’ Nu voelt het voor mensen vaak alsof ze de bond niet meer nodig hebben. Het antwoord van de bond moet zijn dat als je echt verbeteringen wilt, je samen sterker staat, met een goed georganiseerde bond achter je. Anders gaat de baas alleen in op de suggesties die voor hem ook voordelig zijn en werk je met steeds minder mensen steeds harder voor minder geld.

Je zegt dus: je bond moet opnieuw zijn nut bewijzen. Maar hoe doe je dat als mensen nu al niet meer naar de bond komen? L: Daar lopen de benaderingen uit elkaar. Jetta Klijnsma zegt: mensen herkennen zich niet in de bond. Die moet dus aan zijn imago werken en mensen organiseren per beroep zodat ze ervaringen uit kunnen wisselen en betere werknemers worden. Maar herkenbaarheid moet een middel zijn om iets te bereiken. De crux is dus niet dat je een imago hebt dat mensen aantrekt maar wat je samen met de leden bereikt. Als de vakbeweging versplintert in allemaal kleine bondjes met een aantrekkelijk imago maar zonder veel gezamenlijke slagkracht zal al snel blijken dat die herkenbaarheid niet veel waard is.
P: Abvakabo FNV en FNV Bondgenoten zeggen gelukkig wel dat het nodig is mensen als groep aan te spreken, in de sector waarin ze werken, bijvoorbeeld de zorg. En op hun gemeenschappelijke belangen en problemen zoals de groeiende bureaucratie en werkdruk in ziekenhuizen te organiseren. Je moet langdurige campagnes rond die kwestie opzetten om samen met de betrokken mensen concrete eisen binnen te halen. Dat vergt scholing van activisten en machtsopbouw. Dat vergt dat je als bond het geld hebt om in die sectoren, waar je denkt successen te kunnen boeken, actie te voeren. Successen die als voorbeeld voor andere sectoren kunnen dienen. Dat gaat dus allemaal niet als je een vakbeweging hebt die alleen individuen bedient. Dat is de les van de schoonmakers.
Kijk bijvoorbeeld naar de campagne rond de sociale werkplaatsen, dat is een lang traject, daar is geld van de sterke bonden voor nodig. Alleen de mensen in die sector zelf hadden zoiets nooit kunnen organiseren, ze hebben solidariteit nodig. Een bond moet dus verder kijken dan alleen de directe belangen van hun eigen leden. Een bond moet erkennen dat werknemers en werkgevers vaak tegenstrijdige belangen hebben en dat die tegenstrijdigheden tot conflicten leiden. De benadering van het rapport dat er nu ligt is echter dat de conflicten die er zijn, meestal ongelukjes zijn die je op een technocratische manier met meer kennis op kan lossen.
L: De komende tijd zijn er harde confrontaties te verwachten naarmate er meer bezuinigingen komen en de economische tegenspoed voortduurt. Werkgevers zijn georganiseerd, werken samen, je ziet hoe in heel Europa rechts dezelfde bezuinigingen doorvoert. Wensen die ze al heel lang hadden, worden onder de dekmantel van de crisis doorgevoerd. Daar moet je een sterke beweging tegenover zetten. Met sterke wortels in herkenbare sectoren maar ook een sterke centrale koepel die de confrontatie aangaat met werkgevers en elite die met hun beleid de belangen van alle werkenden aantasten.

Dat vereist dus ook politieke scholing, mensen laten zien dat ze die gedeelde belangen hebben. L: Ja, maar op het moment dat er beweging is, dringt dat besef ook veel makkelijker door tot mensen.
P: In Abvakabo en Bondgenoten zijn er al ontwikkelingen richting een bond die opnieuw mensen in beweging gaat brengen en als directe belangenbehartiger gaat optreden. Met organizing bijvoorbeeld. Natuurlijk is er ook binnen Abvakabo FNV en FNV Bondgenoten verdeeldheid over die koers. Daar zitten ook bestuurders die gewoon hun eigen gang willen gaan zoals ze dat al twintig jaar doen. Of kaderleden die vast zitten op hun pluche en in een comfortabele routine. Als de DNV doorgaat op de koers zoals Jetta die voorstelt is het de dood in de pot voor de schoonmakers. Als het ontwikkelen van een actieve beweging binnen de DNV kan, samen met de andere bonden, zou dat prachtig zijn. Als dat niet kan moeten Abvakabo FNV en FNV Bondgenoten toch samen het voortouw blijven nemen voor dit activerende vakbondswerk. Een beweging die niet meer te stoppen is door machtspelletjes van topbestuurders.
En er moet veel opnieuw worden opgebouwd. Kaderscholing bijvoorbeeld was bijna helemaal verdwenen. En je ziet nu ook dat in de discussie over de DNV eigenlijk maar een klein groepje kaderleden zich daarmee bemoeit. Maar er is in het afgelopen traject toch al veel bereikt in het informeren en betrekken van mensen. Nog maar een paar jaar geleden was het ondenkbaar dat zoals nu het hoofdbestuur van Bondgenoten zou overleggen met kaderleden.
L:.Het feit alleen al dat ‘activerend vakbondswerk’ de boventoon voert in de discussie en ‘de zaakwaarnemer’ het onderspit delft, is winst. Zonder die omslag is het bouwen aan een sterke vakbond, aan een hogere organisatiegraad of meer kader onbegonnen werk.

Van werkgeverskant wordt nu aangedrongen op een snel een akkoord en wordt benadrukt dat de nieuwe vakbeweging zitting moeten nemen in de SER. L: Dat is ook logisch, de insteek van mensen als Herman Wijffels was dat er een nieuwe vakbeweging komt, maar wel een beheersbare, die zich als partner voor de bazen opstelt. Zij roepen wel ‘van onderop’ maar willen geen sterke koepel onder controle van de kaderleden op de werkvloer. Ze zien liever heel veel kleine verenigingen die zich allemaal met hun eigen sores bezig houden en daarnaast een orgaan waarmee zelfstandig centrale akkoorden af te sluiten zijn..
P: De bond moet zich juist niet meer laten verleiden om op elke verslechtering de sticker te plakken ‘iets minder rot door onze inzet’. Ze moeten werken aan hun eigen kracht. Als je geen eigen macht hebt, blijven alle mooie afspraken een dode letter.

Patrick van Klink is kaderlid van FNV Bondgenoten bij Unilever in Rotterdam, Lot van Baaren werkt in een zorginstelling en is sinds 2010 lid van het bondsbestuur van de Abvakabo FNV.

Dossier: 
Soort artikel: 

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Reageren