Een nieuwe beweging, een nieuw links

. Ik denk dat we in Nederland niet eens van een 'beweging' kunnen spreken, hooguit van milieus en groepen die zich met de mondiale beweging identificeren. Deze vaststelling is belangrijk omdat het wijst op de taak die ons te wachten staat: het opbouwen van die beweging. In het onderstaande wil ik een poging doen de stand van de 'beweging' in Nederland te verklaren om vervolgens naar de perspectieven te kijken.

De houding van links
Hoewel de beweging in Nederland relatief klein is, zijn er toch belangrijke stappen gezet. Zo heeft bijvoorbeeld de mobilisatie naar Genua (juli 2001) ‘anti-globalisering’ in Nederland veel bekendheid gegeven. De demonstraties tegen de EU-top in Brussel (december 2001) brachten een dertigtal organisaties bij elkaar in het platform D14. Meer dan 650 mensen vertrokken met de bussen van D14 naar Brussel. Dit laat aan de ene kant zien dat brede en naar buiten gerichte campagnes de potentie hebben veel nieuwe mensen die met de beweging sympathiseren actief te maken. Er is echter ook een zwakte: de honderden mensen die uit Brussel terugkeerden, konden niet terugvallen op permanente structuren (waarnaar ook de tekst verwijst) en campagnes met een open karakter, die expliciet tot doel hebben een beweging op te bouwen. Daarom vertaalde het succes zich niet in substantiële groei in Nederland. Het probleem is niet dat die structuren ontbreken. Ze zijn er in de vorm van tientallen actiegroepen, comités, kraakpanden, 'vrijplaatsen', organisaties en partijen. Wat ontbreekt is een naar buiten gerichte houding van linkse activisten en/of de wil om werkelijk een beweging op te bouwen. Dit gebrek betreft in verschillende vormen zowel parlementair als ‘radicaal links’ en heeft haar wortels in de ervaring van de afgelopen twee decennia.

Na de neergang van de bewegingen van de jaren zestig en zeventig en de traumatische ervaring van nederlagen in de jaren tachtig, kozen de activisten van toen voor hoofdzakelijk twee verschillende wegen. Een deel koos voor de ‘lange mars door de instituties’ om veranderingen teweeg te brengen. Paul Rosenmöller en de honderden die de NGO’s binnenstroomden of oprichtten zijn daar voorbeelden van. De lange mars leidde veelal tot inkapseling, afscheid van activisme en in de ergste gevallen tot een acceptatie van het neoliberalisme. Dit leidde ook tot een kaalslag van activistische netwerken die in Nederland verder ging dan in veel andere landen. Zo is de milieubeweging in Nederland het meest geïnstitutionaliseerd. Een andere groep koos voor kleine, radicale acties die los stonden van grote groepen die ook door het systeem geraakt werden. Die groepen werden afgeschreven als gecorrumpeerd door de consumptiemaatschappij. De krakersbeweging en de ‘links-radikale’ of anarchistische milieus in Nederland die sterk gemodelleerd zijn naar de Italiaanse en Duitse autonomen zijn de belangrijkste voorbeelden. Het gevolg was dat activisten terechtkwamen in een zelfisolement. Ed Hollants heeft deze situatie in het juni nummer van Grenzeloos treffend beschreven: “Radicaal links is totaal versnipperd en uiteengevallen in one-issue organisaties en losse individuen. (…) We zitten allemaal op onze eigen eilandjes waar we kunnen genieten van de vrijheid. Is het niet leuk meer dan verhuis je gewoon naar een ander eilandje.”
In het afgelopen paar jaar is deze situatie enigszins veranderd. De opkomst van de ‘anti-globaliseringsbeweging’ heeft veel groepen tot samenwerking gebracht. Groepen zoals Milieudefensie zijn zich gaan identificeren met de beweging. De manifestatie van Milieudefensie op 31 augustus is daar een uitdrukking van. Ook Novib en de FNV hebben zich bij die manifestatie aangesloten. Maar het proces van samenwerking, het bereiken en activeren van nieuwe groepen mensen en het opbouwen van een ‘anti-globaliseringsbeweging’ verloopt nog moeizaam.
Er zijn twee grote obstakels. Een deel van de groepen is zover het neoliberalisme in gemarcheerd dat het niet ziet dat de opkomst van de beweging nieuwe perspectieven voor verzet biedt, of zich simpel weg niet meer met dit verzet identificeert. Terwijl elders in Europa de Groenen in bepaalde mate aan de beweging deelnemen, ontbreekt in Nederland Groen Links geheel. Ook waar Oxfam in andere landen een meer activistische houding heeft, houdt haar afdeling in Nederland (Novib) zich als nog verre van elke actieve mobilisatie. Een tweede obstakel is dat sommige groepen en activisten die zich met het verzet tegen het neoliberalisme identificeren, steeds terugvallen in de oude routines en werkwijze die Ed Hollants heeft beschreven. Een voorbeeld is helaas Ed Hollants zelf en het Autonoom Centrum. Ze besloten om niet deel te nemen aan het platform ‘Keer het Tij’ wegens de deelname van de PvdA. Ook Ravage, een toonaangevend blad met enkele honderden abonnees heeft om diezelfde reden het platform geboycot. In plaats van aansluiten bij de nieuwe stemming, stellen ze hun eigen ideeën en projecten als voorwaarde voor anderen. Activiteiten en discussies vinden meestal plaats op of tussen de ‘eilandjes’. Voor delen van links met sektarische trekken blijft het speelkwartier toch leuker dan een serieus engagement in discussie en actie met velen die het niet voor honderd procent met ons eens zijn.

In deze situatie moeten activisten die het probleem van beide obstakels begrijpen hun krachten bundelen om een beweging op te bouwen die radicale eisen combineert met openheid. De opkomst van platformen als ‘Keer het Tij’ en De Wereld Is Niet Te Koop, laat zien dat dit ook de trend is. We gaan een periode in waarin alles veel vloeiender wordt en posities worden geherdefinieerd. Er zijn organisaties die afstand beginnen te nemen van ‘inkapseling’ en actiever worden. Er zijn ook activisten die het sektarisme dat links in de afgelopen twee decennia heeft geparalyseerd vaarwel zeggen en bereid zijn hun ideeën en manier van werken met anderen te delen en te bediscussiëren. Naast deze groep zien we ook de opkomst van een nieuwe generatie activisten die een doorslaggevende rol spelen in het opbouwen van de ‘anti-globaliseringsbeweging’ in Nederland. Het aandeel van de jongeren in de beweging is in tegenstelling tot wat de resolutie beweert niet gering. Een aantal van hen zijn actief bij de Internationale Socialisten of andere groepen maar dat is de minderheid. De nieuwe generatie activisten zal een belangrijke rol gaan spelen in het opzetten van activistische structuren met een open karakter, die in staat zijn honderden anderen bij de beweging te betrekken. De opkomst van de beweging vereist ook een nieuw links die breekt met het zelfisolement en de inkapseling van de afgelopen jaren, die bereid is te leren van nieuwe groepen die actief worden en die de waardevolle lessen van eerdere perioden van radicalisatie terugbrengt in de discussies over hoe we het verzet tegen neoliberalisme en oorlog kunnen versterken.

Beweging van bewegingen
De resolutie gaat ook in op de discussie over het karakter van de beweging en de rol die revolutionair socialisten daarbinnen zouden moeten spelen. Voordat ik op dit laatste punt inga, iets over de beweging. Het belangrijkste kenmerk van de globaliseringsbeweging is de grote diversiteit van de deelnemers en de thema’s. Niet de diversiteit op zich maar de manier waarop deze samenkomt in een kritiek op de kapitalistische globalisering, onderscheidt haar van de bewegingen van de jaren tachtig en negentig, die vooral one-issue bewegingen waren. Natuurlijk verschillen de kritiekpunten, strategieën van verzet en de alternatieven van elkaar. Maar dat is ook altijd kenmerkend geweest voor allerlei bewegingen. Bewegingen zijn per definitie divers in hun sociale samenstelling, ideeën en tot op zekere hoogte doelstellingen.

De diversiteit en het spontane karakter die de beweging vooral in de beginfase had, hebben echter sommigen tot de conclusie gebracht dat we met een totaal nieuw fenomeen te maken hebben. Geen beweging, maar netwerken, is de modieuze stelling van activisten als Naomi Klein en Toni Negri. De fout die hier begaan wordt is dat een fase van de beweging verward wordt met een fundamenteel nieuwe fase. Uitbarstingen van sociale strijd worden vaak gedreven door instincten van rebellie. Een enorme creativiteit ontlaadt zich en nieuwe ideeën en actiemethoden worden ontwikkeld. Enthousiasme en ‘spontaniteit’ lijken in deze fase genoeg te zijn om de beweging vooruit te stuwen. Maar naarmate de beweging zich verder ontwikkelt en de tegenstander met tegen-strategieën komt, wordt de beweging met nieuwe uitdagingen geconfronteerd. Of we dus gezamenlijk in staat zijn op deze uitdagingen een antwoord te vinden, is erg belangrijk. De Italiaanse marxist Gramsci wees er al op dat iets als pure spontaneiteit niet bestaat. Achter elke actie gaan ideeën en organisatiemethoden schuil. De uitdaging is bereid te zijn in het proces van elkaar te leren, de zwakke punten en de sterke punten in de beweging te bediscussieren en onze ideeën bewust te ontwikkelen.

Geen beweging zonder ideeën
Het is niet genoeg te constateren dat de beweging in Nederland moet worden opgebouwd. Hoe dit moet gebeuren en welke richting de beweging op moet gaan, zijn belangrijke vragen. Het opbouwen van de beweging is geen technische kwestie maar een politieke. Daarom is de rol van socialisten en elk zich zelf serieus nemende activist niet beperkt tot die van lassers en bruggenbouwers die samenwerkingsverbanden smeden. We moeten bouwen aan coalitie van coalities. Dat is echter het begin en niet het einde. Bepaalde ideeën en daaraan gekoppelde praktijken zijn een obstakel voor een brede en strijdbare beweging en andere kunnen haar vooruit helpen. Een voorbeeld is de strategie van het anarchistische ‘Black Block’ tijdens demonstraties of de houding van de top van Attac ten opzichte van ‘geweld’ op demonstraties. Daarom is discussie over de ideeën waarmee we actie voeren erg belangrijk. Het gaat er dan niet om onze ideeën als dogma’s aan anderen op te dringen of ze als voorwaarde te presenteren. Het gaat om een discussie waarin we van elkaar leren en onze ideeën in de praktijk testen. In die zin beschouw ik antikapitalistische en socialistische ideeën niet als ‘labels’ die op de beweging moeten worden geplakt, maar als voor de beweging relevante, zelfs onmisbare ideeën. Of dat ook werkelijk zo is, kan slechts gemeenschappelijke discussie en actie uitwijzen. Maar dit moet het uitgangspunt zijn van socialisten die zich de opbouw van de beweging ten doel stellen. Revolutionair socialistische politiek kan helpen een massabeweging tegen de neoliberale globalisering op te bouwen, die uiteindelijk in staat is te winnen. Daarom moeten socialisten in de beweging ook een duidelijke revolutionaire pool opbouwen die deze politiek versterkt en mede de richting van de beweging bepaalt.

Wat perspectieven voor de beweging als geheel betreft, zijn er grote kansen. De polarisatie naar rechts en links in heel Europa, maakt het verzet tegen het neoliberalisme tegelijk erg urgent. In dit opzicht wordt het Europees Sociaal Forum een belangrijk moment. Het is een uitstekende kans om grote aantallen mensen en organisaties bij de strijd voor een andere wereld te betrekken. Het is tegelijk ook een kans om samen met duizenden activisten te discussieren wat we willen en hoe we daarvoor kunnes strijden. Ik denk dat socialisten een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan dit debat. Het is de uitdaging in de komende weken om het ESF tot een kristallisatiepunt voor de strijd tegen het neoliberalisme, oorlog en racisme te maken.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop