Borderless

26 August 2019

Terug naar de utopie

De Stonewallrellen veertig jaren geleden markeerden de geboorte van een nieuwe beweging voor homo-bevrijding en seksuele zelfbeschikking. Onder invloed van deze beweging gingen historici op zoek naar de achterliggende oorzaken van homo-onderdrukking. Hun ideëen hebben nog steeds veel te bieden.

Altijd al homo?
Om verstikkende normalisatie – en de manieren waarop deze normen worden opgelegd, zoals door discriminatie en geweld – eens en voor altijd te beëindigen gingen activisten op zoek naar de wortels ervan. Het idee dat mensen als homo of lesbo geboren worden zit vaak zo diep dat het als vanzelfsprekend aangenomen wordt. Deze activistische historici kwamen echter tot heel andere conclusies. De vergissing die gemaakt wordt door mensen die geloven in een aangeboren homoseksualiteit is, zo betoogden ze, die om seks tussen mensen van hetzelfde geslacht gelijk te stellen aan een homoseksuele identiteit.
Het is één ding om seks te hebben met iemand van hetzelfde geslacht en iets anders om jezelf als homoseksueel te beschouwen. Sommige met een vrouw getrouwde mannen die cruiseplekken bezoeken om anoniem seks te hebben met andere mannen beschouwen zichzelf als homoseksueel – anderen doen dat niet, voor hen is die seks gewoon iets dat ze af en toe doen. Het concept ‘homoseksueel’, waar een bepaalde groep mensen de eigen identiteit voor een belangrijk deel aan ontleent en dat voor andere mensen aanleiding is hen met afkeer of zelfs geweld te bejegenen is een relatief nieuw verschijnsel.
Historische voorbeelden van mannen die seks hadden met andere mannen - vrouwen zijn vaak onzichtbaar gebleven - worden vaak aangehaald als bewijs dat homo’s altijd al bestaan zouden hebben. Maar die voorbeelden laten vooral zien hoe sterk seksuele normen in de loop der eeuwen veranderen. Klassiek is het verhaal dat mannen in Antieke Griekse samenlevingen seks hadden met jongens. Maar die mannen waren geen aparte groep. Trouwens, dergelijke seks was geaccepteerd maar wel aan allerlei regels gebonden. Penetratie werd bijvoorbeeld afgekeurd als vernederend.
Ander voorbeeld: de vervolging van ‘sodomieten’, mannen die seks hadden met andere mannen, in de achttiende eeuw in de Nederlandse Republiek. Het is historisch niet correct om hier te spreken over ‘vervolging van homoseksuelen’; deze mannen werden niet vervolgd om hun identiteit, ‘sodomieten’ werden vervolgd om iets wat ze déden. In principe hadden álle mannen in de ogen van de rechtbanken het potentieel om in ‘sodomie’ te vervallen. In Florence kwam een paar eeuwen eerder de meerderheid van de mannelijke bevolking in aanraking met de sterke arm van de wet wegens vergelijkbare beschuldigingen. Wil dat zeggen dat een meerderheid van de mannelijke middeleeuwse Florentijnen homo’s waren? Sodomie was slechts een van vele zonden waar mensen toe verleid konden worden. De rechtbanken maakten geen onderscheid tussen bijvoorbeeld bestialiteit of sodomie; beide zondigden tegen de christelijke leefregels – of de betrokken personen nou man of vrouw waren deed er niet toe.
Creatie van homoseksualiteit....
Als de categorie ‘homoseksueel’ dan niet altijd bestaan heeft, wanneer is deze dan gecreëerd? En wanneer begonnen mensen zichzelf op te vatten als deel van een seksuele minderheid? Historici en activisten als Jeffrey Weeks en Michel Foucault ontwikkelden het idee dat de homoseksuele identiteit ontstaan was in de negentiende eeuw. Wat ontbrak was een verklaring waarom deze juist toen was ontstaan.
In 1979 beargumenteerde de historicus en activist John d’Emilio in een essay met de naam Capitalism and gay identity dat het kapitalisme was geweest dat dankzij de industriële revolutie en daaropvolgende groei van steden mensen mogelijk maakte om een homoseksuele identiteit te creëren. Kapitalisme verbrak de oude sociale banden tussen mensen. In tegenstelling tot de dorpen waarin iedereen elkaar kende boden de nieuwe steden een zekere mate van anonimiteit. Mensen reisden heen en weer tussen dorp en stad of tussen steden en kwamen in hun dagelijks leven met veel meer verschillende mensen in contact dan in de oude dorpen.
De stadsbewoners hadden een veel breder scala aan opties van mensen om mee samen te leven, te beïnvloeden en door beïnvloed te worden. Seksualiteit raakte bovendien losgekoppeld van voortplanting. Op het platteland was een groot gezin gunstig omdat er altijd wel werk te doen was op de boerderij en kinderen later in hun leven hun ouders zouden kunnen verzorgen. Voor loonarbeiders lagen de zaken anders: omdat het aantal banen beperkt was betekende een groot gezin juist vaak armoede.
Een deel van de stadbewoners creëerde in deze veranderende omstandigheden subculturen waarin nieuwe identiteiten vorm kregen. De homoseksuele identiteit is voor D’Emilio een van deze nieuwe identiteiten. Hoe deze identiteit precies vorm kreeg bij verschillende mensen is moeilijk vast te stellen. Verschillende factoren grijpen op elkaar in, versterken of verminderen elkaar - wat voor de een aanleiding was om homoseksualiteit te verkennen kan voor een ander onbelangrijk blijven. Sinds D’Emilio heeft onderzoek naar de geschiedenis en ontwikkeling van homoseksualiteit niet stil gestaan. Zo is er onderzoek gedaan waaruit blijkt dat subculturen van mannen die seks met elkaar hadden een stuk verder terug gaan, tot in de middeleeuwen. De link tussen dergelijke subculturen en ontwikkeling van steden blijft echter sterk en dat lijkt een van D’Emilio’s voornaamste punten, dat homoseksualiteit een creatie is van en tussen mensen, te bevestigen.
….en homofobie.
Als kapitalisme de ruimte schiep voor homoseksualiteit, waar kwam dan de alomaanwezige homofobie vandaan? Linkse denkers ontwikkelden in de jaren zeventig een theorie die de tegenstrijdige houding van kapitalisme tegen homoseksualiteit moest verklaren en zochten de oorzaak in het moderne gezin. De arbeidsdeling tussen mannen en vrouwen waarin mannen in het publieke domein werken en vrouwen thuis is ouder dan kapitalisme. Kapitalisme had echter een tegenstrijdige invloed op de familie. Kinderen en vrouwen werden tijdens de industriële revolutie als loonarbeiders in de publieke sfeer geduwd maar tegelijkertijd ging het gezin een essentiële rol vervullen voor dit nieuwe kapitalisme. Het gezin werd de plaats waar – onbetaald – een nieuwe generatie arbeiders verzorgd werd en kinderen leerden om productieve burgers te worden. Voor arbeiders in het Europa van de negentiende eeuw werd het gezin een toevluchtsoord waar ruimte was voor genegenheid en ontspanning, in tegenstelling tot de fabrieksvloer.
Balkenende heeft gelijk als hij zegt dat het gezin de hoeksteen is van de samenleving – in ieder geval van deze op winst gerichte samenleving. De schaduwzijde van het gezin als hoeksteen van de samenleving was de verbanning van vrouwen naar de privé-sfeer van onbetaald werk als opvoeders en verzorgers, zo stelden socialistische feministen. En ook mensen die niet passen in dit kerngezin – zoals homo’s - worden uitgesloten. Jeffrey Weeks beschrijft het gezin als een locatie voor emotie en liefde maar ook als een ‘effectieve politie-agent van seksueel gedrag’.
De discriminatie was onbedoeld een factor in de creatie van een homoseksuele identiteit. Om iets te veroordelen moet het immers besproken en gedefinieerd worden. Van oudsher staan homofoben voor het dilemma dat ze niemand op ideëen willen brengen maar tegelijkertijd de wereld willen waarschuwen voor homo’s...
Een hernieuwde utopie
Het idee dat homoseksualiteit niet aangeboren is werpt grote vragen op voor homoactivisme. Op het eerste gezicht lijkt het de beschuldigingen van homofoben die beweren dat homoseksualiteit een levensstijl is die men kan afleren en het gevolg van is van moreel verval te bevestigen. Een eerste reactie daarop is dat zeggen dat homoseksualiteit een historisch en door mensen gemaakt iets is, wel heel iets anders is dan zeggen dat het een vrije keuze is. We kiezen immers niet aan welke invloeden we blootgesteld zijn, welke invloeden ons het sterkste beïnvloeden of wat voor etiket we opgeplakt krijgen. Bovendien blijven hun morele oordelen natuurlijk onzin.
Sommige voorvechters van homo-rechten hebben geprobeerd te bewijzen dat homoseksualiteit wel degelijk aangeboren is. De Amerikaanse neurobioloog Simon LeVay heeft bijvoorbeeld geprobeerd om het ‘gen’ te ontdekken dat mensen homo maakt. LeVay, zelf homo, redeneert dat als hij kan bewijzen dat homoseksualiteit aangeboren is, hij een sterk argument tegen homofobie heeft; ‘Wie kan mensen kwalijk nemen hoe ze geboren zijn?’ Andere homo-activisten hebben daar enigzins cynisch op gereageerd door erop te wijzen dat zwarten er ook niks aan kunnen doen met welke huidskleur ze geboren worden maar dat dit racisten niet tegenhoud. Bovendien, als homoseksualiteit genetisch zou zijn, waarom zouden homofoben dan niet alsnog pleiten voor biologische ingrepen om homoseksualiteit te ‘genezen’ zoals bij andere genetisch overdraagbare aandoeningen? LeVays werk heeft trouwens ook van andere wetenschappers zware kritiek gekregen.
Toen de moderne homobeweging in de jaren zeventig ten tonele verscheen was het doel voor de radicale vleugel ervan niet slechts tolerantie en rechten maar seksuele zelfbeschikking voor iedereen – categorieën als ‘homo’ of ‘hetero’ moesten op den duur betekenisloos worden. Zo’n utopie zou niet meer dan een droom zijn als onze seksualiteit inderdaad aangeboren is. Een visie op homoseksualiteit als een constructie maakt de herleving van die utopie mogelijk en biedt ruimte aan mensen die niet in de hokjes homo of hetero passen.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren