Borderless

18 November 2019

Een schoothondje met een eigen willetje

Terwijl de Verenigde Staten slag leveren om de olievoorraden in de Golfregio en Irak economisch proberen in te lijven, draagt Nederland bij aan de bezettingsmacht uit humanitaire overwegingen. Althans, dat zegt het kabinet. Maar waarom zou Nederland niet ook gewoon uit economische en geopolitieke motieven handelen?

‘Als ze ontevreden waren geweest over de kwaliteit van ons product, had ik het verbreken van alle contacten kunnen billijken. Maar het ministerie van Gezondheid in Bagdad was juist zeer te spreken over de relatie. We ontvingen tientallen brieven van enthousiaste consumenten. Dan is het erg bitter als de politiek ons in de wielen rijdt’. De druiven waren zuur voor koekjesfabrikant Pally in Nieuwegein toen het regime van Saddam Hoessein de relaties verbrak, begin 2001. Grote boosdoener was de Nederlandse regering die een Amerikaans bombardement bij Bagdad in februari van dat jaar niet wilde veroordelen, verklaarde een boze vertegenwoordiger van Pally tegenover het Algemeen Dagblad. Daarmee verloor de fabrikant een goede klant. De Irakese koekjesmonsters bestelden in anderhalf jaar tijd maar liefst 1500 ton van de deegwaar.

Blijkbaar wogen de belangen van de vaderlandse koekjesindustrie niet zwaar genoeg om het Nederlandse beleid ten aanzien van Irak te beïnvloeden. Het bombardement op Bagdad was slechts het voorspel voor wat volgen zou. Ruim een jaar later vielen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië Irak binnen. Nederland gaf politieke steun. Sinds de val van Saddam Hoessein levert het kabinet Balkenende II troepen die de orde moeten handhaven in Irak. De koekjes mogen dan een bizar voorbeeld zijn, het is een breed gedeelde opvatting dat de houding van landen rond de kwestie Irak in ieder geval ten dele werd ingegeven door economische en geopolitieke belangen.

De aanval van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zou alles te maken hebben met de wens om controle te verkrijgen over de olievoorraden in de Golfregio. En Amerikaanse bedrijven stonden te springen om in een bevrijd Irak aan de slag te kunnen met de lucratieve wederopbouw. Omgekeerd is het verzet van de Franse, Duitse en Russische regeringen tegen de oorlog terug te voeren op de uitstekende economische relaties die deze landen hadden met het Irak van Saddam Hoessein. Gek genoeg wordt de Nederlandse bijdrage aan de oorlog zelden verklaard aan de hand van economische of politieke belangen.

Idealisten en realisten
Ons land draagt uit humanitaire overwegingen bij aan de wederopbouw van Irak, klinkt het in kabinetskringen. Maar als Nederland zich in zijn buitenlandse politiek daadwerkelijk zou laten leiden door zulke bewonderenswaardige motieven, waarom zag het dan tientallen jaren lang de wreedheden van het Irakese regime door de vingers? Maar ook de verklaring van de linkse oppositie, dat de regering er plezier in schept het schoothondje van Amerika te spelen, overtuigt niet. Nederland zal toch niet werkelijk zo naïef zijn?

Zowel de verwijzing naar edele motieven als het schoothondjesverwijt zijn opvattingen die voortkomen uit wat in de leer van de internationale betrekkingen de idealistische visie op de wereldpolitiek wordt genoemd. Daarin zijn morele keuzen, het internationale recht en instituties als de Verenigde Naties van grote invloed op het handelen van staten.

Lijnrecht hiertegenover staat de realistische visie, die zowel onder conservatieven als marxisten (zij het in een andere vorm) veel aanhang heeft. Realisten geloven niet in goede bedoelingen en hogere waarden in de internationale politiek. Staten streven volgens hen naar het vergroten van hun macht en het veiligstellen van hun politieke en economische belangen. Niet voor niets zijn het de neoconservatieven in de Amerikaanse regering die in hun discussiestukken geen doekjes winden om de daadwerkelijke redenen voor de aanval op Irak. Het gaat hen om het controleren van de olievoorraden, en het vergroten van de Amerikaanse invloedssfeer in het Midden-Oosten.

Een blik op de Nederlandse omgang met Irak gedurende de afgelopen decennia leert dat de idealistische visie allerminst de rode draad was in de buitenlandse politiek. Diplomatieke en humanitaire overwegingen botsten veelvuldig met economische belangen, waarbij de eerste niet zelden aan het kortste eind trokken, zo blijkt onder andere uit een reconstructie van NRC Handelsblad van vijftien jaar Nederlands-Irakese betrekkingen.

Bloederige handen
Nederlandse bedrijven exporteerden in de jaren zeventig voor enkele honderden miljoenen guldens per jaar naar Irak. En dat kon nog veel meer worden, dachten veel ondernemers. Kort nadat Saddam Hoessein in 1979 president werd, stuurde het Nederlandse kabinet een zware handelsmissie naar Irak. Bij terugkeer verklaarde landbouwminister Van der Stee dat er in Irak ‘voor miljarden guldens aan mogelijkheden’ lagen. Maar de vriendschappelijke relatie van Nederland met Israël, de aartsvijand van Irak, gooide roet in het eten. Om de ergernissen weg te nemen reisde toenmalig D66-kamerlid en de huidige minister van Economische Zaken Brinkhorst naar Bagdad. De oorlog tussen Irak en Iran die kort daarna uitbrak zou echter alles veranderen.

Hoewel Nederland aanvankelijk, net als de Verenigde Staten en andere Europese landen, het wrede regime van Hoessein steunde in zijn strijd tegen het fundamentalistische Iran, besloot het kabinet al snel de wapenexport naar beide landen te verbieden. Desondanks maakte jaren later een speciale commissie van de VN bekend dat de bedrijven KSB in Terneuzen en Melchemie in Arnhem chemicaliën leverden aan Irak ten behoeve van het vervaardigen van gifgassen. Ook de interesse van andere takken van het bedrijfsleven verminderde niet. In 1981 waren 37 Nederlandse bedrijven aanwezig op de internationale handelsbeurs 'Bagdad Fair'.

Na enkele jaren golfoorlog droogden de financiële middelen van de Irakezen op en daalde de Nederlandse export naar het land. Doordat betalingen soms lang op zich lieten wachten of helemaal achterwege bleven, liep de interesse van het bedrijfsleven in Irak terug. Wel sloot Frits Bolkestein in 1983 als hoofd van een Nederlandse handelsmissie nog een handelsovereenkomst met Irak. Een gelegenheid waarbij hij handjes schudde met Saddam Hoessein. Dat aan die handen bloed kleefde vormde voor de latere VVD-leider en eurocommissaris geen probleem. ‘Mijn stelling is altijd geweest dat de mensenrechtensituatie in een land niet wordt verbeterd door het verbieden van handel. Integendeel. De economische ontwikkeling stimuleert juist de ontwikkeling van mensenrechten.’

Niets bleek minder waar. In maart 1984 bevestigde de VN het gebruik van gifgassen door Irak in de oorlog met Iran. De massale slachtpartijen die het regime al jaren eerder had aangericht onder Koerden, communisten en andere politieke tegenstanders waren toen reeds lang bekend. Maar echte kritiek op Irak zou Nederland pas jaren geven, eind jaren tachtig. Toen waren er nauwelijks nog bedrijven actief in Irak. Veel viel er niet meer te verdienen in het land dat door de jarenlange oorlog aan de grond zat. ‘Die grote sommen oliegeld die Irak te besteden had bleken luchtkastelen’, gaf Bolkestein later toe.

In 1990 steunde Nederland de aanval door de geallieerden op Irak, dat de olierijke buurstaat Koeweit bezet had. Daarbij vochten de geallieerde troepen tegen hun eigen wapens. Amerikaanse troepen troffen bij hun inval in Irak Nederlandse nachtkijkers aan, geleverd door Delft Instruments. Andere wapens waren afkomstig uit Rusland, de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland. Bedrijven uit dat laatste land zorgden ervoor dat Irakese Scud-raketten een grotere reikwijdte kregen, tot in Israël. Ook leverden Duitse wetenschappers een belangrijke bijdrage aan het Irakese kernwapenprogramma.

Na de oorlog kreeg Irak te maken met strenge sancties van de Verenigde Naties. Pas nadat die verlicht werden, ontdekte het Westerse bedrijfsleven het land opnieuw. In 2001 bezochten zo'n 200 Russische en 100 Duitse bedrijven de Bagdad International Trade Fair, een belangrijke handelsbeurs. De Nederlandse export naar Irak bedroeg daarentegen in 2001 slechts 37 miljoen euro, nog geen half procent van het totale budget van het olie-voor-voedselprogramma. Frankrijk, Rusland en Duitsland profiteerden veel meer. En uitgerekend die landen keerden zich het felst tegen de definitieve afrekening van de VS met Hoessein.

Atlantische betrekkingen
Voor Nederland vormde de aanval op Irak amper een bedreiging van zijn economische belangen. De Nederlandse export, die overigens nooit meer dan enkele procenten van de totale invoer van Irak bedroeg, daalde in de jaren negentig bijna tot het nulpunt. Vlak voor de aanval op Irak stonden nog maar vijf Nederlandse bedrijven op de internationale handelsbeurs in Bagdad. Een Irak zonder Saddam zou daarentegen nieuwe kansen bieden voor het Nederlandse bedrijfsleven. De Amerikanen beloofden dat ondernemingen uit de landen die hen steunden, een voorkeursbehandeling zouden krijgen bij het verdelen van opdrachten voor de wederopbouw van Irak.
Dat schept mogelijkheden, bijvoorbeeld voor een bedrijf als het Nederlands-Britse Shell, dat zijn interesse voor de enorme olievoorraden van Irak niet onder stoelen of banken steekt. Eerder dit jaar kwam het bedrijf in de problemen doordat het zijn olie en gasreserves veel te hoog had ingeschat. Door enkele contracten in Irak in de wacht te slepen kan het concern zijn voorraden snel weer aanvullen.

Dat het Irak van Saddam Hoessein niet meer van belang was voor het bedrijfsleven, is slechts een deel van de verklaring voor de Nederlandse steun aan de oorlog. Diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten speelden een minstens zo belangrijke rol. Met name sinds de Tweede Wereldoorlog is het Nederlandse buitenlandbeleid sterk op de Atlantische betrekkingen gericht. De Koude Oorlog was immers lange tijd allesbepalend voor de buitenlandse politiek. Bovendien geldt ook in de diplomatie het motto ‘if you can't beat 'm, join ‘m’. Dat komt niet zozeer voort uit het verlangen het schoothondje van de Amerikanen te zijn, als wel uit een koele berekening hoe Nederland zijn internationale belangen het beste kan veiligstellen.

Naast het Atlanticisme is ook de positie van Nederland als handelsnatie van groot belang voor het buitenlands beleid. De internationale handel heeft baat bij rust en stabiliteit op het wereldtoneel. Dat betekent niet dat oorlogen altijd vermeden moeten en kunnen worden. Maar mocht dit nodig zijn, dan liefst zo snel en effectief mogelijk. Langdurige internationale onrust moet koste wat kost vermeden worden. Het Amerikaanse optreden tegenover Irak was wat dit betreft een droomoorlog.

Het is de vraag of Nederland zolang gedraald zou hebben met het bepalen van een standpunt in de kwestie Irak als dit alle belangen waren die meewogen bij het besluit. Een complicerende factor was het Duitse verzet tegen de oorlog in Irak. De Atlantische betrekkingen staan weliswaar nummer een op de diplomatieke ranglijst van Nederland, de relaties met de belangrijkste handelspartner zijn ook heel wat waard. Nu Duitsland voor het eerste sinds 1945 lijnrecht positie koos tegenover de VS, kwam Nederland in een lastig parket. De onvoorwaardelijke steun van Balkenende aan de Amerikanen stuitte dan ook op veel weerstand. Een partij als de PvdA hamerde veelvuldig op het belang van goede relaties met Duitsland en Frankrijk.

Mosterd na de koekjes
Achteraf pakte het geschipper van Nederland ten aanzien van de aanval op Irak niet eens zo heel slecht uit voor het bedrijfsleven. De Amerikanen zagen de Nederlanders als onderdeel van hun coalitie. ‘Dat beeld is nauwelijks gewijzigd en nu laten we het maar zo’, zei directeur Gerard Vaandrager van het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering in Het Parool. De verwachtingen bij het bedrijfsleven waren hooggespannen, direct na de oorlog. Niet voor niets omschreef de Wereldbank Irak als de grootste bouwput ter wereld. In 2003 hoopten zo'n 350 Nederlandse ondernemingen op opdrachten in Irak. Daaronder bevonden zich grote bedrijven als Akzo-Nobel/Organon, ING Bank, DAF en Philips.

Helaas voor het bedrijfsleven blijkt het in Irak allemaal anders te lopen dan verwacht. De situatie ter plekke is chaotisch en levensgevaarlijk, zo ondervinden ook de weinige Nederlandse zakenlieden die zich in het land wagen. Geen prettige omgeving om geld te verdienen. Bovendien blijkt het leeuwendeel van het budget voor de wederopbouw naar Amerikaanse bedrijven te gaan. Voor Nederland resten slechts kruimels. Niet vreemd dus dat Nederlandse ondernemingen na hun aanvankelijke enthousiasme vooralsnog de kat uit de boom kijken.

Het laat onverlet dat economische en diplomatieke belangen een grote rol speelden bij de beslissing van Nederland om de oorlog in Irak te steunen. Zolang het Westen Saddam steunde, en Nederlandse bedrijven geld verdienden in Irak, bleef de kritiek op het wrede regime beperkt. Pas toen Irak vrijwel failliet was en Saddam zich tegen het westen keerde, verzetten de Amerikanen de bakens en volgde Nederland. Met humanitaire overwegingen had dat weinig van doen, wel met diplomatieke keuzes. En natuurlijk de ‘gezonde Hollandse handelsgeest’, zoals de directeur van de Groningse fabrikant Marne Mosterd uitlegde in Het Parool. Zijn bedrijf vloog vorig jaar vierhonderd kilo van het pittige gele goedje over ten behoeve van de gaarkeukens van het Britse leger. Uiteindelijk gaat het in het bedrijfsleven om de pegels, niet de poppetjes, was de boodschap van de mosterdmagnaat. ‘Als Saddam Hoessein of Ali Chemicali bij mij hadden aangeklopt voor twintigduizend kilo mosterd, dan kan dat ook. We zijn een apolitiek bedrijf.’

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren