Borderless

13 November 2019

Als Lenin in 1926 nog geleefd had dan zou hij waarschijnlijk in de gevangenis hebben gezeten

In 1992 publiceerde Ernest Mandel bij Verso[1] Power and Money, a Marxist Theory of Bureaucracy (Macht en Geld, een marxistische theorie van de bureaucratie). In dit boek maakt Mandel een nieuwe balans van de ontaarding van de Sovjet-Unie en speurt naar de sociale en historische wortels van de bureaucratie, zowel in de kapitalistische staat als in de massaorganisaties van de arbeidersbeweging. Frank Slegers had hierover ëen gesprek met de auteur.  

De twintigste eeuw heeft eerst de ontaarding gekend van de sociaaldemocratie, en daarna de overwinning van het stalinisme. Men zou het de eeuw kunnen noemen van de bureaucratie?

Dat is te eenzijdig geformuleerd. Wat er werkelijk gebeurd is, is veel complexer en tegenstrijdiger. Er is op dat vlak een geweldige teloorgang aan herinnering, aan kennis, hetgeen deel uitmaakt van de crisis van links.

De historische basis van de macht van de bureaucratie is de afwezigheid van zelfstandige activiteit van de arbeidersklasse. In de twintigste eeuw is dat niet een doorlopende tendens.

Om dat te verduidelijken wil ik teruggaan naar het fundamenteel debat op het einde van de negentiende eeuw, het debat over het zogenaamde revisionisme, dus het debat essentieel tussen Bernstein en Rosa Luxemburg. Dat debat was verbonden met een meer algemene discussie, die ook in burgerlijke kringen een groot gewicht had: het debat over de burgerlijke vooruitgangsidee. Twee fundamenteel verschillende posities stonden tegenover elkaar.

De idee van Bernstein en andere volgelingen van een naïef vooruitgangsmodel, ook progressieve liberalen, was dat de tegenstellingen in de maatschappij kleiner en kleiner zouden worden, met minder en minder crisissen, minder en minder oorlog, minder en minder maatschappelijke schokken. De politieke conclusie was dat men zich best kon concentreren op binnen de bestaande maatschappij verwezenlijkbare hervormingen.

Daartegenover stond de positie van Rosa Luxemburg als duidelijkste spreekbuis van de linkse socialisten. Haar standpunt was dat de twintigste eeuw een eeuw zou worden van meer en meer crisissen, meer en meer oorlog, meer en meer geweld en barbarij als de maatschappij niet fundamenteel veranderd werd.

Haar politieke conclusie was dan ook dat om die dreigende gevaren tegen te houden het niet alleen nodig was sterke organisaties uit te bouwen, deel te nemen aan verkiezingen, hervormingen af te dwingen in het parlement. Essentieel was meer en meer massa-activiteit, wezenlijk buitenparlementaire massa-activiteit. Te geloven dat een paar duizend, of een paar tienduizend, of zelfs een paar honderdduizend mensen de dreigende gevaren gaan kunnen afwenden, dat is een utopie. Alleen wanneer je tientallen miljoenen mensen, zo niet meer, op wereldschaal in beweging brengt, zult je die gevaren kunnen tegenhouden.

Zelfactiviteit

Als we vandaag een balans opmaken van de geschiedenis, dan is er niet de minste twijfel dat Rosa gelijk had.

Ook het tweede luik van de visie van de linkse socialisten is niet weerlegd. Er is in de twintigste eeuw absoluut geen tendens naar een min of meer ononderbroken daling van de zelfactiviteit van de werkende bevolking. Er is alleszins ook geen onafgebroken stijging, maar dat hebben revolutionaire marxisten nooit beweerd.

Die zelfactiviteit heeft een golfkarakter, een cyclisch karakter. Als je de hoogtepunten van de zelfactiviteit van de werkende klasse aaneenrijgt, vanaf laten we zeggen de Russische Revolutie van 1905, dan zie je dat er absoluut geen dalende lijn is.

Ge kunt naast elkaar zetten: de Russische Revolutie van 1905; de Russische Revolutie van 1917; de revolutie in Finland in 1918; de revolutionaire ontwikkelingen in Duitsland en Oostenrijk in 1918-19, met als hoogtepunt de grootste en meest doelmatige algemene werkstaking die we ooit hebben gekend, tegen de militaro-fascistische putch van Kapp von Lüttwitz in 1920; de grote golf van fabrieksbezettingen in Noord-Italië in 1919-20; de Hongaarse revolutie van 1919, die een decreet nr. 9 heeft afgekondigd, waarbij alle grote bedrijven onder het beheer van democratisch verkozen arbeidersraden werden gesteld (de enige revolutie die arbeiderszelfbeheer wettelijk heeft geïnstitutionaliseerd); de grote opgang van de Engelse arbeidersklasse in 1919-20, die door de dreiging met een algemene staking tegen een Britse militaire interventie de Sovjet-Unie heeft gered, opgang die uitgelopen is op de algemene werkstaking van 1926; de opgang van de Chinese arbeidersklasse in 1926-27; de geweldige opgang van de zelfactiviteit van de Spaanse arbeidersklasse tussen 1931 en 1936, met een begin van socialistische revolutie in juli 1936 als antwoord op de militaro-fascistische putch; de golf van fabrieksbezettingen in 1936 in Frankrijk, met ook bezettingen in Tsjecho-Slowakije, België en de Verenigde Staten; na de tweede wereldoorlog, in Frankrijk en België, maar vooral duidelijk in Italië, een geweldige opgang van de rechtstreekse actie van de arbeidersklasse, met een golf van bedrijfsbezettingen op 14 juli 1948 in antwoord op de aanslag op het leven van de communistische leider Togliatti; onze grote algemene werkstaking van 1960-61 in België; Mei ’68 in Frankrijk, met als hoogtepunt de algemene werkstaking van 10 miljoen arbeiders; de hete herfst in Italië, in ’69, met de veralgemening van de fabriekscomités; de Portugese revolutie van 1974-75; de geweldige opgang van de arbeidersklasse en de arbeidersbeweging vandaag in landen als Brazilië en Zuid-Afrika...

Dat is geen balans van permanent groeiende inactiviteit van de werkende klasse. Het is een ingewikkeld, onmogelijk op één noemer te brengen, proces van op- en neergang. Delen van de internationale arbeidersklasse zijn vandaag ongetwijfeld minder actief dan in het verleden, ik denk aan de Duitse arbeidersklasse, de Amerikaanse, de Russische. Maar het wereldproletariaat, dat is meer dan één miljard mensen, daarvan kan je niet zeggen dat het in zijn globaliteit minder actief is dan vroeger.

Ik zou nog een andere opmerking willen maken. De twintigste eeuw is ook de eeuw van langs de ene kant een fundamentele systeemcrisis (niet een permanente economische crisis) van het kapitalisme, dat historisch niet meer in staat is de grote problemen die zich voor de mensheid stellen, zelfs maar op basis van het eigen klassenbelang, op te lossen. Maar het is ook de eeuw waarin de groei van de productiekrachten niet is stopgezet. In een aantal sectoren heeft een nieuwe doorbraak in de groei van de productiekrachten plaatsgevonden: in ons jargon noemen wij dat de derde technologische revolutie. Iedereen, kapitalisten en loon- en weddetrekkenden, wordt geconfronteerd met nieuwe verschijnselen: mondialisatie, crisis van het ecosysteem, crisis van de arbeidsorganisatie.

Wat men nu de bureaucratisering van de wereld noemt omvat niet alleen verschijnselen binnen de arbeidersbeweging, maar ook binnen de burgerij: de groei van de sterke staat, dat is de groei van de bureaucratie; de groei van bureaucratische apparaten binnen de grote kapitalistische firma’s... Maar tezelfdertijd is er in de bevolking een groeiende contestatie van die apparaten, omdat hun doelmatigheid twijfelachtig is en hun verdrukkend karakter duidelijker wordt. Een mooie recente illustratie daarvan: volgens “The Times” van 12 augustus 1993 verwerpen 87 % van de Amerikaanse katholieken de stellingen van de paus betreffende abortus en geboortecontrole.

Toch is de bureaucratie zeker een aspect van die complexe werkelijkheid van onze eeuw. Het debat vandaag draait vooral rond de balans van de bureaucratische ontaarding van de Sovjet-Unie. Wat zijn de maatschappelijke wortels van de bureaucratie in de Sovjet-Unie?

Je krijgt kop noch staart aan de geschiedenis van de USSR na 1923 indien je ze niet begrijpt als een driehoeksgevecht tussen de bureaucratie, de arbeidersklasse, en kleinburgerlijke en pro-burgerlijke krachten. (blz 2).

Enerzijds was er de relatieve zwakte van de arbeidersklasse, haar gedeeltelijk onderontwikkeld karakter, haar culturele zwakte ook, dus het gebrek aan bekwaamheid om een hele reeks machtsmechanismen te controleren, die de bolsjewieken, om niet te zeggen Marx, voorzien hadden om het gevaar van de bureaucratisering dat zij kenden te keren. Die zwakte werd nog verergerd door de verschrikkelijke gevolgen voor de Russische arbeidersklasse van de catastrofale economische ineenstorting op het einde van de burgeroorlog, wanneer grote delen van de Russische arbeidersklasse letterlijk aan het verhongeren waren. Wij hebben dat op veel kleinere schaal gekend in de tweede wereldoorlog. Wanneer je al uw energie nodig hebt om op het platteland aardappelen te zoeken om uw gezin te voeden, dan ben je niet bezig met grote politieke problemen.

Dat hangt samen met de tweede, en uiteindelijk doorslaggevende factor, de voorlopige nederlaag van de internationale revolutie na 1918-19, dus het feit dat de Sovjet-Unie geïsoleerd bleef in de wereld. Hier treft de schuld in de eerste plaats de Westerse arbeidersbeweging, de Duitse en, subtieler en met meer zin voor manoeuver, de Oostenrijkse sociaaldemocratie.

In de ex-Sovjet-Unie, maar ook daarbuiten, wordt Lenin met de vinger gewezen. In een voetnoot van uw boek haal je ook een Vlaams auteur, Mark Vandepitte, aan. Zelf heb je hierover een ‘cahier’ gepubliceerd bij het IIRF in Amsterdam.[2]

Ik heb geprobeerd met feiten aan te tonen, en het is volgens mij absoluut onloochenbaar, dat we in 1917-1919 in Rusland de grootste ontwikkeling van zelfactiviteit van de massa’s hebben gekend die we ooit in de geschiedenis zijn tegengekomen, misschien met uitzondering van Catalonië en Aragon in Spanje in 1936.

De bolsjewistische partij was niet alleen geen rem op die zelfactiviteit, maar ze heeft ze gestimuleerd. De sociaaldemocraten verweten de bolsjewieken de straat te laten regeren tegen de “elite”. De bolsjewieken hebben geantwoord: “ja, wij laten de straat regeren. Wij hebben niet het recht aan de arbeiders, de boeren en de soldaten te dicteren wat ze wel en wat ze niet mogen doen. Misschien vergissen ze zich, maar het is hun recht fouten te maken en uit die fouten te leren. Wij gaan geen repressie uitoefenen tegen de zelfactiviteit van de massa’s. Als ze de landerijen willen opdelen, wat tot een achteruitgang van de productie kan leiden, dan delen ze maar. Het alternatief is bloedige repressie tegen miljoenen mensen. Als de soldaten het leger willen verlaten en naar huis gaan, dan gaan ze maar. Wij gaan geen soldaten doodschieten.” De sociaaldemocratische en de bolsjewistische lijn stonden tegenover elkaar, en de bolsjewistische lijn was de democratische lijn.

Democratie

Ook de inwendige democratie van de bolsjewieken was zeer groot: autonomie van de lokale afdelingen, de verschillende fracties die in het openbaar optraden, die zelfs dagbladen uitgaven, dat hebben we nooit in een andere massa-arbeiderspartij gezien, zelfs niet bij de Spaanse anarchisten in 1936.

De Russische bolsjewistische partij is die eerste jaren de minst gebureaucratiseerde partij geweest die we ooit als een massapartij hebben gekend. Om maar twee cijfers tegenover elkaar te zetten: in de hele partij, de regeringspartij, waren er 700 betaalde functionarissen. In de Duitse sociaaldemocratie 4 tot 5 keer meer! Het is waar dat de Duitse arbeidersklasse talrijker was dan de Russische, maar de Duitse sociaaldemocratie was geen regeringspartij.

De grote ommekeer komt onder Stalin als algemeen secretaris van de communistische partij, waarbij van 1919 tot 1923 het aantal bestendigen van 700 tot 15.000 groeit, en een paar jaar later tot meer dan honderdduizend, niet meer verkozen door de basis, en met een inkomen dat in 1923-24 tienmaal hoger lag dan het doorsnee arbeidersloon. Dat is een andere partij, dat is geen democratische partij meer, dat is een gebureaucratiseerde partij.

Het is waar dat achter het radicaal-democratisch optreden van de bolsjewieken in die eerste revolutiejaren een te optimistische visie stak over wat op wereldschaal mogelijk was. Het was allemaal samenhangend en realistisch in de mate dat de internationale revolutie de Russische Revolutie te hulp zou komen. Zoals Rosa Luxemburg zegde, in Rusland kon men het probleem stellen, men kon het enkel oplossen op internationale schaal. Het feit dat de Westerse sociaaldemocratie, inbegrepen met totaal ondemocratische en repressieve methoden, de fusie tussen de Westerse en de Russische arbeidersklasse heeft verhinderd, dat heeft een fatale keten van achteruitgang veroorzaakt.

Je stopt in 1919. Maar ook zelf noem je in uw boek 1920-1921 de zwarte jaren van Lenin en Trotski?

Zolang er geen verandering van de internationale toestand was, was de groei van de bureaucratie in de Sovjet-Unie waarschijnlijk onvermijdelijk. Maar dat betekent niet dat de vormen die deze ontwikkeling aangenomen heeft onvermijdelijk waren en dat de concrete politiek van de leiding van de communistische partij er geen invloed op had. Ik zou in dat verband drie zaken willen onderlijnen, alle drie met zeer negatieve gevolgen.

De eerste is de oprichting van de Tsjeka, de politieke politie, een verschrikkelijke vergissing. Dzerjinski, eerste leider van de Tsjeka, op zichzelf een eerlijk man, zegde één jaar na de oprichting van de Tsjeka dat ze volledig corrupt was. De gevolgen van de macht van de Tsjeka, ook binnen de KP, Stalin heeft daar bewust op gespeeld, waren verschrikkelijk. Lenin zelf, ondanks zijn enorm prestige, kon daar niets tegen doen. Het klassieke voorbeeld dat men geeft is dat van Martov, de leider van de mensjewieken, één van Lenins beste vrienden waarvoor hij ondanks hun politieke meningsverschillen veel achting had. Op een bepaald ogenblik roept Lenin Martov bij zich en zegt hem, “hier hebt ge een vals paspoort, ga onmiddellijk weg, binnen een paar dagen zal de Tsjeka u aanhouden en ik zal dat niet kunnen verhinderen.”

Een tweede vergissing is het verbod van de andere Sovjetpartijen die op dat ogenblik legaal waren, in 1920, op het einde van de burgeroorlog, essentieel de mensjewieken en de anarchisten. Het is het enige punt waarop Trotski openlijk zelfkritiek heeft uitgeoefend, zelfkritiek lag hem niet. Zoals hij later erkende leidt het verbod op Sovjetpartijen onvermijdelijk tot het verbod op fracties binnen de communistische partij, want in elke fractie zag men de kern van een andere partij. Dat leidt tot een verstikking van het politiek leven in de partij en in de arbeidersklasse.

Wij zijn daarom vandaag voorstander van het meerpartijenstelsel: de arbeiders en boeren moeten vrij zijn te verkiezen in de raden wie zij willen. Aanvaardt ge hun keuze niet, dan onderdrukt ge niet alleen wie zij verkozen hebben, maar ook de arbeiders en de boeren zelf die de keuze gemaakt hebben.

Substitutionisme

De derde vergissing is waarschijnlijk de ergste van de drie. We zien bij Lenin en Trotski, erger bij Lenin dan bij Trotski, in 1920-21, een breuk met de fundamentele visie van Marx dat de bevrijding van de arbeidersklasse alleen het werk van de arbeidersklasse zelf kan zijn. Ze ontwikkelen een visie waarbij de partij, en in de praktijk de leiding van de partij, of de top ervan, niet alleen als noodzakelijke instrumenten voor de bevrijding van de arbeidersklasse worden gezien, maar in de plaats van de zelfactiviteit van de arbeidersklasse komen als fundamentele motor van het historisch proces. Wij noemen dat in ons jargon het substitutionisme.

Trotski heeft dat op scherpe en totaal foute wijze geformuleerd in een discussie met de Spaanse anarchosyndicalisten, die als gevolg trouwens geweigerd hebben toe te treden tot de communistische vakbondsinternationale.

Er was juist een voorstel gekomen van de Poolse regering voor het afsluiten van een wapenstilstand met Rusland. “Wie gaat daarover beslissen,” vraagt Trotski, “de hele Russische arbeidersklasse? Neen, dat gaat niet. Zeven man gaan daarover beslissen. Het Politiek Bureau van de KP.” Hij scheen vergeten te zijn dat bij nog veel brandender problemen, de vredesonderhandelingen met Duitsland en Oostenrijk in 1918, de hele Russische arbeidersklasse over die problemen heeft gediscussieerd, op drie Sovjetcongressen, tot in de kleinste gemeente, in alle bedrijven. Waarom was dat mogelijk in 1918, en niet meer in 1921?

De arbeidersklasse was verzwakt, akkoord, dat is een praktische vaststelling, maar men moet daar geen theorie op bouwen. Trotski heeft eraan toegevoegd, nog erger: “wanneer we morgen over de nieuwe organisatie van de economie zullen discussiëren, dan zal hetzelfde gebeuren, zeven-acht man zullen daarover beslissen.” Dat is substitutionisme van het ergste soort.

Lenin is nog verder gegaan. Hij heeft gezegd dat dat allemaal niet toevallig is, maar te maken heeft met het internationaal gedeclasseerd en corrupt karakter van de meerderheid van de arbeiders.

Het belangrijkste punt is misschien wel dat de opbouw van het socialisme een historisch nieuwe ervaring is, waarvan de “regels” of “wetten” niet vastliggen in één of ander boek. De samenleving en de sociale ervaring worden een groot laboratorium waarin projecten en politieke benadering op alle maatschappelijke terreinen in de breedst democratische voorwaarden kunnen bediscussieerd worden en getest. (blz 110).

Als dat zo is, dan is het socialisme niet meer mogelijk Want er is geen kracht in de wereld om het socialisme te verwezenlijken dan de reëel bestaande arbeidersklasse.

Men moet daar onmiddellijk aan toevoegen dat Lenin en Trotski, Lenin voor Trotski, die positie hebben gecorrigeerd. Bovendien zijn de laatste levensjaren van Lenin absoluut beheerst door zijn strijd tegen de bureaucratie. Niet alleen wordt hij zich bewust van het bureaucratisch gevaar, maar hij gebruikt formules die de diepte van zijn bewustzijn en een gevoel van hulpeloosheid duidelijk maken. Lenin was bescheidener dan men denkt, maar een man met veel zelfvertrouwen. Zo iemand schrijft: “Ik ben diep schuldig in de ogen van de Russische en internationale arbeidersklasse”.

Maar goed, waarschijnlijk was het toch allemaal verloren, en kon alleen de internationale doorbraak van het socialisme het tij keren. Het laatste woord komt uit de mond van Kroepskaja, Lenins weduwe, die in 1926 op een vraag antwoordt dat Lenin, moest hij toen nog leven, waarschijnlijk in de gevangenis zou gezeten hebben. Dat is heel waarschijnlijk, want hij zou radicaler zijn opgetreden dan Trotski en de linkse oppositie.

Zonder hulp van de internationale, en dan op de eerste plaats de Duitse arbeidersklasse was een ander verloop moeilijk denkbaar, maar toch was in de Sovjet-Unie een andere politiek mogelijk. De linkse oppositie heeft zo een alternatieve politiek geformuleerd. Wat waren daarvan de krachtlijnen?

Ik heb daarover onlangs een boek gepubliceerd.[3] De krachtlijnen waren: geleidelijke industrialisatie vanaf 1923, met een vlugger ritme dan toen onder Stalin en Boecharin werd toegepast, vooral voor het scheppen van een infrastructuur en voor de productie van landbouwmachines en tractoren. Deze geleidelijke industrialisering, niet zo brutaal als Stalin ze later heeft doorgevoerd, moest de materiële basis scheppen om de geleidelijke overgang van de landbouw naar een coöperatieve organisatie mogelijk te maken; verbetering van de situatie van de arbeidersklasse, verhoging van de levensstandaard en volledige tewerkstelling – er was toen een grote werkloosheid; financiering van die twee processen op kosten van de rijken, niet van de boeren in het algemeen – dat is een stalinistische legende –, maar van de rijken, de rijke boeren en de NEP-mannen, de handelaars, die een inkomen hadden dat hoger lag dan een bepaald plafond; financiering, ten tweede, door een radicale verlaging van de administratieve kosten, van de kosten van de bureaucratie. Op die manier kon men naar schatting één miljard goudroebel vrijmaken; afschaffing van het staatsmonopolie op de wodka, en radicale strijd tegen de dronkenschap en de demoralisatie die eruit voortvloeit; arbeidersdemocratie, in de eerste plaats binnen de partij en binnen de vakbonden, en geleidelijk herstel van de macht van de raden; terugkeer tot de revolutionaire culturele en morele waarden van de Oktoberrevolutie, artistieke en wetenschappelijke vrijheid, recht op abortus, ...; een buitenlandse politiek zonder avonturen, maar ook niet de lijn van Stalin van groeiende samenwerking met het imperialisme en met de burgerij van die landen die daartoe bereid waren; politieke hulp, geen militaire, aan de communistische partijen om rijpe leidingen te vormen om, wanneer de mogelijkheid zich zou voordoen, zoals in China in 1927 of in Spanje in 1931, een doorbraak van de socialistische revolutie mogelijk te maken. Dat zijn de krachtlijnen zoals iedereen die vandaag nog kan lezen in de documenten van de linkse oppositie, bijvoorbeeld in het platform van de verenigde oppositie in ’26-’27, en die men kan vergelijken met de politiek die onder Stalin is doorgevoerd. Zo kan ook iedereen oordelen of de gevoerde politiek onder Stalin de enig mogelijke was.

Komen we dan tot de situatie vandaag. Hoe heeft de ineenstorting van de stalinistische dictaturen het debat aan de linkerzijde beïnvloed?

Andermaal moeten we verschillende zaken onderscheiden, die in een complex geheel met elkaar verbonden zijn, om te begrijpen wat er werkelijk is gebeurd.

Wat wij onderschat hebben is niet de groeiende economische stagnatie onder Brezjnev, de groeiende achterstand tegenover het Westen, de maatschappelijke crisis die er het gevolg van was. Eén voorbeeld: oorlogsinvaliden, helden van de tweede wereldoorlog, die de menselijke beschaving hadden gered, kregen een inkomen dat de helft was van het minimumloon van een arbeider. Er waren zestig miljoen armen! Dat dat op den duur tot een crisis moest leiden was duidelijk.

Wat we hebben onderschat is de omvang van wat ik in mijn boek over Gorbatsjov[4] heb genoemd: de moreel-ideologische crisis in de Sovjetmaatschappij. De massa van de bevolking heeft er al de euvels van de Sovjet-Unie vereenzelvigd met communisme, socialisme, marxisme. Het is misschien de grootste misdaad geweest van de stalinisten en neostalinisten daartoe bijgedragen te hebben.

Het is niet de eigen aard van de planning zelf die aan de basis ligt van de wildgroei van de bureaucratie in de Sovjet-Unie, maar eerder de macht van de bureaucratie die de specifieke vorm heeft gegeven aan de planning zoals we die gekend hebben in de Sovjet-Unie en gelijkaardige maatschappijen (...). De feiten leren dat er onder het Oorlogscommunisme van bureaucratie amper sprake was. De bureaucratie kwam aan de macht in de periode van de NEP (...). (blz 37).

De conclusie van de bevolking is dat ze dus met het socialisme niets te maken wil hebben. Dat heeft dan geleid tot het binnendringen van alle mogelijke andere ideologieën, kleinburgerlijke, sociaaldemocratische, burgerlijke, halffascistische ideologieën, alles door mekaar.

Dat betekent niet dat de Russische arbeidersklasse niet voor haar onmiddellijke belangen gestreden heeft. Ze doet dat vandaag nog, minder dan enkele jaren geleden, maar dat kan snel omslaan. Er zijn stakingen geweest van honderdduizenden, maar zonder een alomvattend maatschappelijk perspectief. Dat heeft aan die bewegingen een discontinu karakter gegeven, en daartegenover staat de continue lijn van de pro-kapitalistische krachten, die een minderheid zijn, maar een minderheid die een gedeelte van de regeringsmacht en van de staatsmacht in handen heeft.

Twee fronten

Wij trekken daar in de eerste plaats een politieke, een praktische conclusie uit. De Russische arbeidersklasse, en de socialisten, minderheid in Rusland maar niet onbestaande, moeten op twee fronten vechten. Ze ten vechten tegen de privatisering, die wanneer ze veralgemeend wordt verschrikkelijke ellende zal betekenen voor de Russische arbeidersklasse, een vermindering van de levensstandaard met 35 tot 50 procent. Maar tegelijk moeten ze vechten voor de consolidatie en de uitbreiding van de democratische vrijheden.

De Russische arbeidersklasse staat voor een lang proces van herovering van klassebewustzijn en klasseonafhankelijkheid, en zij kan dat proces niet doormaken zonder politieke vrijheden. Wanneer een onheilig bondgenootschap van neostalinisten en nationalisten autoritaire staatsvormen wil invoeren, dan verzetten wij ons daartegen. Want alleen wanneer de arbeidersklasse een lange periode van ervaringen doormaakt, onder omstandigheden waarin zij over politieke vrijheden beschikt, zodat zij haar klassebewustzijn herovert, kan men op den duur de restauratie van het kapitalisme verhinderen. Met autoritaire, halfstalinistische methoden, en dan nog in bondgenootschap met mensen die de tsarenvlag meedragen, gaat ge dat niet realiseren.

Op wereldvlak is het probleem van de lessen die uit die ervaring kunnen getrokken worden zo ingewikkeld, omdat de crisis van de geloofwaardigheid van het socialisme niet alleen functie is van wat er in de Sovjet-Unie is gebeurd, maar ook van wat er met de sociaaldemocratie in het westen is gebeurd, en in mindere mate met kleinburgerlijke nationalistische ‘socialistische’ projecten zoals die van Nasser en Nyerere. In de ogen van de grote massa van de mensen zijn dat allemaal mislukkingen. In een precieze zin: niet dat het allemaal tot niets heeft gediend, de arbeiders zijn te verstandig en te realistisch om zo een radicale mystificerende conclusie te trekken. Er is vooruitgang. Maar wat het socialistisch project schraagde in het verleden, zowel in de sociaaldemocratische als in de communistische partijen, dat was die prachtige tweede zin uit de Socialistenmars: “een nieuwe wereld willen wij”. Niet alleen meer loon, algemeen stemrecht, sociale zekerheid, maar een nieuwe wereld. Die nieuwe wereld is er niet gekomen. Dat is een praktisch failliet, geen theoretisch failliet. En dat failliet kunt ge dus alleen in de praktijk overwinnen door het aaneenrijgen van voldoende nieuwe ervaringen. De diepte van de crisis van het kapitalisme helpt natuurlijk. De barbarij groeit voor onze ogen. Verschillende tijdbommen tikken onder de wereld, de tijd die ons rest is niet onbeperkt. De linkerzijde heeft een kans, als we in staat zijn de geloofwaardigheid van de linkerzijde te herstellen door een absolute overeenstemming van onze praktijk en onze beginselen.

_______________
[1] Ernest Mandel, Power and Money, Verso, Londen, 1992.
[2] Ernest Mandel, Octobre 1917: Coup d’Etat ou révolution sociale, Institut International de Recherche et de Formation, Cahiers d’étude et de Recherche 17/18, Amsterdam, 1992. Beschikbaar in het Frans en in het Engels.
[3] Ernest Mandel, Trotsky als Alternative, Dietz-Verlag, Berlin, 1991.
[4] Ernest Mandel, Où va l’URSS de Gorbatchev?, La Brèche, Montreuil, 1989.

Dit interview verscheen in De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, 1993, najaar, (nr. 47), jg. 37. We hebben de tekst overgenomen van het Marxists Internet Archive.

Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren