Overpeinzingen over de Spaanse revolutie van 1936

In de omvangrijke literatuur die de Spaanse Burgeroorlog heeft voortgebracht, wordt die vaak voorgesteld als een strijd tussen democratie en fascisme. Die visie is bijna heersend binnen delen van links, waarvan vele historisch gezien beïnvloed zijn door het stalinisme. Maar een dergelijke benadering staat haaks op de sociaal-politieke realiteit van Spanje in de jaren dertig.

Het falen van de democratie

De sociale, economische en politieke polarisatie in Spanje in de jaren voorafgaand aan de Burgeroorlog en het daaruit voortvloeiende falen van de burgerlijke democratie waren bepalend voor het uitbreken van zowel het gewapende conflict als de revolutie [1]. De verkiezingsoverwinning van het Volksfront in februari 1936 leidde niet tot een nieuwe fase van sociale hervormingen, maar legde juist het onvermogen bloot van de republikeinse democratie om de heersende klassen te verslaan, die vastbesloten waren elke uitdaging van hun macht te voorkomen. De overwinning van het Volksfront leidde tot een nieuwe golf van mobilisaties van de arbeidersmassa’s, zowel in de steden als op het platteland, die de republikeinse regering, net als in 1931, probeerde te onderdrukken. De rechtse krachten gaven op hun beurt elke hoop op om de republikeinse democratie van binnenuit te vernietigen en kozen voor een militaire staatsgreep.

De toekomst van de Republiek zelf hing niet alleen af van haar rechtse vijanden, maar ook van de arbeidersbeweging. Wat de socialisten betreft, weigerde de revolutionaire factie, onder leiding van Largo Caballero, de ervaring van 1931-1933 te herhalen en drong erop aan dat de PSOE niet zou deelnemen aan de nieuwe regering, waardoor de taak om 'de burgerlijke revolutie te voltooien' aan de republikeinen werd overgelaten. Die schematische visie op het marxisme betekende dat Largo Caballero en de zijnen geen strategie hadden voor de machtsovername en passief afwachtten tot de republikeinen de weg zouden effenen voor een socialistische regering. Daarentegen pleitte de meer sociaaldemocratische factie van Indalecio Prieto, gesteund door de PCE, voor de noodzaak om terug te keren naar een coalitieregering om het republikeinse hervormingsprogramma te voltooien.

Het was dat laatste standpunt dat door de socialistische beweging midden in de Burgeroorlog werd ingenomen. De linkervleugel van de PSOE, die een deel van haar achterban aan het stalinisme verloor – met name de Socialistische Jeugd (FJS), die zich zou verenigen met de Unie van Communistische Jeugdorganisaties om de Verenigde Socialistische Jeugd (JSU) op te richten – werd door de gebeurtenissen ingehaald en nam uiteindelijk hetzelfde standpunt in als haar sociaaldemocratische rivalen.

Aan de vooravond van de Burgeroorlog had de CNT nog steeds grote invloed op de Catalaanse arbeidersbeweging – de belangrijkste op het schiereiland – en een heel belangrijke aanwezigheid in Andalusië, Aragon en het Land van Valencia. Bovendien had de CNT in Asturië en Madrid, waar de socialisten historisch gezien de meerderheid vormden in de arbeidersbeweging, een niet te verwaarlozen invloed [2].

De activisten en leiders van de vakbonden waren verdeeld tussen anarchosyndicalisten en verschillende meer puur anarchistische stromingen, waarvan de belangrijkste de Iberische Anarchistische Federatie (FAI) was. Alle stromingen hadden hun apolitieke houding gemeen. Verzwakt door de repressie en ideologisch verdeeld nam de CNT in de eerste maanden van 1936 echter een minder onverzettelijke houding aan in haar betrekkingen met politiek links, wat kan worden beschouwd als een opmaat naar haar directe deelname aan de regering tijdens de oorlog.

Bij de verkiezingen van februari 1936 voerde de CNT, met het oog op de vrijlating van haar duizenden gevangen militanten, geen campagne voor stemboycot, zoals ze in 1933 had gedaan, en haar 'stemvrijheid' was een factor die bijdroeg aan de overwinning van het Volksfront. In mei 1936 hield de CNT haar IVe Congres in Zaragoza, dat een mijlpaal vormde in de geschiedenis van de CNT, zowel op ideologisch vlak als vanwege haar schijnbare oproep tot arbeiderseenheid. Onder de indruk van de onderdrukking van de Asturische commune in oktober 1934 pleitten de afgevaardigden voor een revolutionair bondgenootschap met de UGT als eerste stap op weg naar de sociale revolutie. Maar het congres toonde ook de beperkingen van de politieke openheid van de CNT aan. Terwijl er een lang en abstract debat plaatsvond over de aard van het libertair communisme, werd er niet gedebatteerd over de actuele situatie of de dreiging van een militaire staatsgreep.

Ook de pas opgerichte POUM pleitte voor arbeiders-eenheid, maar dan via de reorganisatie van de Arbeidersallianties [CNT, UGT] die een sleutelrol hadden gespeeld in de revolutionaire beweging van 1934. De POUM stelde de Arbeidersalliantie, als essentieel element om het kapitalisme te overwinnen, tegenover het Volksfront, een politieke alliantie die ondergeschikt was aan het kleinburgerlijke republikeinisme. Tegelijkertijd benadrukte de partij de noodzaak van een grote revolutionaire partij, een ontbrekende factor die de beweging van 1934 tot mislukking had veroordeeld. De nieuwe partij hoopte de meest radicale sectoren van de socialisten, met name de jeugd, voor zich te winnen. De val van de Federatie van Socialistische Jeugd onder stalinistische invloed in het voorjaar van 1936 betekende een dodelijke klap voor die hoop.

Revolutie

De revolutie die uitbrak als reactie op de militaire opstand in juli 1936 betekende het einde van de revolutionaire cyclus die was begonnen met de bolsjewistische overwinning in 1917. Binnen enkele dagen had de arbeidersklasse, zoals Andreu Nin zou zeggen, met de wapens in de hand 'de fundamentele problemen' – de landbouwkwestie, de kwestie van de kerk, die van het leger en die van Catalonië – opgelost die 'de liberale bourgeoisie' in vijf jaar niet had kunnen oplossen. De arbeidersklasse streed niet voor een democratische republiek, maar voor de socialistische revolutie [3].

De hoeksteen van die revolutie was de collectivisatie van de industrie en het land: een in de geschiedenis van de arbeidersbeweging unieke ervaring van volkszelfbestuur. In veel gevallen was de overname van bedrijven of land een spontaan proces, dat achteraf door de arbeidersorganisaties werd gesteund [4]. De collectivisatie in de steden ging het verst in Catalonië, waar onder leiding van de CNT de helft van de toenmalige Spaanse industrie was geconcentreerd. Ook in het Land van Valencia was de collectivisatie wijdverbreid, vooral in de landbouw. Naast de collectieven in Valencia waren de bekendste landbouwcollectieven die welke door de anarchisten in het oosten van Aragon waren opgezet. En hoewel de aanwezigheid van de CNT-milities in het gebied belangrijk was voor de ontwikkeling ervan, was het initiatief vaak lokaal, vooral in dorpen waar tijdens de anarchistische opstand van december 1933 de invoering van het libertair communisme was uitgeroepen. De landbouwcollectivisatie breidde zich ook uit naar Andalusië en Castilië.

De revolutie betekende ook een grootschalige bezetting van de stedelijke ruimte, waarbij gebouwen werden ingenomen en omgevormd tot hoofdkwartieren van antifascistische organisaties, scholen, ziekenhuizen en volksrestaurants. Bovendien betekenden de revolutie en de oorlog voor veel vrouwen 'een breuk' met hun 'traditionele opsluiting … in het huishouden en gaven hen voor het eerst een collectieve publieke zichtbaarheid' [5]. Ze raakten voor het eerst betrokken bij politieke activiteiten, sloten zich massaal aan bij antifascistische vrouwenorganisaties, werkten in de fabrieken en namen, in een minderheid van de gevallen, deel aan de gewapende strijd.

Centraal in het gehele verzet tegen de opstand stonden de arbeidersorganisaties en niet alleen daar waar de sociale revolutie het sterkst was. De vakbonden en de arbeiderspartijen organiseerden milities om de opstandelingen te bestrijden in het gehele republikeinse gebied. In de zomer van 1936 vochten er zo’n 150.000 militiemensen op de verschillende fronten. Naast de revolutionaire centra in Catalonië en het Land van Valencia grepen de vakbonden ook in andere gebieden in de industrie in door verschillende vormen van arbeiderscontrole in te voeren.

Het Volksfront tegenover de oorlog en de revolutie

Geconfronteerd met de militaire superioriteit van de rebellen, die op grote schaal werden bevoorraad door de fascistische mogendheden, stelden de belangrijkste partijen van het Volksfront – republikeinen, socialisten en communisten – dat het noodzakelijk was de oorlog te presenteren als de verdediging van de burgerlijke democratie, om de steun van de middenklasse te behouden en om militaire hulp te verkrijgen van de westerse democratieën, voornamelijk Groot-Brittannië en Frankrijk. Dat standpunt betekende dat de sociale revolutie die in een aanzienlijk deel van het republikeinse gebied gaande was, moest worden afgebroken, of op zijn minst verborgen moest blijven.

Zowel in de geschiedschrijving als destijds werd aangenomen dat de middenklasse, of in ieder geval een deel daarvan, werd vertegenwoordigd door de linkse republikeinse partijen. Het feit dat die partijen een centrale rol speelden in de republikeinse regeringen van 1931 en 1936 heeft het idee van hun politieke belang versterkt. Hun sociale en electorale basis was echter van korte duur. Buiten Catalonië, de enige plaats waar het massale steun genoot (ERC), was de sociale basis van het linkse republikeinisme vrij beperkt en bestond die voornamelijk uit de stedelijke kleine burgerij en zeer specifieke groepen zoals leraren en leraressen.

De verkiezingsresultaten tijdens de jaren van de Republiek waren heel illustratief voor de beperkingen van hun steun. In 1931 werden, Catalonië niet meegerekend, 111 linkse republikeinse afgevaardigden gekozen in coalitie met de PSOE en de Radicale Partij en in 1936 129 als onderdeel van het Volksfront. In 1933, zonder deel uit te maken van een coalitie op nationaal niveau, behaalden ze slechts 14 zetels (tegenover 21 in Catalonië), waarvan 9 dankzij lokale afspraken met de Radicale Partij en 5 dankzij de eveneens lokale steun van de PSOE [6].

Op internationaal niveau lieten de schijnbaar natuurlijke bondgenoten van de Republiek, de liberale democratieën – met de opmerkelijke uitzondering van Mexico – de legitieme regering niet alleen in de steek door te weigeren haar de wapens te sturen die nodig waren om zich te verdedigen, maar propageerden ze ook de schijnvertoning van een 'niet-inmengingsbeleid', wat resulteerde in de bijna volledige isolatie van het loyale Spanje. De deelname van Duitsland en Italië aan het Comité van Niet-Inmenging was het duidelijkste bewijs van het cynisme van dat schandelijke beleid.

In werkelijkheid hadden zowel Frankrijk als Groot-Brittannië geen enkel belang bij het steunen van een ogenschijnlijk zwakke regering in een context van grote politieke en sociale radicalisering. De regering van het Franse Volksfront, in het nauw gedreven door de heersende klassen, de militaire top en het Britse imperialisme, maakte al snel een ommezwaai en zag af van elk voornemen om wapens naar de Republiek te sturen. De Britse regering beschouwde Azaña als de 'Kerenski van Spanje' en was van mening dat, toen de Burgeroorlog uitbrak, het 'bolsjewisme' op het punt stond de macht te grijpen. Onder haar ministers deden talrijke uitspraken de ronde dat Franco de beste optie was om de Britse imperiale en kapitalistische belangen te beschermen [7].

Het stalinisme

Met de degeneratie van de Russische revolutie en de machtsovername door Stalin waren de communistische partijen volledig ondergeschikt geworden aan de politieke behoeften van Moskou. De ommezwaai van de Komintern naar het beleid van het Volksfront werd vooral ingegeven door de noodzaak om de dreiging die nazi-Duitsland vormde voor het voortbestaan van de USSR zelf in te dammen. Die dreiging maakte het op internationaal niveau dringend noodzakelijk om een alliantie te smeden met de democratieën, met name met Frankrijk, tegen de fascistische machten. Zo was het Volksfront de nationale uitdrukking van het Sovjetbuitenlandsbeleid. De uniforme overname van die nieuwe koers door de communistische partijen in die periode was niet het gevolg van een analyse van de sociaal-politieke situatie in elk land.

In tegenstelling tot de rampzalige eerdere koers, waarbij de socialistische partijen het sociaalfascisme hadden aangewezen en dat als het grootste gevaar voor de arbeidersklasse beschouwden, sloot het Volksfront echter aan bij de noodzaak om de dreiging van extreemrechts het hoofd te bieden en leidde het tot een sterke toename van de invloed van de communisten in veel landen, waaronder Spanje. Met het uitbreken van de oorlog zou de PCE uitgroeien tot de machtigste politieke partij in het republikeinse gebied. Al halverwege 1937 telde de partij 300.000 leden – tien keer zoveel als vóór juli 1936 –, de PSUC – haar Catalaanse afdeling – meer dan 50.000 en de JSU ongeveer 250.000.

Die toename van haar invloed had verschillende oorzaken. De onwrikbare verdediging van het Volksfront door de communisten trok pas politiek bewuste mensen aan die tegen de militaire opstand en het fascisme waren, waaronder kleinburgerlijke kringen die geschrokken waren van de uitwassen van de revolutie en de aanvallen op privé-eigendom. Door militaire centralisatie en ijzeren discipline te verdedigen, wonnen de communisten ook de steun van veel beroepsmilitairen die trouw waren gebleven aan de Republiek. Maar bovenal droeg de militaire steun van de USSR aan de Republiek bij aan het toegenomen prestige van de PCE.

Een factor die vaak over het hoofd wordt gezien bij het verklaren van de groeiende communistische invloed, was het voortbestaan van haar imago als 'de partij van de Russische Revolutie' en haar zelfidentificatie als revolutionairen. Het feit dat de PCE, ondanks haar inzet voor de verdediging van de republikeinse democratie, sprak over de noodzaak van een 'nieuwe vorm van democratie', een 'volksrevolutie' en een 'nationale revolutionaire oorlog', was een weerspiegeling van de politieke en sociale realiteit in het republikeinse gebied.

Het wijdverbreide gebruik van Sovjetbeelden en revolutionaire methoden om de bevolking van Madrid in november 1936 te mobiliseren, vormt een ander voorbeeld van de schijnbaar verwarrende relatie van de communisten met de burgerlijke democratie. Vandaar dat het niet moeilijk was om tot de conclusie te komen dat het Volksfront een noodzakelijk tactisch intermezzo was, een voorbereidende fase, voorafgaand aan de invoering van het socialisme. Dergelijke dubbelzinnigheden helpen de aantrekkingskracht van het stalinisme op een belangrijk deel van de FJS te verklaren [8].

Uiteindelijk was alleen de PCE (in Catalonië de PSUC), met haar leninistische discipline en structuur, en niet de liberale en reformistische groeperingen, in staat om zowel de sociale revolutie die in het republikeinse gebied aan de gang was te beëindigen als de oorlogsinspanningen van het Volksfront politiek te leiden.

Het anarchisme tegenover de macht

Na de nederlaag van de militaire opstand in bijna tweederde van het Spaanse grondgebied werd de macht uitgeoefend door talloze comités, waarvan vele afkomstig waren uit het Volksfront, met directe deelname van de CNT. In Catalonië weerspiegelden de comités de invloed van de revolutie. Ze werden grotendeels 'revolutionaire' of 'antifascistische' comités genoemd en hun samenstelling hing af van de lokale invloed van de verschillende organisaties. Over het algemeen werden hun leden door hun organisaties als afgevaardigden aangewezen; slechts weinigen werden door de lokale bevolking gekozen [9].

Om het gebrek aan coördinatie en de versnippering van de macht in de eerste weken in het republikeinse gebied te overwinnen, werden op regionaal en provinciaal niveau verschillende soorten comités opgericht, die bijna allemaal werden gesteund door de lokale organisaties van het Volksfront, aangevuld met de CNT. Hun autonomie en radicaliteit varieerden per plaats. Het belangrijkste daarvan was het Comité Central de Milícies Antifeixistes (CCMA) in Catalonië. De Catalaanse regering, die niet in staat was de situatie in de hand te houden, stelde de arbeiders- en republikeinse krachten voor om een gezamenlijk comité op te richten om de strijd tegen de opstandelingen te coördineren.

Zo werd op 21 juli het CCMA gevormd met een meerderheid van het Volksfront, hoewel de beslissingen van het nieuwe comité de kracht van de revolutie weerspiegelden [10]. Naast de militaire organisatie nam het CCMA de eerste maatregelen om de economie onder controle te krijgen, door de bankrekeningen van personen die de opstand hadden gesteund te blokkeren en door maatregelen te nemen om de bedrijven die in handen waren van de arbeiders en arbeidsters te helpen de lonen te blijven uitbetalen.

In een groot deel van de rest van het republikeinse gebied werden comités opgericht die, net als het CCMA, tijdens de eerste weken van de Burgeroorlog feitelijk de macht in handen hadden. De politieke koers van de meeste van die comités weerspiegelde de invloed van de organisaties van het Volksfront. De situatie was echter zo gepolariseerd dat ze op verschillende plaatsen op uitgesproken radicale wijze optraden, zoals het geval was bij de comités van Cartagena, Gijón, Málaga, Valencia en vooral bij de Raad van Aragón, die in oktober werd opgericht en door de anarchisten werd gedomineerd.

Maar omdat de macht van de comités, die volledig versnipperd was, niet kon worden geconsolideerd, kon de revolutie niet volledig zegevieren. Gezien die realiteit hing de toekomst van de revolutie af van de CNT, die tijdens de oorlog haar ledenaantal verdubbelde tot 1.500.000 leden. Voor de anarchisten was de revolutie een feit, in die zin dat in een groot deel van wat later het republikeinse gebied zou worden, de arbeidersklasse de straten, de fabrieken en het land controleerde. De arbeidersorganisaties hadden echter geen controle over de communicatie, de buitenlandse handel of het bankwezen. Vooral met de oprichting van het Volksleger in de herfst van 1936 verloren ze de controle over het sleutelelement van de oorlog en de revolutie: de strijdkrachten.

Gezien het vacuüm dat was ontstaan door de bijna-ontbinding van de republikeinse staat, deed het dilemma voor de anarchisten zich al snel voor. Al op 21 juli, tijdens de regionale plenaire vergadering van de Catalaanse CNT, de dag na de nederlaag van de militaire rebellen in Barcelona, stelde Juan García Oliver, een van de meest invloedrijke leiders van het radicale anarchisme, dat de CNT nog twee alternatieven had: 'alles op alles zetten', wat zou neerkomen op het instellen van 'een anarchistische dictatuur', of samenwerken met de andere antifascistische krachten. Aangezien 'een dictatuur' voor de anarchisten een gruwel was en gezien de aanzienlijke aanwezigheid van andere krachten (met name de socialisten), vooral buiten Catalonië, kozen ze voor 'samenwerking'.

Zo raakten de anarchistische leiders vrijwel vanaf het begin verstrikt in de dubbelzinnigheid van hun verdediging van de revolutie enerzijds en hun samenwerking met de staat anderzijds. In werkelijkheid ging de tweedeling niet tussen 'dictatuur' of 'samenwerking', maar tussen arbeiders-eenheid – over de anarchistische gelederen heen – om de macht te grijpen, of ondergeschiktheid aan het Volksfront, wat vroeg of laat het einde van de revolutie zou betekenen.

Omdat ze gekant waren tegen het creëren van een nieuwe staat, werkten ze uiteindelijk samen met de bestaande staat, of, om het in het geval van de Spaanse staat in 1936 nauwkeuriger te zeggen, met de wederopbouw van de republikeinse staat. Begin november 1936, toen de militaire situatie steeds kritieker werd, traden vier anarchisten toe tot de republikeinse regering.

Het proces van contrarevolutie binnen het republikeinse gebied bereikte zijn hoogtepunt met de straatgevechten van begin mei 1937 [11]. Een week later betekende de vorming van een regering onder leiding van de gematigde socialist Juan Negrín, zonder deelname van de anarchisten, de definitieve versterking van de burgerlijke staat en de onderdrukking van de meest revolutionaire groeperingen, met name de POUM, die het slachtoffer waren van een felle lastercampagne door het stalinisme. Het laatste bolwerk van de revolutie was de Raad van Aragon, in handen van de anarchisten, die in augustus werd ontbonden. In februari 1938 keerde de CNT, die zich inmiddels volledig had toegewijd aan de samenwerking met de Republikeinse staat, terug in de regering.

Was een revolutionair alternatief mogelijk?

We moeten ons afvragen of er een alternatief bestond voor de aanpak van het Volksfront: een oorlog ter verdediging van de democratie ten koste van de sociale revolutie. De militaire strategie van de Republikeinse regering verwierp het gebruik van onorthodoxe of revolutionaire tactieken, deels vanwege de noodzaak voor de Republikeinse regering om zowel de controle over de politieke situatie in haar gebied te behouden als zich tegenover de wereld te profileren als een liberale regering. Gezien het grote materiële overwicht van de vijand had het vasthouden aan een orthodoxe militaire strategie door de Republikeinse regering echter weinig kans van slagen.

Het idee dat het Volksfront en de vernietiging van de revolutie slechts een 'praktisch' standpunt waren vanwege de militaire behoeften van de Republiek, is een misvatting.

Het beleid van het Volksfront, en met name de ondergeschiktheid aan imperialistische belangen, had zijn militaire gevolgen. Zo maakte het feit dat de marinevloot, die in handen was van de matrozen, zich vanaf het begin – onder druk van de Britse regering – uit de Straat van Gibraltar terugtrok, de weg vrij voor de opstandelingen om duizenden troepen vanuit Noord-Afrika naar het schiereiland over te brengen. En de weigering om, om de belangen van het Franse imperialisme niet te schaden, de onafhankelijkheid van Marokko uit te roepen en een nationalistische opstand in het achterland van de fascisten te steunen, speelde de opstandelingen eveneens in de kaart.

Een alternatieve strategie zou hebben bestaan uit de massale mobilisatie van de bevolking (zoals het geval was tijdens de Slag om Madrid in november 1936), een defensieve, positionele oorlog en het gebruik van bliksemsnelle en meer beperkte invallen, gecombineerd met een guerrillaoorlog, waardoor grootschalige confrontaties tussen twee legers met aanzienlijk ongelijke capaciteiten zouden worden vermeden. Tegelijkertijd hadden maatregelen zoals de onafhankelijkheidsverklaring van Marokko en de militaire steun aan de Marokkaanse onafhankelijkheidsbeweging, of de toezegging om land aan de boeren over te dragen, kunnen bijdragen aan het ondermijnen van de vijandelijke achterhoede [12].

Het is natuurlijk onmogelijk te weten of een strategie van revolutionaire oorlogvoering succesvol zou zijn geweest, hoewel de verdediging van Madrid in dat opzicht veelzeggend is. Bovendien was de internationale situatie, waarin zowel de communistische als de sociaaldemocratische partijen grote invloed uitoefenden, geenszins gunstig. Het is onmogelijk te weten welke impact het bestaan van een revolutionaire macht in Spanje zou hebben gehad op de arbeidersbeweging buiten de landsgrenzen. Het precedent van 1917 suggereert de mogelijkheid dat het als een katalysator had kunnen fungeren en er bijgevolg toe had kunnen leiden dat andere politieke stromingen meer invloed zouden hebben uitgeoefend op de klassenstrijd.

Oorlog en revolutie

In de geschiedschrijving over de Burgeroorlog wordt de verdeeldheid onder de antifascistische krachten vaak voorgesteld als een scheiding tussen degenen die voorrang wilden geven aan de oorlog (communisten, republikeinen en socialisten) en de CNT en de POUM, die de belangen van de revolutie boven die van de oorlog stelden: een keuze tussen oorlog of revolutie. Dat was nooit het geval. Zowel de CNT als de POUM verdedigden de noodzaak om tegelijkertijd de oorlog en de revolutie te voeren, om een revolutionaire oorlog te voeren. Beide waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vooral de POUM had een duidelijk militair beleid dat de oprichting van een revolutionair leger voorstond, naar het voorbeeld van het Sovjet-Rode Leger tijdens de Russische Burgeroorlog. Maar zo’n leger kon niet worden opgebouwd zonder een revolutionaire regering, gebaseerd op democratie van onderop, op comités van arbeiders, boeren en militiemensen [13].

De POUM stelde dat, om de revolutie te consolideren, in ieder geval in Catalonië, de arbeidersklasse de macht moest overnemen. Zonder de CNT was dat doel echter onmogelijk. De CNT, of in ieder geval een deel ervan, hiervan te overtuigen, werd al snel de belangrijkste politieke zorg van de POUM, maar zoals we hebben gezien, moest de partij de overtuiging van de anarchisten overwinnen dat elke vorm van macht of revolutionaire staat onvermijdelijk tot een dictatuur zou leiden.

Uiteindelijk was het grootste gemis in de Spaanse revolutie het ontbreken van een revolutionaire organisatie met de nodige kracht om de machtsovername te leiden. Er waren een aantal obstakels die ervoor zorgden dat de POUM, de 'enige partij van de revolutie' volgens Andreu Nin, niet tot een dergelijke organisatie kon uitgroeien. Afgezien van haar eigen fouten vormden het gebrek aan een achterban buiten Catalonië en haar korte bestaan – de partij was pas een jaar eerder opgericht – moeilijk te overwinnen belemmeringen. En zonder politieke leiding was de revolutie gedoemd tot een nederlaag.

Referenties

Bernecker, Walther (1982) Colectividades y revolución social. El anarquismo en la Guerra Civil española. 1936-1939. Barcelona: Crítica.

Beevor, Antony (2005) La Guerra Civil española. Barcelona: Crítica.

Casanova, Julián (2010) De la calle al frente. El anarcosindicalismo en España. Barcelona: Crítica.

Claudin, Fernando (1975) The Communist Movement. From Comintern to Cominform. Harmondsworth: Penguin.

Durgan, Andy (1992) 'The 1933 elections in Spain and the Defeat of the Left', Journal of the Association of Contemporary Iberian Studies, vol. 5, nr. 2. Londen.

(2013) 'The People in Arms: Spain 1936', in Gonzalez, Mike & Barekat, Houman (red.), Arms and the People. Popular Movements and the Military from the Paris Commune to the Arab Spring, Londen: Pluto Press: pp. 123-148.

(2017) 'La democracia de los trabajadores en la Revolución española, 1936-1937', en Azzellini, Darío & Ness, Immanuel (eds.), Poder Obrero. Autogestión y control obrero desde La Comuna hasta el presente. Madrid: La Oveja Negra: pp. 211-242.

(2021) '90 aniversario de la II República. Razones de un fracaso', viento sur, 175: 99–108.

(2022) Voluntarios por la revolución. La milicia internacional del POUM en la Guerra Civil Española. Barcelona: Laertes.

(2025) El POUM. República, revolución y contrarrevolución. Barcelona: Sylone- viento sur.

Ealham, Chris (2026) La lucha por Barcelona. Clase, cultura y conflicto 1898-1937. Madrid: Ediciones La Tormenta.

Fraser, Ronald (1979) Recuérdalo tú y recuérdalo a otros. Historia oral de la Guerra Civil española. Barcelona: Crítica.

Guillamón, Augustín (2017) Insurrección. Las sangrientas jornadas del 3 al 7 del mayo del 1937. Barcelona: Editorial Descontrol.

Guillén, Abraham (1980) El error militar de las “izquierdas”. Barcelona: Hacer.

Maurin, Joaquin (2023) Hacia la segunda revolución. Toledo: El Perro Malo.

Moradiellos, Enrique (1996) La perfidia de Albión. El gobierno británico y la guerra civil española. Madrid: Siglo Veintiuno.

Nash, Mary (2006) Rojas. Las mujeres republicanas en la Guerra Civil. Madrid: Taurus.

Peirats, José (1989) La CNT en la revolución española.  Madrid: Hamelyn.

Pozo González, Josep Antoni (2012), Poder legal y poder real en la Cataluña revolucionaria de 1936. Sevilla: Espuela de Plata.

Noten

1. Zie voor het 'falen' van de Republiek: Maurin (2023) en Durgan (2021).

2. Uit de uitgebreide literatuur over het anarchisme vóór en tijdens de Burgeroorlog kan men onder meer raadplegen: Peirats (1989), Casanova (2010) en Ealham (2026).

3. Durgan (2025), blz. 88-89.

4. De meest volledige geschiedenis van het collectivisatieproces blijft: Bernecker (1982).

5. Nash (2006), blz. 92

6. Durgan (1992).

7. Moradiellos (1996)

8. Voor voorbeelden van de tegenstrijdigheden in het standpunt van de communisten ten aanzien van het Volksfront, zie Fraser (1979), deel II, p. 30 en Durgan (2022), pp. 30, 43-44.

9. Over de comités, zie bijvoorbeeld: Pozo (2012) en Durgan (2017).

10. Er waren vijf republikeinse afgevaardigden: drie van de CNT, drie van de UGT, twee van de FAI en één van zowel de POUM, de PSUC als de Unió de Rabassaires.

11. Van de literatuur over de Mei-gebeurtenissen is met name Guillamón (2018) van bijzonder belang.

12. Zie voor het debat over het alternatief van een revolutionaire oorlog: Claudin (1975), blz. 210-242; Guillén (1980); Fraser (1979), deel II, blz. 27-38; Beevor (2005), blz. 464; Durgan (2013).

13. Durgan (2025), blz. 113-118.

Andy Durgan is de auteur van The Spanish Civil War (2007), Comunismo, revolución y movimiento obrero en Catalunya, 1920–1936: los orígenes del POUM (2016), en Voluntarios por la revolución: La milicia internacional del POUM en la Guerra Civil Española (2020). Hij is lid van Anticapitalistas, onze zusterorganisatie in de Spaanse Staat. 

Zijn boek The POUM: Republic, Revolution and Counterrevolution is bij het IIRE te bestellen

Dit artikel stond op viento sur. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Dossier

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop