1 October 2020

Een kwestie van politieke wil

Tijdens het laatste Wereld Sociaal Forum (WSF) van Porto Alegre nam men een kloof waar tussen de Braziliaanse president Lula en de Venezolaanse president Chávez. Hoewel ze het eens zijn over de noodzaak de Latijns-Amerikaanse landen verder te verenigen en te integreren, is het duidelijk dat de regering Lula een hele andere dynamiek heeft dan de regering Chávez.

De situatie in Latijns-Amerika kun je alleen maar omschrijven als instabiel, op sommige plaatsen zelfs als explosief. Het is een van de regio’s in de wereld die het hardst is getroffen door het brute geweld van het neoliberalisme. Maar het is ook een van de regio’s waar men de meeste ervaringen heeft opgebouwd met verzet. Binnen dat verzet zijn ook revolutionaire bewegingen ontstaan. Tegelijkertijd zijn de economieën van deze landen helemaal aangepast aan de logica van de financiële markten en van instituten als het IMF en de Wereldbank. De openbare diensten zijn massaal geprivatiseerd. De arbeidsmarkt is grotendeels gedereglementeerd. De landbouw is ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de agrarische export, de grootgrondbezitters en de belangen van de grote bedrijven. Kortom, hele sectoren zijn onderworpen aan het vernietigende neoliberale geweld. Soms zelfs hele landen, zoals het compleet uitgeklede Argentinië.

Strijd
Onder die omstandigheden kende Latijns-Amerika verschillende golven van strijd en deed men ervaringen op met het opbouwen van sociale bewegingen die doorlopend voeding geven aan de strijd tegen het neoliberale model. In Bolivia kwamen mensen in opstand tegen de privatisering van water en aardgasmaatschappijen. In Argentinië bezetten mensen wegen en kwamen vakbonden in opstand tegen de werkloosheid en de armoede. In Ecuador waren en zijn de bewegingen van de Indianen de kracht achter sociale en democratische bewegingen. In Brazilië kwamen ambtenaren in beweging tegen de hervorming van het pensioenstelsel, net zoals bankpersoneel en de diepgewortelde beweging van landloze boeren. Venezuela bevindt zich in een revolutionair proces.

De kracht van de sociale bewegingen vindt ook zijn weerslag in linkse verkiezingsoverwinningen. Gutierrez in Ecuador (inmiddels ook weer ten val gebracht, red.), Kirchner in Argentinië, Lula in Brazilië, Tabarez en het Frente Amplio in Uruguay. Wat kunnen we van al deze ervaringen leren?

Lula past zich aan
Lula brak niet met het beleid van zijn voorganger Cardoso. Lula begon zijn presidentschap met het benoemen van enkele van de meest bekende vertegenwoordigers van het neoliberalisme. Tegelijkertijd maakte hij bekend dat Brazilië al zijn verplichtingen zou nakomen, vooral de afbetaling van de buitenlandse schuld. Dat betekende dat men een klassiek liberaal begrotingsbeleid ging voeren. Het begrotingsoverschot steeg van 3,75 procent naar 4,5 procent (net als in de meeste derde wereldlanden ontvangt de staat tegenwoordig meer belasting dan ze uitgeeft, om zo de buitenlandse schuld af te kunnen betalen, red.) De rente steeg naar 18,25 procent. Er werd gekort op sociale uitgaven. Zo ook op het befaamde plan tegen de in Brazilië nog steeds wijdverbreide honger. De landhervorming werd beperkt, het minimumloon werd niet verhoogd en het pensioenstelsel werd op een neoliberale manier hervormd. De macht van de vakbonden op bedrijfsniveau werd beperkt, net zoals het recht om te staken en te onderhandelen. De economie groeit enigszins in Brazilië, maar er verandert niets aan de inkomensverdeling.

Sociale bewegingen en de arbeidersbeweging worden zo verzwakt, ontwapend, gedesoriënteerd en gedemobiliseerd. Het Braziliaanse voorbeeld is leerzaam. Wie de eisen van het neoliberalisme accepteert en wie weigert de confrontatie aan te gaan met de heersende klassen heeft eigenlijk geen mogelijkheid een sociaal beleid te voeren. Dit is geen economisch probleem. Het is een politiek probleem, over welke keuze je maakt.

Andere keuzes
In Venezuela worden andere keuzes gemaakt. Waar Lula probeerde zich aan te passen aan de financiële markten, het IMF en de Wereldbank en aan zijn rechtse coalitiegenoten, gingen Chávez en zijn regeringsploeg de confrontatie aan met het Amerikaanse imperialisme en met diens bondgenoten binnen Venezolaans rechts. Men steunde daarbij op de mobilisatie van het Venezolaanse volk. De regering heeft met geweld de macht teruggekregen over de nationale oliemaatschappij. Daardoor kan een groot deel van de olie-inkomsten gebruikt worden voor sociale programma’s. De controle op de deviezenexport, de dynamiek van de landbouwhervorming – die het toestaat dat mensen zich vestigen op land dat niet gebruikt wordt door grootgrondbezitters - en de recente nationalisatie van een door de eigenaar om politieke reden gesloten papierfabriek, versterken de mobilisatie van de aanhangers van de revolutie.

Ook het belang van de gezondheids- en onderwijscomités, die er met hulp van Cubaanse deskundigen in geslaagd zijn indrukwekkende resultaten te behalen, moet benadrukt worden. De Venezolanen hebben tegenwoordig allemaal toegang tot gratis gezondheidszorg. Er zijn enkele honderden buurtgezondheidscentra gebouwd en enkele miljoenen mensen zijn opnieuw begonnen te studeren. Sommigen leren te lezen, anderen gaan voor het eerst naar de universiteit. Zes nieuwe universiteiten, speciaal voor de lagere klassen, openden hun deuren. Meer dan 500.000 studiebeurzen van honderd dollar zijn aan leden van de traditioneel meest achtergestelde groepen verstrekt. Die maatregelen versterken tegelijkertijd de directe democratie. De passiviteit wordt doorbroken.

Dat is de optie Chávez. Een gedeeltelijke breuk met het Amerikaanse imperialisme en de heersende klasse, die de weg vrijmaakt voor de mobilisatie en de zelforganisatie van miljoenen Venezolanen. We zeggen niet dat dit het antwoord op alle vragen is. De Bolivaristische leiding heeft de bezitsverhoudingen nog niet aangetast en het lijkt er ook niet op dat er een georganiseerde revolutionaire organisatie ontstaat. Het is dus moeilijk in te schatten welke kant deze revolutie op gaat. Maar het Bolivaristische proces toont aan dat regeringen niet alleen de regels van het neoliberale model kunnen volgen. Natuurlijk, het zijn de aardolie-opbrengsten die het mogelijk maken dat Chávez een sociale politiek voert. Maar hij is ook –zoals tijdens de pro-imperialistische poging tot staatsgreep van 11 april 2002- de confrontatie aangegaan. Lula weigert dat nog steeds te doen. De gigantische winsten van de Braziliaanse bedrijven en grootgrondbezitters bieden ook de mogelijkheid om te komen tot een eerlijkere verdeling van de rijkdom. Het is een kwestie van politieke wil. En wat dat betreft is de bolivaristische revolutie een grote stap vooruit.

François Sabado is lid van het politiek bureau van de LCR, de Franse sectie van de Vierde Internationale, en schrijft veel over Latijns-Amerika. Vertaling en bewerking: Arthur Bruls

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren