Ana Cristina Carvalhaes is een van de oprichters van de Braziliaanse Partij voor Socialisme en Vrijheid (PSOL) en lid van het uitvoerend bureau van de Vierde Internationale. In dit interview met Federico Fuentes voor LINKS International Journal of Socialist Renewal, stelt Carvalhaes een niet-dogmatische theorie van het imperialisme voor, die het ecologische vraagstuk omvat, de agressieve neokolonialistische koerswijziging van Trump begrijpt en de imperialistische en subimperialistische rol erkent die bepaalde 'middelgrote economieën' spelen.
In de afgelopen eeuw is de term imperialisme gebruikt om verschillende situaties te omschrijven en is hij soms vervangen door begrippen als globalisering. Is imperialisme nog steeds relevant? Zo ja, hoe definieert u het dan?
Imperialisme is een marxistisch begrip, hoewel het woord veelvuldig wordt gebruikt in de media en door niet-marxistische wetenschappers. Het antwoord op uw vragen hangt af van het marxistische perspectief van waaruit u het analyseert, aangezien er verschillende vormen van marxisme bestaan. Ik sluit me aan bij een stroming die onveranderlijke dogma’s, onaantastbare klassiekers en geheiligde goeroes verwerpt. Dergelijke ahistorische opvattingen zijn in tegenspraak met de essentie van het marxistische historisch materialisme. En zonder marxistische theorie is het bijvoorbeeld onmogelijk om de materiële en ideologische wortels te begrijpen van het binnenlands en buitenlands beleid van de Amerikaanse president Donald Trump — zijn oorlogen, invoerheffingen en chantage tegen voormalige bondgenoten.
Het idee van imperialisme blijft ook nu uiterst relevant en bruikbaar, ook al is het in de 110 jaar sinds Lenins baanbrekende pamflet over dit onderwerp verrijkt door de werkelijkheid en nieuwe verschijnselen. Ik behoor tot degenen die het concept van imperialisme verdedigen en erop teruggrijpen, zoals dat aan het begin van de 20e eeuw door een grote generatie marxisten is geformuleerd en bediscussieerd. Maar ik denk ook dat we moeten putten uit de geschiedenis van de afgelopen ruim 100 jaar en uit belangrijke bijdragen met betrekking tot nieuwe verschijnselen in de wereldeconomie en de geopolitiek, met name van activisten en theoretici uit het zogenaamde Globale Zuiden — dat wil zeggen, uit gekoloniseerde landen en regio’s.
Voor marxisten kan noch de ‘hegemonische transitie’ – ontleend aan de wereldsysteemschool van Immanuel Wallerstein en Giovanni Arrighi – noch globalisering, een term met neoliberale wortels, het idee vervangen van economische en politieke overheersing door een groep ‘kernlanden’ – gekenmerkt door hun vroege industrialisatie en financialisering – over de meerderheid van de naties, die in meer of mindere mate worden uitgebuit en onderdrukt. Ongelijkheid, uitbuiting (waarde-onttrekking) en politieke onderdrukking maken al bijna 150 jaar deel uit van de essentie van het kapitalisme. Het marxistische concept van imperialisme is een systemische definitie met een veel grotere waarde — theoretisch scherper voor het begrijpen van de werkelijkheid en nuttiger voor de strijd van uitgebuite en onderdrukte volkeren — dan de theorieën die u noemde.
Dat betekent niet dat marxistische theorieën geen bijdragen van andere denkrichtingen zouden moeten opnemen. Het idee van een hegemonische transitie, waarbij de belangrijkste (hegemonische) kapitalistische kernlanden elkaar afwisselen (eerst Genua en Venetië, daarna Nederland, Engeland, de Verenigde Staten en nu China), is interessant. Het past het idee van hegemonie van Antonio Gramsci toe op het internationale toneel en draagt bij aan het begrip van de kapitalistische geschiedenis. Bovendien was Arrighi een pionier in het wijzen op iets wat nu evident is, namelijk dat China zich in de jaren tachtig en negentig ontpopte als een potentiële nieuwe hegemonische macht. Hij zette dat uiteen in zijn boek uit 2007, Adam Smith in Beijing. In marxistische termen was China toen al bezig de voorwaarden te scheppen om een nieuw imperialisme te worden — een proces dat nog steeds aan de gang is.
Globalisering is een term die neoliberalen hebben bedacht om de vermeende deugden van een wereldeconomie onder hun leiding te verheerlijken. Er deed zich in die periode echter iets nieuws voor. Dat spoorde veel marxisten aan, waaronder de Franse econoom François Chesnais en Latijns-Amerikaanse structuralistische economen zoals Maria da Conceição Tavares, om vanuit een materialistisch perspectief te bestuderen wat er in de jaren negentig met het kapitalisme gebeurde. In zijn worsteling met die nieuwe realiteit beschreef Chesnais de mechanismen van de neoliberale financiële globalisering als een nieuwe periode van nog grotere dominantie van de financiële sector. Van hun kant benadrukten Tavares en haar groep in Brazilië de onderdrukkende geopolitieke gevolgen van de macht van de Amerikaanse dollar, die in combinatie met de militaire superioriteit van de VS de Amerikaanse macht na de crises van de jaren zeventig opnieuw bevestigde.
Discussies over imperialisme verwijzen vaak naar Lenins pamflet over imperialisme. Is het nu nog steeds relevant? Welke elementen zijn door latere ontwikkelingen achterhaald?
Lenins synthese was niet alleen uiterst nauwkeurig en politiek bruikbaar voor zijn tijd, maar de verdienste ervan ligt bovenal in het feit dat ze blijk gaf van een buitengewone strategische visie op de lange termijn. Als revolutionair maakte Lenin zich zorgen over de oorlog, die in Europa al honderdduizenden levens had geëist toen het pamflet in 1916 werd geschreven en over de vraag hoe socialisten aan beide kanten van de loopgraven hierop moesten reageren.
Het grootste deel van wat hij als imperialisme beschreef, is nu nog steeds relevant:
- de systemische dominantie van een alliantie tussen bankkapitaal en industrieel kapitaal — financieel kapitaal;
- de groeiende neiging tot kapitaalconcentratie door de vorming van monopolies of oligopolies — het einde van de vrije concurrentie;
- de steeds groter wordende ontwikkelingskloof tussen kern- en niet-kernlanden;
- de neiging van geïndustrialiseerde landen, gedreven door de behoeften van het kapitaal, om hun politieke, militaire en economische macht over anderen uit te breiden; en
- rivaliteit tussen imperialistische mogendheden en de neiging tot oorlog.
Elk kenmerk beschrijft treffend de crises van nu — met als opvallende uitzondering de ecologische en klimaatcrisis.
Het leninistische concept van imperialisme is de afgelopen 110 jaar niet altijd even gemakkelijk te verdedigen geweest. Nieuwe ontwikkelingen dwongen marxisten om te debatteren over imperialisme en de veranderingen die het onderging. De periode van 30 jaar na de Tweede Wereldoorlog werd gekenmerkt door de volledige economische superioriteit van de VS (in alliantie met West-Europa en Japan). Dat leidde tot discussies over de vraag of de rivaliteit tussen de imperialistische mogendheden was beëindigd, nu de grootste rivaliteit met het 'communistische' blok bestond. De grote industriële ontwikkeling van de jaren vijftig en zestig bracht sommige marxisten uit de 'Eerste Wereld' ertoe zich af te vragen of het financieel kapitaal nog steeds de overhand had — wat de financiële globalisering definitief zou weerleggen.
In grote lijnen is de marxistische theorie van het imperialisme op de lange termijn juist gebleken, hoewel die natuurlijk niet zonder tekortkomingen is. De marxistische theorie van het imperialisme, verder ontwikkeld door Latijns-Amerikaanse afhankelijkheidsdeskundigen en antikoloniale denkers uit Afrika en Azië, benadrukt terecht de tegenstelling tussen kern en periferie. Maar het duurde lang voordat de opkomst van tussenliggende staatseconomieën werd onderkend — sommigen doen dat nog steeds niet.
Die staatseconomieën zijn afhankelijk van imperialistische kernmachten, maar onderdrukken buren en partners op regionaal niveau. Ze kunnen niet helemaal tot de kern worden gerekend, maar behoren ook niet langer louter tot de periferie. Brazilië is een voorbeeld; Australië is, naar mijn mening, een ander. Die groep is zeer heterogeen vanwege onder meer historische, sociale en demografische verschillen.
Ten tweede, maar niet minder belangrijk, werd er geen aandacht besteed aan de roofzuchtige gevolgen van het industriële kapitalisme voor de natuur. In feite kwam de natuur niet voor in de geschriften van die denkers. Ze slaagden er bijvoorbeeld niet in om het verband tussen imperialisme en ongelijkheden uit te werken in termen van de veel grotere milieuschade die de gekoloniseerden werd toegebracht.
Meer recentelijk hebben marxisten getracht ecologie en de milieucrisis in hun concept van imperialisme te integreren, bijvoorbeeld door begrippen als 'ongelijke ecologische uitwisseling' voor te stellen. Hoe belangrijk is het om de milieucrisis te integreren in ons begrip van imperialisme? Hoe kunnen we dat het beste doen?
Die late integratie is naar mijn mening de belangrijkste bijdrage aan de marxistische theorie sinds de jaren zeventig. Er is een groeiend corpus aan werk over dat onderwerp, dat is toegenomen in lijn met het stijgende aantal ecologische rampen, het toenemende bewustzijn onder brede lagen van de samenleving en het groeiende bewijs van de klimaat- en biodiversiteitscrises waarmee we worden geconfronteerd. Tot de belangrijkste marxistische en door het marxisme beïnvloede theoretici die aan die voortdurende discussie bijdragen, behoren Michael Löwy, Ian Angus, James O’Connor, Daniel Bensaïd, John Bellamy Foster, Jason Moore, Ariel Salleh, Andreas Malm, Maristella Svampa en Kohei Saito. Antikapitalisten, zoals Naomi Klein, hebben een cruciale rol gespeeld bij het onder de aandacht brengen van die kwestie.
De integratie van ecologie door marxistische theoretici en sociale bewegingen was — en blijft — essentieel, aangezien de strijd tegen het kapitalisme een kwestie van menselijk voortbestaan is. Dat systeem vernietigt de natuur. Als het kapitalistische systeem — dat aanleiding gaf tot kolonialisme en imperialisme — de kern van het probleem vormt, dan zorgen de overheersingsmechanismen ervan ervoor dat de huidige crises verergeren en de planeet met instorting wordt bedreigd.
'Ongelijke ecologische uitwisseling' is een kapitalistisch-imperialistisch mechanisme. Het verklaart waarom de vernietiging van biomen en biodiversiteit, evenals water- en luchtvervuiling, veel groter is in landen die door kernmachten worden uitgebuit. Die landen worden gezien als exporteurs van landbouwproducten, vee, mineralen en olie, of als locaties om vervuilende industrieën te dumpen die imperialisten in eigen land niet willen hebben.
Het kapitalisme creëert ook wat milieuactivisten ‘offerzones’ noemen in semi-koloniale landen buiten de kern: gebieden waar imperialistische bedrijven en regeringen mijnbouw-, olie- en gasprojecten en eucalyptusplantages voor de pulpindustrie (en pulpfabrieken) opleggen en waar ze hun afval storten. We maken dat nu mee met de bouw van datacentra voor Amerikaanse Big Tech-bedrijven in heel Latijns-Amerika.
Ongelijkheid in het imperialisme komt ook tot uiting in ‘milieuracisme’, een begrip dat door antiracistische bewegingen in het Globale Zuiden wordt gebruikt om te verklaren (en te bestrijden) dat de belangrijkste doelwitten voor vervuiling, het lekken van giftige stoffen, lawaai en vernietiging juist gebieden zijn waar inheemse volkeren, mensen van Afrikaanse afkomst en onderdrukte etnische groepen doorgaans wonen. Gelukkig pakken bewegingen en links die kwestie aan, hoewel niet in het tempo dat nodig is om het imperialistische kapitalisme te stoppen te midden van de klimaatcrisis.
De oorspronkelijke imperialistische mogendheden bouwden hun rijkdom en militaire macht op door middel van koloniale veroveringen en de plundering van prekapitalistische samenlevingen. Zijn zij nog steeds de enige imperialistische mogendheden? Of zijn sommige natiestaten van niet-imperialistisch naar imperialistisch veranderd? Zo ja, welke specifieke kenmerken en economische grondslagen hebben hen in staat gesteld om toe te treden tot de club van imperialistische mogendheden?
Dat is een andere tekortkoming van de leninistische benadering. Ter verdediging van Lenin en zijn tijdgenoten: het was niet hun bedoeling om de toekomst te voorspellen. De mogelijkheid dat sommige imperialistische mogendheden aan invloed zouden inboeten, terwijl nieuwe imperialismen zich op regionaal niveau zouden doen gelden, was niet voorzien. Maar dat is precies wat we nu zien.
Nu hebben Europese landen hun leidende rol verloren, hoewel ze imperialistisch blijven. De Verenigde Staten behouden hun hegemonie binnen de 'kern'-groep, maar verkeren in economisch verval en verliezen politieke invloed. Rusland vertoont onder president Vladimir Poetin de geopolitieke kenmerken van een regionale imperialistische macht. En China streeft ernaar toe te treden tot de 'club' van de machtigsten. China wil niet alleen zijn aandeel in de herverdeling van invloedssferen, maar concurreert ook rechtstreeks met de hegemoon om economische, technologische en geopolitieke suprematie.
Het mondiale kapitalistisch-imperialistische systeem is niet statisch, maar dynamisch; het bevindt zich in een staat van voortdurende transformatie. De opkomst van China en Poetins bevestiging van het Groot-Russische imperialisme — samen met het bestaan van subimperialistische landen — zijn het resultaat van mondiale en nationale omstandigheden.
Interessant genoeg waren zowel Rusland als China — die als nieuwe vormen van imperialisme kunnen worden beschouwd — erfgenamen van arbeiders- en volksrevoluties. Dat maakte in de 20e eeuw een aanzienlijke economische ontwikkeling in de voormalige Sovjet-Unie mogelijk en, in het geval van China, een omvangrijke 'prekapitalistische' accumulatie na de revolutie van Mao. Dat maakte de weg vrij voor de daaropvolgende kapitalistische sprong die eind jaren zeventig en begin jaren tachtig begon en verbonden was met het westerse imperialisme.
Welk relatief gewicht hebben de mechanismen van imperialistische uitbuiting nu, in het licht van de veranderingen van de afgelopen eeuw, in vergelijking met het verleden?
Als je met ‘het verleden’ de periode bedoelt vóór de Tweede Wereldoorlog, de Chinese revolutie (1949), de onafhankelijkheid en opdeling van India (1947) en de dekolonisatiebewegingen in Afrika en Zuidoost-Azië in de jaren vijftig en zestig, dan is het duidelijk dat de mechanismen van uitbuiting en politieke onderdrukking zijn veranderd of aanzienlijk zijn verfijnd. Maar, net als in Lampedusa’s De Tijgerkat, zijn ze veranderd om ervoor te zorgen dat ‘alles bij het oude blijft’. De kernlanden eigenen zich nog steeds een aanzienlijk deel van de door de niet-kernlanden gegenereerde waarde toe.
Er zijn nog maar weinig directe koloniën over: Puerto Rico is een kolonie van de VS; Frankrijk, Engeland en Nederland behouden enkele overzeese koloniën, onder meer in Oceanië. Maar directe kolonisatie is niet langer het belangrijkste mechanisme voor het toe-eigenen van waarde. In plaats daarvan zijn de belangrijkste mechanismen:
- de internationale arbeidsverdeling, die afhankelijke landen veroordeelt tot de 'eeuwigdurende' rol van exporteur van grondstoffen (voornamelijk landbouwproducten en mineralen) voor geïndustrialiseerde kernlanden;
- de superuitbuiting van arbeidskrachten in afhankelijke of semi-koloniale landen, waarvan alleen de kopers profiteren;
- de winststroom naar industriële, dienstverlenende en technologische oligopolies of monopolies met hoofdkantoor in imperialistische landen, ook al opereren ze in perifere landen, waar ze kleine bedrijven vernietigen en de ontwikkeling van binnenlandse ondernemingen belemmeren;
- de schuldenlast van perifere landen aan imperialistische regeringen en internationale kredietinstellingen zoals de Wereldbank en het IMF, evenals ontwikkelingsbanken die worden beheerd door de Europese Unie, Japan, enzovoort.
Het belangrijkste verschil tussen het imperialisme in het neoliberale tijdperk — naast de ondermijning van sociale verworvenheden en de economische en financiële soevereiniteit van staten — en dat van de voorgaande periode ligt echter in de machtsverhouding. In het neoliberale tijdperk breidde de imperialistische uitbuiting zich uit en werd ze verfijnder, naarmate het imperialisme het offensief hervatte dat het in de voorgaande periode van grote revoluties en koloniale bevrijding had verloren.
Nu streeft het extremistische imperialisme van Trump, dat een 21e-eeuwse genocide tegen de Palestijnen in Gaza ondersteunt, ernaar het oude kolonialistische mechanisme van het toe-eigenen van rijkdom door middel van plundering, invasies, rooftochten en directe controle over landen opnieuw in te voeren (zoals in het geval van Venezuela sinds 3 januari). De flagrante politieke inmenging van Trump en zijn handlangers in de verkiezingen in Honduras, Argentinië en Colombia, en nu ook in Brazilië, belichaamt het standpunt dat is 'getheoretiseerd' in de Nationale Veiligheidsstrategie van het Witte Huis, waarin de VS wordt aangewezen als de heerser over het 'westelijk halfrond' (de Amerikaanse continenten plus Groenland).
Na de Koude Oorlog leek de wereldpolitiek gedomineerd te worden door het Amerikaanse imperialisme. Nu is het echter duidelijk in verval. Welke factoren verklaren dat?
Als hegemonische imperialistische macht was de VS (samen met Groot-Brittannië en de andere Europese imperialistische mogendheden) de belangrijkste drijvende kracht achter de neoliberale veranderingen die tussen 1990 en 2007 zowel in het mondiale bestuur als in de meeste staten plaatsvonden. De mondiale kapitalistische elite — de meerderheid van de imperialistische bourgeoisfracties — bedacht het neoliberale regime van kapitalistische accumulatie als oplossing om de winst- en accumulatiecijfers te herstellen, die sinds de jaren zeventig waren gedaald.
Het neoliberalisme werd in de hand gewerkt door de nederlaag van de Sovjet-Unie en de Oost-Europese regimes, wat een enorme politiek-ideologische crisis onder arbeiders teweegbracht. Het werd ook bevorderd doordat China ermee instemde deel te nemen aan die neoliberale economische hervorming. De kapitalistische restauratie van China, die in de jaren tachtig begon maar voortbouwde op de 'prekapitalistische' accumulatie die mogelijk was gemaakt door de revolutie van 1949, was essentieel voor de neoliberale globalisering.
De opkomst van China en de 'herimperialisering' van Rusland waren het gevolg van tegenstellingen die inherent waren aan het neoliberale project. Ondanks de successen van het neoliberalisme — de verspreiding ervan over het Westen en delen van het Oosten, de oplegging ervan aan regeringen van alle politieke stromingen, inclusief sociaaldemocraten en progressieven — opende het ook de deur naar de snelle industrialisatie van China en Oost-Azië (de 'tijgereconomieën') door productielijnen naar het Oosten te exporteren. Amerikaanse en Europese leiders claimden de overwinning na de val van de bureaucratische regimes in Rusland en Oost-Europa en stelden bedrijfsplannen en strategieën op voor ‘vriendschappelijke regeringen’ in Centraal-Azië. Maar ze onderschatten de geschiedenis en het verlangen naar wraak van de nieuwe Kremlin-oligarchie, die niet voortkwam uit het bolsjewisme maar uit het Groot-Russische imperialisme.
Daarentegen is de VS grotendeels gedeïndustrialiseerd en heeft het land economische kracht en invloed verloren — een trend die sinds de crisis van 2007–2008 is verergerd, ondanks het behoud van de controle over de wereldwijde munteenheid (de Amerikaanse dollar) en de wereldwijde financiële transacties. Een Amerikaanse bedrijfssector die aan die neergang is ontsnapt, is de informatietechnologie (IT, Silicon Valley), met name AI-bedrijven. De nieuwe oligarchen van Big Tech, fintech-bedrijven en investeerders in cryptovaluta proberen de opmars van China tegen te gaan.
Hoe beoordeelt u het buitenlands beleid van Trump in deze context? Betekent het een fundamentele verschuiving in de rol die het Amerikaanse imperialisme wereldwijd wil spelen?
Francisco Louçã en Diogo Machado wijzen erop dat er, zelfs vóór Trumps terugkeer naar het Witte Huis in 2025, al ingrijpende veranderingen gaande waren in de kapitalistische accumulatiemodus sinds de grote crisis van 2007–2008 en de daaropvolgende recessie. Die veranderingen, die via smartphones, sociale media, platformwerk en massale digitalisering het dagelijks leven beïnvloeden, hebben bijgedragen aan het creëren van een voedingsbodem waarop neofascistische extreemrechtse bewegingen wereldwijd konden floreren.
De neofascistische coalitie in het Witte Huis betekent geen onbeduidende 'koerswijziging'. De regering-Trump regeert in het belang van Big Tech, AI-bedrijven, fintech-bedrijven, vermogensbeheerders en beleggers in cryptovaluta. Vanuit politiek-economisch oogpunt is het machtsblok in het Witte Huis — de Amerikaanse burgerlijke facties in de regering — veranderd, zelfs ten opzichte van Trumps eerste ambtstermijn. In dat verband is het de moeite waard om 'The U.S. Ruling Class and the Trump Regime' van John Bellamy Foster te lezen. De nieuwe oligarchieën – of nieuwe miljardairs – steunen de meest schaamteloze, gewelddadige en afpersende supremacistische vleugel van Trumps Project 2025 en zijn extremistische coalitie.
De regering-Trump geeft, zowel binnenlands als op het wereldtoneel, uiting aan een zekere wanhoop bij sectoren van het hegemonische imperialistische kapitaal om de relatieve neergang van de VS een halt toe te roepen. Geconfronteerd met de opkomst van China, de ongebreidelde invloed en autonomie van Rusland en de eveneens ongekende situatie in Latijns-Amerika en Afrika (waar Chinese investeringen sterk zijn toegenomen), steunen die kapitalisten Trumps agressieve neokolonialistische koerswijziging. Met te lage accumulatiepercentages en een opkomende concurrent hangt die koerswijziging ook nauw samen met pogingen om het politieke regime van de VS nog autoritairder te maken.
De veranderingen zijn aanzienlijk en kwalitatief, maar ik zou ze niet ‘fundamenteel’ noemen — althans voorlopig niet. Dat voorkomt de misvatting dat Trump ‘een andere’ of ‘nieuwe’ vorm van imperialisme vertegenwoordigt. Het is veeleer kapitalistisch imperialisme in een ‘nieuw’ jasje. Het is eigenlijk vrij ouderwets en lijkt op een soort 19e-eeuws imperialisme in het tijdperk van platforms, sociale media en AI.
Van tijd tot tijd verkondigt een marxistische intellectueel een nieuw kapitalisme of een nieuw imperialisme, zoals David Harvey in 2005 deed in de nasleep van de Amerikaanse oorlog tegen Irak. De Britse geograaf leverde een belangrijke bijdrage door te waarschuwen voor ‘accumulatie door onteigening’ — een concept dat voor het eerst werd verwoord door Rosa Luxemburg. Maar overhaaste definities, zoals ‘nieuw imperialisme’, helpen misschien wel om boeken te verkopen en bekendheid te verwerven in de academische wereld, maar ze hebben weinig nut voor de strijd.
Hoe moeten we de groeiende rivaliteit tussen de VS en China begrijpen, gezien het feit dat beide economieën meer dan ooit met elkaar verweven zijn en de VS een aanzienlijk militair overwicht behoudt?
Dat is de belangrijkste tegenstrijdigheid in de agenda en het optreden van Trump: voorkomen dat China de monopolistische controle van de VS over de club van imperialistische landen uitdaagt — dat wil zeggen, voorkomen dat China de plaats van de VS inneemt — zonder de economische banden met de Aziatische draak volledig te verbreken. Trump wakkert felle economische en geopolitieke concurrentie aan met invoerheffingen, gerichte maatregelen tegen Chinese chips en TikTok, evenals speculatie en bemoeienis in geschillen over de Zuid-Chinese Zee en de Straat van Taiwan. Toch wijzen delen van Trumps retoriek en praktijk erop dat hij een dialoog met China (en Rusland) wil over het in onderling overleg hertekenen van invloedssferen.
Het Amerikaanse imperialisme heeft een fundamenteel belang bij het ‘in bedwang houden’ van China en het tegengaan van de groeiende invloed en militaire macht van zijn rivaal. Maar het bevindt zich niet in dezelfde positie en wordt niet geconfronteerd met dezelfde omstandigheden als in de 20e eeuw om dat te voorkomen. Wat militaire dominantie betreft, blijft de VS onmiskenbaar de sterkste macht in de geschiedenis; de oorlog in Iran heeft echter aangetoond dat het land niet onoverwinnelijk is.
Wat is uw visie op het concept van multipolariteit, dat door sommigen aan de linkerkant wordt bepleit? Is het nu mogelijk om een neutrale of niet-gebonden positie in te nemen ten opzichte van imperialistische blokken of polen (of grootmachten), zonder afstand te doen van de solidariteit met de strijd die elders wordt gevoerd?
Niet-marxistische stromingen hebben een sterke greep op de gebieden van internationale betrekkingen en politieke economie. Termen als 'machten', 'polen', 'hegemonen', 'unipolariteit' en 'multipolariteit' komen voort uit twee dominante niet-marxistische theorieën over het mondiale interstatelijke systeem: de realisten (die realpolitik en de onvermijdelijke suprematie van sommigen over anderen voorstaan) en de institutionalisten (voorstanders van 'internationale samenwerking' en het nastreven van vreedzame coëxistentie tussen uitbuiters en uitgebuitenen).
Multipolariteit is een concept dat specifiek is voor institutionalisten. Het duidt op een situatie waarin het internationale systeem meerdere machtspolen kent. Dat wordt positief beoordeeld, in tegenstelling tot het tegenovergestelde, unipolariteit, waarbij er slechts één pool is (één enkel imperialisme).
Die stromingen houden geen rekening met de volkeren en arbeiders van die landen, met nationale uitbuiting en onderdrukking door grootmachten, of met emancipatiestrijd. Hun raison d’être is het bestendigen van het systeem, niet het transformeren ervan. (Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat de meeste internationale analisten — zowel realisten als institutionalisten, waaronder veel voormalige adviseurs van het Witte Huis, het Pentagon en de CIA — verontwaardigd zijn over het buitenlandbeleid van Trump).
Het grootste deel van de brede linkse beweging in het Globale Zuiden, dat is afgesneden van het Sovjetblok en onderdrukt wordt door het Amerikaanse imperialisme, zoekt een misleidende toevlucht in de opkomst van concurrenten van de VS en Europa — namelijk Rusland en China. Aangezien beide landen vrij onafhankelijk zijn van Washington en in die zin tegenstanders van de hegemonische macht zijn, juichen die linkse sectoren 'multipolariteit' toe.
In de praktijk kiezen ze echter simpelweg de kant van de tegenstanders van hun ‘hoofdvijand’, zonder rekening te houden met de aard van de economieën en politieke regimes van Rusland en China. Ook houden ze geen rekening met de belangen van de Russische en Chinese arbeiders en bevolking. Dat standpunt is een ontkenning van het internationalisme met de onderdrukten. Internationalisten zijn niet neutraal — we staan aan de kant van de volkeren en de arbeiders.
Op regionaal niveau hebben we gezien hoe Rusland Oekraïne is binnengevallen en hoe landen als Turkije en Saoedi-Arabië hun militaire macht buiten hun grenzen projecteren. Hoe moeten we die regionale dynamieken binnen het mondiale kapitalisme begrijpen? De term ‘subimperialisme’ wordt soms gebruikt om dergelijke landen te beschrijven. Is dat een bruikbare term?
Subimperialisme bestaat echt en het is niet alleen een bruikbaar maar ook een onmisbaar concept. Bovendien is het niets nieuws. Het debat over ‘midden’-economieën en -landen begon in de jaren zestig. Ernest Mandel noemde die landen ‘laat-industrialiserende landen’. Wallerstein noemde ze ‘semi-perifeer’.
Het concept van subimperialisme werd uitgewerkt door Latijns-Amerikaanse marxistische afhankelijkheidstheoretici, met name de linkse structuralisten bij de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (ECLAC) en, meer concreet, Ruy Mauro Marini. Tegen de achtergrond van veranderingen in de internationale arbeidsverdeling na de Tweede Wereldoorlog onderzocht Marini het fenomeen van afhankelijke 'midden'-landen die de volgende kenmerken combineerden:
- een mate van superuitbuiting van arbeidskrachten en ongelijkheid, waardoor de waarderealisatie binnen de nationale grenzen werd beperkt;
- omleiding van een groot deel van de industriële productie naar de export als gevolg van de bovengenoemde beperking;
- het onttrekken van winsten aan en het uitoefenen van geopolitieke invloed op kwetsbaardere landen in de regio; en
- voortdurende vermogensoverdracht en politieke ondergeschiktheid aan een hegemonische imperialistische macht.
Marini beschouwde Brazilië, Mexico en Argentinië destijds als subimperialistisch.
Met de opkomst van andere subimperialistische mogendheden in de afgelopen 40 jaar, zoals Zuid-Afrika, wordt de term nu op een brede en onnauwkeurige manier gebruikt. Om als subimperialistisch te worden beschouwd, moet een land ondergeschikt zijn aan een imperialistische macht. Dat geldt bijvoorbeeld niet voor Rusland en nog minder voor China, dat nu niet eens als een middelgrote economie kan worden aangemerkt. Het is onjuist om de BRICS-landen als een blok van subimperialisten te omschrijven, zoals sommigen doen. Brazilië, India en Zuid-Afrika zijn subimperialistisch — net als Turkije, dat buiten het blok valt — maar de BRICS als geheel zijn dat niet.
Ziet u mogelijkheden om bruggen te slaan tussen anti-imperialistische strijd op internationale schaal, gezien het feit dat sommige strijdbewegingen steun zoeken bij rivaliserende machten? Hoe zou anti-imperialistisch en antikapitalistisch internationalisme er in de 21e eeuw uit moeten zien?
De ideale, strategische aanpak is het opbouwen van anti-imperialistische, antifascistische en antikapitalistische bewegingen tegen alle vormen van imperialisme. Bewegingen die hun stem verheffen tegen oorlogen, invoerheffingen, inmenging en invasies door de VS, zouden hetzelfde moeten doen tegen de Russische invasie van Oekraïne. We hebben een internationalisme nodig dat zich verenigt met de Chinese bevolking en arbeiders op het vasteland en in Taiwan. Degenen onder ons die de strijd op die manier zien, moeten deel uitmaken van al die bewegingen.
Maar we moeten erkennen dat het een moeilijke taak is om ze allemaal te verenigen, gezien de kracht van 'kampistische' ideeën binnen links die Rusland en China als bondgenoten beschouwen. Wat moeten we doen in het licht van die moeilijkheden? Enerzijds moeten we alle mogelijke tactische allianties (verenigde fronten) smeden en betrokken zijn bij alle brede, specifieke initiatieven tegen de VS. Anderzijds moeten we hetzelfde doen tegen Rusland vanwege zijn oorlog tegen Oekraïne.
We moeten beide doen, terwijl we onze politieke onafhankelijkheid behouden en een krachtige propagandacampagne voeren om het imperialistische en autoritaire karakter van het regime van Poetin aan de kaak te stellen. In tijden van urgentie is het geen verstandige of nuttige strategie om geïsoleerd te blijven door van anderen te eisen dat zij zich aan ons standpunt houden alvorens deel te nemen aan de antifascistische en anti-imperialistische eenheid die we nu nodig hebben.
Dit artikel stond op Links. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.
Reactie toevoegen