Borderless

25 June 2019

De Commune of Auschwitz

Maurice Ferares werd in 1922 in Amsterdam geboren als zoon van een arme schoenmaker. Ondanks dat in het gezin de honger geen onbekend verschijnsel was liet zijn vader Maurice op zijn achtste jaar vioolles volgen met de bedoeling dat hij niet dezelfde armoede zou kennen. In 1938 deed Maurice met een studiebeurs toelatingsexamen voor het Conservatorium in Amsterdam, waar hij in contact kwam met leerlingen die lid van de Communistische Partij (CPN) waren. In december 1940 werd hij lid van die partij en nam hij deel aan het verzet.

Nadat hij in 1942 van het conservatorium was verwijderd omdat hij vier joodse grootouders had dook hij onder. Hij bracht het grootste deel van de oorlog door midden in de Amsterdamse Jodenbuurt. Als enige van zijn familie wist hij aan Auschwitz te ontkomen. Die ijzingwekkende periode heeft hij beschreven in ‘Violist in het verzet’. Wij spraken met Maurice over zijn leven en activisme. In dit nummer van Grenzeloos het eerste deel.

Vlak na de oorlog heb je gebroken met de CPN, waarom?

De directe aanleiding was een harde aanvaring met Paul de Groot, de toenmalige leider van de CPN, op de eerste vergadering na de oorlog van het Amsterdamse partijkader. De Groot pleitte voor het opheffen van de partij: die moest opgaan in een groep ‘Vrienden van de Waarheid’. Bovendien was de partij tegen de onafhankelijkheid van Indonesië. De Groot schold me uit voor fascist, nota bene na vijf jaar illegaal werk voor de partij! Vooral dat de partij tegen de onafhankelijkheid van Indonesië was, vond ik onverteerbaar. De partij was immers in het verleden voor ‘Indonesië los van Holland’ en zei nu dat Indonesië niet verloren mocht gaan omdat dan het levenspeil van de Nederlandse arbeiders zou dalen.’

Trotskisten

Al snel werd je lid van de trotskistische Revolutionair Communistische Partij (RCP). Had je in de oorlog contacten met trotskisten?

In de oorlog had ik enkele contacten met trotskisten of mensen die daar dicht tegenaan zaten, onder andere via het gezin waar ik ondergedoken zat. Via Duitse trotskisten kreeg ik ook valse papieren maar ik was toen nog een echte stalinist. Trotskist zijn – zeker sedert de beruchte Moskouse processen in de dertiger jaren - stond gelijk met handlanger van Hitler en de Japanse Mikado zijn. Als argument voor mijn stalinisme beriep ik me steeds op de uitspraak van Danton (een van de leiders van de Franse revolutie), die vlak voor zijn onthoofding gezegd zou hebben ‘de revolutie eet haar eigen kinderen’. Maar dat standpunt was niet te handhaven. Toen ik eenmaal in contact kwam met trotskisten als Sal Santen en Piet van het Hart moest ik al snel toegeven dat ze gelijk hadden wat het stalinisme betrof. En zo werd ik enige weken na de oorlog lid van de RCP.’
‘De RCP was een kleine partij maar we hadden grote verwachtingen. We gingen er van uit dat de arbeiders de CPN de rug toe zouden keren en op zoek zouden gaan naar een nieuw politiek thuis. Er waren wel ex-CPNers lid, zoals Ernst Mulder, die gemeenteraadslid voor de CPN was geweest in Groningen en later kwam er een tweede ex-gemeenteraadslid van de CPN bij, Bareld Postema. De meeste leden die we kregen kwamen echter niet uit de CPN. Sal Santen was politiek secretaris van de partij en Ernst Mulder organisatie-secretaris. Zij en nog een of twee mensen werden door de organisatie betaald. Zolang de groep nog de naam uit de oorlog had (Comité van Revolutionaire Marxisten, CRM) werd ook de naam van het blad uit de illegaliteit, De Rode Oktober, gehandhaafd.’
‘Op het eerste naoorlogse congres van de groep werd de naam veranderd in Revolutionair Communistische Partij en die van het weekblad in De Tribune. Op den duur konden de salariskosten van de vrijgestelden niet meer betaald worden en moesten de vrijgestelden werk zoeken. Een aantal vond via oorlogscontacten een baan bij Het Parool. Ik werd een jaar later organisatiesecretaris. Sal Santen kreeg een baan als stenograaf bij het Vrije Volk door bemiddeling van zijn schoonmoeder Mien Sneevliet, de vrouw van de door de Duitsers gefusilleerde revolutionaire marxist Henk Sneevliet – al moest Sal eerst nog stenografie leren. Hij bleef politiek secretaris. We werkten toen nauw samen en zagen elkaar iedere dag.’

Internationaal

De RCP was de Nederlandse afdeling van de Vierde Internationale, de organisatie die in 1938 door onder andere Leon Trotsky werd opgericht als tegenhanger van de door Stalin overheerste Communistische Internationale. ‘In 1946 was er een congres van de Internationale waar drie afgevaardigden vanuit Nederland naar toe gingen. Ik was daar niet bij want ik was pas lid. Wel was ik bij alle congressen in de vijftien jaar daarna aanwezig. Na afloop van dat eerste congres in Parijs kwamen verschillende delegaties naar Amsterdam. Ik herinner me de Sri Lankanen. Zij hadden een relatief grote club, met vijftien mensen in het parlement. Ook de burgemeester van de hoofdstad Colombo, Pereira, was lid van de partij. We hadden goede contacten met de Lanka Sama Samaja partij, vooral omdat we geïnteresseerd waren in het opbouwen van contacten in Azië, met name Indonesië.’

‘Ook op andere manieren werd er contact met Indonesië gelegd. Een zoon van een van onze leden die geweigerd had als soldaat naar Indonesië te gaan en ondergedoken zat op een kamertje in Parijs overtuigden we dat hij naar Indonesië moest gaan om politiek actief te zijn onder de Nederlandse soldaten. Hij ging naar Indonesië en heeft daar contacten gelegd met kameraden van de legendarische revolutionair Tan Malaka.’
‘Dat waren mensen die uit de Indonesische Communistische Partij (PKI) waren gegaan of gezet, zoals Ali Kasim, die secretaris werd van de ‘PKI Merah’ (Rode PKI) en Mohammed Tambunan, die directeur was van het ziekenhuis in Djakarta. Met hen en anderen heb ik jarenlang gecorrespondeerd. Ook hebben we veel marxistische literatuur aan hen gezonden.’

‘Hoewel ik tot 1956 als violist werkte, besteedde ik de meeste tijd aan politieke activiteit en werk in de vakbeweging. Het liefst was ik beroepsrevolutionair geworden, maar ik had een gezin met twee eigen kinderen en twee pleegkinderen en die moesten eten. Desondanks had ik plannen om naar Indonesië te gaan. Daar hadden de kameraden al een huis in Bandoeng voor me gehuurd. Het is er helaas nooit van gekomen door de activiteiten van de Engelse en Nederlandse geheime diensten.’

In de Pvda

‘De intrede in de Partij van de Arbeid in 1952 was geen specifiek Nederlands verschijnsel. De opvatting in de Vierde Internationale was dat een derde wereldoorlog niet lang zou uitblijven. Daarmee zou ook een revolutionaire opleving in zicht komen. De meeste secties van de Vierde Internationale waren echter geen massapartijen, met uitzondering van die in Sri Lanka en Bolivia. Om niet geïsoleerd te raken maar deel te nemen aan het radicalisatieproces dat naar stellige verwachting in die oorlog zou plaatsvinden, besloten de meeste partijen van de Internationale tot de politieke massabeweging in hun landen toe te treden.’

‘Dat was geen novum, Trotsky had de Franse trotskisten voor de oorlog al aangeraden om in de Onafhankelijke Socialistische Partij te gaan werken. Daar waar de communistische beweging het belangrijkste was gingen de secties in de communistische partijen werken, daar waar de sociaal-democratie het belangrijkste was, zoals in Nederland, Duitsland en Engeland, gingen ze in die partijen werken. Een deel van onze leden voelde er niets voor om lid van de PvdA te worden.’

‘Met name gold dat voor de kameraden in Rotterdam die actief waren in de OVB, het Onafhankelijke Verbond van Bedrijfsorganisaties. Ikzelf heb me naar de intredepolitiek gevoegd, er niet tegen en ook niet voor gestemd, maar vond het heel erg dat de sectie werd geliquideerd en er in Nederland geen authentieke revolutionaire marxistische stem meer werd gehoord, ook al was die stem zwak. We hadden geen eigen blad en geen eigen gezicht meer.’
‘Binnen de PvdA was al een andere groep actief die onder andere tegen de Indonesië-politiek van de partij was geweest. Sam de Wolf, Bernhard van Tijn, Buskes en anderen hadden het Sociaal-Democratisch Centrum (SDC) opgericht. Wij fuseerden daarmee en ik werd secretaris van het SDC. Tegelijkertijd werd ik actief in de vakbeweging en secretaris van de afdeling Amsterdam van de Nederlandse Toonkunstenaars Bond (NTB) die was aangesloten bij de vakcentrale het NVV, de voorloper van de FNV. ‘

‘Kort daarop werd ik vicepresident van de Wereldfederatie van vakbonden van musici (Fédération Internationale des Musiciens) Dat was een grote organisatie met meer dan een half miljoen leden in tientallen landen.’

Met het Sociaal Democratisch Centrum is het slecht afgelopen...

Ja, het werd door het partijbestuur verboden. De meeste leden van onze groep waren actief in de PvdA en hadden in hun omgeving aanhang maar sommigen hadden zich aangepast aan het apparaat van de partij. Verschillende kameraden werden, ik wil niet zeggen sociaal-democraten, maar ze waren niet kritisch genoeg ten aanzien van de partijbureaucratie. En dat is een gevaar. Iets dergelijks proef ik bij mensen die nu in de FNV kaderleden zijn. Zij passen zich aan aan het apparaat van de bonden en zijn te weinig kritisch. Voor socialisten is dat een doodzonde. Natuurlijk mag je je niet als een querulant opstellen in de vakbeweging, maar het is nodig om de bureaucratie voortdurend kritisch te volgen. De meerderheid van de sectie bleef na het ontbinden van het SDC in de PvdA en paste zich daar steeds meer aan, een kleine groep ging buiten de PvdA verder.’ (Wordt vervolgd).

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren