De theorie van het imperialisme bij Lenin en Rosa Luxemburg

De theorie van het imperialisme van Lenin verschijnt tegelijk in een reeks geschriften gepubliceerd in de tien laatste jaren van de XIXe eeuw, waaronder De ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland en in Het imperialisme, hoogste stadium van het kapitalisme in 1916. Die van Rosa Luxemburg verscheen voornamelijk in Die Akkumulation des Kapitals, in 1913.
Lenin en Rosa Luxemburg hebben in deze geschriften precieze politieke bedoelingen: Lenin wil in de jaren 1890-1900 tegen de narodniki aantonen dat de kapitalistische productiewijze de overheersende is in de Russische maatschappelijke formatie en dat vanwege dit feit het proletariaat de stuwende kracht zal zijn van de komende revolutie. In 1916 wil hij zowel de redenen voor de wereldoorlog verklaren en de stellingname ten gunste van de oorlog van de meerderheid van de leiders van de IIe Internationale tegen gaan. In 1913 heeft Rosa Luxemburg als doel te strijden tegen de reformistische en revisionistische tendensen, die zich ontwikkeld hebben in de boezem van de Duitse sociaal-democratie.
We hebben daar, in feite, evenveel voorbeelden, die ons tonen hoe de revolutionaire theorie en praktijk verbonden zijn.

De bestudering van de theorieën van het imperialisme van Lenin en van Rosa Luxemburg is dus vol lessen voor de hedendaagse revolutionairen, zowel op het punt van het begrijpen van de kapitalistische productiewijze als vanuit het gezichtspunt van de revolutionaire praktijk.
Laat ons onmiddellijk opmerken, dat ondanks de belangrijke verschillen tussen de theorieën van Lenin en Rosa Luxemburg en ondanks bepaalde ernstige vergissingen in het werk en de praktijk van de laatste, men in ieder geval twee wezenlijke lessen kan trekken uit de geciteerde geschriften:
1) Het imperialisme is onvermijdelijk: het is niet een uitschakelbaar ‘gezwel’ in het kader van één of andere ‘hoogontwikkelde democratie’, die de burgerlijke staat niet beroert. Tussen het imperialistische kapitalisme en de socialistische revolutie, is geen derde weg mogelijk.
2) Het probleem van het imperialisme ‘is niet alleen een van de meest essentiële, maar men kan zeggen, het meest essentiële probleem op het gebied der economische wetenschap1’.
In dat opzicht en juist in het kader van het verband tussen revolutionaire theorie en praktijk moet het debat over dit vraagstuk beginnen en zich ontwikkelen. Terecht zullen, zoals Rosa Luxemburg vaststelt, ‘melancholische geesten jammeren over de idee, dat ‘de marxisten onderling ruzie maken’, dat de erkende ‘autoriteiten’ aangevochten worden. Maar het marxisme bestaat niet uit een dozijn personen, die elkaar het brevet van ‘experts’ geven en waarvoor de massa van de gelovige moslims een blind vertrouwen moet tonen. Het marxisme is een revolutionaire wereldbeschouwing, die steeds naar nieuwe kennis moet zoeken, die niets zo verafschuwt als het verstarren in eens geldende vormen en die het best in het geestelijke wapengekletter van de zelfkritiek en in historische bliksem en donder haar levendige kracht in stand houdt2’.

E E R S T E D E E L

DE IMPERIALISME THEORIE VAN ROSA LUXEMBURG

1. De omstandigheden

In de periode waarin Rosa Luxemburg De accumulatie van het kapitaal schreef, vielen talrijke socialisten de analyses van Marx aan, trouwens meestal door ze te misvormen,
en vooral E.Bernstein die, vanaf 1896-1900, zich baserend op het feit dat in West-Europa de reële lonen stegen en het industriële reserveleger minder belangrijk was, bekritiseerde Marx en beweerde dat het kapitalisme zich ongehinderd tot in het oneindige kon ontwikkelen.
Tegen deze tendens en vooral tegen Bernstein schreef Rosa Luxemburg haar boek. Nauwkeuriger, het feit dat zekere revisionisten, vooral Bernstein en met hem een deel van de socialistische Internationale in de jaren 1900 openlijk gunstig gezind waren geweest tegenover het kolonialisme, had reeds bepaalde tegenstanders van de revisionisten er toe aangezet te wijzen op de rol van de buitenlandse markten in de ontwikkeling van de kapitalistische economieën en aan te tonen dat het kapitalisme ernstige moeilijkheden zou kunnen kennen als de markt te klein werd. Zo wees bij voorbeeld Kautsky, die tegen de jaren 1890 nog verscheen als de verdediger van het revolutionaire marxisme tegen elke soort compromis, op de rol van de buitenlandse markten in de ontwikkeling van de kapitalistische economieën.
In een artikel ‘De crisistheorie’, gepubliceerd in 1902 in het dagblad van de Duitse sociaal-democratische partij, schreef Kautsky namelijk:

‘˜De kapitalisten en de door hen uitgebuite arbeiders verschaffen met de toename van de rijkdom van de eerste en van het aantal van de laatste een groeiende afzet voor door de kapitalistische industrie geproduceerde consumptiemiddelen; maar niet zo snel als de accumulatie van het kapitaal en de toename van de productiviteit van de arbeid groeiende, De kapitalistische industrie moet, als gevolg, een aanvullende markt buiten zijn bereik in de nog niet kapitalistisch producerende beroepen en naties vinden’ Iedere periode van welvaart, die volgt op een belangrijke uitbreiding van de markt zal van korte duur te zijn en de crisis zal haar noodzakelijk einde zijn3’.
Kautsky voegt er aan toe, dat niet alleen de crises onvermijdelijk waren, maar ook dat het kapitalisme veroordeeld was tot een ‘periode van chronische depressie’, juist wegens de onmogelijkheid tot in het oneindige de wereldmarkt uit te breiden:
‘Er moet een tijd komen, en die is misschien heel nabij, van waaraf het onmogelijke wordt, dat de wereldmarkt, zich ooit ook slechts tijdelijk sneller uitbreidt, dan de maatschappelijke productiekrachten, waarbij voor alle industriële naties de overproductie chronisch wordt.’
Kautsky denkt trouwens, dat de internationale conflicten ernstiger zullen worden, want, naar mate de staat van chronische depressie nadert, probeert iedere natie zijn deel van de markt uit te breiden ten koste van de andere, door het gebruiken van ‘koloniale veroveringen, beschermende invoerrechten en kartels4’.
Kautsky zal later deze thesen totaal en expliciet verwerpen, maar het is interessant ze zich weer te herinneren, al naar gelang ze aantonen, dat het een van de aan de revisionisten gegeven antwoorden was.

2. De probleemstelling door Rosa Luxemburg

A. Rosa Luxemburg heeft belangstelling voor het ontwikkelingsprobleem achter de problemen, van de cyclische bewegingen. In het eerste hoofdstuk van haar boek schrijft ze: ‘Het is echter van groot belang, van meet af aan vast te stellen, dat de periodieke afwisseling van de conjuncturen en de crisis weliswaar wezenlijke momenten van de reproductie, maar niet het probleem van de kapitalistische reproductie op zich, niet het eigenlijke probleem vormen. Periodieke conjunctuurwisseling en crisis zijn de specifieke v o r m van de beweging bij de kapitalistische productiewijze, zij zijn echter niet de beweging zelf 5’. Over een lange periode kan men een gemiddelde hoeveelheid productie nemen en ‘dit gemiddelde is niet louter een theoretisch denkbeeld, maar ook een reëel, objectief feit’; achter de cyclische bewegingen, ontwikkelt de productieve capaciteit zich progressief: ‘’ ondanks de sterke op en afgang van de conjuncturen, ondanks crises, worden de behoeften van de maatschappij, goed of slecht, bevredigd, gaat de reproductie verder in haar schokkende gang, en de productieve krachten ontwikkelen zich steeds meer’. Hoe is dit mogelijk voegt ze eraan toe, ‘hier begint het eigenlijke probleem6’. Met andere woorden, wat zijn de voorwaarden van de ontwikkeling?
B. Als ze plaatsvond in het kader van een bewust geplande en georganiseerde socialistische maatschappij, zou het antwoord eenvoudig zijn, stelt Rosa Luxemburg vast7. Onder voorbehoud van een bepaald aantal technische voorwaarden, vanaf het ogenblik waarop de productie de bevrediging van de behoeften tot doel heeft en waarop deze behoeften toenemen, is ‘een stijgende hoeveelheid arbeid nodig voor het maken van levensmiddelen" en "om deze stijgende hoeveel levensmiddelen te fabriceren, is technisch een stijgende hoeveelheid productiemiddelen nodig8’. De investeringsplannen, die in het werk gesteld zijn om te voldoen aan de groeiende behoeften aan consumptiemiddelen vereisen geplande revenuverhogingen, die het mogelijk maken dat de behoeften zich veranderen in koopkrachtige vraag.
C. Als ze plaats vindt in het kader van een kapitalistische maatschappij, gekenmerkt door de anarchie van individuele beslissingen en de productie met het oog op het realiseren van de hoogste winstvoet, profileert het probleem zich geheel anders.
Nauwkeuriger, drie punten moeten we onderstrepen.

1epunt:
Rosa Luxemburg onderstreept, als vervolg op Marx, dat er in de kapitalistische productiewijze een tendens tot accumulatie bestaat: ‘’ . Als wezenlijk verschil met de andere historische vormen van uitbuiter gebruikt de kapitalist de baten welke hij trekt uit de exploitatie niet uitsluitend en zelfs niet in de eerste plaats voor zijn persoonlijke luxe, maar steeds meer om de uitbuiting zelf te verhogen. Het grootste deel van de behaalde winst wordt weer kapitaal en dient om de productie uit te breiden9’.
Waarom is de accumulatie ‘een absolute noodzaak voor de individuele kapitalist10’?
Als gevolg van de klassenstrijd en de interkapitalistische concurrentie: ‘Onder de heerschappij van de concurrentie bestaat het voornaamste wapen van de afzonderlijke kapitalist in de strijd om een plaats op de afzetmarkt in de goedkoopte van de waren. Alle duurzame methoden ter verlaging van de productiekosten van de waren, die niet - door verlaging van de lonen of verlenging van de arbeidstijd een extra stijging van de meerwaarde tot doel hebben ‘” lopen uit op een vergroting van de productie. ‘ Het grootbedrijf heeft voordelen boven het klein- en middenbedrijf. Deze voordelen groeien binnen zeer ruime grenzen samen met de groei van het bedrijf. De concurrentie zelf dwingt dus iedere vergroting van een deel van de kapitalistische bedrijven als bestaansvoorwaarde aan de andere op. Zo ontstaat een onophoudelijke tendens tot uitbreiding van de reproductie 11’.
Dat wil zeggen, de wil ‘van de kapitalist voldoet niet12’. ‘Het proces is aan objectieve voorwaarden verbonden13’.

2e punt:

De eerste van deze ‘objectieve maatschappelijke voorwaarden’ gaat over, wat men zou kunnen noemen de voorwaarde van het scheppen van meerwaarde. Rosa Luxemburg verduidelijkt: buiten de wil van de kapitalist om te accumuleren, ‘is het vereist, dat hij op de warenmarkt de concrete vormen vindt, die hij aan zijn nieuwe kapitaalgroei denkt te geven14, dwz. hij moet op de markt voldoende hoeveelheid machines, grondstoffen en arbeidskracht vinden. ‘Zijn al deze voorwaarden voorhanden, kan de kapitalist zijn gekapitaliseerde meerwaarde in beweging zetten, en als het proces doorlopend kapitaal nieuwe meerwaarde laten voortbrengen15’. Maar voegt Rosa Luxemburg meteen toe, ‘dat is niet alles16’. Alleen ‘de wil en de technische voorwaarden van de accumulatie [d.w.z. het bestaan van voldoende hoeveelheden machines, grondstoffen en arbeidskracht] zijn niet voldoende in een kapitalistische wareneconomie17’.
Er is nog een andere voorwaarde.

3e punt:

Deze voorwaarde betreft de realisatie van de meerwaarde. De geschapen meerwaarde moet gerealiseerd worden, er moet een toereikende vraag zijn om de meerwaarde van haar warenvorm te veranderen in haar geldvorm: ‘Opdat de meerwaarde, die bestemd is voor de vergroting van de
productie toegeëigend wordt, moet zij, nadat aan de eerste voorwaarde voldaan is [d.w.z. de voorwaarde die het scheppen van de meerwaarde bepaald], eerst gerealiseerd, in geldvorm gebracht worden18’.
Inderdaad, voegt Rosa Luxemburg toe, in het merendeel van de gevallen, ‘kan de meerwaarde, in welke natuurlijke gedaante zij ook mag steken, niet direct ter accumulatie naar de productieplaats overgebracht worden, zij moet eerst gerealiseerd, in geld geruild worden19’.
Nauwkeuriger, ‘bij de accumulatie speelt de geldvorm een wezenlijke functie: zij dient niet meer louter als bemiddelaar in de warencirculatie, maar als verschijningsvorm van het kapitaal, als moment in de kapitaalcirculatie. De verandering van de meerwaarde in geldgedaante is de wezenlijke economische voorwaarde van de kapitalistische accumulatie, hoewel geen wezenlijk moment van de werkelijke reproductie20’.
Onder deze voorwaarden, bevestigt Rosa Luxemburg, ‘opdat de accumulatie als doorlopend proces plaatsvindt, is dus een voortdurend groeiende mogelijkheid tot de warenafzet voor het kapitaal onontbeerlijk21’. ‘Een vergroting van de koopkrachtige vraag naar waren is nodig22’. De vraag waarop men moet antwoorden, als men wil begrijpen waarom er ontwikkeling is in de kapitalistische productiewijze, is dus volgens Rosa Luxemburg de volgende: ‘Waar vandaan komt de voortdurend stijgende vraag, die de basis is van de voortschrijdende vergroting van de productie in Marx’ schema’ s23?’

3 HET ONDERZOEK, DOOR ROSA LUXEMBURG, VAN VORIGE ANTWOORDEN

We bespreken, van de door Rosa Luxemburg bestudeerde antwoorden, de controverse tussen Say-Ricardo en Sismondi-Malthus, en vooral de controverse legale marxisten ‘“ narodniki, en de houding van K. Marx, zoals die is gepresenteerd in die Akkumulation des Kapitals.

A. De controverse tussen Say-Ricardo en Sismondi-Malthus24

Rosa Luxemburg begint met het afwijzen van twee soorten antwoorden: in de eerste plaats die van J.B.Say en van D.Ricardo over de wet van de afzetmarkten, volgens welke het aanbod automatisch zijn eigen vraag schept, en volgens welke, bij gevolg, geen enkel algemeen gebrek aan afzet ooit te vrezen is. Zij neemt, in dit opzicht het wezen van de kritiek van Marx over.
Maar zij wijst eveneens het antwoord van Malthus en van Sismondi af, die een verkeerde theorie van de onderconsumptie aanhangen. Deze twee auteurs wezen inderdaad terecht de wet op de afzetmarkten af, maar stelden zich ermee tevreden, dat een deel van de inkomsten van de rijken opgespaard werd en dat bij gevolg de vraag naar consumptiemiddelen lager was dan het globale aanbod, het overschot eerst verkocht moet worden, hetzij aan onproductieve arbeiders (Malthus), hetzij geëxporteerd (Sismondi). Maar de noodzaak van buitenlandse markten aannemen op basis van deze redenering was verkeerd, want Sismondi en Malthus zagen niet dat het gespaarde, als het uitgegeven wordt, een ander type vraag doet ontstaan, een vraag naar uitrustingsgoederen, geschikt om de ruimte te gaan opvullen die ontstaan is door de besparing tussen het aanbod en de globale vraag.
‘De uiteenzetting van Sismondi’, schrijft Rosa Luxemburg, ‘heeft bewezen, dat hij niet bekwaam was het proces van de reproductie als geheel te begrijpen.’ ... Zijn reproductietheorie lijdt aan de fundamentele fout, die hij van A. Smith overgenomen heeft [fout ook door Say en Ricardo gemaakt]: namelijk aan de voorstelling dat het jaarlijkse totaalproduct in persoonlijke consumptie geheel en al opgaat, zonder voor de vernieuwing van het constante kapitaal van de maatschappij een waardedeel over te laten, evenzo, dat de accumulatie alleen bestaat in de verandering van de kapitalistische meerwaarde in additioneel variabel kapitaal25’.
Vanaf het moment waarin het constante kapitaal verdween uit het globale product van de maatschappij, en waarin dat product enkel bestaat uit consumptiemiddelen, ‘hoe zal nu onder zulke vooronderstellingen de kapitalistische accumulatie plaatsvinden? .... Het probleem van de accumulatie wordt onoplosbaar26.
Sismondi heeft werkelijk ‘met zijn kritiek van de accumulatie de burgerlijke economie veel last bezorgd27’, als hij, wanneer hij stoot op een onoplosbaar probleem, op reactionaire wijze de voor-kapitalistische productievormen roemt.

B. De controverse tussen de legale-marxisten en de narodniki28.
a) Het vertrekpunt van de argumentatie van de legale marxisten (waarvan de twee belangrijkste vertegenwoordigers de russen Tugan-Baranowsky en Bulgakow29 zijn) is tweeërlei. Men gaat in de eerste plaats uit van de door Marx gebruikte verdeling in twee grote productieafdelingen (afdeling I, die productiemiddelen produceert en afdeling II die de consumptiemiddelen produceert). Men vertrekt ten slotte van de opmerkingen van Marx, die het accent leggen op het feit, dat de maatschappelijke consumptie in de kapitalistische productiewijze niet het doel van de productie is30.
Daarvan uitgaande zal Tugan-Baranowsky verklaren dat de verhoging van de productie helemaal niet beperkt wordt door de consumptie. Het is voldoende, dat de vraag naar productiemiddelen zich richt op de vraag naar consumptiemiddelen, wat ze doet, beweert hij, omdat het daarbij gaat om normale voorwaarden van de kapitalistische productie. Bovendien kan de productie van productiemiddelen zich volledig losmaken van de uiteindelijke consumptie van consumptiemiddelen en men kan zich heel goed een systeem voorstellen, waarin de economische activiteit slechts bestaat uit de constructie van machines om machines te produceren, zonder dat de consumptie van consumptiemiddelen als bemiddelaar optreedt.
Die redenering blijkt zeer duidelijk in deze passages uit het boek van Tugan-Baranowsky.
‘Moet de verdeling van de inkomsten, een overmatige productie, die proportionele herverdeling van de maatschappelijke productie toelaat, zo ongunstig zijn voor de massa van het volk als ze kan zijn? Ons antwoord kan niet anders zijn dan duidelijk negatief’ . De totale afzet is niet gedaald, maar de maatschappelijke vraag is van aard veranderd, de vraag naar productiemiddelen vervangt de vraag naar consumptie objecten31’. En Tugan-Baranowsky voegt er aan toe: ‘In mijn Theoretischen Grundlagen des Marxismus, geef ik schema’ s van de accumulatie van het kapitaal onder de hypothese van een absolute afname van de maatschappelijke consumptie. Er is geen overschot van producten, omdat de reductie van de vraag naar consumptieobjecten is gecompenseerd door een verhoging van de vraag naar productiemiddelen. Als alle arbeiders op een na zijn vervangen door machines’ . De arbeidersklasse zal verdwenen zijn, maar wat doet het er toe voor de daling van de producten van de kapitalistische industrie.’ De productie zal, in dat geval, als enig doel de accumulatie van het kapitaal hebben’ Dat alles schijnt bizar, en men kan het absurd vinden. Mogelijk. De waarheid is niet altijd gemakkelijk te benaderen voor de intelligentie. Maar ze blijft desalniettemin de waarheid32’.
Uitgaande van deze argumentatie, zullen Tugan-Baranowsky, evenals de andere legale-marxisten de mogelijkheid van een oneindige ontwikkeling van het kapitalisme op de enkele basis van de binnenlandse markt, en het niet noodzakelijke karakter van buitenlandse markten
bevestigen.
Twee wezenlijke kritieken moeten gemaakt worden op Tugan-Baranowsky en op de legale marxisten.
In de eerste plaats is het natuurlijk onmogelijk oneindig productiemiddelen te produceren, als de vraag naar consumptiemiddelen daalt. Zeker, de vraag naar productiemiddelen kan een zeer grote expansie kennen, zonder zich momenteel druk te maken over de uiteindelijke consumptie. Maar juist deze momentele marge zal betaald worden met een crisis. Als de vraag naar consumptiemddelen te veel daalt. zal de vraag naar productiemiddelen, vroeg of laat op haar beurt dalen.
Tugan-Baranowsky overdrijft de opmerkingen van Marx met betrekking tot een vraag naar productiemiddelen en het doel van de kapitalistische maatschappij tot in het absurde. Maar Marx heeft zelf aangetoond, dat de accumulatie boven een bepaalde grens niet ten koste van de consumptie kan gaan: ‘Dat de accumulatie zich zou voltrekken ten koste van de consumptie is’ een illusie, die de aard van de kapitalistische productie weerspreekt33’, of ook: ‘een voortdurende circulatie vindt plaats tussen constant kapitaal en constant kapitaal’ ; die [in zo ver] in eerste instantie onafhankelijk van de individuele consumptie is, als ze nooit erin ingaat, die toch definitief erdoor begrenst is, doordat de productie van het constante kapitaal nooit ter wille van zichzelf plaatsvindt, maar alleen, omdat er meer van gebruikt wordt in de productiesferen, waarvan de producten in de individuele consumptie ingaan34’.
De tweede kritiek, die gemaakt moet worden op de legale marxisten is dat ze de schema’ s van de 2e band van het Kapital gebruiken, die op een hoog niveau van abstractie de voorwaarden van het evenwicht beschrijven, als in de werkelijkheid functionerende schema’ s van de kapitalistische productiewijze.
Dit gebruik geschiedt zowel door Tugan-Baranowsky als door Bulgakow: de laatste bij voorbeeld, gebruikt het om aan te tonen, dat het kapitalisme geen behoefte heeft aan buitenlandse markt volgens zijn eigen woorden, ‘de zeer waardevolle analyse van de maatschappelijke reproductie, die K. Marx geeft in het tweede deel van de 2e band van het Kapitaal’, die voegt hij toe ‘een voldoende basis’ geeft ‘voor een andere oplossing van het probleem van de afzetmarkten dan degene die de heren, Nikolaj-on, W.Woronzow [dwz. de narodniki] en anderen zich eigen gemaakt hebben’ 34’.
Wel nu, wij menen dat een dergelijk gebruik van de schema’s van band 2 van het Kapitaal niet aanvaardbaar is. Wij zullen dit punt later nauwkeuriger behandelen, ter gelegenheid van het gebruik, dat Rosa Luxemburg zelf van deze schema’ s maakt.
Dat wil zeggen, zelfs als Rosa Luxemburg deze schema’ s ten onrechte heeft gebruikt, zoals
wij het zien, ze aantonen, dat zij streng en terecht kritiek levert op het ultra-mechanische en simplistische gebruik, dat de legale marxisten ervan maken. Zij schrijft bij voorbeeld: ‘Deze argeloze oefening met rekenkundige bewijzen op papier houdt Tugan-Baranowsky in volle ernst als bewijs, dat de dingen in werkelijkheid zich evenzo afspelen35’. Zij citeert dan een zin van Tugan-Baranowsky, die zijn kritiek perfect illustreert: ‘De geciteerde schema’ s moeten zonneklaar bewijzen ‘ , en maakt het belachelijk door aan te tonen dat het ontbreken van overtollig product ‘in het schema’ niet de afwezigheid van overtollig product in de werkelijkheid bewijst36’.

In dezelfde zin, in de Anti-Kritik, als zij op scherpe wijze elke Otto Bauer, Eckstein, Pannekoek, die om te antwoorden op haar boek, op ultra-mechanische wijze de schema’ s van deel 2 van het Kapital zullen gebruiken: ‘De maatschappij; schrijft ze, ‘die op de vooronderstellingen van de tweede band van het Kapital afgestemd is, bestaat in de reële werkelijkheid nergens’, en daarom verklaren ‘de officiële experts’ van het marxisme, vertrekkende uit de 2e band, dat het probleem van de accumulatie niet bestaat en reeds bij Marx definitief opgelost is37! Of nogmaals: ‘De naïeve voorstelling, als of mathematische formules hier de hoofdzaak de economische mogelijkheid van een zodanige accumulatie zouden kunnen bewijzen is het vermakelijkste quiproquo van de hoeders van het marxisme en is op zich voldoende om Marx zich in zijn graf te laten omdraaien38’.
We merken ten slotte, met Rosa Luxemburg, over de Russische legale marxisten op, dat als in de jaren 1890, ‘het ‘˜legale’ marxisme ‘ toen officieel bezit nam van de [universitaire] katheder van de tijdschriften, van de markt van het economische boek in Rusland’, tien jaar later, toen ‘de ontwikkelingsmogelijkheden van het Russische kapitalisme hun optimistische keerzijde in de revolutionaire opstand van het proletariaat op straat bekend maakten ‘” met een enkele uitzondering ‘” geen een in het kamp van het proletariaat te vinden was39’.

b) De theorieën van de Russische narodniki, die tegen de thesen van de legale marxisten ingaan, zijn eveneens door Rosa Luxemburg naar voren gehaald en bekritiseerd.
De twee voornaamste woordvoeders van de tendens van de narodniki zijn Woronzow, wiens voornaamste werken Schicksalen des Kapitalismus in Rußland en Umrisse der theoretischen Oekonomie, respectievelijk verschenen in 1882 en 1895 en Nicolaj-on, die een Russische vertaling van het Kapital publiceerde, en wiens voornaamste werk Umrisse unserer sozialen Wirtschaft seit der Reform in 1893 verscheen.

Het kader van de ontwikkeling van het denken van de narodniki is dus het Rusland van de jaren 1880-1890, waarvan de situatie door Rosa Luxemburg zeer goed beschreven is: ‘De ‘˜primitieve accumulatie’ van het kapitaal gedijde in Rusland onder de begunstiging van allerlei subsidies, garanties, premies en bestellingen voortreffelijk en oogstte winsten, die in het westen, in die tijd reeds tot het rijk der fabelen behoorden. ‘ Op het platteland veroorzaakte de neergang en de ontbinding van de boereneconomie onder de druk van fiscale knevelarij en het monetaire stelsel gruwelijke toestanden, periodieke hongersnood en periodieke onrust onder de boeren. Anderzijds was het fabrieksproletariaat in de steden nog niet sociaal en geestelijk geconsolideerd tot een moderne arbeidersklasse ‘ Pas in het begin van de jaren ‘ 80 zullen eerst de spontane tumulten in de fabrieken in het district van Moskou ‘ de impuls geven voor de eerste bases voor een fabriekswetgeving in het tsarenrijk40’.

In dit kader, was de overheersende lijn van de narodniki een sterke scepsis wat betreft de mogelijkheden van de ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland: ‘De scepsis met betrekking tot de mogelijkheid van de kapitalistische ontwikkeling in de geest van Sismondi, ‘ wordt vertegenwoordigd door de Russische variant van het kleinburgerlijke, narodnikisch-confuse socialisme’ 41’, schrijft Rosa Luxemburg. Woronßow en Nicolaj-on bevestigen, dat het kapitalisme in Rusland onmogelijke is, ten minste dat de grote industrie zich niet zal ontwikkelen, en dat wegens het ontbreken van afzetmarkten. Dit gebrek aan afzetmarkten, voegen ze toe is in de eerste plaats te wijten aan de tekortkomingen van de binnenlandse markt, zelf verbonden aan de armoede van de boeren en vooral aan de onmogelijkheid de buitenlandse markt uit te breiden. Nauwkeuriger volgens hen, het kapitalisme kan zich niet ontwikkelen op basis van alleen de binnenlandse markt en rust op de verovering van altijd bredere buitenlandse markten. Of, zeggen ze, Rusland verscheen te laat op het internationale toneel: de buitenlandse markten waren reeds toegeëigend, de verdeling van de wereld tussen de kapitalistische landen is reeds tot stand gekomen.
Rosa Luxemburg vatte perfect hun gedachte samen toen ze schreef: ‘Het reddingsmiddel van het kapitalisme is de buitenlandse handel. En dat is opnieuw de ‘Achillespees’ van het Russische kapitalisme. Als laatste aan de tafel van de wereldmarkt heeft het bij de concurrentie van oudere kapitalistische landen van het Westen slechts het nazien, en zo is het Russische kapitalisme samen met uitzicht op buitenlandse markten ook afgesneden van de voornaamste voorwaarde van zijn levensvatbaarheid42’.
Men ziet reeds, het debat dat ‘ eerst ging om het Russische kapitalisme en zijn uitzichten ‘ sloeg natuurlijk over op de algemene problemen van de ontwikkeling van het kapitalisme43’.

Het is dan ook des te belangrijker te bestuderen welke ‘theoretische’ argumenten de narodniki geven als basis voor hun these van de noodzaak van buitenlandse markten. Zij zullen beweren dat de buitenlandse markten onvervangbaar zijn omdat, in laatste analyse, de kapitalisten slechts een deel van hun meerwaarde besteden aan de koop van consumptiemiddelen, het andere gespaard is!
Woronzow verklaart bij voorbeeld, dat de arbeiders door meer te produceren dan zij consumeren, de meerwaarde dus niet kunnen consumeren. Wat de kapitalisten betreft, zij consumeren een deel van de meerwaarde, maar zijn niet in staat, haar geheel te consumeren: er is daarom een surplus dat geëxporteerd zal moeten worden. Woronzow schrijft: ‘De arbeider produceert meer, dan hij zelf consumeert, en al deze overschotten verzamelen zich in weinig handen; de bezitters van deze overschotten verteren ze zelf; ‘ maar hoeveel ze ook eten, drinken en dansen mogen ‘” de gehele meerwaarde verjubelen, spelen ze het toch niet klaar; er blijft nog een belangrijke rest ‘ die ze te gelde moeten maken’ Omdat er niemand in het land is, waaraan ze deze rest kwijt kunnen raken, moet hij naar het buitenland uitgevoerd worden ‘” en daar hebben we de oorzaak, waarom landen , die zich kapitaliseren, zonder buitenlandse afzetmarkten niet .klaar kunnen komen44’.
Alles bijeen, voor Woronzow, ‘ligt daarmee de Achillespees van de kapitalistische industriële organisatie in de onbekwaamheid van de ondernemers, hun gehele inkomen te verteren45’œ.
We herkennen hier in feite, idee, die zeer dicht staan bij de vulgaire onderconsumptietheorie van Sismondi.

Men ziet dezelfde idee terug in de geschriften van Nicolaj-on, die aan de ene kant bevestigt, dat het deel van de lonen in het nationale inkomen lager wordt, aan de andere kant, dat de kapitalisten niet de gehele meerwaarde kunnen consumeren, en daarom de buitenlandse markten onmisbaar zijn om het in het binnenland onverkoopbare product van de hand te doen.
Merk tenslotte op, dat de narodniki twee directe consequenties trokken op het politieke plan van hun scepsis over de mogelijkheid van de ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland. Voor alles, de eerste consequentie is dat de socialistische beweging niet behoefde te rekenen op de ontwikkeling van een belangrijke arbeidersklasse en moest begrijpen dat de boeren de motorische kracht van de revolutie zijn.
Overigens, de tweede consequentie is, dat de narodniki uit hun thesen, de conclusie trekken, dat de sociale revolutie zich moet voltrekken in de marge van de kapitalistische sfeer en de oude gemeenschapsinstellingen in werking zou moeten herstellen. In hun ogen, schrijft Rosa Luxemburg zou, de Russische ‘gemeenschappelijke boereneigendom van grond en bodem, de beroemde ‘˜obschtschina’ als een mogelijk uitgangspunt voor een hogere sociale ontwikkeling in Rusland, dat met het overslaan van het kapitalistische stadium met zijn lijden op een kortere en minder pijnlijke weg als de West-Europese landen in het beloofde land van het socialisme belanden46’.
En feitelijk, voegt ze toe, volgens Nicolaj-on bij voorbeeld.’alle onheil in de moderne maatschappij komt door de verstoring van ‘ het kleinbedrijf ‘ De lof van het alleenzaligmakende kleinbedrijf komt zelfs bij Nicolaj-on als de grondtoon van zijn hele kritiek veel duidelijker en opener als bij Sismondi tot uitdrukking ‘ Volgens zijn mening is namelijk de enige reddingsplank van Rusland uit de kapitalistische overstroming {‘ de} op het gemeenschappelijke bezit van grond en bodem berustende landgemeente ‘ Daarop zullen ‘” door maatregelen vanzelfsprekend, die het geheim van Nicolaj-on gebleven zijn ‘” de resultaten van de moderne grootindustrie en van de moderne wetenschappelijke techniek opgedrongen worden opdat ze als basis zouden kunnen dienen van een ‘˜vermaatschappelijkte’ hogere productievorm47’.

De kritiek die men kan maken op de narodniki moet slaan op twee punten.
Ten eerste moet de kritiek slaan op hun ‘theoretische’ argumentatie. In feite gebruiken ze, evenals de legale marxisten, de schema’ s van boek 2 van het Kapital op verkeerde manier, dat wil zeggen als functioneringsschema’ s en in dat kader verkondigen ze idee, die zeer dicht liggen bij die van Sismondi, verkeerde idee, zoals we gezien hebben, in de mate waarin men niet ziet, dat het deel van de gespaarde meerwaarde, door het te investeren, een vraag naar investeringsgoederen schept.

We merken overigens op, met Rosa Luxemburg,

1) dat de narodniki tot in het absurde de vergissing van Sismondi verdedigen (zij eigenen zich, schrijft zij, de Sismondische theorie van de crises ‘in een zo ruw mogelijke en simplistische vorm toe48’ ) en geven zich er geen rekenschap van dat, indien de meerwaarde geheel geconsumeerd was er geen accumulatie meer zou zijn en dus geen uitgebreide reproductie!

2) dat Woronzow en Nicolaj-on (vertaler van het Kapital! !) des te minder te verontschuldigen zijn, wat ze schreven, nadat Marx reeds de vergissing van Sismondi gehekeld had;

3) dat de legale marxisten gemakkelijk spel zullen hebben om hun te bekritiseren, daar ze zelf in de gehekelde vergissingen te vallen.
De tweede kritiek moet slaan op de mogelijkheid van de ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland, en de politieke consequenties, die daar uit voortvloeien.
Zeker, zoals Rosa Luxemburg zelf meldt, soms verbinden de narodniki beperkingen aan hun eerste bewering over de onmogelijkheid van het kapitalisme in Rusland: ‘Woronzow-.... meende daarentegen het proces van de scheiding van de directe producenten van hun productiemiddelen in bepaalde takken van de Russische industrie wel te verwachten. Hij gaat nog verder. Hij bestrijdt zelfs niet de mogelijkheid van de ontwikkeling van kapitalistische productievormen in bepaalde takken van de Russische industrie... 49. Zij beweren dus eenvoudig dat het kapitalisme in Rusland niet dezelfde graad van rijpheid als in het Westen zou kunnen bereiken.
Dat wil zeggen, ondanks alle twijfel over de mogelijkheid van het kapitalisme in Rusland die in hun werk overheerst.
F.Engels, die de situatie in Rusland anders beoordeelde, had toch getracht ‘Nicolaj-on herhaaldelijk duidelijk te maken, dat voor Rusland de grootindustrële ontwikkeling onvermijdelijk en dat het leed van Rusland slechts de typische tegenspraken van het kapitalisme zijn50’. In feite, verduidelijkt Rosa Luxemburg, als ‘Nicolaj-on de agrarische gemeenschap (de ‘obschtschina’) in herinnering bracht, was dit een ernstig historisch anachronisme, als ongeveer een decennium later reeds de officële begrafenis van de ‘˜obschtschina’ van staatswege volgde. ‘ Spoedig bleek aan het agrarische probleem als machtigste factor van de Russische revolutie zeer duidelijk, hoe zeer de oude waan van de ‘narodniki’ achtergebleven was bij de feitelijke economische gang van de dingen en hoe krachtig omgekeerd de kapitalistische ontwikkeling in Rusland, die ze als een doodgeborene betreurden en verwensten, het verstond haar levensvatbaarheid en vruchtbare arbeid onder bliksem en donder te openbaren51’.
Deze ontwikkeling van het kapitalisme voltrok zich grotendeels, een door de narodniki absoluut niet begrepen fenomeen, op basis van de verovering van de voor-kapitalistische sectoren door het kapitalisme, zelfs binnen de Russische grenzen.
Marx had reeds uitgelegd hoe het kapitalisme zelfs binnen zijn grenzen afzetmarkten kan vinden door het veroveren van voor-kapitalistische sectoren: ‘de gebeurtenissen, waardoor de kleine boeren loonarbeiders worden en hun bestaansmiddelen en arbeidsmiddelen worden veranderd in de stoffelijke bestandsdelen van het kapitaal, scheppen tegelijkertijd voor dit kapitaal de binnenlandse markt’ .Garen, linnen, stoffen van grove wol, enz, ‘ voordien door het boerengezin zelf gemaakt, worden nu hun manufaktuurartikelen, waarvoor het platteland de afzetmarkt vormt ‘ Zo gaat hand in hand met de onteigening van de vroeger zelfstandige boeren, ... de vernietiging van de plattelandsindustrie. ‘ En alleen de vernietiging van de huisindustrie op het platte land kan
de binnenlandse markt van een land, die grootte en bestendigheid geven, die men voor de kapitalistische productiewijze nodig heeft52’.
Zelfs in Rusland bestonden er afzetmarkten in de vorm van veroveringen van voor-kapitalistische sectoren door de kapitalisten. Lenin bleef terecht lang stilstaan op dit punt, vooral in De ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland, gepubliceerd in 1896-1899: ‘De verandering van de kleine producent in loonarbeider veronderstelt dat hij de productiemiddelen ‘” de bodem, arbeidsmiddelen, werkplaats, enz ‘” verloren heeft, dwz. zijn ‘˜verarming’ , zijn ‘˜ruïne’ . De opvatting bestaat nu dat deze ruïne ‘˜de koopkracht van de bevolking vermindert’ , voor het kapitalisme, ‘˜de binnenlandse markt versmalt:’ ‘ De genoemde auteurs [Woronzow en Nicolaj-on] trekken alleen uit het feit van de ruïne van de kleine producenten de conclusie van een versmalling van de binnenlandse markt. Zo’ n opvatting is volledig verkeerd53’.

Inderdaad vergeten ze dat: ‘de scheiding van de directe producent van zijn productiemiddelen, dwz. zijn onteigening, ‘ de binnenlandse markt schept. Dit scheppen van de binnenlandse markt voltrekt zich als een dubbelzijdig proces: aan de ene kant veranderen de productiemiddelen, waarvan de kleine producent ‘˜bevrijd’ wordt, in de handen van zijn nieuwe bezitters zich in kapitaal, dienen voor de productie van waren en worden als gevolg zelf waren’ Aan de andere kant worden de bestaansmiddelen van de kleine producent stoffelijke elementen van het variabele kapitaal’ Daarmee veranderen deze bestaansmiddelen zich in waren, dwz. zij scheppen de binnenlandse markt voor consumptiemiddelen54’.
Lenin toont dus goed aan dat de narodniki vergeten, dat ‘de markt ontstaan kan, niet door verhoging van de consumptie, maar door verandering van de natuurlijke consumptie, (zij het ook rijkelijke) in een monetaire of betalende consumptie (zij het ook minder rijkelijke)55’. Met andere woorden, de omvorming van een voornamelijk van de zelfconsumptie levend boerendom in proletariaat en in plattelands bourgeoisie schept een markt voor de consumptiemiddelen en voor de productiemiddelen. Dat is, beweert Lenin, wat de’Heren Woronzow en Nicolaj-on niet begrepen hebben56.’
Rosa Luxemburg leverde in Die Akkumulation des Kapitals kritiek op ‘de kleinburgerlijke scepsis’ van de narodniki door de afzetmarkten voortkomende uit de verovering van voorkapitalistische sectoren in Rusland zelf eveneens in twijfel te trekken57.
Bovendien is als ander punt door de narodniki over het hoofd gezien, dat in Rusland de ontwikkeling van het kapitalisme deels gefinancierd was door de introductie van vreemde kapitalen (voornamelijk Franse) in het land. Deze introductie droeg bij aan het scheppen van een additionele inkoopskracht, en vergemakkelijkte de toenemende breuk van de traditionele productiewijze.
De consequenties die de narodniki trokken op het politieke plan, van hun scepsis over de mogelijkheid van een ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland (boerendom als motorische kracht van de revolutie, lofspraak van het gemeenschappelijke boereneigendom en van de kleine ambachtelijke productie58), zijn eveneens buitengewoon aanvechtbaar, en zij zijn zeer sterk gekritiseerd door Rosa Luxemburg en door Lenin.
Merk hier op, dat de feiten zelf de prognoses van de Russische narodniki met betrekking tot de aard van de revolutie hebben weerlegd en Rosa Luxemburg gelijk hebben gegeven, als zij het karakter van hun opvatting ‘kleinburgerlijk en reactionair’ noemde59:

‘” er is een ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze in Rusland;
‘”de motorische kracht van de revolutie is het proletariaat geweest;
‘”de revolutie heeft niet geleid tot de consolidatie van voorkapitalistische productievormen.

Het bestaan zelf van een reeds ontwikkelde arbeidersklasse, zelfs voordat de bourgeoisie de macht grijpt, verklaart ten dele, een buitengewoon belangrijk fenomeen: niet de onmogelijkheid van de ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland, maar de zwakte van de Russische bourgeoisie, haar verbindingen met grondeigenaren en haar onbekwaamheid volledig de taken van de democratische burgerlijke revolutie te vervullen.
We zullen op dit punt terugkomen bij de imperialismetheorie van Lenin.

a) Rosa Luxemburg weet dank zij Marx te hebben aangetoond, tegen de klassieken en Sismondi60, dat de globale productie niet alleen de consumptiemiddelen, maar ook de productiemiddelen omvat en dat het door de kapitalisten niet geconsumeerde deel van de meerwaarde een vraag naar uitrustingsgoederen kan doen ontstaan, die het door besparing voorstoorde evenwicht tussen het globale aanbod en de globale vraag kan herstellen.
Zij weet, dank zij hem, in algemene zin te hebben aangetoond in boek 2 van het Kapital, dat het normale afvloeien van consumptiemiddelen zich slechts realiseren kan als men gelijktijdig
een voldoende hoeveelheid productiemiddelen produceert.

b) Maar, voegt Rosa Luxemburg er aan toe, omdat Marx te veel tijd heeft besteed aan het bestrijden van de fout van de klassieken en van Sismondi en omdat zijn werk niet af is, lopen de schema’ s van de uitgebreide reproductie in boek 2 van het Kapital uit op een resultaat, dat tegelijk onbevredigend en tegenstrijdig is met boek 3 van het Kapital.

1e bewering: de schema’ s van boek 2 eindigen in een onbevredigend resultaat.

Als Rosa Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals schrijft stoot ze op een moeilijkheid: ‘Ik kon het totaalproces van de kapitalistische productie niet met voldoende duidelijkheid uiteenzetten’. Dan, voegt ze toe, als ik de zaak aandachtiger bekeek, begon ik te denken, dat het niet alleen een vraag van uiteenzetting was, maar dat er daar ook een probleem aan vast zat op het theoretische plan, aan de inhoud van het tweede boek van het Kapital van Marx en ik stootte tegelijk op de huidige imperialistische politiek en haar economische wortels61’.
Nauwkeuriger, volgens haar, geven de schema’ s van de reproductie van boek 2 van het Kapital de indruk, dat een oneindige ontwikkeling van het kapitalisme mogelijk is, op de enkele basis van de binnenlandse markt, vooropgesteld, dat de verhoudingen tussen de twee grote afdelingen zullen worden gerespecteerd. Na de schema’ s van Marx te hebben gepresenteerd, beweert ze dat de accumulatie van het kapitaal zich op oneindige wijze schijnt te kunnen voortzetten op basis van de enkele binnenlandse markt, zonder belemmeringen zonder grenzen. Boek 2 van het Kapital laat, volgens haar, de mogelijkheid van een constante groei van de accumulatie toe en van een grenzeloze uitbreiding van de productie op basis van de binnenlandse markt.
In feite, verklaart Rosa Luxemburg, is de vergissing van Marx te hebben geredeneerd in het kader ‘van één’ natie, nauwkeuriger te hebben geredeneerd, alsof de gehele wereld Éénenkele kapitalistische natie was’ en zij citeert in dat opzicht teksten van Marx, getrokken uit boek 262.
Wel nu, beweert ze, als men dit vertrekpunt aanvaardt, is het onmogelijk te begrijpen waar de kapitalisten de nieuwe afzetmarkten vinden, die ze nodig hebben: in de schema’ s van de uitgebreide reproductie, schrijft ze, ‘de accumulatie voltrekt zich, zonder dat men ten minste iemand kan bemerken, voor wie, voor welke nieuwe consumenten per slot van rekening de productie zich steeds meer uitbreidt63’.
Wij zijn, met deze schema’ s, in een vicieuze cirkel: ‘Volgens het schema van Marx gaat de beweging uit van Afdeling I, de productie van productiemiddelen. Wie heeft deze vermeerderde productiemiddelen nodig? Het schema antwoordt: afdeling II heeft ze nodig, om meer levensmiddelen te kunnen maken. Maar wie heeft deze meerdere levensmiddelen nodig? Het schema antwoordt: juist afdeling I, omdat zij nu meer arbeiders in dienst heeft. We draaien blijkbaar in een cirkel rond64’.
Overigens, vervolgt Rosa Luxemburg, in boek 2 van het Kapital, stelt Marx niet de goede vraag. Inderdaad, hij vraagt zich af, waar het geld vandaan komt om de supplementaire waren in geld om te zetten: ‘Nu wordt echter als gevolg van het additionele productieve kapitaal, als zijn product een additionele warenmassa in de circulatie geworpen ‘ Hier rijst weer dezelfde vraag als hierboven: waar komt het additionele geld vandaan, om de nu in warenvorm voorhanden additionele meerwaarde te realiseren65?’
Marx antwoordt, dat het additionele geld, hetzij van de goudproducenten66 komt, hetzij door middelen, die de omloop van dezelfde geldstukken versnellen of echter door ‘˜déthésaurisatie’ ‘. Het geld voor de circulatie van deze grotere hoeveelheid waren van grotere waarde moet verkregen worden hetzij door verhoogde bezuiniging van de circulerende hoeveelheid geld, ‘ hetzij door verandering van geld uit de schatvorm in de circulerende vorm67.
Rosa Luxemburg gaat akkoord met het antwoord van Marx: ‘Met betrekking tot geld als medium van de circulatie moeten we hier, bij de beschouwing van het reproductieproces in zijn geheel, aannemen, dat de kapitalistische maatschappij steeds de voor het circulatieproces vereiste hoeveelheid geld ter beschikking heeft of zich daarvoor surrogaten weet te verschaffen68’.
Maar zij denkt dat Marx niet werkelijk de goede vraag stelt: ‘De analyse leed ons inziens
er onder, dat Marx het probleem onder de verkeerde vorm van de vraag naar de bronnen van het geld probeerde te beantwoorden. Maar het gaat in werkelijkheid om de feitelijke vraag, ‘ en niet om geldbronnen voor ze te betalen ‘ Dat de kapitalistische meerwaarde, voordat zij geaccumuleerd kan worden absoluut de geldvorm moet aannemen. Toch proberen wij de economische vraag naar het meerproduct te vinden, zonder ons druk te maken om de herkomst van het geld69’œ.
Met andere woorden, ‘de vraagstelling zelf is hier een verkeerde. Waarom het gaat bij het probleem van de accumulatie is niet: waar komt het geld vandaan? maar: waar vandaan komt de vraag voor het additionele product, dat voorvloeit uit de gekapitaliseerde meerwaarde. Het is niet een technische vraag van de geldcirculatie, maar een economische vraag van de reproductie van het maatschappelijke totaalkapitaal70’.

2e bewering: De schema’ s van boek 2 lopen uit op een tegengesteld resultaat met boek 3.
Rosa Luxemburg begint met, op correcte wijze presenteren van de voornaamste in het derde boek van het Kapital, uiteengezette idee, met betrekking tot de rol van de buitenlandse handel.
We geven ze vluchtig weer.
Marx legt, in boek 3, de nadruk op de noodzaak van buitenlandse markten, die voortvloeit uit de tegenstelling tussen de ontwikkeling van de productieve krachten en het bestaan van beperkte markten.
Terwijl in het tijdperk van de primitieve accumulatie ‘de uitbreiding van de buitenlandse handel de basis was van de kapitalistische productie is zij’, in onze dagen, ‘het resultaat geworden, naar mate de kapitalistische productie toenam wegens de aan de kapitalistische productiewijze inherente noodzaak te beschikken over een steeds grotere markt71’.
Nauwkeuriger, men moet, met Marx, een onderscheid maken tussen de voorwaarden, die beslissen over het scheppen van de meerwaarde en die welke haar realisatie bepalen, eenmaal gegeven de noodzaak van accumulatie onder de dwang van de klassenstrijd en de inter-kapitalistische concurrentie. De schepping van de meerwaarde hangt af van het bestaan, op de markt, van een voldoende hoeveelheid grondstoffen, machines en arbeidskracht, en van het bestaan van toereikende winstvoet72; de enige grens voor het scheppen van meerwaarde, buiten het bestaan van een voldoende hoeveelheid grondstoffen en machines, is de grens zelf van de uitbuiting van de arbeidskracht: ‘De schepping van meerwaarde vindt, de nodige productiemiddelen, dwz. toereikende accumulatie van kapitaal vooronderstelt’, schrijft Marx, ‘geen andere grens dan de arbeidersbevolking, als de meerwaardevoet, dus de uitbuitingsgraad van de arbeid, en geen andere grens dan de uitbuitingsgraad van de arbeid, als de arbeidersbevolking gegeven is73’.
De realisatie van de meerwaarde zal, afhangen van het bestaan van buitenlandse markten.
Marx, zal inderdaad uiteenzetten, dat het onvoldoende zijn van de binnenlandse markt de verkoop van de gehele productie tegen haar waarde in het binnenland verhindert en de kapitalisten bijgevolg dwingt buitenlandse markten te zoeken: ‘met deze productie van de meerwaarde is alleen de eerste handeling van het kapitalistische productieproces, het directe productieproces beëindigd’, schrijft hij74.
Vervolgens, ‘komt de tweede handeling van het proces. De totale warenmassa, het totaalproduct, ‘ moet verkocht worden75’. Wel nu, de voorwaarden van de directe exploitatie en die van haar realisatie zijn niet identiek’ De eersten hebben slechts als grens de productieve kracht van de maatschappij, de anderen de proportionaliteit van de verschillende productietakken en de consumptiekracht van de maatschappij76’.
Welnu, deze laatste is bepaald ‘op basis van antagonistische distributieverhoudingen, welke de consumptie van de grote massa van de maatschappij op een, binnen meer of minder enge grenzen, veranderlijk minimum reduceren77’.
In deze omstandigheden: ‘zoekt de innerlijke tegenspraak zich te vereffenen door uitbreiding van de uiterlijke velden van de productie. Des te meer de productieve kracht zich echter ontwikkelt, des te meer raakt ze in conflict met de enge basis waarop de consumptie verhoudingen berusten78’.
Meer in het algemeen, wijst Marx ons in boek 3, zoals we zullen zien, niet alleen op de noodzaak van buitenlandse markten, maar hij noemt de buitenlandse handel ook een belangrijk middel om de tendens tot daling van de winstvoet tegen te werken.
Hij kan haar om twee redenen tegenwerken:

Aan de ene kant, is de verhoging van de export vatbaar voor het bevorderen van de groei van de hoeveelheid meerwaarde.

Aan de andere kant, kan het invoeren van grondstoffen of van goedkope bestaansmiddelen de waarde van het constante kapitaal of van het variabele kapitaal doen dalen: ‘Voor zover de buitenlandse handel deels de elementen van het constante kapitaal, deels de noodzakelijke levensmiddelen, waarin het variabele kapitaal zich omzet, goedkoper maakt, werkt hij stijgend op de winstvoet, doordat hij de meerwaardevoet verhoogt en de waarde van het constante kapitaal verlaagt79’.
Merk tenslotte op dat, voor Marx, als de uitbreiding van de markten, op een gegeven moment onmogelijk is, als de verkoop naar het buitenland zich niet kan ontwikkelen, er niet een ‘onmogelijkheid van het kapitalisme’ uit volgt, maar een overproductiecrisis. Dat idee verschijnt duidelijk in het volgende door Marx genomen voorbeeld: ‘Wij hebben dikwijls de aandacht van onze lezers gevestigd op de groei zonder precedent van de Engelse industrie sinds 1850. Maar midden in de meest verbazende welvaart is het niet moeilijk heldere signalen te onderscheiden van een naderende industriële crisis. Ondanks Californië en Australe, ‘ moet er een moment komen, zelfs zonder bijzonder ongeluk, dat de uitbreiding van de markten niet meer het ritme van de uitbreiding van de Engelse industrie kan volgen en deze disproportie moet, even zeker als in het verleden, een nieuw crisis meebrengen80’.
Alles bijeen, bevestigt Rosa Luxemburg, zijn we geconfronteerd met een boek 3 van het Kapital, waarvan een van de basis idee is ‘de immanente tegenspraak tussen de grenzeloze expansieve capaciteit van de productieve kracht en de beperkte expansieve capaciteit van de maatschappelijke consumptie onder kapitalistische verdelingsverhoudingen81’. Uit deze tegenstrijdigheid ontstaat de noodzaak van buitenlandse markten, zonder welke het kapitalisme steeds zwaardere crises zou kennen.
Maar als boek 2 van het Kapital, voegt ze toe, de indruk geeft van de mogelijkheid van een oneindige ontwikkeling van het kapitalisme op basis van de enkele binnenlandse markt, volgt daaruit dat ‘het schema [van boek 2] de opvatting weerspreekt van het kapitalistische totaalproces en zijn verloop, zoals die door Marx in band 3 van het ‘˜Kapital’ is neergelegd82’.

c) De twee beweringen van Rosa Luxemburg:

‘” de schema’ s van boek 2 geven de indruk van de mogelijkheid van een oneindige ontwikkeling van het kapitalisme, op basis van de enkele binnenlandse markt,

‘” de schema’ s van boek 2 zijn in dat opzicht, tegenstrijdig met de in boek 3 verkondigde idee,

lijken ons radicaal fout.

Zij getuigen, in feite, van een onbegrip van boek 2 van het Kapital en van het type van het probleem dat Marx in zijn reproductieschema’ s tracht op te lossen. Dit onbegrip bewijst dat
Rosa Luxemburg een tegenstelling ziet met boek 3, waar die er niet is.
Wij zullen deze kritiek zeer breed ontwikkelen, terwijl we juist het gebruik zullen kritiseren, dat Rosa Luxemburg zelf maakt van de reproductieschema’ s van boek 2, een gebruik dat voortkomt uit hetzelfde onbegrip.

4. HET ANTWOORD VAN ROSA LUXEMBURG

Voor Rosa Luxemburg, bestaat er, als men zich stelt op de enkele basis van de kapitalistische binnenlandse markt, met het enkele bestaan van kapitalisten en arbeiders, een gebrek aan koopkrachtige vraag. Dit gebrek maakt het bestaan van buitenlandse markten voor de kapitalistische sfeer, noodzakelijk.

1. Er bestaat een gebrek aan koopkrachtige vraag op de binnenlandse kapitalistische markt

Men komt, in feite, in het boek van Rosa Luxemburg vier verschillende verklaringen tegen van dit gebrek, de vierde echter is, zoals wij het zien, slechts een bijproduct van de drie anderen.

1e verklaring: het is onmogelijk het geaccumuleerde deel van de meerwaarde te realiseren.

A) In bepaalde passages van haar boek slaagt Rosa Luxemburg er niet in zich te ontdoen (hoewel zij er kritiek op geleverd heeft) van de elementaire versie van de theorie van de onderconsumptie, die bestaat in het beweren dat het niet geconsumeerde deel van de meerwaarde niet kan worden gerealiseerd omdat niemand de fractie van de productie, die ermee overeenkomt vraagt.
Nauwkeuriger, zij verklaart, dat het constante kapitaal gerealiseerd is door de vervangingsuitgaven gedaan door de kapitalisten zelf, het geconsumeerde deel van de meerwaarde is gerealiseerd door de consumptie-uitgaven van de kapitalisten.
Maar er is nog het deel van de geaccumuleerde meerwaarde: dat kan niet gerealiseerd worden:

‘” noch door de uitgaven van de arbeiders, want de lonen zijn reeds uitgegeven om het deel van het product dat overeenkomt met het variabele kapitaal te realiseren.

‘” noch door de consumptie uitgaven van de kapitalisten want dan zouden we ons in het geval van de vereenvoudigde reproductie bevinden: ‘De persoonlijke consumptie van de kapitalisten groeit weliswaar met de accumulatie ... Desondanks is het slechts een deel van de meerwaarde dat voor de consumptie van de kapitalisten aangewend wordt. De basis van de accumulatie is juist de niet-consumptie van de meerwaarde door de kapitalisten83’.
Er is dus identiteit tussen de totaliteit van het geaccumuleerde deel van de meerwaarde in de twee afdelingen en het bestaan van onverkoopbaar surplus. Rosa Luxemburg schrijft inderdaad: ‘Het is uitgesloten, dat de arbeiders en de kapitalisten zelf het totaalproduct realiseren kunnen. Zij kunnen slechts het variabele kapitaal, het verbruikte deel van het constante kapitaal en het geconsumeerde deel van de meerwaarde realiseren ‘ Het te kapitaliseren deel van de meerwaarde kan onmogelijk door de arbeiders en kapitalisten zelf gerealiseerd worden84’.
De vraag is dus: ‘Waar is de vraag voor de geaccumuleerde meerwaarde85’?

B) Op deze wijze voorgesteld, dwz. nog op de manier van Sismondi of van de narodniki, is het probleem van de realisatie een fout probleem. Beweren dat de geaccumuleerde meerwaarde niet kan worden gerealiseerd, omdat niemand de fractie van de productie vraagt die er mee overeenkomt, dat is teruggrijpen op de verkeerde theorie van Sismondi.
Inderdaad, meestal, begaat Rosa Luxemburg in haar boek deze fout niet, en stelt ze het probleem niet zo verkeerd. Ze ziet zeer goed dat het door besparing geschapen te kort kan worden aangevuld door de vraag naar productiemiddelen.
Men kan echter nog een gevolg zien van Sismondiaanse herinneringen in de volgende fout, die zij maakt. Meestal, schenkt Rosa Luxemburg, ongetwijfeld om te vermijden in de absurditeiten van Tugan-Baranowsky te vallen, in feite, geen aandacht aan het feit, dat binnen het kader van zekere grenzen, afdeling I zich veel sneller ontwikkelt dan afdeling II. De kapitalistische concurrentie zelf leidt tot een relatieve herdistributie van de productieve krachten ten gunste van de afdeling van de productiemiddelen.
Inderdaad, soms, erkende Rosa Luxemburg het feit: Zij verklaart dat ‘de snellere groei van afdeling van de productiemiddelen in vergelijking met die van de consumptiemiddelen’ een feit is dat ‘zich niet laat bestrijden’86.
Maar, meestal, geeft ze het niet duidelijk toe: Zij vat, in dit feit, in de zelfde kritiek samen, de absurditeiten van Tugan-Baranowsky en erkenning door Lenin van de snellere groei van de afdeling I. Zij citeert, bij voorbeeld, die passage uit een geschrift van Lenin, dit ten onrechte gelijkstellend aan de thesen van Tugan-Baranowsky: ‘Zo als bekend, bestaat de wet van de kapitalistische productie daarin, dat het constante kapitaal sneller groeit dan het variabele, dwz. een steeds groter deel zich nieuw vormende kapitalen richt zich op de afdeling van de maatschappelijke productie die consumptiemiddelen maakt, dwz. het treedt juist daarin, wat Sismondi als ‘onmogelijk’ ‘gevaarlijk’, enz. verklaarde87’. Rosa Luxemburg beweert eenvoudig dat Tugan-Baranowsky een beetje verder gaat dan Lenin, zonder te bemerken, dat niet een eenvoudige kwantitatieve verandering is, als men overgaat van Lenin naar Tugan-Baranowsky, maar een kwalitatieve sprong van een wetenschappelijke theorie naar een absurd schematisme.
Natuurlijk weer, men komt ertoe zich de volgende vraag te stellen over het te onderzoeken probleem, wie koopt het deel van het product dat overeenstemt met de geaccumuleerde meerwaarde: ‘Misschien gedragen we ons als de ruiter die vertwijfeld in het rond kijkt om zijn paard te zoeken, waarop hij zit. De kapitalisten zijn misschien elkaars wederzijdse afnemers
afnemers voor de rest van de waren weliswaar niet om ze te verbrassen, maar juist om ze voor de vergroting van de productie, voor de accumulatie aan te wenden88?’
Maar, ze maakt onmiddellijk de volgende opmerking: ‘ ‘ een dergelijke oplossing verschuift de moeilijkheid alleen van dit moment naar het volgende. Want nadat we zo aannemen dat de accumulatie begonnen is en de vergrote productie in het volgende jaar een nog veel grotere hoeveelheid waren als in dit jaar op de markt gooit, ontstaat weer de vraag: hoe vinden we d a n de afnemers voor deze nog meer toegenomen hoeveelheid waren89?’
Dit gezegd, moeten we opmerken dat het niet gaat om een antwoord op de vraag, die Rosa Luxemburg eerst had gesteld: waar vinden we een vraag voor de waren, die overeenkomen met het geaccumuleerde deel van de meerwaarde? Een meer algemeen probleem stelt zich hier, en dat niet alleen het geaccumuleerde deel van de meerwaarde betreft.

2e verklaring; Als men de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal in de reproductieschema invoert, verschijnt er in afdeling II een onmogelijk te realiseren
overschot van consumptiemiddelen.

A) Deze tweede verklaring is voornamelijk gepresenteerd in hoofdstuk 25 van de Akkumulation des Kapitals.
Marx heeft in zijn schema’ s van de uitgebreide reproductie van boek 2 van het Kapital, aangenomen dat de organische samenstelling van het kapitaal c/v constant bleef, verklaart zij: ‘Het schema ‘ vooronderstelt, van jaar tot jaar, ondanks de accumulatie, dezelfde organische
samenstelling van het kapitaal ‘ 90’.
Wel nu, voegt ze toe, voer in deze schema’ s de tendens in tot stijging van de c/v, waarop Marx zelf gewezen heeft.
Maar dit invoeren toont, volgens haar, aan, dat het systeem uitloopt op een impasse.
Met behulp van cijfervoorbeelden, probeert ze ons aan te tonen, dat de introductie van de stijging van de productiviteit van de arbeid in de reproductieschema’ s, een gebrek aan productiemiddelen en een overschot aan consumptie middelen tot gevolg heeft.
We nemen een zeer eenvoudig cijfervoorbeeld, dat geen gebruik maakt van dezelfde cijfers als die van Rosa Luxemburg, maar waarvan de redenering hetzelfde is:

Zij:

C1 en C2, het constante kapitaal van de afdelingen I en II

V1 en V2,,het variabele kapitaal van de afdelingen I en II

m1 en m2, de meerwaarde van de afdelingen I en II

R1en R2, het geconsumeerde deel van de meerwaarde,

mC1en mC2, het deel van de geaccumuleerde meerwaarde gewijd aan de koop van nieuwe productiemiddelen

mV1 en mV2, het deel van de geaccumuleerde meerwaarde gewijd aan de koop van nieuwe arbeiders.

Zij, gedurende periode I:

Aanbod van productiemiddelen:

C1 + V1 +m1 = 44 + 11+ 11= 66

Aanbod van consumptiemiddelen:

C2 + V2 + m2 = 16 + 4 + 4 = 24

Dan heeft men dus C/V = 4

meerwaardevoet: m/V = 100%

Laten we veronderstellen dat de helft van de meerwaarde in de twee afdelingen wordt geaccumuleerd en dat de helft zich opnieuw verdeelt in aankoop van productiemiddelen en
arbeidskracht in dezelfde verhouding van 4: men veronderstelt dus dat C/V constant blijft, hypothese van Marx in de reproductieschema’ s.

We hebben dus:

m1 geaccumuleerd = 5,5 =

mC1 + mV1
4,4 C + 1,1 V

m2 geaccumuleerd = 2 =

mC2 + mV2
1,6 C + 0,4 V

‘”‘” Men heeft dus:

‘”‘” Aanbod van productiemiddelen = 66

‘”‘” Vraag naar productiemiddelen :

C1 + C2 + mC1 + mC2
= 44 + 16 + 4,4 + 1,6 = 66

dus: Aanbod van productiemiddelen = Vraag naar productiemiddelen

Evenzo:

‘”‘” Aanbod van consumptiemiddelen = 24

‘”‘” Vraag naar consumptiemiddelen :

V1 + V2 + R1 + R2 + mV1 +mV2
= 11 + 4 + 5,5 + 2 + 1,1 + 0,4 = 24

dus: Aanbod van consumptiemiddelen = Vraag naar consumptiemiddelen.

Maar, nu, introduceren we in het schema de groei van de productiviteit van de arbeid, in de vorm van een stijging van C/V: laten we zeggen van 4 op 7. De geaccumuleerde meerwaarde zal zich nu op verschillende manier verdelen.

Men heeft:

m1 geaccumuleerd = 5,5 = 4,8 C + 0,7 V

m2 geaccumuleerd = 2 = 1,75 C + 0,25 V

Men zal dus hebben:

‘”‘” Aanbod van productiemiddelen = 66

‘”‘” Vraag naar productiemiddelen:

C1 + C2 + mC1 + mC2
= 44 + 16 + 4,8 + 1,75 = 66,55

dus: Aanbod van productiemiddelen < vraag naar productiemiddelen

Overigens, zal men hebben:

‘”‘” Aanbod van consumptiemiddelen = 24

‘”‘” Vraag naar consumptiemiddelen :

V1 + V2 + R1 + R2 + mV1 + m V2
= 11 + 4 + 5,5 + 2 + 0,7 + 0,25 = 23,45

Dus: Aanbod van consumptiemiddelen > Vraag naar consumptiemiddelen

Zo toont de introductie van de stijging van C/V in de reproductieschema’ s ons, beweert Rosa Luxemburg, dat het proces van de uitgebreide reproductie verre van zich op evenwichtige wijze, te ontwikkelen uitloopt op een tekort aan productiemiddelen en op een overschot aan consumptiemiddelen ‘er zal ieder jaar een groeiend tekort aan productiemiddelen en groeiend overschot aan consumptiemiddelen ontstaan91’.

In dat geval zullen de kapitalisten van afdeling II:
‘” Of wel, steeds meer afzien van het accumuleren van een deel van hun meerwaarde en haar steeds meer moeten consumeren: maar in dat geval gaan we naar een stagnatie en de val van het kapitalisme;
‘” of wel, terechtkomen met een groeiende massa geproduceerde consumptiemiddelen, die geen solvente kopers vinden. De economische crises zullen dan steeds scherper worden.
Het fenomeen zal versterkt worden, zegt R. Luxemburg, door het feit dat de kapitalisten van afdeling I waarschijnlijk de tendens zullen hebben een steeds belangrijker deel van hun meerwaarde te accumuleren en dat het handhaven van het evenwicht dus tot gevolg zal hebben dat de kapitalisten van afdeling II steeds meer afzien van het accumuleren van een deel van hun meerwaarde wat, nogmaals, stagnatie betekent: ‘de versnelling van de accumulatie in de eerste afdeling [houdt in] de verlangzaming in de tweede, de vooruitgang van de techniek in de ene [door] de stagnatie in de andere92’.
We zien dus, besluit Rosa Luxemburg, dat, als men ‘met het technische proces rekening houdt, dwz. met de transformatie van de organische samenstelling van het kapitaal, ‘ het proces van de kapitalistische accumulatie onmogelijk louter in de ruilverhoudingen van zuiver kapitalistische industrie opgesloten zou kunnen worden93’.
Deze tweede verklaring van de onmogelijkheid van realisatie van het totaalproduct, merken we op, verschilt veel van de these van de onmogelijkheid de gekapitaliseerde partij van de meerwaarde te realiseren [1e verklaring], want:

‘” alle meerwaarde van afdeling I is gerealiseerd, aangezien het aanbod zelfs lager is dan de vraag;

‘” het overschot aan consumptiemiddelen materialiseert niet de gehele geaccumuleerde meerwaarde, maar slechts een deel ervan.

B] Die tweede verklaring van Rosa Luxemburg verdient vooral twee secondaire kritieken.
In de eerste plaats, moet men opmerken, dat Rosa Luxemburg veronderstelt, dat de reËle lonen constant zijn. Daarom riskeert de stijging van C/V het deel van de consumptiemiddelen nodig voor het onderhoud van de arbeiders in verhouding tot het globale product van de maatschappij te verlagen. Welnu de hypothese van de reËle constante lonen is niet altijd geverifieerd94.
In de tweede plaats, de analyse van Rosa Luxemburg impliceert, zoals we gezien hebben, dat er niet alleen een overschot aan consumptiemiddelen bestaat, dat men exporteren moet, maar ook, gelijktijdig en permanent in de gehele kapitalistische zone een tekort aan productiemiddelen.
De enige manier om dit deficit te doen verdwijnen, zou dus zijn de invoer van productiemiddelen afkomstig uit de prekapitalistische zone, die natuurlijk niet bij machte zijn ze te leveren.
Deze these botst dus frontaal met de werkelijkheid, waar het gaat om de 19e eeuw of nog meer van nu, omdat de export van uitrustingsgoederen van de ontwikkelde kapitalistische landen naar de koloniale en semi-koloniale landen een steeds belangrijker deel innemen in vergelijking met de consumptiemiddelen.

C) Buiten deze ‘secondaire’ kritieken, is de wezenlijke kritiek, die men op Rosa Luxemburg moet hebben haar gebruik van de reproductieschemas’ s van boek II van het Kapital95.
Men moet in de eerste plaats de aard van deze schema’ s begrijpen. Deze schema’ s zijn een model, dat op een hoog niveau van abstractie, de theoretische voorwaarden vaststelt van een evenwichtige reproductie van het kapitaal, van de voorwaarden van de continuïteit van de accumulatie en van de kapitalistische productie in haar geheel, bepaald door de in de ruil tussen de twee afdelingen te respecteren verhoudingen.
De schema’ s geven aan hoe de continuïteit van de kapitalistische productie zich op de lange duur handhaaft buiten de frequente periodieke interrupties96.
Daarvan uitgaande, moet men zorgvuldig vermijden de schema’ s een betekenis te geven, die ze niet hebben en ze te gebruiken om er vooral ‘de noodzakelijke ineenstorting’ van het systeem uit af te leiden, of de mogelijkheid van een ‘continue en harmonische ontwikkeling van het systeem. ‘Deze schema’ s houden immers per hypothese rekening met hun object zelf, wat we weer even herhalen, abstraheren van alle concrete voorwaarden van het functioneren van de kapitalistische productiewijze, dwz. tegenstrijdigheden die zich ontwikkelen in de boezem van het accumulatieproces: ongelijke ontwikkeling van branches, regio’ s en landen, klassenstrijd en inter-kapitalistische concurrentie, die de groei bepalen der organische samenstelling van het kapitaal en de tendens tot daling der winstvoet97, de cyclische vorm van het kapitalistische economische leven.
De schema’ s van de reproductie maken een abstractie98 van alle concrete voorwaarden zonder welke het onmogelijk is de ontwikkelingswetten van het kapitaal te begrijpen: zij kunnen de kapitalistische ontwikkeling niet concreet verklaren.
Zo is in de reproductieschema’ s van boek II, de realisatie van het gehele product, per hypothese, gemiddeld normaal mogelijk99. De buitenlandse handel hoeft dus niet te interveniëren in de schema’ s, zoals Marx het zelf onderstreept: ‘wordt echter een normale jaarlijkse reproductie op een gegeven schaal verondersteld, dan is daarmee ook verondersteld, dat de buitenlandse handel
alleen door artikelen met andere gebruiksvorm en natuurlijke vorm inheemse artikelen vervangt, zonder de waardeverhoudingen te beïnvloeden, dus ook niet de waardeverhoudingen waarin de twee categorieën productiemiddelen en consumptiemiddelen, zich wederkerig omzetten en evenmin de verhoudingen van constant kapitaal, variabel kapitaal en meerwaarde, waarin de waarde van het product van ieder van deze categorieën uit een kan vallen. De introductie van de buitenlandse handel bij analyse van de jaarlijks gereproduceerde productenwaarde kan slechts verwarring scheppen, zonder enig nieuw moment, zij het aan het probleem, zij het aan zijn oplossing te leveren100’.
Vanaf dit moment, waarin men de betekenis van de schema’ s van boek II begrepen heeft, merkt men dat er, in tegenstelling tot de beweringen van Rosa Luxemburg geen tegenspraak is tussen de boeken II en III van das Kapital:

1) De schema’ s van boek II houden terecht, geen rekening met de buitenlandse handel, en het is totaal verkeerd te beweren, dat ze de indruk geven van een mogelijk oneindige en harmonische
ontwikkeling van het kapitalisme op de basis van de enkele binnenlandse markt: in feite zijn de concrete voorwaarden voor de functionering van het kapitalistische systeem in de schema’ s rekening houdend met hun object afwezig. Welnu, alleen het in overweging nemen van deze concrete voorwaarden maakt het begrijpen van de wetten van de kapitalistische ontwikkeling mogelijk;

2) In boek III, introduceert Marx deze concrete voorwaarden. In dat opzicht, vooral zal hij, zo als we gezien hebben, op de rol en de noodzaak van de buitenlandse handel ingaan101. In dezelfde passage waarin hij beweert, dat de buitenlandse handel niet in de schema’ s geïntroduceerd moet worden, schrijft hij: ‘De kapitalistische productie zou zonder buitenlandse handel niet bestaan 102’,
een bewering, die in boek III gepreciseerd zal worden.
Op meer algemene wijze, belicht boek III de tegenspraken, die verschijnen in het functioneren van de kapitalistische productiewijze, de afwezigheid van harmonische ontwikkeling, het bestaan van crises, enz. die gunstige voorwaarden scheppen voor de strijd van het proletariaat voor de vernietiging van de burgerlijke staat.
Lenin (zoals we later zullen zien) en Trotsky hebben perfect begrepen dat er geen tegenspraak was tussen de boeken II en III van het Kapital , dat de twee boeken niet op hetzelfde terrein liggen, op hetzelfde abstractieniveau.
Trotsky merkt bij voorbeeld op: ‘De ontwikkeling van het kapitalisme’” niet in de zin van de abstracte formules van boek II van het Kapital, die hun volle betekenis bewaren als een etappe van de analyse, maar in de zin van de historische realiteit ‘” ontplooit zich door de systematische verbreding van haar basis , en kan zich niet anders ontplooien103’.

Wel nu, hoe staat het met Rosa Luxemburg?

Het is niet voldoende kritiek te leveren, zoals ze het doet, op de wijze waarop de legale marxisten de schema’ s van boek II gebruiken om te beweren, dat het kapitalisme zich harmonisch kan ontwikkelen, op oneindige wijze, op de basis van enkel de binnenlandse markt.
Men heeft ook niet het recht de schema’ s te gebruiken op haar wijze, om op de basis van een invoeren van de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal te komen tot ‘de ineenstorting’ van de kapitalistische productiewijze bij afwezigheid van buitenlandse markten
en te pretenderen, dat allen dit gebruik toestaat de tegenspraak op te heffen, die is geacht te bestaan tussen de boeken II en III.
Zeker, Rosa Luxemburg, ziet meestal goed, op welk niveau van abstractie de schema’ s van boek II staan. Soms ziet ze het niet en beweert ze, dat Marx in deze schema’ s anticipeert op de reële tendens van de kapitalistische ontwikkeling’, dat hij ‘zijn onderzoek in het perspectief stelt van de reële historische tendens104’.

Maar meestal ziet ze:
1) dat ‘de maatschappij, afgestemd op vooropstellingen van de tweede band van het Kapital nergens in de reËle werkelijkheid bestaat105’, vooral dat de schema’ s de concurrentie uitsluiten, ‘de plotselinge verbreding van de productie en ‘de zeer ongelijke ontwikkeling van de verschillende branches:’, die de reËle koers van de kapitalistische ontwikkeling karakteriseren106’;
2) dat het probleem van de realisatie in het kader van de schema’ s niet gesteld wordt: ‘in het schema,’ , vormt de consumptiekracht van de maatschappij geen grens van de productie107’,
3) dat Marx, in de schema’ s, zich tevreden stelt met aan te tonen ‘dat de afzonderlijke posten (constant kapitaal, variabel kapitaal, meerwaarde) zo en zo in verhouding tot elkaar moesten staan opdat de accumulatie lopen zou108, en dat men niet het recht had, er conclusie uit te trekken over de mogelijkheid van een harmonische en oneindige ontwikkeling van het kapitalisme op de enkele basis van de binnenlandse markt.
Maar Rosa Luxemburg begaat de vergissing het kader van deze zelfde schema’ s te gebruiken om de concrete voorwaarden van de accumulatie (concurrentie, ongelijke ontwikkeling, verhoging van de C/V)109 in te voeren, en te trachten te bewijzen dat de realisatie ‘normaal’ onmogelijk is. De reproductieschema’ s zijn geen instrument voor de analyse van de concrete functioneringsvoorwaarden van de kapitalistische productiewijze. Men kan erin niet de tegenspraken invoeren, die bestudeerd moeten worden op een ander niveau van analyse.
Deze fout verklaart waarom ze ten onrechte, een tegenstelling ziet tussen de boeken II en III van het Kapital. Terwijl de legale marxisten, terwijl Otto Bauer Eckstein in de schema’ s van boek II het onweerlegbare bewijs zien dat de harmonische en oneindige ontwikkeling van het kapitalisme mogelijk is, wat hun de volkomen gerechtvaardigde kritiek oplevert van Rosa Luxemburg, denkt zij zelf, ten onrechte, dat de schema’ s de indruk kunnen geven, dat zo’ n ontwikkeling mogelijk is:

‘” Daarom verwijt ze Marx de hypothese van boek II , volgens welke de maatschappij is samengesteld uit kapitalisten en arbeiders110;

‘” Daarom voelt ze zich verplicht excuses te vinden voor Marx door uit te leggen dat hij niet de tijd had zijn werk te voltooien: ‘dat is de reden waarom, beweert ze, het boek II eindigt ‘zonder ons de lang gezochte oplossing van de moeilijkheid gebracht te hebben111’.

‘”Daarom introduceert ze de stijging van de C/V in de schema’ s, om te eindigen in de omgekeerde conclusie van die van de legale marxisten. Maar zo doende begaat ze de vergissing, want men kan niet, nog een keer, het kader van de schema’ s van boek II gebruiken, om de concrete voorwaarden van de ontwikkeling van het kapitalisme te bestuderen, om vooral de noodzakelijkheid van buitenlandse markten in het functioneren van de kapitalistische productiewijze te analyseren.
3e verklaring: Als een deel van de meerwaarde geaccumuleerd en dus een nieuwe
meerwaarde wordt geschapen, moet er een voorafgaande vraag bestaan.

A) In bepaalde passages van Die Akkumulation des Kapitals, is duidelijk de idee uitgedrukt dat de investering en dus de schepping van een nieuwe meerwaarde, slechts plaats zullen vinden als de kapitalisten er zeker van zijn dat ze zich tegenover een markt in expansie bevinden of nauwkeuriger er een voorafgaande vraag bestaat, dat het gaat om de afdeling van de consumptiemiddelen of om de afdeling van de productiemiddelen.
In hoofdstuk VII, zal Rosa Luxemburg inderdaad uitleggen dat in het kapitalistische systeem, de effectieve vraag naar waren voorafgaand moet stijgen aan de stijging van de productie: ‘Een deel van de meerwaarde’, schrijft zij, ‘verteert de kapitalistenklasse zelf in de gedaante van levensmiddelen en behoudt in haar zak het daarvoor wederzijds geruilde geld. Maar wie koopt de producten, waarin het andere gekapitaliseerde deel van de meerwaarde belichaamd is? Het schema antwoordt: deels de kapitalisten zelf als ze nieuwe productiemiddelen maken om de productie te vergroten, deels nieuwe arbeiders, die nodig zijn om die nieuwe productiemiddelen te benutten112’.
Men constateert hier dat Rosa Luxemburg niet de fout van Sismondi maakt, die bestaat in het zich afvragen, wie het bespaarde gedeelte van de meerwaarde koopt. Dit gezegd, is de manier waarop Rosa Luxemburg verder gaat, wat ons interesseert.
In feite legt ze uit, is er opdat de gespaarde meerwaarde wordt uitgegeven door de kapitalisten in koop van nieuwe productiemiddelen en nieuwe arbeidskracht een voorwaarde: ‘Om nieuwe arbeiders met nieuwe productiemiddelen te laten arbeiden moet men ”kapitalistisch”van tevoren een doel voor de vergroting van de productie hebben, een nieuwe vraag naar producten, die moeten worden gemaakt 113. Of ook: ‘Opdat deze gerealiseerde meerwaarde ook tot vergroting van de productie, ter accumulatie, gebruikt kan worden, is het zicht op nog grotere toekomstige afzet nodig114.
‘”Rosa Luxemburg verklaart dus dat de kapitalisten slechts investeren als een voorafgaande grotere afzet een reden geeft het te doen.. Groei der vraag verwekt door investering kan niet voldoende zijn, legt ze uit, want de kapitalist heeft geen enkele controle op de groei der vraag in het algemeen, of op de groei der vraag naar zijn producten: hij moet een voorafgaande vraag hebben115.

B) Deze uiteenzetting van Rosa Luxemburg stelt ons niet in staat de ontwikkelingswetten van het kapitalisme te begrijpen.
Ze bevat slechts een simpele micro-economische ‘˜theorie’ van het gedrag der individuele kapitalistische ondernemer, met een minstens discutabele passage op het niveau van het totaal der maatschappij. De redenering beweert in laatste instantie dat een kapitalistische onderneming zijn productie niet verhoogt voor een enkel uit zijn kapitalisten en arbeiders bestaande markt, evenals de totale kapitalistische economie niet voor het totaal van de arbeiders en kapitalisten.
Overigens vasthouden aan de voorafgaande vraag alsof die een beslissende aansporing levert tot investeren,

1) Leidt tot verwaarlozen van de dwangmatige externe pressie die drukt op de kapitalisten en die bestaat wat de vormen van de concurrentie ook zijn;
2) Leidt definitief tot het loslaten van de optiek van de productie (die van Marx) om plaats te maken van de logica van de markt en parallel daarmee het loslaten van de plaats van de wezenlijke contradictie van de kapitalistische productiewijze: die bestaat tussen de ontwikkeling van de productieve krachten en de productieverhoudingen. Wij preciseren dit punt later, in de bestudering van de imperialismetheorie van Lenin.

4e Verklaring: Het is onmogelijk in het binnenland de hele productie te monetiseren [behandelen als een kwestie van geld]

We hebben daar, op het eerste gezicht een vierde verklaring door Rosa Luxemburg vooral voorgesteld in hoofdstuk 26 en in een passage van de Anti-kritiek116. Deze verklaring lijkt ons echter slechts een bijproduct van de drie eersten.

A) Op het meest algemene niveau bevestigt de these, dat het onmogelijk is te monetiseren binnen de kapitalistische sfeer, d.w.z. de hele productie om te zetten van de materiële vorm in geld. Een, zelfs zwak, deel van de productie moet in het buitenland gemonetiseerd worden. Er is een probleem van beginnende drang, onvermijdelijk bij het functioneren van het systeem.
Als het werkelijk gaat om een onvermijdelijke beginnende drang (wat bewezen moet worden) zijn twee soms tegen Rosa Luxemburg gebruikte argumenten niet geldig:

1) Het argument van Ernest Mandel, volgens welk, vanaf het moment waarin de ‘concurrentie de ruil van waren met andere kapitalisten inhoudt’ kan men concluderen: ‘Deze verplaatsing van waarde binnen de kapitalistische klasse zelf kan heel goed ten grondslag liggen aan de realisering van de meerwaarde. Binnen het kader van deze interkapitalistische ruilhandelingen kan de kapitalistische klasse ‘in haar geheel’ haar globale winst zien toenemen, een winst die achtereenvolgens door middel van de circulatie van eenzelfde geldsom gerealiseerd wordt116’.

2) Het argument volgens hetwelk de ruil tussen ontwikkelde kapitalistische landen een steeds belangrijker plaats inneemt. Als het werkelijk gaat om een onvermijdelijke beginnende drang volgt eruit ‘het tegenstrijdige fenomeen dat de oude kapitalistische landen, al vormen ze voor elkaar een steeds grotere markt en al kunnen ze steeds minder inhalen tegelijkertijd in een altijd hardnekkiger concurrentie treden voor relaties met niet-kapitalistische landen117’.’
Tegen hen overigens, die zullen opmerken de invoer de uitvoer compenseert en het dus onmogelijk is een productieoverschot te monetiseren door export buiten het kapitalistische milieu, antwoord Rosa Luxemburg (zich richtend tot de legale marxist Bulgakow): ‘Bulgakow antwoordt triomfantelijk dat de buitenlandse handel absoluut geen ‘˜afgrond’ is en nog minder een afgrond ‘zonder bodem’ maar een tweesnijdend wapen en dat de export altijd begeleid moet worden door import. Deze houden zich in het algemeen nagenoeg in evenwicht. Wat het land via de ene grens verlaat komt via een andere in de vorm van een verschillende gebruiksvorm terug. ‘ Hij ontzegt de buitenlandse handel de macht om de moeilijkheid op te lossen, omdat die de opgeruimde meerwaarde,’ hoewel in een veranderde vorm’ in het land opnieuw invoert. ‘ Bulgakow gelooft dus dat het erom gaat een zekere hoeveelheid meerwaarde te vernietigen, van de aardbodem te laten verdwijnen, het komt niet bij hem op, dat het gaat om de realisatie, om de metamorfose van de waar, dus juist om de ‘˜veranderde gedaante’ van de meerwaarde 118.’
Met andere woorden, formeel compenseert de invoer de uitvoer. Maar in werkelijkheid heeft tussen deze twee bewegingen, de monetisering van het overschot van een van de twee afdelingen plaats gevonden, door het mogelijk maken van zijn transfer in monetaire vorm aan de andere afdeling..

B) Als men nu wat dieper in bijzonderheden van de verklaring van Rosa Luxemburg duikt, merkt men dat wat in het begin een geldgebrek scheen, er ten slotte toe leidt zich af te vragen waarom is er gebrek aan vraag?
Men merkt dan dat Rosa Luxemburg op drie verschillende manieren antwoordt, die in feite de drie eerste verklaringen verbergen en dat deze vierde verklaring dus slechts een bijproduct is, volgende op de drie eersten.
Het eerste antwoord heeft in feite als vertrekpunt de these volgens welke als gevolg van het invoeren van de stijging van C/V er in de reproductieschema’ s een tekort aan productiemiddelen en een overschot aan consumptiemiddelen bestaat.
Daarvan uitgaande stelt Rosa Luxemburg het probleem van de monetisering van het overschot aan consumptiemiddelen.
Men zou inderdaad kunnen aannemen, dat de kapitalisten van afdeling II hun warenoverschot aan afdeling I overdragen, een deel van hun overtollige meerwaarde investeren in afdeling I: ‘Tegen het aannemen van zo’ n constante overdracht van een deel van de geaccumuleerde meerwaarde ‘“ overeenkomstig de technische vereisten ‘“ uit de ene afdeling in de andere kan men geen bezwaar hebben’. Maar, voegt ze direct toe ‘deze aanname is slechts zolang mogelijk als we de voor het kapitaliseren bestemde meerwaarde als waardegrootte op het oog hebben. Door het schema van Marx en zijn context is echter dit deel van de meerwaarde aan een bepaalde materiële gedaante gebonden, die direct voor het kapitaliseren bepaald is. Zo manifesteert de meerwaarde van afdeling II zich in consumptiemiddelen ‘. Als consequentie, concludeert zij, ‘mislukt de voorgenomen overdracht van een deel van de gekapitaliseerde meerwaarde uit afdeling II aan afdeling I119’.
Zij zal later in de Anti-Kritik deze argumentering tegen Otto Bauer weer opnemen: ‘Bauer beroept zich erop, dat met de technische vooruitgang, de productie van productiemiddelen op kosten van degene van de consumptiemiddelen groeit en de kapitalisten van de laatste afdeling voortdurend een deel van hun meerwaarde in deze of gene vorm in de eerste afdeling investeren. Dat is allemaal voortreffelijk. Maar de ‘overdrachten’ van de geaccumuleerde meerwaarde uit een productietak in een andere kunnen slechts in de vorm van geldkapitaal geschieden’ Men kan niet met een partij onverkoopbare stearinekaarsen aandelen in kopermijnen kopen of met een voorraad niet af te zetten gummischoenen een nieuwe machinefabriek oprichten. Er valt aan te tonen, hoe de kapitalistische waren door alzijdige ruil geldkapitaal worden120.’
Gilles Jourdain121 presenteert en neemt weer voor zijn rekening de verklaring van Rosa Luxemburg . Hij gaat uit, evenals zij, van een stijging van C/V in de schema’ s en toont aan dat zij een tekort van productiemiddelen en een overschot aan consumptiemiddelen schept.
Hij richt dan op Joan Robinson dezelfde kritiek als Rosa Luxemburg op Otto Bauer: ‘’ Men kan zich met J.Robinson afvragen, of het niet mogelijk is het overschot aan waren van afdeling II aan afdeling I over te dragen, daarmee egaliserende de besparing in consumptiemiddelen en de investering aan uitrustingsmiddelen. R. Luxemburg heeft de onmogelijkheid van zo’ n transfer aangetoond’ . Het probleem dat zich hier stelt is dat van de monetisering van het overschot van afdeling II. Het kan niet gekocht worden door de arbeiders die, per definitie, slechts beschikken over V1 + V2. De kapitalisten kunnen het slechts terugkopen door gebruik te maken van de geaccumuleerde meerwaarde van afdeling I. Maar dat veronderstelt dat de kapitalisten van afdeling I hun accumulatievoet verkleinen, terwijl ze lijden aan een productie tekort’ Een irrealistische hypothese in een concurrentiewereld’ De monetisatie van het overschot van afdeling II kan slechts worden gerealiseerd door het verschijnen van een buitenlandse vraag. Dus de besparing van afdeling II kan ter beschikking van afdeling I worden gesteld ‘ 122. ‘

Zo is zowel in de geciteerde passages van Rosa Luxemburg als in het artikel van Gilles Jourdain, het probleem van de monetisatie slechts een bijproduct van het ene van de drie grote uiteenzettingen van Rosa Luxemburg reeds gepresenteerde: het bestaan van een tekort aan productiemiddelen en een overschot aan consumptiemiddelen, als men de stijging van C/V in de schema’ s introduceert.
Helaas hebben we aangetoond dat deze introductie en het gebruik dat gemaakt is van de schema’ s in hoge mate aanvechtbaar waren.
‘”In andere passages van de Akkumulation des Kapitals vooral in hoofdstuk 26, zal Rosa Luxemburg en een tweede type antwoord geven op de gestelde vraag: waarom is de monetisering onmogelijk? Het antwoord zal deze keer, de eerste grote verklaring van Rosa Luxemburg omvatten, volgens welke het onmogelijk is de geaccumuleerde meerwaarde te realiseren.
Inderdaad ligt deze keer het overschot niet noodzakelijkerwijs in afdeling II, die dus niet degene is, die verplicht is buiten het kapitalistische milieu te exporteren: ‘Er zijn daarbij’, verklaart Rosa Luxemburg, ‘twee verschillende gevallen denkbaar. De kapitalistische productie levert consumptiemiddelen boven de eigen (van de arbeiders en kapitalisten) behoeften, waarvan de afnemers nietkapitalistische lagen en landen zijn. ‘ In dat geval realiseerde de afdeling II (consumptiemiddelen) in stijgende mate haar producten in buitenkapitalistische maatschappelijke lagen, waarbij ze harerzijds door de eigen accumulatie een stijgende vraag naar inheemse producten van de afdeling I (productiemiddelen) schiep en daardoor deze afdeling hielp bij de realisatie van de meerwaarde en de stijgende accumulatie.
Nemen we het omgekeerde geval. De kapitalistische productie levert productiemiddelen boven
de eigen behoefte uit en vindt afnemers in niet-kapitalistische landen’ . Hier realiseert de afdeling I van de kapitalistische productie haar producten in buitenkapitalistische kringen. De daaruit ontstaande zich verder ontwikkelende vergroting van afdeling I roept in het land van de kapitalistische productie een corresponderende vergroting van de afdeling II op’ 123.’
Maar waarom die noodzaak consumptiemidden of productiemiddelen te monetiseren naar het buitenland? Omdat ‘het te kapitaliseren deel van de meerwaarde [daarentegen] onmogelijk door de arbeiders en kapitalisten zelf gerealiseerd kan worden124’. We vinden hier dus weer de verklaring ‘sismondisch’ van Rosa Luxemburg, die we reeds gegeven en gekritiseerd hebben.

‘”Ten slotte, in een pasage in Anti-Kritik zal Rosa Luxemburg een derde type antwoord op de gestelde vraag voorstellen125.
Maar het antwoord gaat deze keer over de derde grote verklaring van Rosa Luxemburg over de noodzaak van een voorafgaande vraag.
In feite, geeft ze de volgende redenering: ‘Kapitalist A produceert kolen, kapitalist B fabriceert machines, kapitalist C maakt levensmiddelen. Mogen deze drie personen het totaal van de kapitalistische ondernemers voorstellen. Als B steeds meer machines maakt, kan A hem steeds meer kolen verkopen en kan daarom steeds meer machines van hem afnemen, die hij in de mijnbouw aanwendt. Beide hebben steeds meer arbeiders nodig en deze steeds meer levensmiddelen, dus krijgt ook C een steeds grotere afzet en wordt daardoor zijnerzijds steeds, meer afnemer van kolen en machines die hij voor zijn bedrijf nodig heeft.’

Maar, voegt ze toe, ‘kapitaal accumuleren betekent niet steeds grotere bergen waren maken, maar steeds meer waren in geldkapitaal veranderen’. Vandaar het probleem: ‘Hoe is accumulatie van geldkapitaal bij de klasse van de kapitalisten mogelijk?... ‘Kapitalist A verkoopt zijn waren aan B, verkrijgt dus een meerwaarde in geld van B. Deze verkoopt zijn waren aan A en krijgt als vergoeding van de eigen meerwaarde het geld weer van A terug. Beide verkopen hun waren aan C en krijgen dus ook voor hun meerwaarde de geldsom van dezelfde C. Maar waar vandaan deze? Van A en B. Kan nu echter op deze manier verrijking van A, B en C in vorming van nieuw geldkapitaal bij hen plaatsvinden?... Wij vragen hier niet, zoals Marx meermaals in de loop van de tweede band van het Kapital: waar komt het geld voor de circulatie van de meerwaarde vandaan? ‘ Onze vraag is de volgende: hoe komt nieuw geldkapitaal in de zakken van de kapitalisten, omdat ze (afgezien van de arbeiders) voor elkaar de enige warenafnemers zijn?’
In feite is het probleem, zoals Rosa Luxemburg het in deze passage gesteld heeft een fout probleem. Nauwkeuriger het is, zoals Marx het gezien had, een simpele kwestie van monetaire techniek, van toename van de circulatiesnelheid of van de hoeveelheid gemaakte munten, die de groei van het geldkapitaal mogelijk maken.
Rosa Luxemburg ontkent het: ‘Schijnbaar’ kan de warenmassa, waarin de winst belichaamd is, groeien, en bereid enkel de geldschepping een moeilijkheid, wat wellicht slechts een technisch vraagstuk van de geldcirculatie is. Maar ook dit slechts schijnbaar, bij oppervlakkige beschouwing. De totale warenmassa zal helemaal niet groeien, de vermeerdering van de productie kan helemaal, niet plaatsvinden, omdat voor haar kapitalistisch reeds bij de eerste schrede de verandering in geld, de alzijdige realisering van de winst voorwaarde is. Al is het maar, een simpele kwestie van monetaire techniek, ze is het toch omdat een voorafgaande vraag nodig is voor het scheppen van alle supplementaire meerwaarde. Men vindt weer de reeds besproken en gekritiseerde derde grote verklaring van Rosa Luxemburg.
Als conclusie, voor Rosa Luxemburg, voor een van de drie (of vier) reden, die ze geeft, bestaat er in een maatschappij exclusief samengesteld uit arbeiders en kapitalisten’ een onvoldoende koopkrachtige vraag en dus een onmogelijkheid de gehele waarde van de waren te realiseren.
Om onder deze voorwaarden te ontsnappen aan het dilemma stagnatie-onophoudelijk stijgende overproductie zijn de kapitalisten gedwongen en deel van hun productie te slijten in de voor-kapitalistische sectoren of landen.

II. De noodzaak van ‘buitenlandse markten’

Al eer eraan te beginnen, aan de noodzaak, eigenlijk gezegd, van ‘buitenlandse’ markten, bekeek en verwierp Rosa Luxemburg een andere mogelijke oplossing: de mogelijkheid om de warenoverschotten van de hand te doen, haar ‘toevlucht te nemen bij ‘derde personen’ d.w.z. bij andere consumenten dan de directe agenten van de kapitalistische productie: arbeiders en kapitalisten126. ‘

A) De oplossing van de ‘derde personen’

‘”‘Pas op!’ schrijft Rosa Luxemburg, ‘de maatschappij bestaat ‘” ook onder de heerschappij van het kapitalisme ‘”niet louter uit kapitalisten en loonarbeiders. Buiten deze klassen is er nog een grote massa van de bevolking: grondbezitters, kantoorbedienden, vrije beroepen: artsen, advocaten, kunstenaars, wetenschappers, de kerk bestaat nog met haar dienaren, de geestelijkheid, en ten slotte de staat met zijn beambten en met de militairen’ .Misschien zijn het wel deze buiten de kapitalisten bestaande lagen, waarvan de vraag de vergroting van de productie nodig maakt?127’
Maar antwoordt Rosa Luxemburg meteen, ‘toch is deze uitweg, bij nader inziens slechts een schijnbare128’. Inderdaad, ‘deze lagen kunnen hun koopmiddel slechts of van het arbeidsloon van het proletariaat of van de meerwaarde afleiden129.’ Dus ‘kunnen alle die buiten de kapitalisten en arbeiders opgevoerde bevolkingslagen slechts als medeverteerders van deze inkomenssoorten gelden 130’, zij worden geen supplementaire vraag.

‘” Over dit probleem en vooral over het probleem van de staatsuitgaven maakt Rosa Luxemburg, ondanks alles, twee nuances:

1) Zij beweert, dat haar these berust op de hypothese dat, in de sfeer van de kapitalistische productie ‘de staat zijn belasting uitsluitend uit de meerwaarde en het loon haalt’131.
Zij ziet dus dat een belasting, geheven uit de sfeer van de eenvoudige warenproductie en niet die uit de kapitalistische productie kan leiden tot het ontstaan van een supplementaire vraag.

2) Zij beweert dat haar these berust op een tweede hypothese, die bestaat op het slechts beschouwen van ‘de staat en zijn organen als consumenten 132’ en ze toont aan dat de militaire uitrustingsuitgaven een bron van supplementaire afzet kan zijn en een beslissende rol spelen in de strijd tegen de stagnatie en de crises: ‘Het militarisme verschijnt ook zuiver economisch voor het kapitaal als een eerste rangs middel voor de realisering van de meerwaarde, dwz. als een gebied voor de accumulatie133.’
Nauwkeuriger, volgens haar, de staatsconsumptieuitgaven scheppen geen supplementaire afzet: ‘Gaat het namelijk om persoonlijke consumptie van staatsbeambten, dan betekent dat ‘ partiële
overdracht van de consumptie van de arbeidersklasse op de aanhang van de kapitalistenklasse, voor zover ze uit arbeidersmiddelen bestreden werd. ‘ op de plaats van de consumptie van de arbeider treedt in dezelfde omvang de consumptie van de organen van de kapitalistische staat’ Deze overdrachtsoperatie ‘ schept geen nieuwe markt134.’

De staatsuitgaven voor uitrustingsmiddelen, vooral de militaire uitrustingsuitgaven, scheppen in tegendeel een nieuwe markt: ‘Anders als de door het belastingstelsel in handen van de staat geconcentreerde middelen aangewend worden voor de productie van oorlogsmiddelen135.’
Inderdaad, preciseert Rosa Luxemburg, er is daar, zoals in het eerste geval, overdracht van koopkracht van de arbeidersklasse naar de staat, dus afname van de noodzakelijke bestaansmiddelen voor het onderhoud van de arbeidskracht en vrijmaking van een zekere hoeveelheid constant kapitaal en arbeidskracht die kan worden besteed aan een verschillende productie. Maar: ‘de behoefte van de staat richt zich ook dit maal niet op de eveneens uit belastingen gedekte behoefte aan levensmiddelen (van de eveneens door belastingen gedekte behoefte aan levensmiddelen voor het onderhoud van staatsbeambten zien we hier af), maar op een specifieke productensoort, op oorlogsmiddelen van het militarisme te land en te water136.’
Deze vraag naar wapens zal de schepping van en overeenkomstige tak van productie veroorzaken. Zeker, ‘het schijnt, op het eerste gezicht alleen een uiterlijke verschuiving in de materiële gedaante van de maatschappelijke productie: in plaats van een hoeveelheid levensmiddelen produceert men een hoeveelheid oorlogsmiddelen137’.
Maar voegt Rosa Luxemburg toe, ‘zo ziet de zaak er uit, zo lang men op het standpunt van de individuele kapitalist staat’ Voor de individuele kapitalist is het volledig onverschillig of hij levensmiddelen of doodsmiddelen produceert138.’
Als men zich echter stelt op het gezichtspunt van het totale kapitaal zijn de gevolgen verschillend: vanuit dit gezichtspunt ‘vormen de door de staat geheven eenheden en vertegenwoordigen ze een vraag naar nieuw oorlogsmateriaal, een nieuwe afzet ‘ Ongetwijfeld zal de verkoop van levensmiddelen aan de arbeiders eerst gedaald zijn’ Laten we echter niet vergeten , dat voor het totaalkapitaal de voeding van de arbeidersklasse slechts malus necessarium, slechts een omweg naar het eigenlijke doel van de productie: naar de schepping en realisatie van de meerwaarde is. Gelukt het, dezelfde hoeveelheid meerwaarde eruit te persen, zonder de arbeiders dezelfde hoeveelheid levensmiddelen te moeten geven, des te glanzender is de zaak’ De verkleining ‘ van de levensmiddelenproductie verschijnt vanuit het standpunt van het gehele kapitaal niet als een verlies aan afzet, maar als een besparing aan onkosten bij de productie van meerwaarde’ Daarentegen wenkt de gelijktijdig ontstaande afzet van de staat met alle prikkels een nieuw gebied voor de realisering van de meerwaarde’ ..Het kapitaal vindt een nieuwe gelegenheid zowel meerwaarde te scheppen als te realiseren.139 ‘

B) De noodzaak van buitenlandse markten in de kapitalistische sfeer

‘” Goed begrepen dat, voor Rosa Luxemburg, buitenlandse markten niet betekent buiten de nationale grenzen, maar buiten de kapitalistische sfeer zelf: ‘Het is niet een ‘begrip van de politieke geografie, maar een begrip van de maatschappelijke economie’. De binnenlandse markt vanuit het gezichtspunt van de kapitalistische productie is de kapitalistische markt ‘ De buitenlandse markt is voor het kapitaal het maatschappelijke niet kapitalistische milieu, dat er omheen zit140 ‘(zo wel buiten als binnen de nationale grenzen).
Nauwkeuriger, als Rosa Luxemburg spreekt van buitenlandse markten, gaat het over ‘afnemers’, die aan hun koopmiddelen komen op grond van warenruil, dus ook van warenproductie’, maar
‘die buiten de kapitalistische warenproductie plaats vindt141. ‘

‘” Om een van de aangegeven reden, dus142, denkt Rosa Luxemburg dat het vervolg op de accumulatie’ als eerste voorwaarde een reeks afnemers vereist buiten de kapitalistische maatschappij143. ‘ Of weer: ‘de kapitalistische accumulatie heeft voor haar beweging in haar omgeving niet-kapitalistische sociale formaties nodig144. ‘
Nauwkeuriger, de buitenlandse handel, met deze maatschappelijke niet kapitalistische formaties
speelt een drievoudige rol; deze maatschappelijke formaties zijn:

‘”bron van grondstoffen en bestaansmiddelen

‘”bron van arbeidskracht (‘voortdurende proletarisering van de landelijk en stedelijke middenlagen, ‘ verval van de boereneconomie en van het handwerkmatige kleinbedrijf ‘ constant proces van ineenstorting en verval niet van de kapitalistische, maar voor-kapitalistische productiewijzen’ in Europa ‘uiteenvallen van de meest verschillende primitieve productievormen en maatschappijen in buiten-Europese landen145.’

‘”bron van afzetten.

Van deze drie functies van de buitenlandse handel met de niet kapitalistische sfeer, is alleen de derde een absolute noodzaak. Zeker legt Rosa Luxemburg uit: ‘het kapitaal kan niet zonder de productiemiddelen en de arbeidskrachten van de gehele aardbol’ en ‘daar het merendeel van de bronnen en van de arbeidskrachten zich in feite in de voor-kapitalistische productiesferen bevinden’ ontplooit het kapitaal alle krachten om zich er meester van te maken. Maar het is alleen als bron van afzet, dat een niet-kapitalistische sfeer ‘een directe levensvoorwaarde is voor het kapitaal en voor de accumulatie146. ‘

‘”Wij hebben dus het antwoord op de beginvraag: ‘waar vandaan komt de voortdurend groeiende vraag die aan de basis ligt van de groeiende vergroting van de productie ? 147’: ‘zij komt van de kopers buiten de sfeer van de kapitalistische productie.
Met het geven van dit antwoord beweert Rosa Luxemburg, zoals ze zelf schrijft, de ‘oorzaak van het imperialisme’ gevonden.

5. DE PRESENTATIE VAN DE GESCHIEDENIS VAN HET KAPITALISME

In de laatste hoofdstukken van de Akkumulation des Kapitals, presenteert Rosa Luxemburg een beschrijving van de rol, die werkelijk zeer belangrijk is geweest, van de nieuwe afzetten geleverd door de sfeer van de niet kapitalistische productie gedurende de gehele geschiedenis van de ontwikkeling van het kapitalisme: ‘Het kapitalisme komt ter wereld en ontwikkelt zich historisch in een niet-kapitalistisch sociaal milieu. In de West-Europese landen wordt het eerst omgeven door het feodale milieu, waaruit het is voortgekomen ‘” de vrooneconomie op het platte land, het gildehandwerk in de stad ‘” , dan, na het zich ontdoen van het feodalisme, een overwegend boeren-handwerkmatig milieu, dus eenvoudige warenproductie in de agricultuur, evenals in de nijverheid. Bovendien is het Europese kapitalisme omgeven door een geweldig terrein van buiten-Europese culturen, welke het gehele scala van ontwikkelingstrappen van de primitiefste communistische horden trekkende jagers en verzamelaars tot en met boeren en ambachtelijke warenproductie biedt. Midden in dit milieu werkt het proces van de kapitaalaccumulatie zich op148.’
Nauwkeuriger, legt Rosa Luxemburg uit, wed moeten drie fasen onderscheiden: ‘De strijd van het kapitaal tegen de naturelle economie, haar strijd tegen de handelseconomie en haar strijd op het wereldtoneel om de resten van de accumulatievoorwaarden149.’
a) De strijd tegen de naturelle economie (strijd tegen de slavernij, het feodalisme, het primitieve communisme is de eerste fase. Inderdaad, legt Rosa Luxemburg uit, indien ‘het kapitalisme voor zijn bestaan en zijn ontwikkeling antikapitalistische productievormen als zijn omgeving nodig heeft ‘ wil dat niet zeggen, dat het met ieder van deze vormen gediend is. Het heeft antikapitalistische sociale lagen nodig als afzetmarkt voor zijn meerwaarde, als bron voor zijn productiemiddelen en als reservoir van arbeidskrachten voor zijn loonsysteem. Met al deze doelen kan het kapitaal met naturelle economische productievormen niets beginnen150.
De productieve krachten zijn er inderdaad verbonden door de sociale formaties, die zich niet bezig houden met ruil.
In zijn strijd tegen de naturelle economie, schrijft Rosa Luxemburg, zoekt het kapitalisme vier ‘economische doelen’ te bereiken:

1) ‘direct bemachtigen van belangrijke bronnen van de productieve krachten ‘

2) ‘arbeidskrachten ‘˜vrij’ te maken en te dwingen tot arbeid voor het kapitaal’

3) ‘de wareneconomie in te voeren151’: het gaat er niet om alleen in feite met geweld productiemiddelen of arbeiders weg te halen. Er moeten ook waren verkocht worden en dus moet een wareneconomie ingevoerd worden in plaats van de naturelle economie: ‘Alle antikapitalistische lagen en maatschappijen moeten voor het kapitaal afnemers van waren worden en hen hun producten verkopen152. Of weer: ‘Het kapitalisme bestrijdt en verdringt overal de naturelle economie de productie voor de eigen behoefte ‘ om in haar plaats de wareneconomie te stellen als afzet voor de eigen meerwaarde153.
Als functie van deze analyse verwijt Rosa Luxemburg, evenals Lenin, de narodniki niet te zien, dat de vervanging wareneconomie door naturelle economie zelfs als ze gepaard ging met een verarming, een markt schiep voor kapitalistische waren154; .
4) ‘de scheiding van de agricultuur van het ambacht155’: deze maatschappelijke deling’ is eveneens een voorwaarde voor de schepping van de markt: ‘om de boerenmassa tot de afneemster van zijn waren te maken streeft het kapitaal er naar, boereneconomie eerst tot een tak te reduceren, waarvan het zich niet direct ‘” en in Europese eigendomsverhoudingen zonder meer niet zonder moeilijkheden ‘” meester maken kan: de agricultuur156. ‘
De strijdmiddelen door het kapitaal te werk gesteld om deze vier ‘economische doelen’ te bereiken zijn ook wel het militaire geweld dat de druk vooral uitoefent door het ter plaatse uitvoeren van belastingstelsels: ‘’ de boer moest altijd geld hebben, erg veel geld hebben, om zijn belastingen te betalen, hij moest spoedig alles, dat hij voortbracht verkopen, om weer alles, wat hij nodig had, uit de hand van de manufacturisten als waar te verwerven157. ‘
b) De tweede fase is, die van de strijd tegen de wareneconomie: ‘Heeft zich op de ruïnes van de naturelle economie reeds de eenvoudige warenproductie uitgebreid dan begint terstond de strijd van het kapitaal ertegen. Met de wareneconomie treedt het kapitaal in een concurrentieverhouding; nadat het haar in het leven geroepen heeft, betwist het haar de productiemiddelen, de arbeidskrachten en de afzet ‘ nu is de scheiding van de kleine warenproducenten van zijn productiemiddelen de taak158.’
Zij beschrijft wijdlopig, over dit onderwerp, het voorbeeld van Zuid-Afrika en toont aan hoe het Engelse kapitaal won van de kleine agrarische economie van de Boeren, die ‘harerzijds op de puinhopen van de primitieve naturelle economische organisatie van de ingeborenen ontstaan was159’.
Zo, ‘neemt het kapitaal zelf de plaats in van de eenvoudige wareneconomie, nadat het die wareneconomie op de plaats van de naturelle economie gezet had160’.

c) De derde fase is die van is die van de concurrentiestrijd van het kapitaal op de internationale markt, om zich op een bepaald aantal terreinen meester te maken van wat er nog rest van de niet-kapitalistische productievormen, dus strijd voor de verovering van de kolonies, voor invloedszones enz.
We zullen later preciseren, als we de aard van het imperialisme bij Rosa Luxemburg bestuderen, wat in haar ogen de karakteristieken zijn van wat zij beschouwt als de vorm die het imperialisme aanneemt in de periode, waarin ze schrijft.
‘” We stellen als conclusie vast, dat Rosa Luxemburg door haar gehele historische analyse heen, wel de nadruk heeft weten te leggen op de contradictoire ontwikkeling van de economieën van de koloniale en semi-koloniale landen: het binnendringen van vreemd kapitaal brak de belemmeringen van feodaal type tegen de ontwikkelingen van deze kolonies, breidde er de waren categorieën uit om er een markt te vestigen. Maar bevrijde slechts om beter te heersen en een overheersing te vormen, die elke latere autonome ontwikkeling verlamde. Rosa Luxemburg begrijpt dat het productieve proces mondiaal is en hiërarchisch gemaakt en geeft een van de eerste verklaringen van de onderontwikkeling door het imperialisme.

6. DE AARD VAN HET IMPERIALISME

‘De Akkumulation des Kapital’ geeft ten slotte, twee aspecten over het probleem van de aard van het imperialisme: een negatief, dat gekarakteriseerd is door een zeker ‘˜catastrofisme’ , zeker ‘mechanisisme’ , zelf producten van theoretische fouten van Rosa Luxemburg, en een positief aspect, volgens ons veel belangrijker, waarin zij, tegen alle revisionisten, het onvermijdelijke karakter van het imperialisme zal aantonen.

A. Een zeker ‘catastrofisme’ en een zeker ‘mechanisisme’

a) Voor Rosa Luxemburg is een van de wezenlijke tegenstrijdigheden van de kapitalistische productiewijze de volgende: ‘Het kapitalisme ‘ heeft de tendens zich over de globe uit te breiden en alle andere economische vormen te verdringen, en duldt geen andere naast zich. Het is echter tegelijk de eerste, die alleen, zonder andere economische vormen als zijn milieu en zijn voedingsbodem niet bestaan kan, die dus gelijktijdig, met de tendens tot wereldvorm te worden, aan de innerlijke onbekwaamheid schipbreuk lijdt, een wereldvorm van de productie te zijn161.’
Daarvan uitgaande en hoewel ze streng de these van de narodniki van de onmogelijkheid van het kapitalisme in Rusland kritiseert, gaat bij haar een zeker ‘catastrofisme’en ‘mechanisisme’ verschijnen: bepaalde passages van haar boek geven de indruk, dat toch, volgens haar, de accumulatie ‘onmogelijk is in een exclusief kapitalistisch milieu162’, het kapitalisme moet zich alleen inspannen, als de gehele wereld kapitalistisch zal zijn geworden. Terecht strijdend tegen de revisionisten, die beweren het perspectief te openen op een harmonieus functioneren en een oneindige expansie van het kapitalisme, valt ze soms in het mechanisisme. Inderdaad, verklaart ze, vanaf het moment waarin ‘de gehele mensheid alleen uit kapitalisten en loonproletarërs bestaat zou accumulatie onmogelijk worden163’: deze onmogelijkheid, zelf, betekent de objectieve, historische noodzaak van de ondergang van het kapitalisme164. Daar hebben we, voegt ze toe, ‘de exacte prognose van de economisch onvermijdelijke ineenstorting van het kapitalisme165’.

Overigens, volgens de woorden van P.Fröhlich, ‘diep overtuigd, dat om het socialisme te veranderen in een zekerheid, het wetenschappelijk bewezen moet kunnen worden, dat het kapitalisme ineen zal storten als gevolg van zijn immanente tegenstrijdigheden 166’, beweert zij, dat als men, de onmogelijkheid van de accumulatie op een gegeven moment, ontkent, men door het zelfde feit ontkent, dat de strijd voor de socialistische revolutie op de dagorde staat.
Zij schrijft inderdaad: ‘Het is duidelijk, dat, wanneer men de grenzeloze accumulatie van het kapitaal aanneemt, men ook de grenzeloze levensvatbaarheid van het kapitaal bewezen heeft ‘ Als de kapitalistische productiewijze in staat is grenzeloos de groei van de productiekrachten, de economische vooruitgang te verzekeren, dan is zij onoverwinnelijk ‘ Het socialisme houdt op een historische noodzaak te zijn167. ‘ Of nog: ‘’ de objectieve historische noodzaak van het socialisme, die voortvloeit uit de objectieve economische onmogelijkheid van het kapitalisme op een bepaalde hoogte van zijn ontwikkeling168.’
Rosa Luxemburg maakt daar een dubbele fout:

1) Het is fout te beweren dat het kapitalisme op een gegeven moment ‘onmogelijk ‘moet zijn. Men moet niet tegenspraken en onmogelijkheid verwarren. We zullen dit punt
nauwkeuriger bekijken als we de kritiek van Lenin op de narodniki bestuderen.
2) Zij glijdt af in de bernsteinse vervorming van het marxisme, dat zij overigens toch zo heftig bestreden heeft. Zij vervalt in het mechanistisch economisme, dat van de enkele verscherping van de economische tegenstrijdigheden het ineenstorten van het kapitalisme verwacht. Maar Marx heeft nooit beweerd dat de fundamentele tegenstrijdigheid van het kapitalisme zich eens zou manifesteren in de vorm van een vastlopen van de productieve krachten of van een onmogelijkheid van het kapitalisme, dat automatisch zou verdwijnen. Hij beweert eenvoudig dat vanaf de dag waarin de productieverhoudingen ‘üit ontwikkelingsvormen van de productieve krachten omslaan in ketenen ervan, een periode van sociale revolutie begint169’; maar zoals H.Weber in een notitie schrijft, ‘deze periode eindigt niet in proletarische overwinning door het pure mechanisme van de economische tegenstrijdigheden. Deze tegenstrijdigheden drukken zich uit en lossen zich op door het vrije spel van actieve agenten ‘” de maatschappelijke klassen’ Omdat de economistische leiders van de IIe Internationale dit detail vergaten hebben ze het marxisme verloochend vanaf de dag dat ze ‘geconstateerd’ hebben dat de productieve krachten voortgingen te groeien!170.’

b) Het catastrofisme en het mechanisisme van Rosa Luxemburg hebben extreem noodlottige consequenties op politiek terrein.
Ten eerste merken we op dat dit gebeurd door te steunen op de soort analyse, waarmee de zogenaamde ‘derde wereld’ stroming zijn stellingen ontwikkelt. Van de voor-kapitalistische sfeer de sleutel maken van de ontwikkeling van de kapitalistische landen en deze sleutel tegen iedere prijs de voorkeur te geven komt neer op de tegenstelling wereldbourgeoisie ‘” wereldproletariaat, die gebaseerd is op het proletarische internationalisme, te vervangen door de tegenstelling rijke landen ‘” arme landen. Hoewel Rosa Luxemburg het nooit doet, dreigt de dynamiek van haar theoretische en historische analyse uit te lopen op dat type van houding.
Overigens kan men vinden dat het determinisme van zekere passages van die Akkumulation des Kapitals eveneens ten grondslag ligt aan het verkeerde bezwaar van Rosa Luxemburg dat de zelfbeschikking, als achterhaald beschouwd171.
Ten slotte, en vooral, haar catastrofisme leidt tot onderschatting der noodzaak en rol der revolutionaire partij. Zoals D.Bensaïd en A.Naïr het schreven, ‘Rosa, logisch voor haar, stelt het probleem der partij volgens een eigen analyse der kapitalistische maatschappij. Voor haar koerst het kapitalisme onvermijdelijk op een catastrofe af. De tegenstellingen, die verscherpen zonder ophouden ten gunste van ‘een geringe minderheid der heersende bourgeoisie’, maken dat een deel van het proletariaat spontaan revolutionair, anderzijds haar partij slechts het ‘organisatorische verzamelpunt’ kan zijn van alle lagen die door deze ontwikkeling in beweging zijn tegen de bourgeoisie. In deze problematiek ‘” revolutionaire klasse organisatorisch bepaald tegen reactionaire klasse ‘” is de partij het product van de revolutionaire crisis en niet noodzakelijk een element, zo als Lenin zegt, in het kader der maatschappelijk kapitalistische formatie. Deze eenvoudig tragische visie van het kapitalisme brengt Rosa er toe de beweging der massa te overschatten, de noodzaak en de rol van de partij in het kapitalistische stelsel te onderschatten172.
c) Een zeker aantal nuances moet in de door ons gemaakte kritieken worden aangebracht.
We moeten eerstens opmerken dat de onderwaardering van de noodzaak en de rol van de partij nog veel meer de zaak van de ‘opvolgers’ van Rosa Luxemburg dan van haar zelf:is: de ‘opvolgers’ hebben een theorie van de spontaniteit ontwikkeld die systematisch de rol van de rationele kennis en van de besluitvaardigheid van de partij ontkent heeft173.
Men moet eveneens nuanceren op het ‘catastrofisme’zelf. In bepaalde passages definieert ze het imperialisme als een periode van ‘wereldcrises, oorlogen, revoluties’, waarin ‘de klassentegenstellingen en de internationale economische en politieke anarchie’ zich verhevigen174’.Het kapitalisme zal niet vanzelf ineenstorten, maar het imperialisme schept objectief gunstige voorwaarden voor ‘de rebellie van het internationale proletariaat175’: nauwkeuriger, ‘het internationale proletariaat zal het kapitalisme het genadeschot geven176’.

B) Het onvermijdelijke karakter van het imperialisme
a) De ongelijke en niet harmonieuze ontwikkeling, de doorslaggevende rol gespeeld door de
buitenlandse markten, de uitbuiting sinds de geboorte van het kapitalisme van het grootste deel van de mensheid door een handvol imperialistische metropolen, zijn, in de ogen van Rosa Luxemburg, even zeer karakteristieke trekken van de kapitalistische productiewijze, als
haar historische vorm.
‘De expansie’, schrijft ze, ‘de gehele historische loopbaan van het kapitaal177 of ook: ‘De onstuimige drang van de kapitalistische productie naar niet-kapitalistische landen vertoont zich sinds haar eerste optreden op het historische toneel en door haar gehele ontwikkeling178.
Trouwens, voegt ze er aan toe, de proletarische internationale ‘is zelf een product van de mondiale expansie van het kapitaal179.’
Op deze fundamenteel juiste basis, en wat zouden overigens de fouten kunnen zijn, die ze heeft kunnen maken in de historische gedachtegang en in haar eigen praktische politiek,
heeft ze, met reden, de revisionisten van haar periode bestreden.
Ten aanzien van de revisionisten, hebben we al gezien, dat zij, op verkeerde wijze steunend op de schema’ s van boek II van het Kapital, een harmonieuze en oneindige ontwikkeling van het kapitalisme mogelijk achtten.
Nauwkeuriger, er verschijnen over het probleem van het imperialisme twee houdingen.
Een eerste houding is openlijk ten gunste van het kolonialisme. In feite is de houding van de socialistische partijen gedurende een vijftiental jaren ten aanzien van het koloniale vraagstuk aanzienlijk veranderd. Op het Congres van de Socialistische Internationale te Parijs in 1900, is een anti-imperialistische en anti-koloniale resolutie unaniem aangenomen. Maar enkele jaren later, op het Congres van Amsterdam in 1904, vond het kolonialisme aanhangers180. Dan, op het Congres van de Socialistische Internationale van Stuttgart, in 1907, verschenen openbaar belangrijke verschillen in houding ten aanzien van het kolonialisme. Sommigen stellen voor het onvermijdelijke karakter van koloniale rijken te erkennen en bepleiten eenvoudig hervormingen, die het lot van de ‘inheemsen’ verbeteren maar in het kader laten van de koloniale overheersing181. Zelfs Kautsky, toch vertegenwoordiger van de ‘linkse’ tendens in Stuttgart geeft minstens blijk van een grote voorzichtigheid: ‘De idee van de emancipatie van de kolonies is een soort beperkte idee die ons een richting aangeeft, maar niet een praktisch voorstel voor directe toepassing, waarmee we moeten werken182.

De theoretische bron van de kolonialistische positie van de sociaal-democratische partijen was een deformatie van het marxisme: zij bestond in de bewering dat omdat het kapitalisme historisch onvermijdelijk was, alles wat zou dienen voor de ontwikkeling van het kapitalisme, alles wat het zou helpen zich uit te breiden over de gehele wereld, onvermijdelijk was en zelfs moest worden ondersteunt.
Kautsky ondersteunde dat idee, toen hij verklaarde: ‘wanneer de kapitalistische productie in strijd komt met achtergebleven productievormen, kunnen en moeten we het niet obstakels op hun weg leggen’.

De tweede houding, over het probleem van het imperialisme, die vooral die van Kautsky en die van de austro-marxisten zal zijn, bestond in een negatie van de historische noodzaak van het imperialisme. Otto Bauer beweert zelfs, ‘het kapitalisme is ook denkbaar zonder expansie183.
Men verklaart ons, dat het imperialisme, bijzondere vorm en in praktijk gebracht door kleine groepen kapitalisten, de grote banken en de militairen tegen het belang is van de gehele kapitalistische klasse. Daarom beweert Kautsky (aan de vooravond van de eerste wereldoorlog), dat de meerderheid van de kapitalistische klasse altijd langer tegen de imperialistische geweldspolitiek zal zijn en zich er steeds meer van zal afwenden. Het zal mogelijk zijn deze meerderheid te winnen voor een verbond met het proletariaat voor de vrede en de kleine ‘kliek’ van profiteurs van het imperialisme te isoleren.
Denkend aan deze houding zal Rosa Luxemburg volkomen terecht in haar Anti-Kritik schrijven: ‘Het geloof aan de mogelijkheid van de accumulatie in een ‘geïsoleerde kapitalistische maatschappij, ‘de mening volgens welke ‘het kapitalisme ook zonder expansie denkbaar is’, is de theoretische formule van een heel bepaalde tactische tendens. Deze opvatting doelt erop, de fase van het imperialisme niet als een historische noodzakelijkheid, niet als een beslissende controverse om het socialisme te beschouwen, maar als boosaardige uitvinding van een handvol belanghebbenden. Deze opvatting gaat erheen, de bourgeoisie aan te praten, dat het imperialisme en militarisme voor haar zelf, van uit het standpunt van haar eigen kapitalistische belangen schadelijk is, daardoor de vermeende handvol van profiteurs van dit imperialisme te isoleren en zo een blok van het proletariaat met brede lagen van het burgerdom te vormen om het imperialisme te ‘smoren’, hen door een ‘ten dele ontwapening’ uit te hongeren, ‘de angel eruit te halen’!... De mondiale strijd tussen het proletariaat en het kapitaal verandert zich in de utopie van een historisch compromis tussen proletariaat en bourgeoisie ter ‘mildering’ van de imperialistische tegenstellingen tussen de kapitalistische staten184.
Deze oproep aan de ‘verlichte’ bourgeoisie, zoals Rosa Luxemburg het ironisch noemt laat geloven dat het kapitalisme, niet imperialistisch kan zijn. Tussen deze theorie en de praktijk van de leiding van de sociaal-democratie, vooral de capitulatie voor de oorlog, is er zeker een nauwe band, zoals Rosa Luxemburg aan het licht brengt: ‘In het decennium, dat vooruit gaat aan de wereldoorlog constateerde men in de Duitse sociaal-democratie ‘ , een volkomen harmonie tussen het theoretische domein en het praktische: dezelfde radeloosheid en dezelfde verstarring manifesteerden zich in de twee domeinen en het was hetzelfde imperialisme als overmachtige heersende verschijning van het openbare leven dat de politieke generale staf van de sociaal-democratie mat gezet had ‘ De epigonen van Marx, die gedurende het laatste decennium de officiële theoretische leiding van de arbeidersbeweging in Duitsland in handen hadden gingen bij het eerste uitbreken de wereldcrisis uitgebroken bankroet en leverden de leiding van de partij aan het imperialisme uit185.’

b) Rosa Luxemburg heeft dus gelijk te beweren, dat de ongelijke en niet harmonieuze ontwikkeling, de beslissende rol der buitenlandse markten, de uitbuiting van de koloniale en semi-koloniale landen de karakteristieke trekken der kapitalistische productiewijze zelf zijn.
Maar ziet ze wel de specifieke vormen, die deze fenomenen aannamen in de periode waarin ze schreef, dat men om deze vormen te karakteriseren, sprak van imperialistisch stadium, zoals Lenin deed, of zoals zij de neiging had te doen, over van het imperialisme verschillende fase?
In bepaalde opzichten, ziet ze misschien niet duidelijk en in elk geval juist zeer onvoldoende deze specifieke vormen. Zij verbindt ze zeer onvoldoende met diepe veranderingen in de structuur van de productie (concentratie, monopolisatie, overheersing van de banken, enz.), die toch belangrijke veranderingen hebben doen ontstaan in het functioneren zelf van de kapitalistische productiewijze. men moet vooral onderstrepen, dat ze bij het onderzoek van de rol van de monopolies zich beperkt tot een kleine noot onderaan de bladzijde.186
Zeker, Rosa Luxemburg heeft gelijk te beweren, dat het kapitalisme te allen tijde expansionistische tendensen heeft vertoond. Maar ze geeft niet nauwkeurig aan hoe het verschijnen en de ontwikkeling van de monopolies op dit domein een kwalitatieve sprong hebben mogelijk gemaakt.
In feite strekt het door Rosa Luxemburg beschreven proces zich uit over de gehele periode van de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze en zij hecht zeer onvoldoende belang aan het begrijpen van het stadium, dat een kwalitatieve breuk markeert.
Echter ziet ze, zelfs als ze het zeer onvoldoende precies aangeeft,

1) dat het imperialisme, periode van ‘revoluties en oorlogen’187, de ‘ultime fase’ is van het kapitalisme188. De expansie, schrijft ze, ‘begeleidt de heel historische loopbaan van het kapitaal’, maar het ‘heeft in zijn huidige imperialistische slotfase zo’ n onstuimig karakter aangenomen dat het het gehele culturele bestaan van de mensheid in twijfel trekt189.
2) dat die ‘eindfase’ gekarakteriseerd is door een zeker aantal kwalitatieve veranderingen.
Veranderingen in de productiestructuren in de eerste plaats: ontwikkeling van de monopolies (‘kartels en trusts’ zijn een specifiek verschijnsel der imperialistische fase, op grond van interne concurrentie tussen verschillende kapitaalgroepen om de monopolisering van bestaande accumulatiegebieden en de verdeling van de winst190’, ‘overwicht van het bankkapitaal.191’
Verandering in het functioneren zelf der kapitalistische productiewijze: extra belang rijke rol der kapitaalexport ‘strijd der kapitalistische staten om kolonies en invloedssferen 192. ‘

‘” Het boek van Rosa Luxemburg werd niet alleen slecht ontvangen door de revisionisten.
Maar ook slecht door Lenin. Die las het boek, in 1913, in de periode dat zijn politieke relaties met Rosa Luxemburg het slechts waren. Hij behield van het boek slechts de meest negatieve aspecten, zowel op theoretisch plan als op politiek plan. Toch zijn er, zoals we zagen en langdurig benadrukt hebben zowel in Die Akkumulation des Kapitals en in de Anti-Kritik een aantal zeer belangrijke bijdragen, die zich manifesteren op politiek terrein en door de zeer strenge kritiek, die Rosa Luxemburg richt op de revisionisten en die men nu nog kan benutten tegen de stalinistische en sociaal-democratische leiders van de arbeidersbeweging.

R. Luxemburg beweert, vanaf 1898, in Sozialreform oder Revolution als antwoord aan de revisionisten en in wezen aan Bernstein, dat door de expansiemogelijkheden, die de kolonën aan
Europa bieden, de verwachtingen van Marx niet helemaal uitkomen. Maar schrijft ze, als ‘eenmaal de wereldmarkt over het geheel genomen tot stand gekomen is, en zij door plotselinge uitbreidingen niet vergroot kan worden, tegelijkertijd de productiviteit van de arbeid onstuitbaar groeit, dan begint vroeg of laat het periodieke conflict van de productiekrachten met de grenzen van de ruil, dat vanzelf door zijn herhaling, steeds schriller en onstuimiger wordt.
Op het Parijse socialistische congres in 1900 geeft zij te verstaan, dat men als gevolg van de snelle expansie van het kapitalisme, niet meer kan spreken van een groeiende ellende van het Europese proletariaat, maar dat betekent geenszins, zich verenigen met de inzichten van Bernstein, want in hun pogingen tot onvermijdelijke veroveringen van de buitenlandse markten, staan de grote imperialistische machten tegenover elkaar, wat onvermijdelijk leidt tot onderlinge oorlogen, die kunnen leiden tot het verdwijnen van het kapitalisme.
Vooral in 1913 in Die Akkumulation des Kapitals, zal Rosa Luxemburg haar idee ontwikkelen en preciseren.

1. W.I. Lenin, voorwoord bij N. Bucharin, Weltwirtschaft und Imperialismus, Lenin, Werke 22, S. 101
2. Rosa Luxemburg, Was die Epigonen aus der Marxschen Theorie gemacht haben.
in Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 482, [laatste pagina van de Anti-kritik] Verlag Neue Kritik, Frankfurt
3. Die neue Zeit, Jhg. XX, Bd. 2 (1901/02),S. 80 Geciteerd in P. Sweezy,
The Theory of Capitalist Development, New York, 5e druk, 1964, p. 179
P.Sweezy, Theorie der kapitalistischen Entwicklung, S. 140.
a t.a.p. Neue Zeit 140-141, Sweezy Duitse tekst S. 156
4 t.a.p. Neue Zeit 142, Sweezy Engelse tekst p. 200, Duitse tekst S. 157
b Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke 1, Dietz Verlag, Berlin, S.386
5 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, 1913, S.6. of Neue Kritik, 1970, S. 5.
6 ibid. S. 7 of S.6
7 ibid S. 102-103 of S. 87
8 ibid S.103 of S. 87.
9 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Neue Kritik, Frankfurt 1970, Anti-Kritik S.385.
10 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S.12. Neue Kritik, Frankfurt 1970, S.10
11 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S.11. Neue Kritik, Frankfurt 1970,S.9. Deze tendens tot accumuleren is een karakteristiek van de kapitalistische productiewijze zelf. Zij verandert eenvoudig van vorm, als de eigen vormen van de concurrentie veranderen; verg. Dubois, Merlin, Valier: ‘Quelques caractéristiques du système capitaliste contemporain’, in Critiques de l’ Économie politique, no 1.
12 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 14. Neue Kritik, S.12
13 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Neue Kritik, Anti-Kritik S. 385
14 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 14. Neue Kritik, S.12
15 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 15 Neue Kritik, S.13
16 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 15 Neue Kritik, S.13
17 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 104 Neue Kritik, S.88.
18 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 15 Neue Kritik, S.13.
19 ibid, S. 109 of Neue Kritik S. 93
20 ibid, S 110-111 of Neue Kritik S. 94.
21 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Neue Kritik, Anti-Kritik S. 385
22 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 104 Neue Kritik, S.88.
23Ibid S. 104, Neue Kritik S.88.
24 Controverse, die speelt in de jaren 1820.
25 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 159 Neue Kritik, S.135.
26 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 158 Neue Kritik, S.134/135.
27 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,1913 S. 160 Neue Kritik, S.137
28 Controverse, die in Rusland speelt in de 20 laatste jaren van de 19e eeuw, dwz. na de geschriften van Marx.
29 Het voornaamste werk van Tugan-Baranowsky, Studien zur Theorie und Geschichte der Handelskrisen in England, is voor het eerst verschenen in 1894.
Het voornaamste werk van Bulgakow, Über die Absatzmärkte der kapitalistischen Produktion - Eine theoretische Studie is verschenen in 1897.
30 We zullen hier het voorbeeld nemen van Tugan-Baranowsky.
31 Tugan-Baranowsky, Les crises industrielles en Angleterre, Paris, Girard et Briëre, 1913,
pp. 213 et 215.
32 Ibid. pp. 216-217.
33 Das Kapital II, 21. Kapitel, MEW 24, S. 498-499.
34 Das Kapital III, 18. Kapitel, MEW 25, S. 316-317
34bis Citaat in Rosa Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals 1913, S. 268. Neue Kritik, S. 228
35 Rosa Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals 1913, S. 284. Neue Kritik, S. 241
36 Rosa Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals 1913, S. 284. Neue Kritik, S. 241
37 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik, S, 400.
38 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik, S, 403.
39 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 244. Neue Kritik, S, 207.
40 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 240. Neue Kritik, S, 204.
41 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 243. Neue Kritik, S. 206
42 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 251-252. Neue Kritik, S. 213
43 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 242. Neue Kritik, S. 206
44 Woronzow, geciteerd door R. Luxemburg, in Die Akkumulation des Kapitals, S. 247. Neue Kritik, S. 209
45 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 250. Neue Kritik, S. 212
46 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.241. Neue Kritik, S, 205
47 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.255-256 en .257. Neue Kritik,
S, 217-218. Deze kleinburgerlijke, utopische en reactionaire opvatting, komt men in onze jaren nog tegen in een aantal koloniale of semi-koloniale landen.
48 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.250. Neue Kritik, S, 212
49 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.245. Neue Kritik, S. 208
50 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.257 noot. Neue Kritik, S, 218 noot.
51 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.259-260. Neue Kritik, S. 220-221.
52 Karl Marx, Het Kapitaal, I, bldz. 583.
53 Lenin, Die Entwicklung des Kapitalismus in Rußland, W.I.Lenin, Werke Bd 3, S. 29-30
54 Lenin, Die Entwicklung des Kapitalismus in Rußland, W.I.Lenin, Werke Bd. 3, S. 56-57
55 Lenin, Die Entwicklung des Kapitalismus in Rußland, W.I.Lenin, Werke Bd. 3, S. 161.
56 Hoe kan Nicolaj-on verklaren, zegt Lenin, neem een voorbeeld, ‘de enorme vergroting van de binnenlandse markt voor katoenen waren, waarvan de productie na de ‘˜Reform’ parallel met de massale ruïne van het boerendom zo snel gegroeid is.’? Ibid. S. 176.
57 Vergelijk Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 337, Neue Kritik S. 287
58 Vergelijk zie boven
59 ‘ ‘ een sociale kritiek van het kapitalisme, die theoretisch van de twijfel aan zijn ontwikkelingsmogelijkheid uitgaat, met fatale logica op een reactionaire utopie uitloot’, schrijft zij, vergelijk op. cit. Die Akkumulation des Kapitals, S. 260. Neue Kritik S. 221
C) De presentatie van het antwoord van K. Marx
60 Wij hebben gezien dat de narodniki, ondanks Marx, de fout van de klassieken en van Sismondi zullen herhalen.
61 R. Luxemburg, geciteerd in Paul Frölich, Rosa Luxemburg, Uitgave Maspero, p. 192
62 Verg. R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 301. Neue Kritik S. 256
63 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 300. Neue Kritik S. 255
64 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 104. Neue Kritik S. 89
65 K. Marx, Das Kapital II, 17e Kapitel, MEW 24, S. 345-346
66 ‘Er moet aanvullende goudproductie plaatsvinden’, ibid S. 347
67 Ibid, S. 346
68 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 126, Neue Kritik S. 107
69 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 126-127, Neue Kritik S. 107
70 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 119, Neue Kritik S. 101
71 K. Marx, Das Kapital III, Kapitel XIV, MEW 25, S. 247
72 ‘... de winst en de verhouding van die winst tot het aangewende kapitaal, dus een bepaalde hoogte van de winstvoet’ schrijft Marx, ‘die beslissen over de uitbreiding of beperking van de productie ‘ ’(Das Kapital III, Kapitel XV, MEW 25, S. 269)
73 Ibid. S. 253
74 Ibid. S. 254
75 Ibid. S. 254
76 Ibid. S. 254
77 Ibid. S. 254. Vergelijk in dezelfde zin: Kapital II, Kapitel XVI, S. 318 en Histoire des doctrines Economiques, Paris, Costes, 1925, tome 5, p. 101.
78 Ibid. S. 255
79 K. Marx, Das Kapital III, Kapitel XIV, MEW 25, S. 247
80 Artikel van Marx van 20 mei 1853, geciteerd in Hélène Carrère d’ Encausse et Stuart Schram, Le marxisme et l’ Asie, 1853-1964, Paris, 1964, p. 148
81 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 313, Neue Kritik S. 266
82 Ibid. S. 313, Neue Kritik S. 266
83 , Die Akkumulation des Kapitals, S. 104, Neue Kritik S. 88-89.
84 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 320, Neue Kritik S. 272. Vergelijk, in dezelfde zin, S. 339, Neue Kritik, S.. 288 ‘Het voor de kapitalisering bestemde deel van de meerwaarde moet ‘˜elders’ gerealiseerd worden’.
85 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.. 114-115, Neue Kritik S. 97.
86 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 291, Neue Kritik S. 246-247.
87 Lenin, Zur Charakteristik des ökonomischen Romantizismus, geciteert in R.:Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 287-288, Neue Kritik S. 244
88 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Neue Kritik, S.393. Anti-Kritik’
89 Ibid S. 393
90 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 305. Neue Kritik S. 259
91 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 306, Neue Kritik S. 260
92 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 309, Neue Kritik S. 263
93 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik S. 431-432
94 F.Sternberg, in 1926, in Der Imperialismus trekt deze hypothese van Die Akkumulation des Kapitals het eerst in twijfel.
95 Bij het kritiseren van het gebruik, dat Rosa Luxemburg maakt van de schema’ s, zal men te gelijkertijd de kritieken kritiseren, die zij aan het adres van Marx richt, en die we gepresenteerd hebben.
96 Zoals E. Mandel het schrijft: ‘We begrijpen het nut van deze schema’ s, wanneer we ons de volgende vraag stellen: hoe is het mogelijk de continuïteit van de productie in stand te houden terwijl de waarde en de omvang van deze productie het resultaat lijken te zijn van individuele beslissingen van duizenden ondernemers die hun bedoelingen voor elkaar verborgen houden. De reproductieschema’ s geven de voorwaarden aan, waaraan voldaan moet worden om deze continuïteit veilig te stellen. De economische theorie van het marxisme, Uitgave Het Wereldvenster, deel I, bldz. 328.
97 C.Palloix heeft ongelijk te denken, dat als de buitenlandse handel uitgesloten is in de schema’ s van boek II, de ‘prikkel der concurrentie’ er is en de continuiteit der reproductie verklaart. (Vergelijk Problemes de la croissance en Economie ouverte, Ed. Maspero, p. 66. Hij ziet niet dat, per hypothese, de concurrentie uitgesloten is in de schema’ s.
98 Terecht, nog eens, rekening houdend met hun object.
99 Marx zoekt hier uit vertrekkend, de theoretische verificatievoorwaarden van de hypothese,
dwz. het type van de betrekkingen tussen de variabelen, dat het mogelijk maakt dat de hypothese geverifieerd is.
100o, Das Kapital II, S. 466
101 Zelfs als zijn studie over dit probleem nog nog slechts een eerste opzet is.
102 K. Marx, Das Kapital II, S. 466
103 L.Trotsky, La rèvolution permanente.
104 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik S.471
105 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik S. 471
106 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals S 313, Neue Kritik S. 266
107 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals S 317, Neue Kritik S. 270
108 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik S. 404
109 Als men, verklaart ze, ‘de concrete voorwaarden wil bestuderen van realisatie van het totale maatschappelijke product en van de reproductie moet men ten minste het feit in aanmerking nemen dat men de technische veranderingen verwaarloosd heeft die evenwijdige zijn aan het proces van kapitalistische accumulatie en er niet van te scheiden zijn’, dwz. dat men de stijging van C/V in moet voeren in de schema’ s. (R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,
S. 305-306, Neue Kritik S. 259-260)
110 Vergelijk vooral R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik
S. 398 en 471
111 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 126 , Neue Kritik S. 107
112 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.105, Neue Kritik S. 89
113 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.105, Neue Kritik S. 89
114R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S.110, Neue Kritik S. 93
115Deze these zal herhaald en ontwikkeld zijn door Henri Denis: verg. ‘De rol van de voorafgaande afzet in de economische groei van West-Europa en de Verenïgde Staten van Amerika’. Cahiers de l’ I.S.E.A., no 113, Serie P, no. 5, mei 1961
116E,Mandel, De economische theorie van het marxisme II, Het wereldvenster, Bussum, bldz. 33
117R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 339, Neue Kritik S.288
118R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 279-280, Neue Kritik S.238
119R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 311, Neue Kritik S. 264
120R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik S. 430
121Verg. artikel geciteerd in no° 1 van Critiques de l’ Economie politique, pp. 126-128
122G.Jourdain, geciteerde artikel, p. 128.
123R,Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 322-323. Neue Kritik S. 274-275
124Ibid S.320, Neue Kritik, S. 272,
125Rosa Luxemburg, Anti-Kritik, Neue Kritik S. 406-408
126R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 321. Neue Kritik S. 273
127R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 106-107. Neue Kritik S. 90-91
128R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 107. Neue Kritik S. 91
129R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 264. Neue Kritik S. 224
130R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 107. Neue Kritik S. 91
131R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 432. Neue Kritik S. 368
132R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 432. Neue Kritik S. 368-369
133R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 432. Neue Kritik S. 368-
134Ibid. S. 432 en Neue Kritik S. 368-369. Merk op dat deze bewering van Rosa Luxemburg waar is op voorwaarde van het maken van de hypothese dat de arbeiders (en de kapitalisten, als de belastingen zijn afgehouden van hun revenu) niet sparen.
135R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 436. Neue Kritik S. 370-
136R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 436. Neue Kritik S. 371-
137R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 437. Neue Kritik S. 372-
138R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 437-438. Neue Kritik S. 373-
139R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 438-442. Neue Kritik S. 377-
140R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 338. Neue Kritik S. 288-
141R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik, S. 394.
142Verg. de drie (of vier) verklaringen van Rosa Luxemburg.
143R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 322. Neue Kritik S. 273-274
144R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 338. Neue Kritik S. 287
145R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 337-338. Neue Kritik S. 287
146R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 337-338. Neue Kritik S. 287
147R. Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals, S. 88. Neue Kritik S. 287
148R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 339-340. Neue Kritik, S. 289
149R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 340. Neue Kritik, S. 289
150R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 340. Neue Kritik, S. 289
151R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 341. Neue Kritik, S. 290
152R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 359-360. Neue Kritik, S. 306
153R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 376. Neue Kritik, S. 320
154Verg.R. Luxemburg, vooral Die Akkumulation des Kapitals, S. 423-424. Neue Kritik, S. 361- 362
155 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 341. Neue Kritik, S. 290.
156 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 370. Neue Kritik, S. 315.
157 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 374-375. Neue Kritik, S. 319.
158 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 376. Neue Kritik, S. 321.
159 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 391. Neue Kritik, S. 334.
160 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 392. Neue Kritik, S. 334.
161 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 445-446. Neue Kritik, S. 380.
162 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik. Neue Kritik, S.477. verg.
in dezelfde zin, waarin ze spreekt van een ‘Enconcevable’‘˜undenkbar’ accumulatie’ en
p. 143 [Å’uvres IV] waarin ze spreekt ‘van een difficulte insurmontable’ Anti-Kritik, S. 395
163 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals,.Anti-Kritik, S. 396-397
164 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 393. Neue Kritik, S. 335.
165 R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, S. 478
166 P.Fröhlich, Rosa Luxemburg, Ed. Maspero, p.. 194
167 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 296. Neue Kritik, S. 251-252
168 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik, S. 410.
Men vindt dit mechanistisch economisme , in onze dagen, terug in talrijke ‘lambertistische’ geschriften. Zo schrijft Pierre Lambert, in Etudes Marxistes, no 2: ‘Als vandaag de productieve krachten doorgaan met groeien, wil dat zeggen dat de prognose van de proletarische revolutie door de historie weerlegd is, dat wil zeggen dat we een lange periode van opgang van het kapitalisme voor ons hebben, dat het nu niet gaat om de strijd voor de socialistische revolutie, maar de aanvaarding van het kapitalistische systeem’ ’œ:...vandaar de noodzaak te aanvaarden dat ‘de productieve krachten hebben opgehouden te groeien’.
169 K. Marx : Voorwoord Zur Kritik der politischen Ökonomie, MEW 13, S. 9
170 H.Weber: Le catastrophe de l’ A..J..S. , Rouge, no 99
De op dit economisme gemaakte kritiek hebben de lambertistiche leiders gedwongen een beetje te veranderen, want men leest in no 551 van La Vérité (maart 1971, p.5) de marxistische theorie van ‘de catastrofe’, en ‘de ineenstorting’ van het kapitalisme betekent niet dat men op een goede dag een formidabele donderslag zal horen en dat het kapitalisme tot stof zal vergaan..’
171 Merk op dat Pjatakow een werk schreef waarin hij steunde op de in die Akkumulation des Kapitals uiteengezette theorie om uiteen te zetten dat hij zich tegen de idee van de zelfbeschikking verzette in een imperialistisch kader. Lenin verzette zich in 1916 in een artikel getiteld ‘Over een karikatuur van het marxisme en over het ‘˜imperialistische economisme’ ‘ sterk tegen dit werk. ‘
172 D.Bensaïd en A.Naïr: ‘A propos de la question de l’ organisation: Lénine et Rosa Luxem burg’, Partisans, no 45, pp. 15-16. De citaten van Rosa Luxemburg zijn uit Marxisme contra dictature.
173 Rosa Luxemburg schreef in 1913: ‘De taak van de sociaal-democratie en van haar leiders bestaat niet in het meegesleept worden door de gebeurtenissen, maar ze te volgen en te zijn betrokken bij de zin van de ontwikkeling, deze ontwikkeling te verkorten door een bewuste actie en de loop te versnellen.’ (geciteeerd in P.Frölich, Rosa Luxemburg, p.185)
174 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti Kritik, S. 396-397
175 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti Kritik, S. 397
176 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti Kritik, S. 476
177 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti Kritik, Neue Kritik S. 476
178 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti Kritik, Neue Kritik S. 400
179 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti Kritik, Neue Kritik S. 476
180 De Hollander Van Kol, bij voorbeeld, schreef: ‘Kunnen we de helft van de aardbol over laten aan de willekeur van volkeren, nog in hun kindheidsperiode, die de enorme rijkdommen van de ondergrond van hun landen braak laten liggen, de vruchtbaarste delen van onze planeet onbebouwd laten’: geciteerd in H.Carrere d’ Encausse et S.Schram : Le Marxisme et l’ Asie, 1853-1864, Parijs, 1964,p. 157.
181 Verg. , bij voorbeeld, de verklaringen van de Duitser David (‘We moeten uitgaan van de heerschappij van het woord. Europa heeft kolonies nodig. Zij heeft er niet genoeg’), of van Bernstein (‘ik ben er mee eens, dat een zekere voogdij van beschaafde volkeren over de niet beschaafde volkeren een noodzaak is), of vergelijk de tekst aangenomen door de meerderheid van de Commissie belast met koloniale problemen (Het Congres, hoewel constaterend dat men in het algemeen het nut of de noodzaak van de kolonies’” vooral voor de arbeidersklasse ‘” sterk overdrijft, men in principe en voor altijd elke koloniale politiek niet veroordeelt, die ‘”in een socialistisch regime ‘” een werk van beschaving zou kunnen zijn’): geciteerd in H.Carrere d’ Encausse et S.Schram: Le Marxisme et l’ Asie, 1853-1864, Parijs, 1964, pp. 159, 162 en 164.
182Geciteerd in: T.Kemp: ‘Wat is het imperialisme’, Partisans, december .1963, januari 1964
183 Citaat uit Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik, S.476.
184 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik, S.480-481.
185 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik, Neue Kritik, S.478-en 482
186 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 434. Neue Kritik, S. 370
187 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 394. Neue Kritik, S. 336
188 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 393. Neue Kritik, S. 335
189 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik. Neue Kritik, S. 476
(‘Marx’ analyse van de accumulatie was ontworpen in een tijd dat het imperialisme nog niet op het wereldtoneel was verschenen’ S. 477). (‘Het huidige imperialisme ‘ is het laatste hoofdstuk van zijn historisch expansie proces’. S. 479)
190 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, S. 434. Neue Kritik, S. 370
191 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik. Neue Kritik, S. 476
192 Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Anti-Kritik. Neue Kritik, S. 476

Dossier
Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop