De illusie van het Europese leger

06.01.2022

De invloed van Europa is tanende; het wil een grote militaire macht worden met een EU-leger. Dit is niet alleen hopeloos, maar ook gevaarlijk.

Al in 2016 schreef Federica Mogherini, toenmalig vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken, in Die Welt: ‘Het idee dat Europa een uitsluitend ‘civiele macht’ is, strookt niet met de reële ontwikkeling.’ Destijds werd deze verklaring sterk beïnvloed door de verzwakking van de trans-Atlantische betrekkingen onder Trump. Sindsdien speelt de eis van de EU om een militaire macht te worden een steeds belangrijkere rol.

In de richtsnoeren voor het buitenlands beleid van de Commissie staat dan ook dat ‘de lidstaten wat betreft geavanceerde militaire vermogens over alle belangrijke uitrusting moeten kunnen beschikken om te reageren op externe crises en Europa te beveiligen. Dit betekent dat zij moeten beschikken over het volledige spectrum van landmacht-, luchtmacht-, zeemacht- en ruimtevaartcapaciteiten, met inbegrip van strategische hulpmiddelen.’ En Ursula von der Leyen kondigde bij haar aantreden als hoofd van de EU-Commissie aan: ‘Wij willen een sterke geopolitieke unie zijn’, en daarvoor moeten wij ‘ook de taal van de macht leren‘. Vandaag de dag is er nauwelijks een verklaring van haar waarin niet het verlangen naar wereldmacht tot uitdrukking komt. Het is het zwaartekrachtsveld van de Brusselse politiek geworden.

Tegelijkertijd probeert Brussel een soort Europees patriottisme te kweken, gebaseerd op vermeende Europese waarden, dat een gevoel van superioriteit over de rest van de wereld zou moeten creëren. Zo noemde Martin Schulz, de SPD-kandidaat voor het kanselierschap in 2017, de EU het ‘grootste beschavingsproject in de geschiedenis van de mensheid’, terwijl de toenmalige Duitse minister van Buitenlandse Zaken Sigmar Gabriel het had over ‘het meest succesvolle project voor vrijheid, vrede en welvaart dat de wereld ooit heeft gezien’.

De reden hiervoor ligt in de opkomst van China, de verschuiving van het centrum van de wereldeconomie naar Azië en de renaissance van Rusland als grootmacht – en in de toekomst ook van India en andere opkomende economieën. Deze internationale omwentelingen markeren het einde van een tijdperk: 500 jaar kolonialisme, imperialisme en neokolonialisme, waarin Europa en de VS hun belangen konden opleggen aan ‘de rest van de wereld’, zijn verleden tijd.

Daarbij komt dat, ook onder Biden, voor de VS nog steeds geldt: America first. Dit zagen we bij de terugtrekking van de troepen uit Kaboel, en bij de AUKUS-overeenkomst met Groot-Brittannië en Australië voor de levering van onderzeeërs.

De EU daarentegen beschikt niet over militaire machtsmiddelen, en haar economisch potentieel is ook aan het afnemen. In 1981 bijvoorbeeld bedroeg het BBP-aandeel van de economieën die thans deel uitmaken van de eurozone nog 21% van het mondiale BBP; thans is dat gedaald tot 12%. Volgens een prognose van het accountantskantoor PricewaterhouseCoopers zal dit aandeel dalen tot 9 procent in 2050. De EU loopt ook achter op de VS en China op het gebied van sleuteltechnologieën zoals quantumcomputers, halfgeleiders of cloud computing.

Die Zeit (20.2.20) vraagt zich in dit verband af hoe het mogelijk is dat de EU niet tot de grootmachten behoort. Blijkbaar is het allemaal ook een narcistische belediging van het collectieve zelfbewustzijn dat er maar niet aan wil wennen niet langer de navel van de wereld te zijn…

Strategische autonomie – en de grenzen ervan

Die aftakeling moet een halt worden toegeroepen door ‘strategische autonomie’. De term werd populair gemaakt door de Franse president Macron. Wat er precies mee wordt bedoeld, blijft vaag – een containerbegrip waarin iedereen kan terugvinden wat hij wil. Centraal staat echter de noodzaak om zich als onafhankelijke speler te vestigen, ook militair, en om minder afhankelijk te worden van de VS – met andere woorden, het gaat om een geleidelijke verschuiving en relatieve autonomie, maar geenszins om ontkoppeling.

Dit brengt echter ook een van de twee grote obstakels aan het licht die de verwezenlijking van de wensen van Brussel in de weg staan. De NAVO, waarin Washington – een geopolitieke concurrent – de lakens uitdeelt, stelt nauwe grenzen aan echte autonomie. In het Verdrag van Lissabon staat al dat het veiligheids- en defensiebeleid ‘verenigbaar’ moet zijn met de NAVO.

Het tweede grote struikelblok zijn de heterogene belangen van de lidstaten. Sommige EU-landen zoals Finland, Zweden, Oostenrijk, Ierland en Cyprus maken geen deel uit van de NAVO, terwijl het VK, Noorwegen en IJsland wel deel uitmaken van de NAVO maar niet van de EU. Concreet blijkt dit bijvoorbeeld uit het feit dat Finland voor 10 miljard dollar F-35A stealth gevechtsvliegtuigen bestelt bij het Amerikaanse bedrijf Lockheed Martin in plaats van Europese gevechtsvliegtuigen zoals de Eurofighter van Airbus of de Franse Rafale van Dassault Aviation. Polen heeft onlangs ook 32 gevechtsvliegtuigen gekocht van de VS. Er is geen einde in zicht van de complexe mix van concurrentie om wapenopbrengsten, nationale veiligheidsbelangen en pogingen tot supranationale integratie.

Er zijn ook aanzienlijke verschillen in de perceptie van vriend, vijand en bondgenoot. Vooral in Polen en de Baltische staten overheerst een mengeling van extreem nationalisme en hysterische russofobie. Dit wordt gewoonlijk gerechtvaardigd door historische ervaringen. Een blik op de eeuwenlange erfvijandschap tussen Frankrijk en Duitsland toont echter aan dat dergelijke extreme ideologische vijandbeelden kunnen worden overwonnen als de politieke wil daartoe aanwezig is.

De verschillen komen ook tot uiting in een bijzondere toenadering van de oostelijke lidstaten tot de NAVO en de VS. Het meest spectaculaire voorbeeld hiervan was de oorlog van Washington tegen Irak, waarbij alle Oosterse lidstaten zich aansloten de coalition of the willing van Bush, terwijl Frankrijk en Duitsland niet deelnamen.

Deze botsende belangen spelen ook een doorslaggevende rol in de huidige crisis rond Oekraïne. Terwijl Polen en de Baltische staten de agressieve gevoelens tegen Moskou aanwakkeren – met retorische steun van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Baerbock – is het goede nieuws dat Macron en Scholz streven naar de-escalatie. Het communiqué van de Duitse regering over het telefoongesprek tussen Scholz en Poetin is demonstratief nuchter en pleit voor de uitvoering van het akkoord van Minsk, waar Kiev wanhopig van af wil, en voor de hervatting van de besprekingen volgens de ‘Normandië-formule’, d.w.z. tussen Rusland, Duitsland, Frankrijk en Oekraïne. Blijkbaar is er in de Duitse regering een informele overeenkomst dat Scholz, net als Merkel, zich de bevoegdheid toeëigent voor  belangrijke buitenlandse betrekkingen.

Al deze tegenstrijdigheden zijn uiteindelijk gebaseerd op een feit dat vaak over het hoofd wordt gezien: de EU is geen staat zoals de VS, China of Rusland, maar een hybride mengeling van een alliantie van natiestaten en elementen van supranationale staatsvorming. Een ingewikkelde constructie, leefbaar bij mooi weer maar niet in staat om op te treden als een staat. Het zogenaamde meerlagig bestuur [multi-level governance] is niet opgewassen tegen de schaal en de complexiteit van de crises van de 21e eeuw.

Daarom is het niet voldoende de militaire vermogens van de afzonderlijke lidstaten bij elkaar op te tellen. Volgens de berekeningen van het Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek van Stockholm (SIPRI) bedragen de wapenuitgaven van de EU 231 miljard dollar – bijna vier keer zoveel als de Russische uitgaven van 62 miljard dollar. Alleen de VS (778 miljard dollar) en China (252 miljard dollar) geven meer uit aan bewapening. Maar zolang deze uitgaven worden verdeeld over 27 natiestaten die hun leger zien als een element van hun soevereiniteit, resulteert dit niet in een gemeenschappelijk militair potentieel.

Militarisering door PESCO

Het centrale instrument voor militarisering is de zogenaamde Permanente Gestructureerde Samenwerking (PESCO). Bijzonder opvallend is dat PESCO van meet af aan zo is opgezet dat de militaire capaciteitsopbouw wordt uitgevoerd door die lidstaten ‘waarvan de militaire vermogens aan strengere criteria voldoen’. Zij kunnen naar believen subgroepen maken, naar goeddunken ‘coalitions of the willing’ vormen, zonder dat de anderen mee hoeven te doen. Dit heeft twee gevolgen.

Enerzijds tekent zich een versoepeling van de integratie af in de richting van een ‘Europa van verschillende snelheden’. Naast de reeds bestaande versnippering ontstaan er verschillende categorieën lidstaten die zich opsplitsen in centrum en periferie, noord en zuid, oost en west, eurozone en niet-eurozone. In tegenstelling tot de zogeheten procedure van nauwere samenwerking, in het kader waarvan bijvoorbeeld over het mislukte project van een belasting op financiële transacties is onderhandeld en die voorziet in een minimumquorum van negen lidstaten, volstaan voor PESCO twee partners. In dit opzicht wordt de ingewikkelde multi-layer governance van meet af aan op realistische wijze omzeild.

Anderzijds zijn de lidstaten die aan de ‘strengere criteria’ voldoen, zoals verwacht, de grote en economisch machtige landen, in de eerste plaats Frankrijk en Duitsland, en in de tweede plaats Italië en Spanje. Dit consolideert de informele machtshiërarchie met Berlijn en Parijs aan de top. Naast de vele andere democratische tekortkomingen is deze quasi-imperiale machtsongelijkheid een van de grootste democratische tekortkomingen van de EU. In feite zijn alle grote PESCO-projecten ook geconcentreerd rond Frankrijk en Duitsland.

Tot dusver zijn er 47 projecten in verschillende coalities. Deze omvatten een gezamenlijk medisch commando, afluisterapparatuur en militaire opleidingscentra. Ook is de oprichting van een gezamenlijk opperbevel aangekondigd. Er zijn echter slechts drie werkelijk strategisch relevante bewapeningsprojecten.

Het eerste is het Future Combat Air System (FCAS), dat hoofdzakelijk door Frankrijk en Duitsland zal worden geproduceerd, met Spaanse deelname. Het is de bedoeling dat de jet samen met gevechtsdrones en microdrones vliegt, alsook met zijn eigen digitale wolk. Het moet vanaf 2040 beschikbaar zijn. De kostenraming schommelt momenteel tussen 100 en 300 miljard euro.

Bovendien is een nieuwe hoofdgevechtstank gepland, het Main Ground Combat System (MGCS), ook een Frans-Duits project. Het Duitse bewapeningsbedrijf Krauss Maffei en het Franse Nexter zijn hierbij betrokken. De ingebruikneming is gepland voor 2035. De prijs per stuk wordt momenteel geraamd op 10 miljoen euro.

En tenslotte is er de zogenaamde Euro Drone, waarbij Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje betrokken zijn. Airbus is de leider van het consortium, dat ook Dassault en het Italiaanse defensiebedrijf Leonardo omvat. Tot dusver zijn zeven systemen met elk drie drones besteld. De prijs zou 7,1 miljard euro bedragen. De levering is gepland voor 2029.

Op zichzelf beschouwd kunnen deze projecten indrukwekkend lijken. Maar in een mondiale context zijn zij niet geschikt om het doel van mondiale militaire capaciteiten te bereiken. Bovendien is het geenszins zeker dat de projecten met succes zullen worden uitgevoerd. In een interne evaluatie van de EU-Commissie wordt bijvoorbeeld geconcludeerd dat slechts een derde zal worden gerealiseerd. Dit geldt vooral voor de kleinere projecten. Maar er zijn ook aanzienlijke moeilijkheden met de grotere. Zo vechten Franse en Duitse wapenbedrijven onderling om toegang tot technologieën en octrooien. Het is dus altijd een kwestie van industriebeleid en winst.

Tenslotte ziet Frankrijk in de rivaliteit met Duitsland om het leiderschap van de EU, het militaire als een middel om de economische dominantie van Duitsland te compenseren. Brexit heeft de machtsstructuur aan de top van de EU veranderd. Met het vertrek van Groot-Brittannië heeft immers ook een kernmacht en een permanent lid van de Veiligheidsraad de EU verlaten. Maar kernwapens zijn nog steeds het doorslaggevende criterium voor lidmaatschap van de eredivisie van de geopolitiek. Dit geeft Parijs een monopoliepositie als enige kernmacht en permanent lid van de VN-Veiligheidsraad. Frankrijk hoopt zo de leidende rol te heroveren die het tot de Duitse hereniging vervulde. Parijs heeft Duitse pogingen om inspraak te krijgen in het Franse kernarsenaal en zijn zetel in de Veiligheidsraad duidelijk van de hand gewezen.

Geen reden voor een laissez-faire vredesbeleid

In de nabije toekomst zal er dus geen EU-leger zijn, maar dat betekent niet dat wie zich inzet voor een vooruitstrevende vredespolitiek in zijn luie zetel kan gaan zitten en alles op zijn beloop laten. Want los van de kwestie van een EU-leger verslechtert het veiligheidsklimaat tussen de grootmachten momenteel op verschillende fronten dramatisch – met name in de Indo-Pacific tussen de VS en China en in Europa tussen Rusland en de NAVO-landen. De wereld stevent af op een tweede Koude Oorlog.

Wat wij nodig hebben is een beleid dat gebaseerd is op ontspanning, samenwerking en vreedzame coëxistentie. In plaats van zich te storten op het nutteloze streven naar een leger, zou de EU zich veeleer moeten bezinnen op de tradities van het vredesbeleid van Europa. Van de Vrede van Westfalen tot Kant’s geschrift Naar de eeuwige vrede en Willy Brandt’s beleid van détente zijn er historische modellen. Want vrede is niet alles, maar zonder vrede is al het andere niets.

Dit artikel verscheen op 1 januari 2022 in de Duitse editie van Jacobin. Nederlandse vertaling: Ander Europa.

Dossier
Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.