Borderless

20 April 2019

Ander Europa

Abonneren op feed Ander Europa Ander Europa
www.andereuropa.org
Bijgewerkt: 1 uur 20 min geleden

10.000 grenswachten

18/04/2019 - 13:04

Het Europees Parlement is er op de valreep woensdag toch nog in geslaagd een maatregel te stemmen in verband met migratie. Het is de eerste maatregel over migratie die de horde van de Europese Raad haalde en die het Parlement tijdens deze legislatuur, dus de afgelopen vijf jaar, goedkeurde.

Je zal zeggen dat dit wel erg weinig is: één enkele maatregel in verband met een kwestie die niet alleen leidde tot diepe onenigheid maar tot een ware institutionele crisis.
Maar cynici zullen zeggen dat deze ene maatregel misschien volstaat om de migratiecrisis definitief op te lossen: de maatregel bestaat er namelijk in het aantal Europese grenswachten op te drijven van 1.500 nu tot 10.000 in 2027. (fs)

Klimaat is hot

18/04/2019 - 12:58

Uit een recent onderzoek blijkt het klimaat een belangrijke bekommernis te zijn van de kiezers die binnenkort naar de Europese stembus trekken.

In dit onderzoek werd geen rekening gehouden met kiezers die aangaven zeker niet te gaan stemmen. Voor de andere kiezers was het klimaat een belangrijk item bij hun stemkeuze. Dit was het geval voor 77 procent van de ondervraagden.
Maar laten we niet te vroeg juichen. De klimaatdiscussie speelt niet per definitie in het voordeel van milieubewuste en linkse partijen. De verkiezingen onlangs in Nederland voor de Provinciale Staten tonen hoe een beleid dat tegelijk weinig geloofwaardig is én sociaal oneerlijk, in het voordeel speelt van partijen zoals het Forum voor Democratie. Deze “klimaatverkiezingen” waren niet bepaald een succes voor links.

Een en ander blijkt ook uit dit onderzoek. Een goede 73% van de ondervraagden vindt dat de Europese Unie het voortouw moet nemen met drastische klimaatmaatregelen. Maar als gevraagd wordt naar een energietransitie gekoppeld aan lagere energietarieven, dan groeit het enthousiasme: 80 procent geeft aan te stemmen voor een partij die dit in haar programma heeft. (fs)

Bron: IPSOS Social Research Institute

Het Europees verkiezingsprogramma van “La France Insoumise”

13/04/2019 - 20:03

door Herman Michiel 13 april 2019   Het kan nooit kwaad eerst het geheugen wat op te frissen. La France Insoumise (LFI), letterlijk: ‘het opstandige Frankrijk’, is de politieke formatie opgericht in februari 2016, waarmee Jean-Luc Mélenchon deelnam aan de Franse presidentsverkiezingen van 2017. Hij kon weliswaar niet doorstoten tot de tweede ronde (die ging tussen Macron en Le Pen) maar zijn score (vierde plaats, 19,6%, meer dan 7 miljoen stemmen, driemaal zoveel als de Parti Socialiste) was een van de grootste linkse successen in het naoorlogse Frankrijk. La France Insoumise zelf is een uitvloeisel van de Parti de Gauche (PdG), in 2009 opgericht vanuit de linkerzijde van de Franse PS uit onvrede met de neoliberale evolutie van de partij. Mélenchon, die socialistisch senator en minister in de regering Jospin was geweest, werd één van de kopstukken van de PdG. Deze partij ging, onder de vlag van Front de Gauche, allianties aan met de Parti Communiste Français (PCF) en andere linkse organisaties, voor de Europese verkiezingen van 2009 en voor de Franse presidentsverkiezingen van 2012. Bij deze laatste was Mélenchon de kandidaat van de PdG, en behaalde in de eerste ronde 11,1% van de stemmen. Een eerbaar resultaat, maar geen doorbraak. Mélenchon en medestanders wilden nieuwe wegen inslaan; onder andere het partnerschap met de PCF werd niet langer als vanzelfsprekend beschouwd; op lokaal vlak gaf de PCF-ook soms de voorkeur aan de PS eerder dan aan de PdG. Zonder overleg richt Mélenchon La France Insoumise op en stelt zich, zoals reeds vermeld, kandidaat voor de presidentsverkiezingen van 2017.   We noemden LFI een politieke formatie, en dat is niet toevallig. Want LFI beschouwt zichzelf niet als een traditionele partij, maar als een ‘beweging’. Terecht of niet, feit is dat ze zich tot op zekere hoogte spiegelt aan het Spaanse Podemos, en net zoals Podemos inspiratie zoekt in de theorieën over het ‘links populisme’ van Chantal Mouffe. Verdere parallellen zijn de grote rol gespeeld door een leidersfiguur, in casu Mélenchon zelf (die door vriend en vijand als een begaafd redenaar en geducht volkstribuun wordt erkend), en de nadruk op het begrip ‘volk’ in het politieke discours; niet toevallig heet het weekblad van LFI L’Heure du Peuple. Er moet wel bij vermeld worden dat le peuple in Frankrijk minder wenkbrauwen doet fronsen dan elders in Europa, want het is nog steeds le peuple français dat de Grote Franse Revolutie heeft gemaakt. Noteer dat de oprichting van La France Insoumise niet het einde betekende van de Parti de Gauche en dat geeft soms wat aparte toestanden. De PdG ‘steunt’ de beweging LFI, leden ervan waren kandidaat op de LFI-lijst bij de parlementsverkiezingen van 2017, en het was via de PdG dat Mélenchon en medestanders optraden in de Partij van Europees Links (PEL), de koepel van een rist radicaal linkse partijen in Europa. Optraden, want als de insoumis er niet voor terugschrikken in Frankrijk een eigen(-zinnige) koers te varen, dan doen ze dat op Europees vlak ook niet. Begin 2018 stelde de PdG voor om SYRIZA uit de PEL te bannen, wegens een nieuwe verscherping van de soberheidspolitiek en een beperking van het stakingsrecht in Griekenland. De PEL wees dit af, waarop de PdG zich uit de PEL terugtrok. Mélenchon begon dan zijn eigen coalitie voor de Europese verkiezingen 2019 uit te bouwen, Maintenant le Peuple ('Nu het Volk‘); zie ook het zesde deel van onze reeks “In de aanloop naar de Europese verkiezingen”. De meningsverschillen binnen links komen nu ook open en bloot tot uiting bij de Europese verkiezingen. Aan de linkerzijde is er naast de lijst van LFI [8,5%] ook een van de PCF [2%] en een van Lutte Ouvrière [1%], de Nouveau Parti Anticapitaliste (NPA) vond geen voldoende financiële middelen om deel te nemen. De gewezen presidentskandidaat voor de PS, Benoît Hamon , komt met een eigen lijst (Génération.s) [3,5%], terwijl de PS zelf een coalitie aanging met Place Publique, een vehikel in de herfst van 2018 gecreëerd door Raphaël Glucksmann (die lijsttrekker wordt), zoon van de 'nouveau philosophe' André Glucksmann [de coalitie zou goed zijn voor 5,5%]. Er is ook een groene lijst (EELV, [8%]) en een lijst vanuit de 'gele hesjes' [3%]. Tussen vierkante haakjes hebben we telkens de score genoteerd volgens een recente peiling van Harris Interactive. Ter vergelijking: Macrons La République en Marche zou 23% halen,  Marine Le Pens Rassemblement National 20%.   Een programma dat oproept voor ‘opstand’ in Europa La France Insoumise trekt naar de Europese verkiezingen met een programma getiteld L’Avenir en commun, en Europe aussi! (‘Een gemeenschappelijke toekomst, ook in Europa!’). De vrij beknopte tekst [efn_note] Het programma kan gedownload worden op https://lafranceinsoumise.fr/app/uploads/2019/02/ProgrammeEurope-A5.pdf [/efn_note] is volgens de vermeldingen op blz. 2 het resultaat van een intensief debat in de beweging in de loop van 2018, en de definitieve versie werd ter stemming voorgelegd. Reeds naar vorm en ‘tonaliteit’ vallen een aantal dingen op. De stijl is soms vrij bevlogen, ik zou zelfs durven zeggen dat hij enige literaire kwaliteiten heeft. Zinnen als “Faisons fleurir l’insoumission en Europe. Osons les jours heureux en Europe aussi” [efn_note]”Laten we de opstand in Europa laten openbloeien. Laat ons het aandurven ook in Europa wat geluk te beproeven.” [/efn_note] geven een bepaalde toon aan, een juiste toon volgens mij, want politieke keuzes maken is ook een kwestie van emotie en verbeelding [efn_note] Ter vergelijking een citaatje uit het Manifest 2019 van de PES, de partij van de Europese sociaal-democraten: “Daarbij moeten de neoliberale en conservatieve modellen uit het verleden achterwege gelaten worden en moet de focus liggen op kwaliteitsvolle banen voor de bevolking, een gezond milieu, sociale zekerheid en een economisch model dat ongelijkheid en de levensduurte aanpakt.”. Is men zeer vooringenomen als men uit dit zoutloos proza afleidt dat de auteurs er zelf weinig van geloven?  [/efn_note]. Dreigen met het niet betalen van de Franse bijdrage aan het Europees budget zolang de Unie een politiek van ongelijkheid bedrijft (blz. 8) klinkt misschien wat grootsprakerig, maar het onderstreept de geest van confrontatie die het hele programma kenschetst. En LFI is zich terecht ook goed bewust van het gewicht dat een consequente linkse Franse regering in de schaal zou kunnen werpen: zonder Frankrijk zou de Europese Unie niet overleven. Hoe die confrontatiepolitiek er zou uitzien werd in het verleden door Mélenchon en medestanders al vaker uiteengezet: de Plan A – Plan B aanpak. Mélenchon was trouwens een opgemerkte deelnemer aan de Plan B bijeenkomst in Kopenhagen 2016, bijeengeroepen door linkse krachten uit heel Europa [efn_note] Zie Ander Europa, Plan B kwam bijeen in Kopenhagen [/efn_note]. Plan A houdt in dat over de Europese verdragen opnieuw onderhandeld wordt om er een leidraad voor sociale en fiscale harmonisatie van te maken met alle nodige maatregelen van herverdeling en solidariteit. Maar men trekt niet ‘ongewapend’ naar de onderhandelingstafel en maakt meteen duidelijk dat een afwijzing van Plan A beantwoord zal worden met een Plan B: breken met het neoliberale Europa, eenzijdige maatregelen nemen, nieuwe samenwerkingsverbanden aangaan met landen die ook een andere richting willen uitgaan. LFI wil vanaf nu dergelijke nieuwe allianties voorbereiden, en situeert in dit kader de oproep Maintenant le peuple! die in april 2018 gelanceerd werd in Lissabon [efn_note] Ander Europa bracht er een Nederlandse vertaling van. Andere ondertekenaars waren Podemos (Spanje), Bloco de Esquerda (Portugal), de Deense Rood-Groene Alliantie (Enhedslisten), de Zweedse Linkspartij (Vänsterpartiet) en de Finse Linkse Alliantie (Vasemmistoliitto). [/efn_note].   De gangbare linkse eisen, met eigen accenten Linkse programma’s over Europese politiek komen op veel punten met elkaar overeen, en moeten dus niet in extenso voorgesteld worden. Een echt klimaatplan, ontwikkeling van de openbare diensten, controle op de financiële instellingen, bestrijding van de fiscale fraude, eerlijke belastingen, sociale politiek, gelijkberechtiging man-vrouw, halt aan de vrijhandelsverdragen als CETA en TTIP, een echte vredespolitiek, breuk met de NAVO, opvang voor migranten en asielzoekers, ... je vindt de meeste van deze eisen onder de een of andere vorm terug in de programma’s van Die Linke, PVDA/PTB, SP en vele andere. Het is daarom interessant te kijken naar de eigen accenten die in een programma naar voorkomen. Op het eerste gezicht lijkt LFI zich te onderscheiden van andere radicaal linkse partijen doordat het zijn strijd voert onder de vlag van het humanisme. In de Inleiding luidt het: “Wij zijn dragers van een humanistisch project om in harmonie te leven met de andere mensen, de natuur en de dieren. We stellen een Europa voor, niet van de concurrentie, maar van de samenwerking gebaseerd op vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid onder de mensen, de Europese naties en de rest van de wereld.” Nergens in het programma is er een verwijzing naar het socialisme, ook de term zelf komt er nergens in voor. Is dat geen specifieke trek van Mélenchons politieke constructie? Het zal misschien verbazen, maar ook in de programma’s van Die Linke of PVDA/PTB ontbreekt die referentie volledig, en iets minder verbazend ook bij Podemos of de Nederlandse SP. Het zou een uitgebreider onderzoek vragen om uit te maken welke partijen zich wel uitdrukkelijk op het socialisme beroepen (en wat daarmee bedoeld wordt), of er verschillen zijn tussen Europese en nationale programma’s, welke motivaties daarachter zitten, enzovoort. We houden het hier bij de vaststelling dat LFI binnen Europees radicaal links geen uitzonderlijke positie inneemt omdat een verwijzing naar de socialistische traditie ontbreekt. Daarentegen is de uitdrukkelijke verdediging van de volkssoevereiniteit wel kenmerkend voor La France Insoumise. Het begrip soevereiniteit heeft een slechte pers, niet in het minst omdat de EU-propaganda een gelijkheidsteken plaatst tussen soevereiniteit en nationalisme; wie niet bereid is “een stukje soevereiniteit af te geven aan Europa” zou thuishoren in de 19e eeuw, en heeft de lessen niet geleerd van de “verschrikkingen van het nationalisme in de 20e eeuw”. Terecht verwijst het programma van LFI naar de gevolgen van het opgeven van de Griekse soevereiniteit ten voordele van de EU, naar de totale miskenning van de Franse (en Nederlandse) afwijzing van de Europese Grondwet (2005) die vermomd als het ‘verdrag van Lissabon’ via de achterdeur terug werd binnengeloodst, naar de systematische inbreuk op soevereine rechten door het opleggen van een neoliberale dwangbuis. Minder duidelijk is wat onder ‘solidair protectionisme’ wordt verstaan, dat als alternatief voor de vrijhandel wordt voorgesteld. Positief is zeker dat dit niet alleen op Frankrijk wordt toegepast; ontwikkelingslanden moeten gesteund worden in hun verdediging van hun economische soevereiniteit, eerlijke handel houdt onder andere in dat de producenten een aanvaardbare prijs ontvangen voor hun producten. En dat bij openbare aanbestedingen de lokale productie prioritair behandeld wordt kan ecologisch verantwoord worden. Maar wat houdt de “bescherming van strategische industrieën (staal, energie, digitalisering, telecom, transport, ruimtevaart, enz.)” precies in ? Is de beste bescherming niet het openbaar bezit van de sleutelsectoren? Het programma spreekt weliswaar over het openbaar beheer (gestion publique) van de energiesector, maar het is niet duidelijk wat daarmee bedoeld wordt. Vermelden we nog twee opmerkelijke ideeën. Het eerste is zeer ambitieus: “de strijd aangaan tegen de monetaire hegemonie van de Verenigde Staten en het geopolitieke gebruik van de dollar”, door het ontwerpen van een wereldreservemunt samen met de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, Indië, China, Zuid-Afrika). Het tweede is de aandacht voor onderzoek en hoger onderwijs, door de verdediging van het recht op gratis toegang tot de universiteiten in Europa, verhoging van de openbare onderzoeksbudgetten, onder andere voor onderzoek rond de grote maatschappelijke thema’s (ecologische transitie, duurzame ontwikkeling…), vrije toegang tot de kennis, o.a. door oprichting van een Europees platform voor het gratis publiceren van wetenschappelijk onderzoek, beheerd door de onderzoekers zelf.   Solidariteit met migranten en asielzoekers Bij Mélenchon’s verkiezingscampagne in 2017 was er nogal wat onduidelijkheid over het migrantenstandpunt [efn_note]Zie Ander Europa, Immigratie in de Franse verkiezingscampagne.  [/efn_note]. Het programma bevatte weliswaar de linkse kritiek op het Fort Europabeleid en kwam op voor de rechten van wie hier zijn toevlucht zoekt, maar tijdens zijn campagne had Mélenchon het vooral over ‘opvang in de eigen regio’ en ‘bestrijding van de oorzaken’ en veel minder over de directe noden zoals ze zich hier stellen. We moeten natuurlijk nog zien hoe de campagne in 2019 verloopt, maar op enkele vraagtekens na (bijvoorbeeld nogal wat nadruk op de ‘voorbereiding op de terugkeer van de vluchtelingen’) sluit het programma van LFI aan bij de kritieken en voorstellen van degenen die zich het lot van deze mensen werkelijk aantrekken. Zo is er verzet tegen de militarisering van de Europese grenscontrole, men roept op tot de vorming van een Europees burgerkorps voor hulp en redding op zee, er moet op Europese schaal opgetreden worden tegen de criminalisering van solidariteit, het Dublin-akkoord moet vervangen worden en er moet een einde komen aan de uitbesteding aan derde landen van de asielprocedure.   Een soms nogal Frans internationalisme Bij de campagne in 2017 wapperden er bij Mélenchon’s optreden opvallend veel Franse tricolores, en misschien werd de Marseillaise er vaker aangeheven dan de Internationale. Of dit een gepaste aanpak is om de ‘republikeinse waarden’ niet te laten monopoliseren door extreemrechts is een discussie op zich. Ook in het Europees programma treft men enkele staaltjes ‘Frans internationalisme’ aan die, op één na, eerder onschuldig zijn en misschien wat doen glimlachen. Zo wordt, zonder enige motivatie, het behoud van de zetel van het Europees Parlement in Straatsburg verdedigd; deze vrij absurde toestand kost jaarlijks meer dan 100 miljoen euro, de CO2-kost niet meegerekend. Ook het gebruik van het Frans in de Europese instellingen moet verdedigd worden ‘contre le tout-anglais’, en het Erasmusprogramma moet uitgebreid worden ‘naar het geheel van de francofone landen, ook buiten Europa’. Er is echter één punt dat niet doet glimlachen. Op blz. 26 leest men: “Nationaal de controle houden over het kernarsenaal [Conserver la maîtrise nationale de l’arme nucléaire] en niet uitbreiden tot het geheel van het Europees territorium, conform het non-proliferatieverdrag over kernwapens.” Dit is onderdeel van §4.3, getiteld “Neen aan het Europa van de oorlog, werken aan de vrede“, en is dus blijkbaar bedoeld als een bijdrage tot een Europese vredespolitiek. Het programma pleit ook voor een herlancering binnen de Verenigde Naties van een proces van kernontwapening. Er is geen enkele uitleg over de wijze waarop een linkse Franse regering haar bezit van het kernwapen zou aanwenden om tot ontwapening te komen. Denkt ze alleen op die manier te kunnen meetellen in het nucleaire gremium? Moet het schrik aanjagen aan wie niet wil ontwapenen? De vraag is eigenlijk te absurd om gesteld te worden. De zaak van de vrede zou mijns inziens veel meer gediend worden door een eenzijdige Franse vernietiging van zijn kernwapens. Als premier Jeremy Corbyn dan hetzelfde deed met de Britse zouden we al een heel stuk opgeschoten zijn!   Conclusie Welke bedenkingen men ook moge hebben bij sommige programmaonderdelen van La France Insoumise, deze formatie zou een belangrijke rol kunnen spelen binnen links in Europa. Een lidstaat als Frankrijk, de ene pool van de ‘Frans-Duitse as’, werpt hoe dan ook heel veel gewicht in de Europese schaal. LFI neemt bovendien binnen Europees links met zijn Plan A – Plan B benadering een strijdbaarder houding aan dan de leidende kringen van GUE/NGL en PEL [efn_note]In het nummer van maart 2019 van Le Monde Diplomatique legt Thomas Guénolé, kandidaat op de Europese lijst van LFI, uit hoe hij de 'ongehoorzaamheid' van een linkse regering ziet.  [/efn_note]. Of rond LFI  binnenkort een leefbare fractie in het Europees Parlement kan gevormd worden is wel niet zo zeker [efn_note] Cfr. Klaus Dräger in het zesde deel van onze reeks “In de aanloop naar de Europese verkiezingen”. [/efn_note] maar hopelijk komt er op een of andere manier toch wat meer strategisch debat binnen de linkse partijen. Als de LFI-verkozenen zich ook nog aan het programmapunt houden dat ze er zullen zijn “om het grote publiek te informeren en de strijd in Frankrijk en Europa te begeleiden” zouden we misschien een stapje vooruit zijn, want op dat vlak zijn de prestaties van de linkse fractie tot nog toe nogal bedroevend.      

Top EU-China werd “succes”

13/04/2019 - 18:54

door Frank Slegers 13 april 2019   Driehoeksverhoudingen doen het goed in stationsromannetjes, maar ook in de wereldpolitiek. Dat blijkt na de recente topontmoeting tussen de EU en China, met op de achtergrond de Amerikaanse president Donald Trump als de jaloerse derde. Het stond niet op voorhand vast dat de top een succes zou worden. In de aanloop had de EU China nog uitgeroepen tot ‘systemisch rivaal’. China zou het spel niet eerlijk spelen: buitenlandse bedrijven krijgen geen toegang tot Chinese overheidsprojecten, technologie wordt gejat, streekproducten worden nagemaakt. China dreigt wereldwijd doorslaggevende productketens te gaan overheersen. Het controleert al de wereldmarkt voor zonnepanelen, en is de grootste autoproducent. Vandaag staat de productie van vliegtuigen voor de commerciële luchtvaart nog in het teken van de tweestrijd tussen Boeing en Airbus, oftewel de VS en de EU. Maar men schat dat China in de komende twintig jaar 7.690 nieuwe vliegtuigen nodig heeft, ter waarde van 1200 miljard dollar (veel geld). Die wil China zelf gaan maken. De Franse president Emmanuel Macron wist het bezoek van de Chinese president Xi Jinping nog op te luisteren met de verkoop van 300 vliegtuigen van Airbus, maar lang zal die vlieger niet meer opgaan. Een symbolisch moment was de opkoop door een Chinees bedrijf van de Duitse specialist in robotica Kuka. De EU wil zich tegenover China nu minder “naïef” opstellen, om Macron te citeren.   Gemeenschappelijke verklaring Toch werd de top met China een succes, en afgesloten met een gemeenschappelijke verklaring. Die komt er op neer dat de EU en China zeggen samen te willen ijveren voor een open wereldhandel, gebaseerd op regels, onder de hoede van de Wereld Handels Organisatie (WHO). Beide hebben daar belang bij. De VS, nog steeds de dominerende wereldmacht, is zinnens haar tanende positie te beschermen, als het moet bij middel van brute machtspolitiek. De VS kunnen dat, omdat zij de sterkste zijn. Als zwakkere spelers hebben de EU en China belang bij regels die zorgen voor een gelijk speelveld. Zij verzetten zich daarom tegen eenzijdig opgelegde handelstarieven buiten de WHO om, en willen de WHO opwaarderen. De EU zet tegen China daarom liever ‘legale’ wapens in, zoals de eis van wederkerigheid bij openbare aanbestedingen. De EU heeft een samenhangend verhaal ontwikkeld: het belang van regels die gelden voor iedereen. Binnen de EU ondersteunt dit verhaal dat de politieke democratie moet wijken voor de regels van de vrije markt, vastgelegd in de Verdragen, en naar buiten het pleidooi voor wereldwijde vrijhandel, zoals vastgelegd in de regels van de WHO, niet verstoord door brute machtspolitiek, . Het Chinese verhaal vertoont minder samenhang, tot spijt van neoliberale dagdromers die gehoopt hadden dat in China de economische groei zou leiden tot het terugdringen van de staat. Maar China weet dat het ondanks de economische successen technologisch kwetsbaar blijft, zoals het ervaren heeft toen ZTE onder Amerikaans vuur kwam te liggen en bijna kopje onder ging. Daarom heeft ook China niets te winnen bij handelsoorlogen. De situatie is anders dan ten tijde van de koude oorlog, toen West-Europa en de VS tegenover de Sovjetunie hecht verenigd waren in het Atlantisch bondgenootschap. Weliswaar probeert de NATO de geschiedenis te herhalen door van China de nieuwe gemeenschappelijke vijand te maken, maar dat lijkt toch niet echt te lukken. De Chinese premier Li Keqiang merkte tijdens zijn bezoek op dat China aan de kant van de EU staat inzake het klimaatakkoord en Iran. De Amerikaanse president Donald Trump is er nog niet in geslaagd de Chinese G5-reus Huawei wereldwijd in de ban te doen.   EU inwendig verdeeld? De Europese Unie heeft het overigens moeilijk tegenover China een gemeenschappelijk front te vormen. Daarin spelen verschillende factoren. Een aantal lidstaten vinden het fijn afzonderlijk met China zaken te doen. Zo kan Italië het geld van de Chinese Zijderoute-strategie goed gebruiken, en hielden enkele lidstaten uit Midden- en Oost-Europa enkele dagen na de EU-China-top een aparte ontmoeting met China in de zogenaamde 16+1-top, waar ook niet EU-lidstaten uit de regio aan deelnamen (en een volgende keer misschien ook wel Griekenland). Ook Frankrijk en Duitsland spreken met gespleten tong, geïnteresseerd als ze zijn via investeringen mee te springen op de Chinese trein. De EU is de belangrijkste handelspartner van China, en China de op een na belangrijkste handelspartner van de EU. Sommige lidstaten, vooral de noordelijke, zijn dan weer om andere redenen niet uit op een al te offensieve aanpak van China: de Chinese producten zijn welkom, want goedkoop, en dat is goed voor de koopkracht in Europa en het kostenplaatje van in Europa producerende bedrijven. Protectionisme maakt alles maar duurder, zeggen ze. En tenslotte is er het bedrijfsleven zelf: bedrijven in Europa zijn al in Chinese handen (het Chinese Cosco heeft bijvoorbeeld 35% in handen van de Euromax-terminal in de Rotterdamse haven), of Europese bedrijven hebben belangen in China (ING wordt allicht de eerste buitenlandse bank met een meerderheidsbelang in een Chinese bank). Dus als Mark Rutte telefoneert met Li Keqiang spelen in zijn achterhoofd tegenstrijdige belangen. Ook bredere verschuivingen en globale risico’s spelen in de debatten een rol. China staat voor 25% van de mondiale industriële productie. Dat brengt voor veel bedrijven een ongemakkelijke afhankelijkheid met zich mee, die des te vervelender wordt in een onstabiele context. Multinationale bedrijven gaan hun productie daarom spreiden. Ook stijgen de loonkosten in China gestaag. Met Amerikaanse of Europees patriottisme hebben deze verschuivingen van productieketens echter niet veel te maken. Op de achtergrond speelt ook de wereldwijde recessie die in de lucht lijkt te hangen. Misschien heeft dit geholpen om van de Europees-Chinese top een succes te maken, en zal het ook Donald Trump aanzetten alsnog een deal te sluiten met China. Als je een diepe recessie wil vermijden is het wel zo slim geen zand in de Chinese motor te strooien. Vast staat dat de Europese leiders de ‘systemische rivaal’ China en de ‘onberekenbare’ Trump zullen inzetten om de Europese volkeren op te roepen in de EU blok te vormen. De sociaaldemocratische premier van Spanje Sanchez riep bijvoorbeeld recent op Europa te beschermen, opdat Europa de burgers in Europa zou kunnen beschermen. Dit laatste doet Europa nu echter net niet. De Europese burger heeft er dus misschien toch belang bij de mondiale driehoeksverhouding niet door de bril van de Europese elite te lezen.

Het Europees programma van de PVDA/PTB

10/04/2019 - 18:27

door Herman Michiel 10 april 2019   Wie het verkiezingsprogramma 2019 van de Belgische radicaal linkse PVDA (PTB in Franstalig België) doorneemt zal misschien verbaasd zijn over de zeer assertieve toon die de kleine partij aanslaat: We versterken openbare diensten in plaats van ze te ontmantelen”, “We installeren het principe van de Europese ongehoorzaamheid”, “We delen de riante lonen van Europese commissarissen en parlementsleden door twee”, enzovoort. Is dat geen grootspraak voor een partij die nog haar eerste europarlementslid moet verkozen zien? Het lijdt weinig twijfel dat de PVDA in de komende vijf jaar zo goed als niets van haar Europees programma zal kunnen realiseren. Dat perspectief verandert niet als men het in het ruimer kader van radicaal links in Europa ziet: de partijen van de linkse fractie in het Europees Parlement (GUE/NGL, met 51 zetels), waarvan velen lid zijn van de Partij van Europees Links (PEL). Ook samen, eventueel gesteund door andere krachten, zullen deze partijen de koers van de neoliberale Europese Unie weinig of niet kunnen beïnvloeden. Wie uit is op grote linkse overwinningen op korte termijn zal onvermijdelijk teleurgesteld worden. Dat is – gelukkig voor ons – voor emancipatiebewegingen door de eeuwen heen nooit een beletsel geweest om de strijd te voeren. En in dat perspectief is het wel degelijk van belang met welke voorstellen, eisen en plannen een partij die strijd aangaat, ook al ligt de realisatie ervan in een niet nader te bepalen toekomst, ook al klinken ze ‘grootsprakerig’. Het programma, Een Europa van de mensen, niet van de multinationals vindt men terug op de site van de partij. Natuurlijk volstaat een programma niet, en moet een partij ook in de praktijk bewijzen in de geest van dat programma te handelen. Die ‘Europese praktijktoets’ kunnen we nog niet afnemen van de PVDA. Toch verlenen het dynamische optreden en de consequente oppositie van haar twee verkozenen in het Belgisch federaal parlement (Raoul Hedebouw en Marco Van Hees, verkozen in 2014) en van de zes andere leden van de Brusselse en Waalse deelparlementen geloofwaardigheid aan de belofte (pag. 5): “Een PVDA-europarlementslid zal een strijdparlementslid zijn. Gekozen om jou te informeren.Een dissonant programma in het Belgisch politiek landschap Het is vaak moeilijk om grote verschillen te vinden tussen de Europese (en andere) programma’s van de traditionele politieke families. Groenen hechten weliswaar meer belang aan maatregelen tegen klimaatverandering en milieuverloedering, maar trekken niet de nodige conclusies uit de neoliberale aard van het EU-project om een geloofwaardig alternatief te bieden (“Dankzij Europa kennen we een nooit geziene vrede, stabiliteit en welvaart”, titelt Groen op zijn site. Het Nederlandse Groenlinks stelt het nog wat hipper voor: “De Europese Unie is onmisbaar. Een gebied van vrede en veiligheid waar mensen vrij kunnen reizen. Waar mensen kunnen werken, ondernemen en leren zonder grenzen. Je kunt op vakantie naar Spanje zonder geld te wisselen of je paspoort te laten zien, of zonder moeite een semester studeren in Berlijn. Europa is ons thuis.”). Wat sociaaldemocraten betreft, daar is de vereenzelviging met de European powers that be nog veel uitgesprokener. De tweede kandidaat op de Europese lijst van de sp.a (Jan Cornillie) sprak zich onlangs nog uit voor een vastlegging van het Belgisch EU-lidmaatschap in de grondwet om toch maar zeker te zijn dat de Belgen toch maar nooit de Britse toer opgaan...  En men moet zich maar de vele diensten voor de geest halen die prominente sociaaldemocraten als Dijsselbloem, Timmermans, Moscovici, Schulz en zovele anderen de voorbije legislatuur bewezen hebben aan de neoliberale EU om niet onder de indruk te geraken van hun riedeltje over een ‘sociaal Europa’. Het probleem van “waarin verschillen die nu van de anderen?” heb je niet bij de PVDA. Vanaf de eerste zinnen van hun programma wordt klare wijn geschonken: “De Europese Unie is gebaseerd op concurrentie en ongelijkheid. Een autoritair project waarbij bezuinigingen, liberalisering en de vernietiging van openbare diensten worden opgelegd, ook als de mensen ze verwerpen, zoals in Griekenland in 2015.” (pag. 5). En “Om ons sociaal en ecologisch investeringsplan te verwezenlijken, bevrijden we ons van de autoritaire begrotingsregels van de Europese Unie in het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur (VSCB), het Verdrag van Lissabon en het Stabiliteitspact.” (pag. 7). Je moet je ook niet afvragen of de PVDA meegaat in het toenemend militair denken van de centrumpartijen: “We halen Europa uit de Navo en de Navo uit Europa. We ontbinden offensieve militaire structuren zoals het EU-Defensieagentschap, de Europese Defensie Unie, de Permanente Gestructureerde Samenwerking (PESCO) en de EU-gevechtsgroepen. Wij zijn tegen de oprichting van een Europees leger.” (pag. 65) Het lijdt dus geen enkele twijfel dat de PVDA, zoals ze zelf schrijft, “de fundamenten van de Europese Unie in vraag stelt” [efn_note] Deze stellingname wordt door Francine Mestrum op een ‘helaas’ onthaald, wat logisch is, gezien haar fundamenteel vertrouwen in de Europese Unie. [/efn_note]. Het lijdt echter evenmin twijfel dat de PVDA de noodzaak inziet van een Europese dimensie van een links programma. Zo wordt terecht aandacht besteed aan het naar elkaar toe evolueren van de verschillende economieën in Europa en het dichten van de grote verschillen (economische convergentie), wat natuurlijk direct ingaat tegen de huidige hiërarchie tussen kern-Europa en periferie. Ook aan het klimaatbeleid wordt een hoofdstuk gewijd, waarin o.a. pleidooien voor de oprichting van een ‘Toekomstfonds’ voor duurzame en sociale transitie, de beëindiging van kernenergie en van het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Opvallend is de expliciete promotie door de PVDA van het gebruik van waterstof als systeem voor energieopslag. Uit wat hoger reeds vermeld werd is ook duidelijk dat de PVDA voor een totaal ander buitenlandbeleid opkomt, gericht op vrede en ontwapening, door uitstap uit de NAVO, het bannen van kernwapens, verzet tegen de Israëlische kolonisatie van Palestina, en – wat weinigen ter harte hebben genomen niettegenstaande het grote belang en het schandalige verzet van de EU ertegen ­ een bindend VN-Verdrag over Bedrijven en Mensenrechten [efn_note] Zie Ander Europa, Mensen beschermen tegen multinationals? Of multinationals tegen mensen ?? [/efn_note], waardoor staten, vooral ontwikkelingslanden, een zeker juridisch verweer hebben tegen de schending van hun belangen door multinationals. (pag. 72) Dit alles kan kort en bondig samengevat worden in de stelling die ook hier op Ander Europa al herhaald werd verdedigd: we zijn voor Europa, maar tegen dit Europa, tegen het Europa zoals de EU het doordrukt. Het lijkt een vanzelfsprekendheid, maar het is een standpunt dat binnen het Belgische politieke spectrum alleen door PVDA/PTB verdedigd wordt. In België maakt dit het stemmen eigenlijk gemakkelijk voor wie zich niet kan neerleggen bij de huidige Europese Unie. Witte vlekken in het programma Heel wat standpunten komen glashelder uit het programma, maar er wordt niet of weinig ingegaan op een aantal toch niet onbelangrijke kwesties, waarover momenteel nochtans heel wat gedebatteerd wordt binnen links Europa. Men moet van een verkiezingsprogramma natuurlijk geen volledigheid verwachten, en het is niet de plaats om er tactische kwesties of intern nog niet uitgeklaarde vragen in de openbaarheid te gooien. Maar vroeg of laat komen belangrijke kwesties toch bovendrijven, en zullen kiezers en politieke militanten een antwoord verwachten. Een eerste vraag is met welke andere Europese partijen en bewegingen PVDA/PTB zich het meest politiek verwant voelt en er preferentieel wil mee samenwerken. In het zesde deel van onze reeks “In de aanloop naar de Europese verkiezingen” werden in de Europese context drie ‘blokken van linksen’onderscheiden.  Naast Varoufakis’ DiEM25 (dat door zijn naïef geloof in de hervormbaarheid van de EU geen echte optie is voor de PVDA) is er nog:
  • de traditionele kern van de Partij van Europees Links (PEL), nu geleid door Gregor Gysi (uit de reformistische vleugel van Die Linke) en voorheen door de Franse communist Pierre Laurent. Ook na de instemming van Tsipras met een nieuw Trojka-memorandum blijft deze stroming achter Syriza staan. Als antwoord op de vooruitgang van uiterst rechts wil men een zeer brede coalitie met sociaaldemocraten en groenen. Ook de fractieleider van radicaal links in het Europees Parlement (Gabi Zimmer) behoort tot deze stroming.
  • een coalitie rond Mélenchon die Syriza wou uitsluiten uit de PEL, en na de weigering zelf uit de PEL stapte. Mélenchons France Insoumise vond daarbij steun van het Portugese Bloco, het Spaanse Podemos en een aantal Scandinavische partijen. In deze kringen is een uitstap uit de euro ook veel minder taboe dan bij de PEL-leiding.
Zodra de PVDA een verkozene heeft zal deze keuze zich opdringen. Welke richting lijkt het uit te gaan? Enerzijds verscheen Pierre Laurent meermaals op evenementen georganiseerd door de PVDA/PTB, en de standpunten ingenomen door hun medewerker in het Europees Parlement Marc Botenga (zie onze bespreking van zijn artikel in Lava) lijken meer de orthodoxe PEL- richting uit te gaan. Anderzijds is de (terechte) argwaan van de PVDA tegenover ‘brede coalities’ en haar fundamenteel verzet tegen de Europese soberheidspolitiek een stuk kritischer dan de PEL.  Wie zijn hoop stelt in Europees radicaal links zal met belangstelling uitkijken naar de keuzes die de PVDA dienaangaande maakt. Ook voor Nederlanders kan dit interessant zijn, want de SP interesseert zich nauwelijks voor een debat dat de Hollandse grens overschrijdt. Een tweede ‘witte vlek’ in het PVDA-programma sluit aan bij het vorige: wat denkt de partij nu eigenlijk over de euro? Kan het monetair beleid op termijn in progressieve zin hervormd worden, of stelt ze ook hier de fundamenten in vraag? Wat moet een linkse regering doen die in een situatie terecht komt zoals de Griekse in 2015? Men moet geen extremist zijn om de Europese monetaire architectuur als onwerkbaar af te wijzen, een Amerikaanse sociaaldemocraat zoals Joseph Stiglitz doet dit met nogal wat kennis van zaken... In het Europees PVDA-programma komt de Europese Centrale Bank (ECB) een paar keer ter sprake, maar van een globale appreciatie is er geen sprake. Zo zou de ECB een rol kunnen spelen in het reeds vernoemde Toekomstfonds, en de PVDA ziet daar een mogelijkheid tot controle door het Europees Parlement. Maar over welke omwentelingen er in Duitsland moeten plaatsvinden opdat iets dergelijks mogelijk zou worden wordt niet gerept. Wat denkt de partij over de onhoudbaarheid van een unitair geldbeleid in een muntzone bestaande uit zeer heterogene economieën? Toegegeven, het zijn niet de vragen waar de modale kiezer zich voor interesseert, maar de kwestie kan vlugger terug op de proppen komen dan men misschien denkt. Een derde belangrijke kwestie betreft migratie. Laat er geen twijfel over bestaan: de PVDA heeft (in tegenstelling tot de Nederlandse SP) altijd haar volle solidariteit betuigd, in woord en in daad, met migranten, of het nu oorlogsvluchtelingen zijn of ‘economische vluchtelingen’. Verschillende van hun militanten spelen een belangrijke rol in de verdediging van mensen die inhumaan behandeld worden door een Belgische regering die zich in deze weinig onderscheidt van uiterst rechts. Geen wonder dus dat het laatste hoofdstuk van het Europees verkiezingsprogramma over het vluchtelingenprobleem handelt, en dat daar heel wat behartigenswaardige dingen worden gezegd. Toch blijf je op je honger zitten op een aantal belangrijke punten. De titel van het hoofdstuk laat al een rode lamp knipperen: “De oorzaken van vlucht een aanpakken”. Dat is voor politici van allerlei slag het zinnetje geworden waarmee men zich afkeert van de werkelijke problemen van vandaag. In die zin klopt het niet als de programmaschrijvers beweren dat ze een taboe doorbreken door het over die vluchtoorzaken te hebben. Integendeel, iedereen heeft het over vrede, stabiliteit en economische ontwikkeling als voorwaarde om te verhinderen dat mensen moeten vluchten. Hoe consequent men dan is in het bestrijden van die vluchtoorzaken is iets anders, maar eerder dan een ‘taboe’ is het een morele vluchtheuvel om zijn rug te keren naar de problemen zoals die zich hic et nunc stellen. Natuurlijk zijn we tegen het Westers militair optreden, natuurlijk zijn we tegen EU-handelsverdragen die Afrikaanse lokale economieën kapotmaken, natuurlijk moet onze ontwikkelingshulp verhogen en niet onze eigen bedrijven verrijken. Maar zelfs al zou dit vanaf morgenochtend het geval zijn zal migratie niet als bij toverslag ophouden; volgens heel wat deskundigen zal migratie zelfs toenemen als het in de vluchtlanden economisch iets beter gaat. Wat voorts opvalt in het PVDA migratiestandpunt is dat men het eigenlijk alleen heeft over asielzoekers. Mensen dus op de vlucht voor geweld, vervolging of oorlog die beroep willen doen op het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties om hier opgevangen te worden. Het is juist dat de meerderheid van wie in Europa aankwam in 2015-2016 onder deze categorie viel (afkomstig uit Syrië, Irak, Afghanistan). Natuurlijk moet dit asielrecht met hand en tand verdedigd worden, tegen alle administratieve en andere manoeuvres van onze rechtse regeringen in. Het programma zou trouwens best, samen met diverse vluchtelingenorganisaties, pleiten voor de actualisering van het zeventigjarige Verdrag, o.a. omwille van het nieuwe fenomeen van de ‘klimaatvluchtelingen’. Maar deze strijd is in principe ‘eenvoudig’, want hij gaat over de verdediging van een bestaand recht, over een verdrag dat door onze regeringen wordt erkend. Maar de meeste migranten afkomstig uit Afrika, onder andere degenen die de gevaarlijke oversteek vanuit Libie maken, zijn geen ‘asielzoekers’ in de technische betekenis. Ze worden meestal omschreven als ‘economische migranten’, die al vlug als ‘valse vluchtelingen’ en zelfs ‘bedriegers’ worden bestempeld. Vooral zij zijn het die, al dan niet met kinderen, in gesloten centra belanden, die onder dwang en zelfs met geweld worden uitgezet (ongeveer 200.000 per jaar over de hele Unie), of in het beste geval een ondergronds bestaan leiden en op een schandalige manier worden uitgebuit door ondernemers. Vanuit het standpunt van een marxistische partij gaat het over mensen die moeten leven van de verkoop van hun arbeidskracht, een categorie waaraan marxisten meestal veel aandacht besteden. Maar over dit probleem vind ik niets terug in het PVDA-programma. De partij “verzet zich tegen de voortdurende versterking en militarisering van de Europese Grens- en Kustwacht (Frontex)”; goed, maar waarom niet zoals Die Linke eisen dat Frontex ontbonden wordt en door een Europees zeereddingsinitiatief vervangen? Waarom geen woord over de criminalisering door overheden van reddingsinitiatieven door burgers? Op dit vlak gaat Die Linke toch een heel stuk verder waar ze in het ontwerp van haar Europees verkiezingsprogramma schrijft: “Wij doen niet mee aan het valse onderscheid tussen ‘echte en valse’, politieke en economische vluchtelingen. Niemand vlucht vrijwillig “ Toegegeven, het is een moeilijke aangelegenheid met implicaties voor de arbeidsmarkt, soms met xenofobe reacties vanuit de arbeidersklasse zelf, en daardoor binnen radicaal links zelf zonder eenvormig antwoord (getuige daarvan sommige ontluisterende uitspraken van kopstukken van de Nederlandse SP). Maar is het niet precies bij dergelijke heikele kwesties, gretig geëxploiteerd door extreemrechts, dat men van linksradicalen meer duidelijkheid verwacht?   En op 26 mei ... Of de PVDA op 26 mei een Europees verkozene kan in de wacht slepen valt af te wachten, maar zoals we in dit artikel aangaven hebben linkse Belgen eigenlijk weinig keus. De PVDA/PTB is een kleine partij, maar de enige in het hele Belgische politieke landschap die de Europese verzuchtingen van links met enige consequentie verdedigt. Ondanks alle voorbehoud dat men over deze partij kan hebben is het de boodschap die men best onthoudt tot in het stemhokje. De lijst van hun Europese kandidaten voor Vlaanderen vindt men hier, en voor Franstalig België hier.    

Kan de EU democratischer worden?

10/04/2019 - 17:21

door Gerrit Zeilemaker 10 april 2019   Talloze verkiezingsprogramma’s roepen op tot het democratiseren van de EU. Het gaat dan vooral om de gemankeerde beslissingsbevoegdheid van het Europese Parlement. Zo stellen de Europese verkiezingsprogramma’s van de Nederlandse partijen D’66, PvdA, Groenlinks en SP dat de Europese Unie democratischer moet worden [efn_note]Standpunt d66, Groenlinks, PvdA, SP  [/efn_note]. De VVD ziet geen democratisch tekort [efn_note] Zie hun programma  [/efn_note] en het CDA wil slechts dat de Raad van Europa haar documenten eerder naar nationale parlementen stuurt, dat verhoogt de transparantie. [efn_note] Zie CDA  [/efn_note]. De Christen-Unie ‘geeft vooral geloof een stem’, maar ziet ‘geen grotere rol voor het Europese parlement.’ [efn_note] Zie Christen-Unie [/efn_note] Slechts zelden wordt de vraag gesteld waaróm de EU niet of onvoldoende democratisch is. Is de institutionele, bureaucratische  inrichting van de EU misschien niet juist bedoeld om de democratie, zeggenschap van de bevolking, van het beleid uit te sluiten? En is de drang tot verdergaande centralisering en federalisering wel verenigbaar met een levensvatbare democratie? Om deze vragen te beantwoorden wil ik wat dieper ingaan op de historische en ideologische wortels van de neoliberale inrichting van de EU-instituties en of er sprake is van bewuste isolering van deze instituties van democratische inmenging. Hoewel uit verschillende soorten of vormen van (neo-)liberalisme geput is, is het vooral het Duitse ordoliberalisme dat de Europese instituties vorm gegeven heeft. Ordoliberalisme als inspiratie Ordoliberalisme ontstond in Duitsland in de jaren '20 - '30 van de vorige eeuw rond het blad ORDO als reactie op heftige politieke strijd tijdens de Republiek van Weimar Deze republiek ontstond na de Eerste Wereldoorlog en eindigde met het aan de macht komen van Hitler. De Republiek van Weimar kampte met ongekende economische problemen, zoals herstelbetalingen voor de oorlog, de economische crisis van 1929 met zijn inflatie en werkloosheid. In een artikel van één van de oprichters van ORDO, de econoom Rüstow, [efn_note] Grondleggers van het Duitse variant van het neoliberalisme, het ordoliberalisme, zijn onder andere Franz Böhm, Walter Eucken, Alfred Müller-Armack en Wilhelm Rüpke en de latere minster van Economie Ludwig Erhard.[/efn_note] dat als oprichtingsmanifest werd beschouwd, ‘Belangenpolitiek of Staatspolitiek’, staan strijdlustige afrekeningen met de  ‘Weimar systeem partijen’ en het gehate ‘pluralisme’. Het dieper liggende ressentiment tegen het parlementarisme van Weimar, de roep naar autoriteit en leiderschap en het verlangen naar een sterke staat die boven de partijen staat, doordrenken de eerste artikelen in ORDO. Voor het klassieke liberalisme had Rüstow slechts verachting: ‘steentijdliberalisme’. Het gaat de ordoliberalen om het zoeken naar stabiliteits- en eenheidszoekende krachten, die uit de ‘groepsanarchie’ van Weimar (Eucken), de chaos van de inflatietijd en de politieke volatiliteit moesten leiden. Vanaf 1938 keerden de ordoliberalen zich af van de naziregime en gingen zich bezig houden met plannen voor de naoorlogse economie. Het is dus een naoorlogse mythe dat de ordoliberalen vanaf het begin principieel vanuit een liberale overtuiging de nazi’s gereserveerd tot vijandig bejegend zouden hebben. [efn_note] https://www.researchgate.net/publication/241035705_Ordoliberalismus_als_okonomische_Ordnungstheologie [/efn_note]. In tegenstelling tot neoliberalen als Hayek en Friedman waarvan de politieke invloed tot de jaren 80 marginaal was en die moesten wachten op het falen van het Keynesiaanse New Deal kapitalisme wisten de ordoliberalen al na de oorlog in West-Duitsland het Ministerie van Economie met Ludwig Erhard als minister over te nemen. Protestantse wortels van het ordoliberalisme De kritiek van de ordoliberalen richtte zich steeds meer op de zich sterk uitbreidende welvaartstaat van Weimar waarin vooral katholieke en socialistische partijen en vakbonden een rol kregen. De protestantse sociale hervormers stonden daardoor buiten spel en begonnen van de weeromstuit een kritiek op de welvaartsstaat te ontwikkelen, waarbij de ordoliberalen een belangrijke rol speelden. Sociale hervorming gaat dan bij de ordoliberalen gepaard met politiek-economische ordeningspolitiek volgens het veel herhaalde beginsel: ‘een succesvolle economische- en productiepolitiek is de beste sociale politiek’. De plannen voor de naoorlogse economische ordening, het ordoliberale ordeningsontwerp is volgens de politicoloog Philip Manow alleen als poging tot formulering van een evangelische economie-ethiek te begrijpen. Hij noemde het merendeel van de ordoliberalen religieus, diep gelovige protestantse christenen [efn_note] Ze publiceerden onder titels als: Staatsgedanke und Reich Gottes (staatsidee en het rijk Gods), Freie Wirtschaft – starker Staat (vrije economie – sterke staat), Religion und Wirtschaft (religie en economie)[/efn_note].  Het ging hun om ‘een christelijk gefundeerde leer van economische- en maatschappelijke ordening’. De centrale vraag voor Franz Böhm was in hoeverre een economische ordening het ‘de rechtvaardigen toestaat rechtvaardig te zijn en het de zondaren moeilijk maakt in zonde te leven.’ En bij Walter Eucken ging het erom ‘een vrije, natuurlijke, godgewilde ordening te realiseren’. Het ordoliberale ontwerp gaat er vanuit dat mensen niet goed genoeg zijn om het samengaan van politieke en economische macht juist te gebruiken of om zich in een volledige vrije economie van uitbuiting te onthouden, maar zijn ook weer niet zo slecht dat men ze aan de tirannie van de staat of private macht moet onderwerpen. Als middenweg bieden de ordoliberalen de disciplinering door de staat van de economische subjecten aan. Hoop wordt gevestigd op mechanismen van coördinatie en controle zoals in het prijsmechanisme of in gerechtelijke procedures die immuun zijn tegen discretionair handelen, tegen manipulatief politiek handelen. De ordoliberalen zijn bijgevolg niet sceptisch tegenover de staat, maar sceptisch tegenover de mens. Het gaat om een argeloosheid ten opzichte van dwingende structuren van de staat die voor ordoliberalen kenmerkend is. De consequentie is daarom volgens de ordoliberalen een pleidooi voor een met vergaande interventierechten uitgeruste staat die zelf onafhankelijk is van ongeacht welke politieke of maatschappelijke behoefte ook. “De staat moet op autoriteit gevestigd zijn en niet op meerderheid” en moet een zowel ethische als opvoedende taak hebben als zedelijke superieure instantie en moreel instituut. De markt onder toezicht van de staat is voor de ordoliberalen een disciplinerend coördinatiemiddel dat beroeps- en arbeidsascese voortbrengt; en het prijsmechanisme is niet een middel tot efficiënte allocatie, maar een disciplineringinstrument voor wilszwakke economische deelnemers. Het gaat er hier om de heerschappij van de mens over de mensen te minimaliseren. De concurrentie als ‘geniaal ontkrachtingsinstrument’. Eigenlijk propageren de ordoliberalen een derde weg tussen collectivisme en anarchie, gebaseerd op een theologisch concept van een mens in duidelijke afgrenzing van het geatomiseerde individu en de collectieve mens. Daarom vermijden ordoliberalen het om van individuele rechten te spreken. Volgens Manow is dit mensconcept theologisch, ook al zegt Rüstow: “Wij neoliberalen hebben (...) helemaal geen eigen theologie.” [efn_note]https://www.researchgate.net/publication/241035705_Ordoliberalismus_als_okonomische_Ordnungstheologie [/efn_note]. De ordoliberalen vermeden nauwgezet het emotioneel beladen begrip 'kapitalisme' en vervingen het door ‘sociale markteconomie’. Voor Erhard, na de oorlog minister van economische zaken onder Adenauer, betekende het ‘dat de markteconomie als zodanig sociaal is’ in tegenstelling tot de veronderstelling dat ‘het sociaal moet worden’. Hij legde dan ook de nadruk op de middelste term in ‘sociale markteconomie’, maar werd gedwongen om meer aandacht aan het sociale te besteden als gevolg van  een reusachtige stakingsgolf begin jaren vijftig die nationalisatie van de grootindustrie eiste. De sociale markteconomie van de ordoliberalen gaf een neoliberale benadering, maar bood ook een compromis dat aanvaardbaar was voor de sociaaldemocratie [efn_note] EU Law and the Ordoliberal Agenda, German Law Journal [/efn_note]. De institutionele inrichting van het neoliberale kapitalisme Het hedendaagse neoliberale kapitalisme heeft op verschillende niveaus instituties ontworpen die bewust bedoeld zijn om democratische invloed te voorkomen en politiek-economische beslissingen uit handen van natiestaten en hun bevolkingen te nemen. Ze heeft hiermee haar uitbuitingsmechanismen abstracter en ondoorzichtiger weten te maken. Op internationaal niveau zijn dat organisaties als het IMF en de Wereldbank. Hier heerst de ‘Washington consensus’ waar alle natiestaten behalve de Verenigde Staten zich aan te onderwerpen hebben. ‘Global governance komt in de plaats van nationale regeringen’. [efn_note] Zie Wolfgang Streeck.  [/efn_note] Op Europees niveau zijn vier politieke instellingen die de politiek die vooral de neoliberaal-kapitalistische Europese markt beheren, onderhouden en beschermen. Het ordoliberale model is hier tot in de puntjes doorgevoerd.
  1. De Europese Raad bestaat uit de hoofden van de nationale regeringen en wordt geflankeerd door de Raad van Ministers (Raad van de EU in verschillende samenstellingen, , o.a. van financiën en buitenlandse zaken.)  De Ministerraad is zowel wetgevende als uitvoerende macht, een typisch kenmerk van een autoritair regime. De Raad onderhandelt met regeringen in het geheim zonder nationale parlementen en een beslissing is vrijwel niet terug te draaien. Vervolgens kunnen regeringsleiders in hun nationale parlementen naar Europa verwijzen en hun handen in onschuld wassen.De zogeheten Eurogroep van de ministers van Financiën van de lidstaten van de Europese Monetaire Unie (EMU) is zelfs een groep zonder formele status. Dit werd duidelijk toen de toenmalige voorzitter Jeroen Dijsselbloem de toenmalige Griekse minister Yanis Varoufakis van deelname van de groep uitsloot. De redenering van Dijsselbloem was dat omdat de groep geen formele status heeft, uitsluiting van de recalcitrante Griekse minister mogelijk was. De unanimiteit in de groep was hiermee hersteld. Een rare combinatie van een op regels gebaseerde ordoliberale structuur met schimmige instituties die boven de regels blijken te staan [efn_note] https://www.researchgate.net/publication/291575890_The_Euro_Is_Irreversible_Or_is_it_On_OMT_Austerity_and_the_Threat_of_Grexit [/efn_note]
  1. De Europese Commissie ziet zichzelf als de uitvoerende tak van de EU belast met de uitvoering van besluiten van de Raad en toezicht op de naleving van de verdragen door de lidstaten. Hoewel de Commissie ondergeschikt is aan de Raad is haar invloed en speelruimte groot. In de Commissie is het systeem van de voorzitter, Juncker, ‘zeer autoritair en gesloten’ en voert zijn kabinetschef, Selmayr, ‘een verstikkende controle’ en ‘bemoeit zich met elk belangrijk dossier’. De eerste vicevoorzitter van de Europese commissie, Timmermans, werd ‘een spons voor Junckers’ moeilijkheden’. Zo werd Timmermans belast met het uitonderhandelen van de EU-Turkije-deal als wegbereider voor Angela Merkel. [efn_note] Zie https://www.groene.nl/artikel/een-verhaal-we-hebben-frans . Timmermans is bij de Europese verkiezingen ‘Spitzenkandidat’ voor de Europese sociaaldemocraten [/efn_note].Berucht zijn de 'memoranda' van de Commissie in samenwerking met de ECB en het IMF,  de zogenaamde Troika. Deze eisen in ruil voor financiële hulp [efn_note] Deze financiële hulp was zoals bekend bedoeld om Duitse en Franse banken te redden. Nog geen vijf procent van de hulp is in Griekenland beland. De rest van de hulp ging per ommegaande naar deze banken. Zo werd de ene schuld voor een andere omgeruild [/efn_note] verregaande zogenaamde ‘structurele maatregelen’. Deze maatregelen bestaan uit verslechteringen van bedrag en duur van de werkloosheiduitkeringen, beperkingen in de gezondheidszorg, verlaging van pensioenen en verhoging van de pensioenleeftijd, privatisering van staatsbedrijven en flexibilisering van de arbeidsmarkt.Tevens doet de Commissie land-specifieke-aanbevelingen die zonder uitzondering zijn gericht op beperking van de overheidsuitgaven. Deze aanbevelingen maken deel uit van het 'Europees Semester', een Europese monitoringcyclus. Deze aanbevelingen beschouwen nationale sociale zekerheidsstelsels vaak als een belangrijke kostenfactor [efn_note] Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld particuliere initiatieven op dat gebied. [/efn_note].  Hoewel de landenspecifieke aanbevelingen strikt genomen niet-bindend zijn, is het in sommige gevallen mogelijk om de lidstaten te bestraffen omdat ze deze aanbevelingen niet hebben opgevolgd. In de nasleep van de economische en financiële crisis zijn de operationele procedures in het kader van het Europees Semester hervormd en aangescherpt om het begrotingsbeleid van de lidstaten verder te volgen en te coördineren. [efn_note] Social security & EU economic Monitoring. [/efn_note]
  1. Het Europese Hof van Justitie (EHvJ) kan als een autoritaire rechtbank worden beschouwd bij gebrek aan een echt parlement die het kan overstemmen. Een nationale wetgever die te maken krijgt met het EHvJ en de Europese Raad, heeft doorgaans unanimiteit nodig om een rechterlijke beslissing te corrigeren, en soms zelfs de unanieme herziening van een internationaal verdrag.Net als de Raad en de Commissie gaat het Hof uit van de algemene premisse dat het de missie van 'Europa' is om de institutionele ruimte voor vrije markten uit te breiden en alle pogingen af te weren die worden ondernomen om markten te belemmeren of te vervalsen, zowel nationaal als internationaal.In uitspraken van het Hof werden ‘brievenbusfirma’s verdedigd in een hele reeks besluiten, waaronder Cadbury Schweppes en Marks & Spencer. Hierin oordeelde het EHvJ dat de logica van de gemeenschappelijke markt praktijken van belastingontwijking legitimeerde en dat lidstaten beperkingen van dergelijke praktijken niet konden rechtvaardigen op grond van openbaar belang. Hierdoor  heeft het EHvJ belastingconcurrentie tussen lidstaten vergemakkelijkt, met negatieve gevolgen voor de herverdelingscapaciteit van de lidstaten.Sinds de jaren negentig heeft het Hof de neiging om nationale afspraken over collectieve onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden als onwettige obstakels voor marktvrijheden te beschouwen. Het Hof hijst zich in de mantel van neutraliteit en objectiviteit van de wet om te depolitiseren en te individualiseren, wat uiteindelijk onvermijdelijk bijdraagt aan de verwerping van solidariteit [efn_note] EU Law and the Ordoliberal Agenda, German Law Journal [/efn_note].
  1. De Europese Centrale Bank (ECB) is de spil van de Europese Monetaire Unie (EMU), en haar soeverein. Terwijl andere centrale banken zijn ingebed in een staat met dezelfde rechtsmacht en tegenover een regering en een publiek die op hetzelfde territoriale en politieke niveau staan, zijn de valuta en de gemeenschappelijke markt die de ECB runt statenloos (zoals in wezen ook het rechtsstelsel dat wordt beheerd door het Europees Hof van Justitie). Dit maakt de ECB de meest onafhankelijke centrale bank ter wereld, en haar monetaire regime het meest gedepolitiseerd [efn_note]Zie W. Streeck  [/efn_note].
De bemoeienis van de ECB is oppervlakkig bezien beperkt tot het stabiliseren van de euro, op een laag inflatiecijfer en het functioneel houden van betalingssystemen. Haar beleid is alleen legitiem met betrekking tot dit beperkte mandaat. Ander beleid zoals streven naar volledige werkgelegenheid en een Keynesiaans anti-cyclisch crisisbeleid is geen opdracht. Liquiditeitsverruiming (Quantitative Easing of QE) via het  opkopen van obligaties op gigantische schaal waarmee de ECB haar beleidsruimte overtreedt, wordt vervolgens weer afgedekt door een toestemmende uitspraak van het EHvJ [efn_note] https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2015-01/cp150002en.pdf [/efn_note] Sinds de crisis kan de ECB naar eigen goeddunken liquiditeiten onttrekken aan de bankstelsels van staten die weigeren de voorschriften na te leven met betrekking tot hun overheidsfinanciën. Het gebruikte de dreiging van het bevriezen van noodliquiditeit (ELA) aan Griekse banken als een waarschuwingsinstrument, waarbij het hele betalingssysteem werd verwoest en de economische stabiliteit van het land werd bedreigd. Het versnelde de kapitaalvlucht en leidde tot een liquiditeitscrisis, zodat de geldopnames beperkt moesten worden [efn_note] 60 euro per dag [/efn_note] en na het uitroepen van een referendum (het OXI-referendum van 5 juli 2015) werd zelfs de ELA daadwerkelijk bevroren. Staten en regeringen die zichzelf niet 'hervormen' in overeenstemming met de wensen van de Europese Commissie en de ECB, verliezen het vertrouwen van de ‘financiële markt’, en worden dan op allerlei manieren bestraft, hetzij met dreiging van rechtstreekse sancties, hetzij met een door de ECB georganiseerde bankrun. Staten die institutionele hervormingen doorvoeren zoals gepromoot door de ECB worden beloond, zelfs wanneer dit leidt tot overtreding of omzeiling van EMU-verdragen. Gezien de juridische asymmetrie tussen de ECB en de EMU-lidstaten, evenals het ontbreken van een even effectieve politieke tegenhanger op het niveau van de EMU als geheel, is de ECB de ‘ideale dictator’ (…) De 'autoritaire staat' als schepper en beschermer van 'autoritair liberalisme' is gearriveerd. [efn_note] Cfr. W. Streeck  [/efn_note] De EU is bewust ondemocratisch Uit het ontstaan en de hele gang van zaken binnen de EU blijkt dat haar instituties zijn ingericht om democratische invloed van haar bevolkingen op haar beleid te voorkomen. Het vervolmaken van dit autoritaire ordoliberale ontwerp zal haar huidige antidemocratische werking slechts versterken. Links moet geen illusies hebben over het ‘overnemen’ van de neoliberale EU-instituties ‘om ze te laten werken voor de velen.’ Zeker als je ‘niet verwacht dat de EU-instellingen (…) onze voorstellen aannemen’, zoals Yanis Varoufakis stelt [efn_note] https://mondediplo.com/2019/03/12europe-diem [/efn_note]. Varoufakis wil met zijn supranationale beweging DIEM25 ‘de instellingen van de neoliberale orde’ niet ‘verwoesten’. Mijn conclusie daarentegen is, dat alle verkiezingsbeloften en verkiezingsprogramma’s ten spijt, de huidige EU onhervormbaar is en ‘verwoest’ moet worden om democratische rechten van de Europese bevolkingen te herstellen. Als links in de illusie blijft dat een sociaal rechtvaardig beleid binnen dit ordoliberale Europa mogelijk is en geen eigen democratische en sociaal-economische alternatieven ontwikkelt, zullen de bevolkingen van Europa ze rechts laten liggen. Te beginnen in Nederland.

Poolse arbeidsmigranten weer kop van jut

18/03/2019 - 15:41

door Frank Slegers 18 maart 2019   Nederland heeft in de Europese ministerraad de leiding genomen van het verzet tegen een voorstel van de Europese Commissie. De Commissie wil arbeidsmigranten binnen de EU die het land waar ze werken verlaten langer hun werkloosheidsuitkering uit het werkland laten behouden. Momenteel behoudt in de EU een arbeidsmigrant die ontslagen wordt en het land verlaat die werkloosheidsuitkering drie maanden. Dat zouden zes maanden worden. Kan niet, vindt Nederland, dat daarmee de kop neemt van een groep landen met daarin ook België, Duitsland, Oostenrijk,…. Eigenaardig genoeg wordt de Nederlandse regering daarin gesteund door de SP. ‘Afpakken die uitkering’, zo zegt woordvoerder Jasper van Dijk, volgens de NOS. ‘Je moet de kat niet bij het spek zetten’, twittert hij. De SP dringt aan op een debat in de Tweede Kamer. In de media verscheen mooi getimed een hetzerig artikel over Poolse arbeidsmigranten die hun geëxporteerde werkloosheidsuitkering ‘misbruiken’. Waarover gaat het? Een arbeidsmigrant uit een ander EU-land, bijvoorbeeld (?) uit Polen, die in Nederland komt werken heeft dezelfde rechten als mensen die in Nederland wonen. Als hij (of zij) ontslagen wordt en aan de voorwaarden voldoet, geeft dit recht op een werkloosheidsuitkering. Niets aan de hand. Wanneer hij het land verlaat valt hij in principe onmiddellijk terug op de Poolse uitkering. Maar dat heeft nogal wat administratieve voeten in de aarde (loopbanen moeten worden opgeteld, en dergelijke), en dus behoudt hij gedurende drie maanden zijn Nederlandse werkloosheidsuitkering, om de overgang soepel te laten verlopen. Hij moet dan wel blijven voldoen aan de voorwaarden waaraan de uitkering gekoppeld is, zoals werk zoeken. Nu zouden Polen die werkloosheidsuitkeringen ‘exporteren’ (in 2016 ging het om 4.462 gevallen) in werkelijkheid geen werk zoeken, omdat de Nederlandse werkloosheidsuitkering hoger ligt dan de Poolse lonen, of omdat zij eenmaal ontslagen van de gelegenheid gebruik maken om vrienden en familie in het vaderland te bezoeken, en niet om er te gaan werken. Na een kort verblijf keren zij veelal gewoon naar Nederland terug. De discussie hierover doet denken aan de pogingen van de Britse premier Cameron destijds kinderbijslag die door arbeidsmigranten naar het gezin in een ander EU-land gestuurd wordt te korten in functie van de levensduurte in het leefland van het gezin. Om de een of andere reden staat niet alleen de Nederlandse regering, maar dus ook de SP, ten gevolge van dit ‘schandaal’, op de achterste poten. Dit is om meerdere redenen bizar. De SP heeft altijd volgehouden dat haar verzet tegen arbeidsmigratie nooit gericht was tegen de arbeidsmigranten, integendeel. In dit geval eist de SP echter dat arbeidsmigranten die het land verlaten hun Nederlandse uitkering onmiddellijk verliezen. Het is immers onmogelijk de Poolse overheid te dwingen de verplichting werk te zoeken te handhaven. Een van de argumenten van de SP tegen arbeidsmigratie is dat veel van die migranten gescheiden worden van hun familie. Maar wanneer Poolse arbeidsmigranten, die dus ontslagen zijn, van de werkloosheidsuitkering gebruik maken om een tijdje weer bij hun familie te zijn geeft dit aanleiding tot een hetze. Tenslotte sluit dit ook naadloos aan bij het neoliberale verhaal dat te hoge uitkeringen de oorzaak zijn van het feit dat mensen niet werken. In feite gaan deze Poolse arbeidsmigranten echt wel weer aan het werk, en in de regel heel hard, alleen gaan zij eerst even langs bij hun gezin of familie. Ik heb zelf lang in de Belgische sociale zekerheid gewerkt, meer bepaald de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Het is een feit dat nu en dan mensen met een uitkering betrapt werden die heimelijk bijverdienden als besteller van huis-aan-huisbladen, toiletdame of, in één geval, zelfs als escort. Het mag niet, het verbod op niet-toegelaten arbeid moest worden gehandhaafd, sancties werden genomen, daar was iedereen het over eens. Maar ik heb het nooit meegemaakt dat een linkse partij mee deed in een mediahetze tegen deze mensen. Ook van de SP in Nederland heb ik nooit iets in die zin vernomen. Maar als het gaat over mensen niet-van-bij-ons dan liggen de kaarten voor de SP blijkbaar anders.

Brexit: de bomen en het bos

18/03/2019 - 12:00

door Frank Slegers 18 maart 2019   Het lijkt nuttig in het Brexit-dossier even terug te komen op enkele fundamentele vragen. De uitroep ‘is iedereen nu gek geworden?’ volstaat niet. Een eerste fundamenteel gegeven is dat het Britse regime over de Brexit diep verdeeld is. De grote meerderheid van het bedrijfsleven en van de elite was en is tegen de Brexit, maar belangrijke sectoren, zoals wereldwijd opererende financiële spelers in de City en ondernemers die het sociaal ‘hard’ willen spelen, is voor de Brexit. Daarnaast leeft nu de vrees, ook bij remainers in het establishment, voor de maatschappelijk destabiliserende gevolgen indien de resultaten van het referendum genegeerd worden. Het is immers een vergissing te denken dat alles weer wordt zoals voorheen indien het Verenigd Koninkrijk uiteindelijk in de EU blijft. Integendeel! Deze verdeeldheid van het Britse regime speelt door in de twee grote Britse politieke partijen. De Conservatieven worden verscheurd tussen harde brexiteers (uit de EU stappen, desnoods zonder akkoord) en remainers (in de EU blijven), en alles daartussen. Door deze verdeeldheid slaagt de conservatieve Britse premier Theresa May er niet in een meerderheid te vinden in het Parlement voor een akkoord met de Europese Unie. In theorie is een meerderheid mogelijk door steun te zoeken voor een zachte Brexit bij Labour. Dat zou echter leiden tot het uiteenspatten van de Conservatieve Partij. Het politiek systeem heeft nu eenmaal politieke partijen nodig, en het Britse patronaat kan het zich niet veroorloven haar belangrijkste politieke partij te zien exploderen. Dat is het rationele element in de pogingen van Theresa May om via allerlei vormen van politieke chantage alsnog haar eigen partij, of in elke geval een grote meerderheid, op één lijn te krijgen. Ook Labour is verdeeld. In Labour is een fractie aan het werk van rechtse eurofielen, parlementariërs met heimwee naar Tony Blair, die nog liever Labour kapot maken dan het risico te lopen op een linkse regering onder leiding van Jeremy Corbyn. Enkele parlementsleden zijn onlangs uit Labour gestapt, terwijl de ondervoorzitter van Labour Watson met een aantal anderen bezig is een partij in de partij te vormen, onder het motto, “doe ons niets, of we zijn ook weg”. Het klopt dus niet dat het allemaal niet meer is dan idioot gekkenwerk. Wel is het zo dat tegengestelde visies en belangen nu al maanden hun weg moeten vinden via het prisma van de burgerlijke parlementaire democratie, een stelsel met vele autoritaire trekken, dat elke democratische terugkoppeling belet. Daardoor gaat het Britse Parlement meer en meer lijken op een bubbel, waar een principeloze strijd wordt geleverd tussen klieken, rijk aan smerige trucs en schemerige achterkamerpolitiek. De legitimiteit van het democratisch proces komt er bekaaid van af, en daar spint uiterst-rechts dan weer garen bij. De roep van Labour om nieuwe verkiezingen lijkt dan ook om meer dan één reden welkom, maar de Conservatieven willen het risico niet lopen de controle over de Brexit in handen te geven van Labour. De Europese Unie Een ander fundamenteel gegeven in de situatie is de macht van de Europese Unie. De EU is een enorme economische macht, gegrondvest op marktfundamentalisme dat in marmer gebeiteld is in de Europese Verdragen. De Grieken hebben al eerder deze macht ervaren, en wat de Britten nu overkomt is in feite niets anders. Wie uit de Europese Unie treedt, en toch intensieve handelsrelaties met de EU wil handhaven (en dat moet je wel, gelet op het economisch gewicht van de EU), moet de Europese regels erbij nemen, gesymboliseerd in de vier vrijheden: vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en arbeid. Het is alles of niets. Niet de kersen van de taart willen plukken! Niet in het hart van de winter vragen dat de zon om zes uur ’s morgens opkomt!, zoals Francine Mestrum het onlangs uitdrukte in Uitpers (zie haar artikel ‘Brexit brabbel’). Het marktfundamentalisme van de EU wordt dan als een onveranderlijk natuurgegeven behandeld, waarvan je moet vertrekken. Het valt trouwens op dat Francine Mestrum in haar artikel iedereen door de mangel haalt, behalve Brussel en… de eurofiele saboteurs in Labour. Jeremy Corbyn lijkt het toch anders te zien. Hij wil een douane-unie en andere afspraken met de Europese Unie om vlotte handel en productielijnen mogelijk te maken, maar wil niet dat Europese regels een Britse Labourregering verhinderen actief in de economie in te grijpen. “Pathetisch” noemt Francine Mestrum dit, “al even erg als de verzinsels van Theresa May”. Immers, wie ruime toegang wil tot de Europese binnenmarkt moet de spelregels ervan respecteren. Maar misschien weet Corbyn ook wel dat de Peoples’ Brexit die hij voorstelt zal botsen op het marktfundamentalisme van de Europese regels, en wil hij een gevecht voeren om die regels te doorbreken? Toegegeven, dat gevecht is niet op voorhand gewonnen. Misschien houdt Corbyn de optie achter de hand het desnoods zonder douane-unie te doen. Hij laat niet in zijn kaarten kijken, dus dat is giswerk. Hij wil eerst een democratisch mandaat via verkiezingen. Maar is het in elk geval niet eerder pathetisch te denken dat alternatieven in Europa - het maakt niet uit in of buiten de EU - mogelijk zijn zonder dergelijk gevecht aan te gaan? Zou het dus niet zinvoller zijn steun te mobiliseren in de EU voor een People’s Brexit in plaats van dit perspectief af te doen als volksverlakkerij?  

In de aanloop naar de Europese verkiezingen – Deel 6 : Links in de EU

14/03/2019 - 21:56

14 maart 2019 In dit zesde deel van onze reeks „In de aanloop naar de Europese verkiezingen“ gaat het hoofdzakelijk over links, en daarmee bedoelen we wat zich links van sociaal-democraten en Groenen afspeelt. Daartoe laten we een Duitse gastauteur aan het woord: Klaus Dräger, die tot zijn pensionering bij de linkse fractie in het Europees Parlement (GUE/NGL) stafcoördinator was van het Comité Werkgelegenheid en Sociale Zaken. Hij is lid van het adviescomité van het Duitse tijdschrift 'Z‘ (Zeitschrift Marxistische Erneuerung, Tijdschrift voor marxistische vernieuwing) Ook nu blijft hij de ontwikkelingen in de Europese Unie op de voet volgen, en schrijft regelmatig kritische bijdragen, onder andere een hoogst interessante 'Digest‘ voor het Lexit-netwerk. De eerste paragrafen van het artikel zijn aan de opgang van rechts gewijd, waardoor de ontwikkelingen aan de linkerzijde extra aandacht verdienen.   Rechts in opmars, links versplinterd? Klaus Dräger   Van 23 tot 26 mei 2019 hebben verkiezingen voor het Europees Parlement plaats. De media zien donkere wolken verschijnen aan het Europese firmament; er wordt gevreesd dat rechtspopulisten het er nog beter zullen van afbrengen dan bij de Europese verkiezingen van 2014. Samen zouden ze een derde van de Europarlementsleden kunnen uitmaken, 150 of meer van de 705 te begeven zetels (onderstellend dat Brexit er door komt). Matteo Salvini, Italiaans minister van Binnenlandse Zaken en aanvoerder van de uiterst rechtse Lega, probeert een samenwerking tot stand te brengen met de Hongaarse Fidesz-partij van Viktor Orbán en het PiS van Jaroslaw Kaczynski in Polen; hij mikt daarbij ook op een gezamenlijk optreden in de Raad van de Europese Unie. Salvini probeert ook zoveel mogelijk partijen van radicaal rechts, die tot nog toe in het Europees Parlement over vier fracties verdeeld waren, ervan te overtuigen samen een zo groot mogelijke fractie uit te bouwen. Sinds enige tijd lopen er gesprekken met partijen als de AfD (Alternative für Deutschland), het Rassemblement National van Marine Le Pen, de Oostenrijkse FPÖ, enzovoort. Het is nog wel niet zeker dat Salvini zal slagen met zijn project.   Maakt radicaal rechts zijn intrede in de instellingen?   Er wordt voorts gevreesd dat een dergelijke samenwerking van radicaal rechts gevolgen zou kunnen hebben voor de samenstelling van de volgende Europese Commissie, waarvan de leden door de nationale regeringen worden voorgesteld. Zo zouden er afspraken kunnen gemaakt worden tussen de Oostenrijkse ÖVP-FPÖ- coalitie, de Poolse PiS- regering, de Italiaanse coalitie van Lega en Vijfsterrenbeweging, de Hongaarse regering van Viktor Orbán en mogelijks anderen, die dan hun eisen zouden kunnen stellen. Op 28 april 2019 zijn er in Spanje vervroegde parlementsverkiezingen. Volgens opiniepeilingen beschikken de rechtse partijen (Partido Popular, Ciudadanos en het  radicaal rechtse Vox) over een stabiele absolute meerderheid. In dat geval zouden ze op nationaal vlak een regering kunnen vormen zoals ze het deden na de regionale verkiezingen in Andalusië. Bij de laatste regionale verkiezingen in Italië (Abruzzen, Sardinië) werden de formaties die door de Lega gesteund werden de sterkste kracht, de Vijfsterrenbeweging van di Maio leed zware verliezen. De Europese verkiezingen zijn voor Salvini (33% in de laatste peilingen) een test, waarna hij eventueel nieuwe verkiezingen zou kunnen uitschrijven en een meerderheid vormen met Berlusconi‘s Forza Italia, het proto-fascistische Fratelli d’Italia en kleinere uiterst rechtse formaties. De druk door radicaal rechts op de EU-instellingen komt daardoor eerder vanuit het nationale niveau, op de Raad en de samenstelling van de toekomstige Commissie. Partijen als de Lega, de FPÖ of Marine Le Pens Rassemblement National hebben hun vroegere anti-europositie verlaten en streven ernaar meer speelruimte voor de nationale budgettaire politiek te winnen en de reeds door Merkel en Macron doorgevoerde verstrenging van de Europese migratiepolitiek nog verder te verscherpen. Daarover zal het uiteindelijk gaan. Piotr Buras, hoofd van het Warschau-bureau van de European Council on Foreign Relations (ECFR) merkt op: „Ik zou de gevolgen op het Europees debat van wat gebeurt in het Europees Parlement niet overschatten. Het is de situatie in de lidstaten die implicaties heeft voor de situatie in het Europees Parlement, niet omgekeerd.“ Als gewezen medewerker van de linkse fractie in het Europees Parlement (GUE/NGL) kan ik dat uit eigen ervaring alleen maar beamen.   Het eurofiele 'extreme centrum‘   De opiniepeilingen over de Europese verkiezingen voorspellen dat de huidige 'Grote Coalitie‘ van christendemocraten (EVP) en sociaaldemocraten (S&D) in het Europees Parlement niet meer over een absolute meerderheid zou kunnen beschikken. Maar deze 'Grote Coalitie‘ werd ook tijdens vroegere legislaturen vaak door de Liberalen (ALDE) en op een aantal punten ook door de Groenen ondersteund. Het 'extreme centrum‘ (naar de uitdrukking van Tariq Ali) van christendemocraten tot Groenen is verenigd in zijn inzet voor de bestaande EU en zijn credo 'Europa boven alles‘. Als men dit kamp bijeen neemt (inclusief Macrons 'En Marche‘) kan het volgens voorspellingen over meer dan 440 zetels [note] Het cijfer kan variëren, omdat de prognoses regelmatig geactualiseerd worden. [Noot van de vertaler] [/note] beschikken. Het eurofiele centrum zou daardoor wel verzwakt zijn, maar nog steeds in staat om meerderheden in het Europees Parlement tot stand te brengen. De Duitse Groenen (die in eigen land aan het wachten zijn op een zwart-groene coalitie [note] Zwart is in Duitsland de kleur van Angela Merkels CDU. [Noot van de vertaler] [/note]) worden dan de sterkste groep in een globaal verzwakte groene fractie. Ze zijn tot veel bereid, zoals bleek bij de mislukte onderhandelingen voor een Jamaica-coalitie op federaal niveau. Destijds deden ze zelfs verregaande toegevingen aan Seehofers eisen [note] Horst Seehofer is een politicus van de CSU, de Beierse vleugel van de Duitse christendemocratie. Hij was 10 jaar lang minister-president van Beieren, en nu-Bondsminister van Binnenlandse Zaken. [Noot van de vertaler] [/note] voor een bovengrens aan het aantal vluchtelingen. Er kunnen binnen het blok van het 'extreme centrum‘ wat verschuivingen optreden, maar over de fundamentele kwesties in het EU-beleid kunnen ze het verder eens blijven. En als Groenen en delen van de sociaaldemocratie eens niet mee zouden willen doen, kunnen vertwijfelde christendemocraten en Liberalen altijd de nodige steun halen bij het uiterst rechtse kamp, zoals ze vroeger reeds deden (bijvoorbeeld bij de Europese dienstenrichtlijn).   Veelstemmig links   Terwijl de radicaal rechtse formaties naar eenheid streven bij de Europese verkiezingen, is het spectrum van 'radicaal links‘ sinds enige tijd al uiteen aan het drijven. De nederlaag en de capitulatie van de Griekse SYRIZA-regering onder leiding van Alexis Tsipras onder druk van de brutale chantagepolitiek van de EU en de Trojka leidden tot een strategiediscussie in het linkse kamp. Een aantal partijen aangesloten bij de Partij van Europees Links (European Left, EL) bleven trouw aan SYRIZA. Hun redenering was dat de linkse krachten eerst moeten sterker worden om een hervorming van de EU te kunnen doorvoeren in de richting van een solidair, vredelievend, ecologisch en feministisch Europa (Plan A). Daarentegen kwamen Jean-Luc Mélenchon van de Franse Parti de Gauche (PdG), Oskar Lafontaine en anderen op voor een Plan B voor het geval de hervormingen (Plan A) niet vlug van stapel liepen: uitstap van de crisislanden uit de euro, weigering door linkse regeringen in de EU om liberaliseringsrichtlijnen, het Begrotingsverdrag enz. door te voeren (strategie van de 'ongehoorzaamheid‘). Begin 2018 stelde Mélenchons PdG voor om SYRIZA uit European Left te bannen, wegens een nieuwe verscherping van de soberheidspolitiek en een beperking van het stakingsrecht in Griekenland. European Left wees dit af, waarop de PdG zich uit EL terugtrok. Mélenchon begon dan zijn eigen coalitie voor de Europese verkiezingen 2019 uit te bouwen: Maintenant le Peuple ('Nu het Volk‘) dat eerder de richting van Plan B uitgaat.     Pogingen tot rood-rood-groene toenadering [note] In Duitsland wordt onder rood-rood-groen een toenadering of coalitie verstaan van sociaaldemocraten (SPD), Die Linke en Groenen. [Noot van de vertaler][/note]   In november 2017 riepen krachten binnen EL een Progressive Forum bijeen in Marseille, de kieskring van Mélenchon; ook een aantal Groenen en sociaaldemocraten namen eraan deel. In de strijd tegen een oprukkend rechts kwam het er voortaan op aan om het gemeenschappelijke tussen linksen, sociaaldemocraten en Groenen meer op de voorgrond te laten treden. Op het Forum in Marseille volgde in november 2018 een vervolg in Bilbao en daar zei Gabi Zimmer, de voorzitster van de linkse fractie in het Europees Parlement: „Om sterker te zijn moeten we ons breder uitbouwen en uit ons zelf opgelegd isolement treden.“ Gregor Gysi, voorzitter van EL, beaamde: „Europees Links neemt tegenover de mensen in Europa de verantwoordelijkheid op zich om in de strijd tegen de neoliberale politiek de eenheid te bewerkstelligen van de linkse en progressieve krachten, in de geest van het Forum van Bilbao van november 2018 en van andere progressieve samenwerkingsverbanden.“ Het blijft echter vaag welke strategische en programmatorische gemeenschappelijkheid het Progressive Forum ontwikkeld heeft. Het volstaat niet om in de toekomst meerderheden te verwerven in het Europees Parlement door sociaaldemocraten, Groenen en linksen, en na de verkiezingen van 2019 zal dat nog minder het geval zijn. De commentaar van Yanis Varoufakis op deze poging voor nauwere rood-rood-groene samenwerking luidde: „Ze hebben geen gemeenschappelijk programma, debatten over een 'progressieve caucus‘ hebben geen invloed op hun kiesstrijd, de caucus is irrelevant.“ [note] Over deze 'caucus‘, zie Ander Europa, Progressieve ‘caucus’ in Europees Parlement tegen CETA . [Noot van de vertaler] [/note]   Bezorgdheid over de linkse fractie in het Europees Parlement   In januari 2019 verscheen een oproep van linkse en communistische partijen voor de Europese verkiezingen; in Duitsland werd deze oproep door Die Linke en de Deutsche Kommunistische Partei (DKP) ondertekend. In essentie gaat het over de bekende linkse kritiek op de bewapening binnen de EU, de neoliberale politiek, een pleidooi voor vrede, sociale en ecologische vooruitgang, enzovoort. Uit bezorgdheid voor het voortbestaan van de linkse fractie in het Europees Parlement, gezien de toenemende divergentie binnen radicaal links in de EU, wordt daarin gesteld: „(…) Wij verplichten ons ertoe om het werk voort te zetten van de fractie van Verenigd Europees Links/Noords Groen Links (GUE/NGL) in het Europees Parlement op basis van gelijkheid en wederzijds respect voor onze verschillen, wegen, ervaringen en eigenheden.“ Tot de ondertekenaars van de oproep behoren de Portugese KP (PCP/CDU) die tot de GUE/NGL behoort maar niet tot EL, en partijen van GUE/NGL die wel bij EL aangesloten zijn als het Spaanse Izquierda Unida (UI), de Tsjechische KP (KSCM) en de Cypriotische Arbeiderspartij (AKEL). Verder de Franse PCF en Rifondazione Comunista [note] Rifondazione had tot nog toe een Europese verkozenen, Eleonora Forenza, in het kader van de toenmalige (2014) Italiaanse lijst Un altra Europa con Tsipras, die met grote moeite drie verkozenen in het Europees Parlement kreeg. Het boegbeeld van de lijst, Barbara Spinelli (dochter van Altiero Spinelli, een van de auteurs van het 'Manifest van Ventotene‘ tijdens de Tweede Wereldoorlog) trok zich weldra terug van deze lijst omwille van een conflict tussen Rifondazione en Nichi Vendolas van de lijst SEL. SEL ('Links-Ecologie-Vrijheid‘) eiste haar terugtreden ten voordele van iemand van hun rangen. Spinelli bleef als onafhankelijke in de GUE/NGL. Ook toen al was er veel miserie bij wat restte van Italiaans links. [/note] uit Italië, beide lid van EL maar zonder kans op een zetel bij de Europese verkiezingen van 2019. Ook de Belgische PVDA/PTB (geen lid EL) ondertekende de oproep. Het is interessanter te kijken naar wie niet ondertekende: de partijen van de coalitie rond Mélenchons Maintenant le Peuple, partijen die tot nog toe tot de linkse EP-fractie behoren zoals de Nederlandse SP en het Ierse Sinn Féin; ook SYRIZA ondertekende niet. Naar SYRIZA toe zijn er ondertussen veel aanzoeken vanuit de Europese sociaaldemocratie, tot groot ongenoegen van de Griekse sociaaldemocratische PASOK. De voorzitter van de sociaaldemocratische fractie in het Europees Parlement, Udo Bullmann, zei daarop droogjes: „Voor de toekomst van Griekenland en de EU komt het aan op de juiste ideeën, niet op de juiste partij-affiliatie.“ Wat zoveel betekent als: PASOK is geschiedenis, SYRIZA haalt nog steeds 25% bij de peilingen, niettegenstaande de regering Tsipras beter dan elke voorganger de richtlijnen van de Trojka heeft opgevolgd. Van hoop gesproken…   De 'Spitzenkandidaten‘ van de Partij van Europees Links   Eind januari 2019 stelde ELhaar 'Spitzenkandidaten‘ voor het ambt van Commissievoorzitter voor: Violeta Tomic van de Sloveense Linkspartij (Levica) en Nico Cué, de voormalige voorzitter van de Waalse socialistische metaalarbeidersbond MWB-FGTB. In tegenstelling tot Alexis Tsipras, de Spitzenkandidaat van EL in 2014, zijn ze allebei niet zo bekend. Nico Cué maakte naam als een strijdbare vakbondsman, met vaak heftige kritiek op de Waalse sociaaldemocraten. Als geëngageerde militant van het Progressive Forum is hij daar nu een gevierd medestander met vakbondsachtergrond. Blijkbaar staat hij op geen enkele lijst van de EL voor de komende Europese verkiezingen, en positioneerde hij zich in België/Wallonië steeds tegen de opkomende arbeiderspartij PTB/PVDA. Cués kandidatuur als Spitzenkandidaat moet nogal irritant zijn voor deze partij, die graag met EL en Die Linke zou samenwerken in een nieuwe linkse fractie in het Europees Parlement.   Drie blokken van linksen    Alles bijeen krijgen we een vrij verward beeld van de manier waarop 'radicaal links‘ zich opstelt voor de Europese verkiezingen 2019. Om een fractie in het Europees Parlement te kunnen vormen zijn er minstens 25 verkozenen nodig uit zeven lidstaten. Op dit ogenblik zijn er daarvoor drie aanzetten binnen het linkse spectrum. Om de krachtsverhoudingen tussen deze in te schatten doe ik beroep op de laatste peilingen van politico [note] Zie https://www.politico.eu/ ; klik bovenaan op 2019 EU elections.  [/note] (26 februari 2019). Peilingen zijn natuurlijk maar peilingen en er kan nog veel veranderen, maar voorlopig schetst dat toch een zeker beeld.   Mélenchons coalitie 'Maintenant le Peuple‘ Toen Mélenchon zijn coalitie opzette waren daarbij betrokken:
  • zijn eigen formatie, La France Insoumise (LFI), bij peilingen in 2018 goed voor 16% bij de Europese parlementsverkiezingen;
  • het Portugese Linkse Blok (Bloco, lid van EL, 10% in de peilingen);
  • Podemos (Spanje) (18 à 20%)
Later kwamen er de Scandinavische partijen bij: de Finse Linkse Alliantie, de Deense Rood-Groene Eenheidslijsten (allebei lid van EL) en de Zweedse Linkspartij (geen lid EL). Ze zijn programmatorisch eerder links-sociaaldemocratisch, maar wijzen traditioneel de euro en/of lidmaatschap van de EU (Zweden, Denemarken) af. Wat deze coalitie bindt is het benadrukken van 'een linkse opvatting over democratische volkssoevereiniteit‘ tegenover de neoliberale autoritaire EU. Een andere partner van de coalitie is de Griekse ’Volkseenheid‘, een afsplitsing van SYRIZA, en het Italiaanse 'Potere al Popolo‘ (Volksmacht), maar met percentages in de peilingen van rond de 1% hebben ze niet echt een vooruitzicht op een EP-mandaat. De EL vreesde dat Mélenchon een goede uitgangspositie zou kunnen nemen om zo fundamenteel gestalte te geven aan de toekomstige linkse fractie (zonder SYRIZA) in het Europees Parlement. Afgaande op de vermelde peilingen ziet het er voor deze coalitie niet al te rooskleurig uit: LFI Frankrijk (8%, 7 MEPs [note] MEP is de gebruikelijke afkorting voor europarlementslid, Member of the European Parliament.[Noot van de vertaler][/note]), Unidos Podemos Spanje (14%, 9 MEPs), Bloco Portugal (8%, 2 MEPs), Linkse Alliantie Finland (9%, 1 MEP), Linkspartij Zweden (9,6%, 2 MEPs), RGE Denemarken (9%, 1 MEP). Alles samen: 6 landen, 22 MEPs, te weinig voor een fractie. Daarenboven zijn er een aantal politieke problemen. In Frankrijk hebben zich voor de Europese verkiezingen drie lijsten gemeld die gelieerd zijn met de gele hesjesbeweging. Tot nog toe voldoen ze niet aan het criterium om 79 kandidaten te kunnen opgeven voor een Europese lijst. Zou er toch nog iets uit voortkomen, dan kan de rekening er weer anders uitzien. Tot 3 mei kunnen in Frankrijk nog nieuwe lijstafspraken gemaakt worden. Er circuleren verschillende oproepen voor een coalitie van 'links in de brede zin‘ : PS, LFI, PCF, Groenen, Génération-s – de structuur van de gewezen PS-kandidaat voor het presidentschap Benoit Hammon – tot en met de antikapitalisten van trotskistische signatuur NPA en LO. Enkele leidinggevenden van de PCF willen het eerder tot de 'doorslaggevende delen‘ van breed link beperken: LFI, PCF, NPA, LO, Hammon en Gilets jaunes. Sinds hun laatste partijdag beklemtoont de PCF (2 % in de peilingen) enerzijds sterker haar 'communistische identiteit‘, maar anderzijds zoals voorheen haar bereidheid om samen te gaan met de socialisten. De coalities met de PS stonden vroeger garant voor de financiering van het PCF-apparaat, maar deze partijlijn ging in tegen de afspraken met Mélenchon in het Front de Gauche, wat tot het verval van het FdG leidde. In Spanje zijn Podemos en Izquierda Unida (IU) tot een akkoord gekomen om voor de Europese parlementsverkiezingen van 2019 gezamenlijk met de lijst Unidos Podemos (UP) op te komen. Maar het rommelt bij UP. Bij de regionale verkiezingen in Madrid is medeoprichter van Podemos Iñigo Errejón opgestapt en komt met een aantal medestanders op tegen de UP-lijst, op de lijst van burgemeester Manuela Carmena. Ook in andere regio‘s ontstaan breuken binnen de coalities (confluencias) die gevormd werden voor de regionale verkiezingen in mei 2019. UP heeft duidelijk aan dynamiek verloren   De aanhangers van Gysi in de Partij van Europees Links (EL) De EL was jarenlang de dominante formatie binnen de linkse fractie GUE/NGL in het Europees Parlement. Trouw aan de lijn Gysi (voorzitter van EL) zijn Die Linke ( 6 à 8%, 5 à 8 MEPs) en de Tsjechische KP (8,5%, 2 MEPs). Dan wordt het al wat moeilijker. AKEL (Cyprus, 23%, 2 MEPs) steunt politiek eerder Plan B posities en was destijds voor een uittrede uit de euro tegen de Trojka-dictaten die Cyprus werden opgelegd. Het is onduidelijk of SYRIZA (25%, 6 MEPs) binnenkort nog tot de linkse fractie zal behoren. De Sloveense Linkspartij (8%, 1 MEP) werd aanvankelijk in aanzienlijke mate ondersteund en gestabiliseerd door de spitzenkandidatuur van Tsipras voor de EL in 2014. Omwille van Tsipras‘ soberheidsbeleid, en ook zijn buitenlands beleid, heeft een meerderheid zich van hem afgekeerd, sympathiseert met Varoufakis en droomt van een zeer brede coalitie van linksen en progressieven. Nemen we er ook de partijen bij die niet aangesloten zijn bij EL en met kans op verkozenen voor het Europees Parlement, en die zich uitspraken voor de oproep van de linkse en communistische partijen voor het voortbestaan van de linkse fractie in het Europees Parlement: de Portugese PCP/CDU die wel voor de uittrede uit de euro was (6,5%, 1 MEP) en de Belgische PTB/PVDA. Samen met SYRIZA (dat zich niet inzette voor het voortbestaan van GUE/NGL) zou dit hypothetische en politiek heterogene geheel neerkomen op zeven landen, maar slechts op 21MEPs, en wel op voorwaarde dat Die Linke het zeer goed doet. Maar ook dan zou het niet volstaan om een fractie te vormen.   Yanis Varoufakis en DiEM25 DiEM25 werd aanvankelijk hoofdzakelijk als een 'burgerbeweging van onderuit‘ opgevat, met als hoofddoel tegen 2025 tot een fundamentele democratisering en hervorming van de EU te komen. Programmatorisch komt DiEM25 op voor een Europese New Deal, een pseudo-keynesiaans begrip, dat het EU-kapitalisme van zichzelf moet redden. Eigenlijk wilde DiEM25 voor de Europese verkiezingen van 2019 een transnationale lijst opstellen, maar dat is niet mogelijk. In de plaats daarvan heeft deze beweging verschillende 'kiesvleugels‘ in diverse landen van de EU, waar met de Europese New Deal als gemeenschappelijk programma opgetreden wordt onder het label 'Europese Lente‘. Om het kort te houden: het meest kans maakt nog de kandidatuur van Varoufakis zelf die in Duitsland opkomt voor 'Democratie in Europa‘. In Duitsland volstaan immers bij de Europese verkiezingen 1% van de stemmen om een Europees mandaat te bemachtigen. De 'profeet‘ zou er dus kunnen komen. De andere 'kiesvleugels' van de Europese Lente maken geen kans op een mandaat: in Griekenland Varoufakis' partij MeRA25, in Frankrijk Hammons Génération-s,  in Polen Razem, in Portugal LIVRE (Rui Tavares, voorheen MEP voor Bloco in de GUE/NGL), in Denemarken Alternativet (groen libertair), in Spanië Actúa (Gaspar Llamazares, de voormalige secretaris-generaal van Izquierda Unida), 'Der Wandel' in Oostenrijk. Bij peilingen liggen al deze structuren duidelijk onder de kiesdrempel van de respectieve landen. Varoufakis had veel hoop gesteld op een mogelijke Italiaanse kiesvleugel, onder leiding van de Napelse burgemeester Luigi De Magistris. Maar deze lijkt er niet in te slagen een lijst samen te stellen. In plaats daarvan probeert wat rest van voormalig 'breed links' (Sinistra Italiana, verder het sociaaldemocratisch restant van de LEU (Liberi e Uguali) en de Groenen) iets in elkaar te steken. Aan de radicaal linkse kant dient zich de rest van Potere al Popolo aan. Een zetel voor een van deze formaties is eerder onwaarschijnlijk.   Tussenbalans   Bij de laatste Europese verkiezingen in 2014 en ook daarna verklaarde de Partij van Europees Links (EL) nog vol hoop dat het zou komen tot een linkse omwenteling in Europa, aangestoken door de 'vonk' van SYRIZA in Griekenland. Maar vandaag biedt EL nog maar een vrij triest beeld. Komt er uiteindelijk een toenadering tussen het blok rond Mélenchon en de anderen (maar waarschijnlijk zonder SYRIZA, waarvan het lidmaatschap van de linkse fractie in het Europees Parlement betwijfeld kann worden) ? Of gebeurt dat niet? Alle mogelijkheden blijven open. Het hangt er misschien ook van af hoe de Nederlandse SP (8%, 2 MEPs) of het Ierse Sinn Féin (17,4%, 3 MEPs) zich opstellen in deze discussie en de komende onderhandelingen. De partijleiding van Die Linke heeft voorzichtigheidshalve de beslissing naar zich toe getrokken bij welke fractie de nieuw gekozen MEPs van de partij zich moeten aansluiten. Ze heeft ook bepaald dat MEPs die het niet eens zijn met de keuze van de partijleiding hun mandaat terug moeten geven. Het wordt uitkijken naar de beslissing die de leiding van Die Linke hierin zal nemen. Voorlopig kunnen we alleen met Bertolt Brecht en Marcel Reich-Ranicki vaststellen: Het gordijn is dicht, alle vragen open. [note] Het citaat, "Wir stehen selbst enttäuscht und sehn betroffen/Den Vorhang zu und alle Fragen offen" komt uit Brechts toneelstuk Der gute Mensch von Sezuan (1943). Het werd door de bekende Duitse recensent Reich-Ranicki steevast gebruikt om het literatuurprogramma Das Literarische Quartett op ZDF af te sluiten. [Noot van de vertaler] [/note]

In de aanloop naar de Europese verkiezingen – Deel 5: Wie investeert in welke toekomst?

10/03/2019 - 14:49

  door Herman Michiel 10 maart 2019   In dit vijfde deel van onze terugblik op de voorbije vijf jaar van het Europees beleid hebben we het over economische investeringen. In een kapitalistische economie is dit in de eerste plaats een aangelegenheid van de private sector; “De winsten van vandaag zijn de investeringen van morgen en de jobs van overmorgen”, zei de Duitse sociaal-democratische kanselier Helmut Schmidt begin jaren 80. Dat was nog maar het begin van het neoliberale tijdperk, maar ondertussen is duidelijk geworden dat er een kink zit in het riedeltje van Schmidt. Het ligt niet aan de winsten, want die hebben zich sindsdien goed hersteld; maar geïnvesteerd in de ‘reële’ economie wordt er veel minder. Grote delen van de winst worden uitgedeeld aan de aandeelhouders, die liever speculeren op financiële producten dan te investeren in industriële projecten. Grote bedrijven zelf besteden grote sommen aan overnames en fusies, of aan het opkopen van de eigen aandelen. Het algemeen verlaagde investeringsniveau kreeg vanaf 2008 een bijkomende deuk bij het uitbreken van de financiële crisis, en in Europa nog een tweede ‘dip’ vanaf 2010 door de ‘eurocrisis’. In die omstandigheden wordt de rol van overheden belangrijker dan ooit. Al noemt geen enkele politicus zich nog keynesiaan, de praktijk is vaak wel anders. Barack Obama had nog maar pas zijn intrek genomen in het Witte Huis (januari 2009) of hij lanceerde zijn Recovery and Reinvestment Act; een bedrag van 820 miljard $ moest de Amerikaanse economie er bovenop helpen via belastingsverlaging, infrastructuurwerken, tegemoetkomingen in werkloosheidsvergoeding en ziektezorg [note] Adam Tooze, Crashed – How a Decade of Financial Crises Changed the World, 2018,  hoofdstuk 12. [/note]. Wat men over het Amerikaanse bestel overigens ook moge denken, het herstelbeleid staat in schril contrast met wat in de EU gebeurde. De tweede Commissie Barroso (2010-2014) en het duo Merkel-Sarkozy (‘Merkozy’) kwamen niet met een Recovery Act maar met een Austerity Act. Herinner je: Europees Semester, Begrotingsverdrag, Sixpack, Twopack, bezuinigingen, strenge budgettaire beperkingen, druk op de lonen, kortom, alles wat je moet doen om een recovery onmogelijk te maken. Nergens is men daar beter in geslaagd dan in Griekenland, waar het BBP in 2018 het niveau van 2004 bereikt heeft ... Maar ook Portugal en Italië zijn niet zo veel beter af. We zouden het hier evenwel over de Commissie Juncker en het EU-beleid in de voorbije vijf jaar hebben. De EU is geen federale staat zoals de USA, de begroting bedraagt slechts 1% van het BBP, niet 20 à 22% zoals in de States; de euro is ook geen wereldmunt zoals de dollar en kan zich niet dezelfde buitenissige schulden veroorloven. Kán de EU eigenlijk dan wel iets ondernemen als de privésector het laat afweten? We zullen zien dat de EU op dit vlak véél zou kunnen, maar dat welbewust weigert te doen, omdat dit zou indruisen tegen het marktprincipe dat haar uitgangspunt is.   EU: nóg zwakkere Investeringen sinds de eurocrisis Dat de EU sinds de financiële crisis met een investeringsprobleem opgezadeld blijft ontkent niemand. De Europese Commissie zelf schrijft [note] Europese Commissie, Investment in the EU Member States, institutional paper 062, oktober 2017. [/note]: “Zowel in de private als de publieke sector zijn de investeringen zwak. Het privaat investeringsniveau in de EU ligt nog steeds een stuk onder het niveau van voor de crisis, zelfs als we de jaren 2005-2007 met hun ‘irrationele exuberantie’ buiten beschouwing laten, toen de vastgoedzeepbel het totaal investeringsniveau in sommige landen liet omhoogschieten. Ook de overheidsinvesteringen zijn gedaald, in het bijzonder door de budgettaire druk in de landen die harder getroffen werden door de crisis alle categorieën van investeringen in de EU behalve die met het label ‘andere’ zijn verlaagd sinds de crisis.” [Deze ‘andere’ investeringen’ betreffen ‘immateriële’ activa, zoals patenten, software, merknamen...] Grafiek 1 illustreert het blijvend lage investeringsniveau. [caption id="attachment_16343" align="aligncenter" width="600"] Grafiek 1 Investeringen in de Europese Unie als % van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van de EU. De rode curve betreft de privésector en gebruikt de rechterschaal (slingerend rond 18% van het EU-BBP), de blauwe curve slaat op overheidsinvesteringen die rond de 3% van het BBP bedragen (linkerschaal). Een minderinvestering van 1% van het BBP komt ongeveer overeen met 150 miljard euro. Bron: Europese Commissie.[/caption] Over de periode 2007-2017 [note]Eurostat, 14 mei 2018 [/note] daalde het investeringsniveau in alle lidstaten, op drie na: Duitsland (+0.2%), Zweden (+1%) en Oostenrijk (+0.6%). In Griekenland werd in 2017 nog maar 12.6% van het BBP geïnvesteerd, in Portugal en Groot-Brittannië ook maar iets meer dan 16%, in Italië en Polen een goede 17%. Gemiddeld over die periode daalde het investeringsniveau in de EU met 2,4% van het BBP, in de eurozone zelfs met 2,8%. Jaarlijks werden dus een 400 miljard euro minder geïnvesteerd. We gaan hier niet in op de redenen voor dit zwak investeringsniveau. Zeer kort samengevat zag de privésector onvoldoende winstgevende opportuniteiten, terwijl financiële beleggingen aanlokkelijker leken. De overheidsinvesteringen hadden te lijden onder het Europees soberheidsbeleid, dat overheden een strak budgettair beleid oplegt; en een land als Duitsland met enorme overschotten op de betalingsbalans vertikte het toch om te investeren in het openbaar domein, een vaststelling waar zelfs de Europese Commissie en het IMF een verwijtend vingertje voor opstaken. Op Grafiek 1 is ook duidelijk te zien dat er van enige keynesiaans anticyclisch beleid geen sprake is: als de privé investeringen dalen, dalen ook die van de overheden. Het gevolg is dan ook een zeer matige economische groei, ook in vergelijking met de Verenigde Staten die een veel forser herstelbeleid voerden  (Grafiek 2).   [caption id="attachment_16344" align="aligncenter" width="600"] Grafiek 2 Groei van het BBP in de eurozone (grijze curve) en de Verenigde Staten (blauwe curve). Ter vergelijking is het BBP is voor beide economieën op 100 gesteld in 2007. In een eerste fase verloopt het herstel na de crisis gelijklopend vanaf 2009, maar men ziet duidelijk dat er zich vanaf 2011 een tweede inzinking (‘double dip’) voordoet in de economie van de eurozone, terwijl die van de Verenigde Staten zich gestaag herstelt. Bron: Clearbridge[/caption]   Juncker komt ter hulp De nieuwe Commissievoorzitter, Jean-claude Juncker, begon zijn ambtstermijn in november 2014 met heel wat krachtige statements (“de Commissie van de laatste kans”...) en stelde een minder hardvochtig Europees beleid in het vooruitzicht. De torenhoge werkloosheid (gemiddeld 24% van de jongeren in 2013) moest ingedijkt worden om het vertrouwen van de burger terug te winnen, en daar waren investeringen voor nodig. Juncker kondigde reeds bij zijn aantreden het ‘Junckerfonds’ aan, wat  officieel het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI) werd. Dit fonds moest over een periode van 3 jaar 315 miljard euro mobiliseren. Hoe? Het jaarlijks EU-budget is maar half zo groot, maar in de bankwereld is het begrip ‘hefboomwerking’ maar al te bekend. De Europese Commissie brengt samen met de Europese Investeringsbank (EIB) 21 miljard bijeen, en deze dienen als onderpand voor leningen ten bedrage van 63 miljard, aan te gaan door de EIB. Deze 63 miljard dienen op hun beurt als ‘lokaas’ om de privésector over de streep te krijgen om te investeren; bij een ongelukkige evolutie van een project, een bankroet of wanbetaling bijvoorbeeld, wordt de privé-investeerder prioritair bediend, vóór de EIB. Op die manier moet er 252 miljard uit de privésector komen. En 252+63=315, het Junckerfonds is virtueel rond, dankzij een hefboom van 5 op 1, of zelfs 15 op 1 als je de eigenlijke EU-inleg als uitgangspunt neemt. Het moet gezegd: Juncker had misschien niet meteen het vertrouwen van de burger gewonnen, maar wel dat van de investeerder.  Begin 2017 was zijn fonds al goed voor 138 miljard euro, in 2018 werd het 284 miljard. Wegens het succes werd in 2016 een verdubbeling (tot 630 miljard gehefboomde euros) in het vooruitzicht gesteld tegen 2022.   Junckerfonds op de weegschaal Voor Juncker en zijn Commissie is het fonds een groot succes. “EFSI mobiliseerde 335 miljard bijkomende investeringen in de EU sinds juli 2015. Het Junckerplan had een duidelijke impact op de economie van de EU en revolutioneerde de manier waarop vernieuwing gefinancierd wordt in Europa”, klonk het in juli 2018. Wat is daarvan aan? Het minste wat men kan zeggen is dat 335 miljard investeren in de hele EU over een periode van 3 jaar geen echt antwoord is op 10 jaar onderinvestering van 400 miljard per jaar. Het is ook niet duidelijk waarom precies de Junckergelden het verschil maken als men weet dat er in 2017 in de EU voor 3100 miljard (publieke en private) investeringen waren. De Europese Commissie stelt dat de EFSI- projecten meer risicovol waren. Als dat al zo is bevestigt ze in feite dat de privésector wel met de winsten kan gaan lopen, maar dat eventuele verliezen voor de EIB, dus voor de Europese belastingbetaler zijn… Bovendien moet het bedrag van 335 miljard zelf niet zonder meer als betrouwbaar beschouwd worden. De ‘Commissie van de laatste kans’ gaat namelijk nogal voortvarend en creatief met cijfers om. Een voorbeeld. In juli 2016 was EFSI volgens de EIB goed voor 115,7 miljard euro aan goedgekeurde projecten; maar de eigenlijke financiering bedroeg toen nog maar 10,9 miljard [note] Le Plan Juncker a-t-il relancé l'investissement européen ? La Tribune, 25 juli 2016. [/note]. Het is ook de vraag of een hefboomeffect van 500% (of 1500%, al naargelang men het bekijkt) meer is dan een schatting, of eerder een rooskleurige voorstelling van zaken. Een andere belangrijke bedenking bij het Plan Juncker betreft iets wat nu op een zedige manier binnen EU-kringen de kwestie van de additionaliteit wordt genoemd. Gaat het echt over bijkomende, additionele, investeringen, of zouden die überhaupt zijn doorgegaan, maar niet onder de pet van het Junckerfonds? De Bruegel think tank, die niet moet verdacht worden van anti-EU gevoelens, kwam na één jaar EFSI tot de bevinding dat voor de 55 projecten die voldoende gedocumenteerd waren om ze te beoordelen er slechts één was dat niet zeer gelijkaardig was aan de gangbare EIB- projecten. De Europese Commissie zou dit euvel hersteld hebben en een analyse door de EIB van juni 2018 oordeelt dat 98.8% van de projecten tegemoet kwamen aan mankementen van de markt. De Europese Rekenkamer [note] De Europese Rekenkamer is een officieel orgaan van de EU dat de rekeningen van de Europese instellingen moet controleren. [/note] van haar kant oppert in een recent verslag zeer voorzichtig dat men “beter moet nagaan of potentiële EFSI-projecten hadden kunnen worden gefinancierd uit andere bronnen” en dat “met de methode die wordt gebruikt de mate waarin de EFSI-steun daadwerkelijk leidt tot aanvullende investeringen in de reële economie, te rooskleurig wordt voorgesteld in bepaalde gevallen.” Het verslag van de Rekenkamer raakt nog een belangrijker probleem aan: waar kwamen de middelen terecht? De meeste investeringen waren geconcentreerd in een aantal grotere lidstaten met sterkere economieën; halfweg 2018 was 47% van de investeringen geconcentreerd in drie lidstaten (Frankrijk Italië en Spanje; Duitsland komt op de vierde plaats gevolgd door Polen. ). De belangrijkste vraag is echter: waar dienen deze investeringen voor? Hiervoor steken we ons licht op bij een onderzoek (november 2017) van vier Europese NGO’s [note] Bankwatch network, Counter Balance, Climate Action Network en WWF, Doing the same thing and expecting different results? Analysis of the sustainability and transparency of the European Fund for Strategic Investments [/note]. Enkele van hun bevindingen:
  • In de energiesector financierde EFSI bijna voor hetzelfde bedrag projecten met fossiele brandstof als andere voor hernieuwbare energie;
  • in de transportsector ging het meeste geld naar autowegen en vernieuwingen in de autosector; het aandeel dat naar openbaar vervoer ging was beperkt tot 13% van de transportportefeuille.
  • Het rapport stelt ook een groot gebrek aan transparantie vast; het blijft onduidelijk welke criteria gebruikt worden voor de goedkeuring van projecten.
  Fundamentele kritiek op de EFSI- aanpak werd reeds in een vroege analyse [note] Dries Goedertier, De koorddans tussen begrotingsdiscipline en de privatisering van de publieke sector, MO* magazine 13 augustus 2015.[/note] ervan vermeld door Dries Goedertier, adviseur bij de studiedienst van ACOD (socialistische vakbond voor de openbare diensten, aangesloten bij het Belgisch ABVV): het publieke initiatief blijft opgesloten in de allesoverheersende besparingslogica van het Europese begrotingsverdrag. Overheden mogen geen schulden maken, ook niet voor noodzakelijke projecten. En zo belanden we weer bij de beruchte PPS-projecten (Publiek Private Samenwerking), waarvan ondertussen voldoende gebleken is dat ze veel duurder uitvallen dan overheidsaanbestedingen. Het verschil met de PPS-hype van 10 of 15 jaar geleden is dat de privésector nu zelfs niet meer ondersteld wordt het financiële risico te dragen, dat doet de EIB. Is die privésector dan gelukkig met het Junckerfonds? Ja, maar met voorbehoud, zo blijkt. BusinessEurope, de lobbygroep van de grote Europese ondernemers, was gematigd positief en stemde in met een uitbreiding. Toch met een entrepreneuriale bekommernis: projecten moeten market based blijven “without prioritising specific sectors or regions”. BusinessEurope was verontrust over geruchten “to allocate 40% of the EFSI into projects related to COP21 objectives”, projecten dus die verband houden met de klimaatdoelstellingen afgesproken in Parijs, want een dergelijke keuze lijkt niet market-based... Stimuleerde de Europese Centrale Bank investeringen ? In januari 2015 kondigde Mario Draghi, de voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB), aan dat er een programma van ‘kwantitatieve versoepeling’ (quantitative easing of QE) op komst was. De ECB zou maandelijks voor 60 miljard euro staatsobligaties en aandelen opkopen, waardepapier dus in het bezit van banken en beleggers. Op die manier zou er meer liquide geld in omloop komen. De bedoeling hiervan was om de inflatie naar een aanvaardbaar, dit wil zeggen hoger peil te brengen. De EU, en in het bijzonder de eurozone, was door jaren bezuinigingspolitiek en loonmatiging in gevaarlijk monetair vaarwater gekomen. De beheptheid met inflatiebestrijding dreigde tot deflatie te leiden; het renteniveau kwam daardoor ook in de buurt van nul, zodat een centrale bank de controle over het monetaire stuur dreigde te verliezen. Geldinjectie moest de inflatie terug naar ongeveer 2% drijven. Tussen maart 2015 en december 2018 heeft de ECB aldus voor 2600 (tweeduizendzeshonderd) miljard euro waardepapieren opgekocht en er de geldelijke tegenwaarde van uitbetaald. Die injectie moet dan als olie voor het economisch raderwerk fungeren, waardoor winsten, lonen en prijzen gaan stijgen en de inflatie uit de deflatoire gevarenzone geraakt. Investering dus als middel om een monetair doel te bereiken. Dat is de theorie. En de praktijk? De nominale inflatie is sinds kort inderdaad in de buurt van 2% gekomen, het renteniveau blijft vooralsnog zeer laag. Het is ook niet bewezen wat de precieze invloed van QE was op de inflatie; wat was bijvoorbeeld de rol van Duitse en andere loonsverhogingen daarin? Maar wat ons hier bezighoudt: wat brachten die 2,6 biljoen euro (acht keer het Junckerfonds) teweeg op het gebied van (nuttige) investeringen? En wie heeft uiteindelijk van deze biljoenen geprofiteerd? Wat dit laatste betreft is er geen eenduidig antwoord, en de effecten zijn inderdaad complex en uiteenlopend. Zo doet de sterke vraag naar waardepapieren door de ECB hun waarde toenemen, zodat bezitters van aandelen en obligaties hun rijkdom zien stijgen. Anderzijds betekent de ultra lage rente een inkomstenverlies voor banken en spaarders. Maar er zijn diverse analyses [note] Stan Jourdan, PositiveMoney, Quantitative easing benefited the richest, ECB shows; Christopher Thompson, The New Statesman, How the world’s greatest financial experiment enriched the rich; SOMO, The politics of quantitative easing. [/note] die wijzen op QE als bron van toegenomen ongelijkheid; dat de ECB dit ontkent is niet meteen een bewijs van het tegendeel. Wat het effect op de economie in het algemeen betreft stelde Mario Draghi tijdens zijn speech in het Europees Parlement op 15 januari 2019 dat de economie in de eurozone zich dankzij het ondersteunend beleid van de ECB hersteld had. Men zou inderdaad ‘logischerwijze’ kunnen denken dat meer dan 2 biljoen euro in het financiële systeem injecteren een aanzienlijke opstoot van activiteit moet teweegbrengen. Dat hangt er echter helemaal van af wat met het geld gebeurt. Banken kunnen er hun kapitaalbuffer mee verhogen, zonder dat het enige impact heeft op de reële economie. Het kan dienen om financiële producten aan te kopen of herstructureringen door te voeren, eveneens zonder positieve economische gevolgen. Drie onderzoekers van het Nederlands Centraal Planbureau stellen dat er geen bewijs voorhanden is dat QE heeft bijgedragen tot een herstel van de economie in de eurozone [note] Adam Elbourne, Kan Ji en Sem Duijndam, CPB Discussion paper 371, The effects of unconventional monetary policy in the euro area. [/note]. Zoals bij het Junckerfonds lijdt ook het aankoopprogramma van de ECB onder een sterk gebrek aan transparantie. Vooral als gepoogd wordt de compatibiliteit te checken van het ECB-aankoopprogramma met officiële EU-doelstellingen als het klimaatbeleid stoten onderzoekers op veel onwil. De onderzoeksgroep Corporate Europe Observatory [note] Corporate Europe Observatory, 23 juni 2017,  European Central Bank has bought more climate-trashing bonds [/note] vond evenwel onder de grote klanten van de ECB bedrijven als BMW, Daimler, Volkswagen, de oliebedrijven Repsol en ENI, autowegbedrijven als Autoroutes du Sud, en tien fossiele-energieproducenten.   Conclusie Het is tekenend voor de principes waarop de EU gebaseerd is dat de grootste financiële operatie uit haar geschiedenis, de ‘kwantitatieve versoepeling’ ten bedrage van tweeduizenddriehonderd miljard euro, niet vertrok vanuit welbepaalde sociale noden, maar moest dienen om een parameter van het monetair beleid, namelijk de inflatie, naar het gewenste niveau te brengen. Daarvoor werd een gigantische machine op gang gebracht, waarvan niet eens vast staat hoeveel ze heeft bijgedragen tot het beoogde doel. Dat doel zou op een veel beproefdere en sociaal aanvaardbaardere wijze zijn bereikt als de EU zich niet met alle middelen tegen loonsverhogingen en overheidsbestedingen had verzet. Hoe dan ook, de twee investeringskanalen die we besproken hebben, het ‘Junckerfonds’ (EFSI) en vooral de QE- operaties van de Europese Centrale Bank, tonen duidelijk aan dat de Europese Unie in principe in staat is grote investeringsplannen te financieren, niettegenstaande het ‘federaal’ budget van de EU zeer klein is en de politieke integratie zwak. In die zin klopt het niet dat ‘meer Europa’ een voorafgaande voorwaarde is om meer te kunnen bereiken. Als we de twee initiatieven optellen komen we bijna aan 3 biljoen euro, daar zouden al aardig wat plannen van ecologische en sociale aard kunnen mee gefinancierd worden! Dat dergelijke plannen niet doorgaan is echter geen spijtige vergissing van de Europese beleidsmakers, maar hun bewuste keuze. Een economische relance zou veel beter gediend geweest zijn door de biljoenen van de ECB aan overheden over te maken en er sociale en ecologische voorwaarden aan te koppelen, in plaats van aan de willekeur van banken en financiële instellingen. Maar wat in de EU gebeurt, moet via de markt passeren, dat is het principe waarop de EU gebouwd is en in bindende verdragen is vastgelegd. De ECB leent geen geld aan een overheid maar aan private spelers; heeft een overheid geld nodig dan moet ze bij die private spelers aankloppen en het oordeel van de ratingbureaus ondergaan. En ondertussen werd de budgettaire garrota het voorbije decennium door de EU zodanig aangedraaid dat lenen überhaupt problematisch wordt. Met het gewenste resultaat voor gevolg: de private sector rukt op, de publieke wijkt. Wie hoopt de EU te kunnen hervormen zou hierin een ommekeer moeten kunnen teweegbrengen. Dan zou op zijn minst Duitsland zijn diepgewortelde principes moeten laten varen, principes gedragen van centrum-links tot uiterst rechts. Ik vrees dat zelfs geen miljoen Varoufakissen dat zullen schaffen. Alle suggesties evenwel welkom!  

Hoeveel belastingen betalen multinationals effectief?

28/02/2019 - 16:36

Wat zijn de officiële belastingstarieven voor multinationale ondernemingen en hoeveel betalen ze effectief? Dat was de vraag die de Groene fractie in het Europees Parlement (Greens/EFA) liet onderzoeken door Petr Jansky (Karelsuniversiteit Praag). De neerslag van deze studie is hier beschikbaar; we geven er de opvallendste resultaten van weer. De onderstaande tabel geeft voor de periode 2011-2015 voor alle lidstaten van de EU de effectieve belastingsvoet (percentage van de bruto winst afgedragen aan belastingen; eerste kolom, ETR= Effective Rax Rate) en de officiële belastingvoet ('nominal rate', tweede kolom).   In de oorspronkelijke studie vindt men ook resultaten voor niet EU-landen. In de meeste gevallen betalen de ondernemingen in de praktijk minder, zelfs véél minder, dan het officieel tarief. Duitsland belast nominaal 30%, maar na alle vrijstellingen en uitzonderingen is het slechts 20% van de winst die als belasting geïnd wordt. In België is het verschil nog meer uitgesproken: 14% in plaats van het officiële tarief van 34%. Nederland doet nog 'beter': 10% in plaats van 25%. Luxemburg spant de kroon: 2% in plaats van 29%.  Merkwaardig: de landen van de 'periferie' die het zwaar te verduren kregen tijdens de financiële crisis innen op de multinationals belastingen  die dichter aanleunen bij het officieel tarief. Noteer dat allerlei kortingen (bv. op sociale zekerheidsbijdragen) en tegemoetkomingen van overheidswege, die in de praktijk vaak op belastingsgeld teren, niet in deze berekeningen betrokken zijn.   In een aantal gevallen ligt de effectieve belastingvoet merkwaardigerwijs hoger dan de officiële (Griekenland, Roemenië, Ierland). Dit heeft volgens de auteur (p. 14) o.a. te maken met veranderingen in de nominale aanslagvoet in de loop van de periode 2011-2015; ook is het niet zo eenvoudig om betrouwbare gegevens te bekomen over bedrijven die in diverse landen actief zijn. (hm)

Moedige Microsoft-werknemers verdienen steun en navolging

24/02/2019 - 16:35

Eind november 2018 haalde Microsoft een contract ter waarde van 480 miljoen dollar met het Amerikaans leger binnen; het gaat om de levering van prototypes van zogenoemde augmented reality headsets. Via een dergelijke headset krijgt een persoon additionele informatie over de situatie om hem heen. Deze ‘toegevoegde realiteit’ kan bijvoorbeeld bestaan uit infraroodbeelden die onze zintuigen niet waarnemen, of holografische (3D) beelden, gesuperponeerde geuren of geluiden enzovoort; ook het weglaten van informatie behoort tot de mogelijkheden. Dergelijke technologie kan leuk (en duur) speelgoed opleveren, en het is in deze optiek dat Microsoft zijn HoloLens ontwikkelde. Er kunnen ook nuttiger toepassingen op gebaseerd worden, die je bijvoorbeeld helpen piano te spelen, of een chirurg allerlei bijkomende informatie verschaffen over het lichaamsdeel dat onder het mes ligt. Maar ook de militairen zien er nieuwe mogelijkheden in, of wat dacht je? Het IVAS-contract (‘Integrated Visual Augmentation System’) dat Microsoft binnenhaalde gaat over het “snel ontwikkelen, testen en produceren van een uniek platform waarmee soldaten kunnen vechten, oefenen en trainen, en dat bijdraagt tot de dodelijkheid [increased lethality], mobiliteit en kennis van de omgeving, nodig om het te halen op onze huidige en toekomstige vijanden.” Natuurlijk zei het bedrijf van filantroop en wereldverbeteraar Bill Gates niet neen tegen deze opportuniteit, maar een aantal werknemers van Microsoft doet dat wel! In een open brief, gedateerd 23 februari en gericht aan Satya Nadella (CEO van Microsoft) en Brad Smith (voorzitter) schrijven ze:   “Wij zijn een wereldwijde coalitie van Microsoft-werknemers en we weigeren technologie te creëren voor oorlogsvoering en onderdrukking. We zijn gealarmeerd door het feit dat Microsoft werkt aan het leveren van wapentechnologie aan het Amerikaanse leger, en de regering wil helpen bij het "verhogen van de dodelijkheid" met behulp van de instrumenten die wij ontwikkeld hebben. We zijn niet in dienst getreden voor de ontwikkeling van wapens, en wij eisen een stem in de manier waarop ons werk wordt gebruikt.”   Ze eisen verder dat Microsoft het IVAS-contract schrapt, zich niet meer engageert voor de ontwikkeling van wapentechnologie en daarover een beleidslijn opstelt, en een extern, onafhankelijk ethisch comité in het leven roept dat gemachtigd is om deze beleidslijn te doen naleven. Ze leggen zich niet neer bij de suggestie van voorzitter Brad Smith dat werknemers die zich niet lekker voelen bij dit soort ontwikkelingen een opdracht kunnen zoeken in een ander departement dat daar niet bij betrokken is. “Veel ingenieurs hielpen bij de ontwikkeling van HoloLens”, schrijven ze, en ze dachten dat er nuttige dingen zouden mee gedaan worden. “Maar nu hebben deze ingenieurs de keuze niet meer om te beslissen waaraan ze werken, en ze voelen zich betrokken als oorlogsprofiteurs”. Minstens 100 Microsoft-werknemers hebben de brief al ondertekend, aldus recode. Is dat geen buitengewoon verheugend nieuws? Is het niet hartverwarmend en hoopgevend dat goedbetaalde ‘nerds’ verzet aantekenen tegen de ‘winst vóór alles’  in het hart van een kapitalistische spitssector? Dit moedig en zeer terecht initiatief verdient massale steun vanuit de Europese vakbonden en vredesbeweging. Microsoft zou ertoe moeten gedwongen worden om af te zien van hand- en spandiensten aan de militairen, al was het maar omdat de wereld geen bloedsoftware meer willen kopen. De beste solidariteit is echter hier in Europa en in eigen land de strijd aan te gaan tegen de toenemende militarisering. De Europese Unie zelf gaat op een angstwekkende manier dit pad op [note] Zie o.a. De EU militariseert verder: het Verdrag van Aken, Europese wapenindustrie hoeft echt geen subsidie, Is de EU vredelievend?  [/note]. Ook bij vakbonden speelt te vaak het tewerkstellingsargument een doorslaggevende rol; de aanwezigheid van Belgische FN-wapens in Jemen zou nochtans tot nadenken moeten stemmen in een Waals overheidsbedrijf waar vakbonden véél meer te zeggen hebben dan bij Microsoft. Het kan anders, dat bewezen Duitse vakbondsmilitanten die in 2018 met succes een resolutie voorstelden op het congres van de Deutsche Gewerkschaftsbund tegen de NATO-eisen voor hogere defensieuitgaven en tegen Duitse wapenexporten. Maar in de toekomst zal veel ruggengraat nodig zijn om in te gaan tegen de militaire ambities van de EU; argumenten van vredehandhaving, tewerkstelling, welvaart en zelfs het tegenhouden van de ‘immigratievloedgolf’ zullen aangewend worden om de publieke opinie warmte maken voor hogere militaire budgetten. Dat moet ten allen prijze belet worden! Aux armes, citoyens, contre les armes!   (hm)

De EU militariseert verder: het Verdrag van Aken

20/02/2019 - 15:33

door Gerrit Zeilemaker 20 februari 2019   In een eerder artikel op Ander Europa noemde ik de vredelievendheid van de EU een hardnekkige mythe. Hoewel het met horten en stoten gaat, militariseert de EU verder. Op 22 januari jl. werd het Frans-Duitse Verdrag van Aken getekend. Het plein voor het raadhuis waarin de ondertekening plaats vond was door de politie afgezet. Het dragen van gele hesjes is verboden. De ondertekening door Merkel en Macron kwam er 56 jaar na het Élysée-Verdrag waarmee de Duitse bondskanselier Adenauer en de Franse president de Gaulle op 22 januari 1963 de zogenaamde ‘erfvijandschap’ tussen Duitsland en Frankrijk beëindigden. Kanselier Merkel, ondertussen een 'lamme eend', ontmoette een ontgoochelde schuimklopper, want Macron staat zoals bekend met zijn rug tegen de muur in de binnenlandse politiek. Volgens het Verdrag van Aken zullen Parijs en Berlijn in de toekomst nauwer afstemmen voor grote Europese bijeenkomsten en elkaar op allerlei vlakken consulteren. Voorts zullen ze een Frans-Duitse economische invloedssfeer, een soort ‘kern-Europa’, creëren met een Raad van economiedeskundigen met tien ‘onafhankelijke’ experts. Een typisch neoliberale constructie.   Militaire samenwerking Maar in het Verdrag van Aken gaat het ook, en niet in de laatste plaats, om de militaire samenwerking en ontwikkeling van gemeenschappelijke regels voor wapenexporten. Zo heeft Duitsland een tijdelijke (!) exportstop op de levering van wapens aan Saoedi-Arabië afgekondigd, terwijl Frankrijk wapens aan Riad blijft leveren. Beide landen spraken af elkaar bijstand te verlenen in het geval van een gewapende aanval op één van beide landen, ook met militaire middelen. Voorts spreken Duitsland en Frankrijk af samen te streven naar een permanente zetel voor Duitsland in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Hier wordt voorbijgegaan aan het feit dat de Duitse minister van Financiën, Olaf Scholz (SPD), onlangs had geëist om de permanente zetel van Frankrijk met het bijbehorende vetorecht met Berlijn te delen. Parijs peinst er echter niet over om iets te geven op een gebied waar het nog steeds superieur is aan de Duitsers. Hetzelfde geldt voor de Franse nucleaire raketten - in Duitsland wordt opnieuw vrolijk gespeculeerd over "nucleaire participatie" [note] Peter Wahl, Junge Welt, Trostpflaster für Macron  [/note]. In NRC van 18 januari jl. noemt commentator Michel Kerres de plannen voor defensie en buitenlands beleid ‘pikant’. Volgens hem “komt er een Frans-Duitse  veiligheidsraad die Europa slagvaardiger moet maken. De twee landen denken aan gezamenlijke militaire missies, het gezamenlijk opleiden van militairen en gezamenlijke ontwikkeling van nieuwe wapensystemen. Er wordt al gewerkt aan een Frans-Duits gevechtsvliegtuig, een Frans-Duitse drone ligt in het verschiet. De  voornemens zijn afgestemd met Europese partners. Het is weer een stapje op weg naar Europese zelfstandigheid. Het is vooral verheugend dat Duitsland, na een verhoging van de defensiebegroting, [note] een verhoging van 43 miljard naar 60 miljard euro [/note] nu weer meer ‘verantwoording’ wil nemen op het gebied van hard power, aldus Kerres.   Geniepig propagandaoffensief De term ‘verantwoording’ is precies de term die de Duitse bondspresident Joachim Gauck op een veiligheidsconferentie begin 2014 in München gebruikte. “Duitsland is te groot om de wereldpolitiek van de zijlijn te becommentariëren.” Het propagandaoffensief om deze agressieve politiek mogelijk te maken is van een ongekende geniepigheid. Volgens Gauck zijn er in Duitsland “naast oprechte  pacifisten ook mensen die Duitslands historische schuld gebruiken om daarachter wereldvreemdheid en gemakzucht te verbergen.” De cultuur van ‘militaire terughoudendheid’ die gezorgd had dat Duitsland niet deelnam aan de oorlog in Irak en in Libië moest veranderd worden met het project: Nieuwe Macht – Nieuwe Verantwoording. De bekende publicist van het weekblad Die Zeit, Joffe, sprak instemmend van een verandering van een cultuur van terughoudendheid naar een ‘cultuur van oorlogsbereidheid’ [note] "eine Kultur von Kriegsfähigkeit" [/note]. Ook de voormalige minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer bekritiseerde het niet-deelnemen aan de oorlog in Libie. Fischer schaamde zich voor de vredeshouding van de regering uit SPD en Grünen en noemde het niet deelnemen aan de oorlog ‘een schandalige fout’ [note]  Jürgen Wagner, Deutschlands (neue) Großmachtambitionen,  IMI-online  [/note]. Zo kan je dus van stenengooier in het Parijs van ’68 tot bommenwerper in het Libië van 2014 worden! Het propagandaoffensief is opmerkelijk breed aangelegd. Het blijkt een aanstekelijk deuntje te zijn. Men buitelt over elkaar heen om ook een duit in het zakje te doen, zoals de politicoloog Terhalle die Duitsland aanraadt over nucleaire bewapening na te denken. Of  oud-defensieminister Volker Rühe (CDU) die daarentegen weer pleit dat Duitsland zorgt voor de sterkste conventionele strijdkrachten. De baas van de Münchener Veiligheidsconferentie, Wolfgang Issinger, vindt het slimmer als de EU eerst de eenstemmigheid afschaft en met gekwalificeerde meerderheden over buitenlandse vraagstukken beslist. Verder vindt hij een Europeanisering van de Franse nucleaire capaciteit een goed idee. “Wanneer de dure Franse nucleaire capaciteit uitgebreid moet worden, kan men niet verwachten dat de Fransen dat zelf betalen. Daarvoor moeten de andere meebeschermde EU-partners een dienovereenkomstige bijdrage leveren.”   Een leger voor Europa Pleidooien voor de militarisering van Europa kunnen ook in een vredesboodschap verpakt worden, met de onvermijdelijke verwijzing naar de Europese Unie als waarborg voor een Kantiaanse Eeuwige Vrede. Zo lanceerde een 'pluralistisch' gezelschap van SPD- en CDU-politici onder de eerbiedwaardige auspiciën van top-filosoof Jürgen Habermas een oproep [note] Time to wake up - We are deeply concerned about the future of Europe and GermanyHandelsblatt 25 oktober 2018. [/note] om te 'ontwaken'. Een goed half jaar voor de Europese verkiezingen worden we eraan herinnerd dat "wij onze manier van leven willen beschermen en rijkdom voor iedereen creëren. We willen dat Europa de democratie, mensenrechten en wereldwijde solidariteit hooghoudt in de strijd voor het behoud van natuurlijke hulpbronnen. Nu moeten we grote, krachtige stappen zetten. Doorgaan van crisis naar crisis, zoals we de laatste tijd hebben gedaan, brengt alles in gevaar wat we hebben bereikt.” En wat moeten we doen om dit te voorkomen volgens de six leading German thinkers? Dan moet, net als Wolfgang Issinger betoogt, “Europa de integratie van zijn buitenlands en veiligheidsbeleid verdiepen door over te schakelen op stemming bij meerderheid. Europa moet ook werken aan het doel van een gemeenschappelijk Europees leger.” En let even op de ‘logica’ in het volgende stuk tekst: “Op die manier zullen we veel meer militaire macht creëren zonder extra kosten. Omdat we niet langer geneigd zijn om oorlog tegen elkaar in Europa te voeren, hebben we geen nationale legers meer nodig. En aangezien de strijdkrachten van Europa niet tegen iemand zijn gericht, moet de oprichting van een Europees leger worden gecombineerd met initiatieven voor wapenbeheersing en ontwapening.” Dus om te doen aan wapenbeheersing en ontwapening moet je eerst zonder al te veel extra kosten militaire macht creëren. Dus eerst leveren we de nationale legers in voor een gemeenschappelijk Europees leger. Vervolgens schakelen we over naar stemming bij meerderheid in plaats van dat ieder land moet instemmen wat betekent, dat gezien de stemverdeling in het voordeel van de grote landen (een gekwalificeerde meerderheid), de kleine landen niets meer over hun defensie en veiligheid te vertellen hebben. De grote landen zijn dan vooral Duitsland en Frankrijk. Welkom in de wereld van Jürgen Habermas, ‘links’ filosoof en Friedrich Merz CDU-politicus, voorzitter van de raad van commissarissen van Blackrock en een loepzuivere neoliberaal [note] Blackrock is een financieel reuzenconcern waarvan onlangs nog de burelen in München doorzocht zijn op zoek naar bewijs voor deelname aan de cum-cum en cum-ex belastingzwendel. [/note].   Links voor ontspanning en vrede Wat is er mis met politieke en diplomatieke oplossingen gebaseerd op overleg om spanningen en oorlogen te vermijden? Wat is er mis met een vredespolitiek gericht op ontwapening en terugdringing van defensie-uitgaven? Niet met ronkende leuzen en lege verklaringen, maar gewoon stap voor stap gebaseerd op wederzijds vertrouwen en heldere verdragen, waarin partijen elkaar garanties bieden en elkaar ondersteunen. Spanningen afbouwen in plaats van legers opbouwen moet het uitgangspunt van linkse vredespolitiek zijn. Een Europees leger hoort daar beslist niet bij! De caricatuur van Merkel is het werk van Donkey Hotey, en geniet een CC 2.0 licentie. Ook de caricatuur van Macron is het werk van Donkey Hotey, en geniet eveneens een CC 2.0 licentie.

Laps, het Europees Parlement keurde weer een vrijhandels- en investeringsakkoord goed

14/02/2019 - 23:06

14 februari 2019 H. Michiel, Anne-Marie Mineur   Het Europees Parlement keurde op 13 februari een zoveelste vrijhandelsakkoord goed, deze keer met Singapore. Er is ook een 'investeringsakkoord' aan toegevoegd, om multinationals te beschermen tegen 'onheuse' behandeling door overheden, zoals nieuwe milieureglementering, sociale bepalingen, wetgeving ter bescherming van de volksgezondheid enzovoort, stuk voor stuk maatregelen die een risico kunnen betekenen voor de bestaansreden zelf van multinationals: de winst. Deze investeringsclausules waren vroeger bekend onder de naam ISDS, maar het schandalig partijdig karakter van ISDS (multinationals kunnen bij private rechtbanken miljardenboetes eisen van een land omdat het bijvoorbeeld wil ophouden met kernenergie, of de tabaksreclame wil beperken) stuitte op zoveel publieke verontwaardiging ("TTIP No!") dat de Europese Commissie zich genoodzaakt voelde om ISDS aan wat esthetische chirurgie te onderwerpen, waarna het als 'ICS' door het leven kon gaan.  Het vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Singapore gaat dus gepaard met een ICS-akkoord. Ook deze gescheiden werkwijze is een gevolg van het burgerprotest in de voorbije jaren. Een 'puur' vrijhandelsakkoord kan door de Europese instanties alleen onderhandeld en goedgekeurd worden (Europese Commissie, Raad, Parlement) en rechtsgeldigheid krijgen in alle lidstaten. Maar als er ook investeringsbepalingen, zoals ISDS of ICS, bij gemoeid zijn, moeten die door alle lidstaten goedgekeurd worden. Dat betekent nationale parlementaire 'bemoeienis', en zoals het (al te kortstondig) verzet in het Waals en Brussels Parlement tegen het vrijhandelsakkoord met Canada (CETA) bewees: dat zou de mooie plannetjes van de bedrijven kunnen in het gedrang brengen. De Commissie leerde haar les: investeringsakkoorden kunnen best apart voorgesteld worden, het vrijhandelsgedeelte blijft dan tenminste al buiten schot van de nationale (en eventueel regionale) parlementen. Dat rechtse partijen voorstanders zijn van nog meer vrijhandels- en investeringsakkoorden is logisch, het is een deel van hun neoliberale agenda. Dat ze daardoor ingaan tegen een heel deel van de publieke opinie kan hen weinig deren, want hun kiezers onderschrijven de neoliberale agenda, of geloven vooralsnog in de mooie verhaaltjes die daarover opgehangen worden ("meer handel, meer jobs, meer welvaart voor iedereen..."). Maar wat met het linkergedeelte van het politieke spectrum? Is het niet voor de hand liggend dat hier geen voorstanders te vinden zouden zijn? Dat hier een waterscheiding ligt tussen links en rechts? Dat is inderdaad deels het geval. In het geval van het huidige Singapore-akkoord, maar ook in diverse andere vrijhandels/investeringsakkoorden stemden op Europees vlak zowel radicaal links (fractie GUE/NGL) als groenen (fractie Greens/EFA) tegen. Maar de grootste 'linkse' fractie, S&D,  die van de sociaal-democraten? Dit zijn de feiten. Het vrijhandelsakkoord EU-Singapore werd goedgekeurd door een meerderheid geleverd door christendemocraten (Europese Volkspartij, EVP), liberalen (Verhofstadts ALDE), Conservatieven (ECR) en ... sociaaldemocraten (S&D). Nee, niet alle sociaaldemocraten waren voor, dat waren er 'maar' 95, 61 waren tegen, 10 onthielden zich, 22 namen niet deel aan de stemming. Ruwweg kan men zeggen dat tweederde voor was, waaronder sp.a-lid Kathleen Van Brempt; de Nederlandse PvdA-ers Jongerius, Piri en Tang waren tegen, evenals de Waalse PSers Bayet en Tarabella en de hele SPD-fractie.Het akkoord had verworpen kunnen worden als alle sociaaldemocraten opgedaagd waren, deelgenomen hadden aan de stemming en tegengestemd hadden. Het ICS-investeringsakkoord EU-Singapore werd goedgekeurd door een meerderheid geleverd door dezelfde krachten: EVP, ALDE, ECR en S&D. Bij de sociaaldemocraten waren er 100 voorstanders, 64 tegenstanders, 5 onthoudingen en 19 namen niet deel aan de stemming. Nu was Van Brempt tegen en Piri voor. Men staat ervan verbaasd dat een politieke familie als de Europese sociaaldemocratie, die zo zware klappen kreeg de voorbije jaren, doorgaat met de ondersteuning van het neoliberaal beleid, en geen lessen trok uit de toenemende ontevredenheid daarover bij steeds bredere lagen van de bevolking. Zelfs het instinct van electoraal zelfbehoud zou anders laten vermoeden. Om een beter inzicht te krijgen in dit politiek 'raadsel' gingen we te rade bij iemand die nauw betrokken is bij de Europese vrijhandelsdossiers: het Nederlandse Europarlementslid Anne-Marie Mineur, lid van de SP, aangesloten bij de radicaal linkse fractie GUE/NGL van het Europees Parlement en lid van de parlementaire commissie Internationale Handel (INTA). We vroegen haar hoe het eraan toegaat onder ter linkerzijde als zoiets als het Singapore-akkoord tot stand komt.  

Anne-Marie Mineur

"Als er gestemd moet worden over vrijhandelsverdragen, zijn de lijnen op de linkerflank vrij goed te voorspellen. De confederale fractie van Verenigd Links / Noords Groen Links — verenigd onder de onbegrijpelijke afkorting GUE/NGL — stemt vrijwel unaniem tegen; de Groenen stemmen in ruime meerderheid tegen; en de sociaaldemocraten, S&D, stemmen hopeloos verdeeld. De argumentatie bij GUE/NGL valt samen te vatten als de strijd tegen de multinationals die winst boven alles laten gaan en zo min mogelijk last willen hebben van regels en wetten. Dat komt neer op een strijd vóór mensenrechten, vakbondsrechten, consumentenbelangen, milieu en transparantie. De focus bij de Groenen ligt, niet verbazend, bij de groene thema’s en dan met name het Klimaatakkoord van Parijs, en beide groepen verzetten zich tegen de speciale tribunalen voor buitenlandse investeerders, het zogeheten ISDS (Investor to State Dispute Settlement).

Wat de sociaaldemocraten beweegt, is moeilijk te zeggen. Sommige Europarlementariërs zijn behoorlijk links, anderen zijn behoorlijk groen, en de meesten zijn niet anders dan neoliberaal te noemen. Zij gaan mee in het frame dat economische groei en banen voorop staan, en dat het perspectief van de ondernemer daarom leidend moet zijn. Waarom daarvoor de rechten van vakbonden, consumenten en het milieu moeten wijken, kun je je afvragen, maar gevolg is wel dat tweederde van de sociaaldemocraten instemt met verdragen die overduidelijk in het belang zijn van multinationals.

Het laatste vrijhandelsverdrag waarover gestemd werd, was het verdrag met Singapore. Dit verdrag — na de uitspraak van het Europese Hof van Justitie uit 2017 opgeknipt in een handelsdeel en een investeringsdeel — was in handen van rapporteur David Martin, een Schotse Europarlementariër die een fervent voorstander is van het verdrag. Hij verwacht dat de afspraken met Singapore veel goeds zullen brengen, en ziet de voormalige Britse kolonie als een springplank voor de rest van het Asean-gebied. Zijn enige bezwaar was het feit dat er geen eisen worden gesteld aan de buitenlandse investeerders, wanneer die een claim zouden indienen tegen een regering om hun ‘legitieme winstverwachtingen’ veilig te stellen.

Vanuit GUE/NGL en de Groenen was de rij bezwaren daarentegen niet van de lucht. De eisen voor de buitenlandse investeerders was nog maar het begin, voor zover de ISDS-paragraaf niet überhaupt wordt afgewezen.  Groenen-lijsttrekker Ska Keller denkt dat een multilateraal investeringshof een goed alternatief kan zijn voor zowel ISDS als ook het Investment Court System, de gebotoxte variant van ISDS die gekozen is in het verdrag met Canada, CETA, en die ook in het Singapore-verdrag is overgenomen. GUE/NGL daarentegen gelooft helemaal niet in deze klassenjustitie, maar pleit vooral voor een VN-verdrag dat juist het bedrijfsleven moet binden aan mensenrechten.

Beide groepen wezen er ook op dat dit verdrag ook overheidsobligaties openstelt voor buitenlandse investeerders. In het geval van een nieuwe economische crisis — die er volgens sommigen onvermijdelijk aan zit te komen — kunnen deze investeerders eventuele schuldsaneringen blokkeren. Daarmee komen dergelijke schuldsaneringen terecht op de schouders van de belastingbetaler.

En dan is er nog de lange lijst met zorgen over bijvoorbeeld de mensenrechten, de vakbondsrechten en de milieuwetgeving in Singapore, alsook de gebrekkige transparantie en het feit dat Singapore hoog op diverse lijstjes staat van belastingparadijzen. De sociaaldemocraten staan er niet best voor in de peilingen. Als linkse Europarlementariër zou ik wellicht blij moeten zijn dat de concurrent het zo slecht doet. Maar liever zou ik zien dat onze analyses en idealen breder gedeeld werden, en dat we tegen deze vrijhandelsverdragen gezamenlijk ten strijde zouden trekken. De gevaren die opdoemen zijn er ernstig genoeg voor."

Westelijke Sahara: EU mag er vissen in troebele wateren

13/02/2019 - 15:47

Een maand geleden berichtten we dat er een akkoord in de maak was tussen de EU en Marokko, waarbij de EU zich het recht aanmatigde te gaan vissen voor de kust van de Westelijke Sahara, ten zuiden van Marokko. Dit land maakt weliswaar aanspraak op dit gebied, maar geen enkele instantie erkent deze claim, ook het Europees Gerechtelijk Hof niet, dat een verdrag met Marokko maar met aanspraken op gebieden van de Westelijke Sahara als indruisend tegen het internationaal recht bestempelde. Gisteren (12 februari) moest het Europees Parlement zich uitspreken over dit akkoord; het werd met een tweederdemeerderheid goedgekeurd (415 voor, 189 tegen, 49 onthoudingen)! Alleen radicaal links (GUE/NGL) en Greens/EFA stemden systematisch tegen. Van de sociaal-democraten (S&D) waren 88 voor, 65 tegen, 8 onthielden zich. Het visserijakkoord gaat gepaard met een verhoging van de subsidie van de EU aan Marokko, die stijgt van 40 miljoen € naar 52 miljoen. Dat democratie geen grote bekommernis is van veel Europese politici wisten we al, maar dat zelfs de internationale rechtsorde, het elementaire staatsrecht opzij geschoven worden als het om economische belangen gaat, dat is toch weer een stap verder. En wie er niet van houdt dat Afrikaanse 'economische vluchtelingen' naar Europa proberen te vluchten zou beter zijn handen afhouden van hun economische troeven. (hm)

Hongarije: bonden plannen nationale staking tegen Orbáns ‘slavenwet’

13/02/2019 - 11:09

Door Zoltán Pogátsa en Adam Fabry (*) 13 februari 2019   In Hongarije poogt de uiterst rechtse leider Viktor Orbán de werknemers meer overuren te laten presteren. De landelijke vakbonden zijn eindelijk van plan om in verzet te gaan.   Bij de uitbreiding naar het Oosten begin 2004 heeft de Europese Unie (EU) een aantal landen opgenomen die zo goed als geen welvaartstaat zijn, zwakke vakbonden hebben en waarvan de arbeidsmarkt sterk in het voordeel van het kapitaal geregeld is. Op zijn beurt heeft dit het Europese beleid op een bredere schaal beïnvloed, zodat ook de welvaartstaten in het westelijk deel van het continent ondermijnd werden. Hongarije is hiervan een extreem voorbeeld, een land dat bestuurd wordt door de autoritaire, etnisch-chauvinistische premier Viktor Orbán. Zijn regering combineert een oerconservatief nationalisme met een neoliberaal economisch beleid dat de arbeidsvoorwaarden van de werknemers ondergraaft. Maar dit leidde ook tot woedeuitbarstingen. Orbáns pogingen om meer overwerk op te leggen aan de arbeiders hebben in de voorbije weken het grootste massaprotest veroorzaakt dat zijn regering ooit kende [Orbán is premier sinds 2010]; de vakbonden plannen een algemene staking als die maatregelen niet ingetrokken worden. Dat zou een stap zonder voorgaande zijn in de recente geschiedenis van Centraal-Europa, waar het lidmaatschap van vakbonden laag is en in dalende lijn gaat. Maar de strijd tegen Orbáns zogenoemde ‘slavenwet’ biedt de Hongaarse arbeidersbeweging ook een historische kans om terug op krachten te komen.   De ‘slavenwet’   Orbáns pogingen zijn een verderzetting van die van zijn voorgangers om het overwerk uit te breiden. Al in het begin van de jaren 90, bij de transitie van het ‘reëel existerende socialisme’ naar het neoliberale kapitalisme kon het overwerk tot 144 uren per jaar gaan. Sindsdien is die grens stelselmatig afgezwakt door regeringen van allerlei kleur, niettegenstaande automatisering en technologische vooruitgang arbeidskracht uitspaarde. [caption id="attachment_16294" align="alignleft" width="400"] Viktor Orbán op het congres van de Europese Volkspartij (EVP), 2014 [foto EVP, CC by 2.0 )[/caption]Orbán’s regering deed hier nog een schep bovenop en nam op 12 december 2018 een wet aan die bedrijven toelaat tot 400 uur overwerk per jaar te vragen (komend van 250 uur), terwijl de betaling aan de werknemers tot drie jaar kan uitgesteld worden. Deze wet, die in de volksmond de ‘slavenwet’ genoemd wordt, werd aangenomen zonder enige voorafgaande raadpleging van de vakbonden, en botst op langdurig verzet in brede sociale lagen. De vakbondsleiding denkt dat deze wet een onderdeel is van een geheime deal met de Duitse autobouwers, die bang zijn voor een gebrek aan geschoolde werknemers in een land dat steeds meer te maken heeft met een tekort aan arbeidskracht. Orbán zelf verdedigde de wet en zegde dat de ondernemers zelf ernaar gevraagd hadden. Maar geen enkel bedrijf is er voor uit gekomen dat het dit gevraagd heeft. Orbán heeft ook beweerd dat de wet in het voordeel van de werknemers is, dat ze daardoor meer kunnen verdienen, en minder geneigd zullen zijn om een job te zoeken in West-Europa. Maar Orbán heeft wel een probleem: niemand schijnt het eens te zijn met hem, behalve dan de meest toegewijde regeringsambtenaren, de ingehuurde papegaaien in de staatsmedia en de harde kern van het regerende Fidesz. Een recente poll van Policy Agenda gaf aan dat 83% van de beroepsbevolking tegen de slavenwet is.   Tekorten op de arbeidsmarkt   Lezers uit Zuid-Europa kunnen het vreemd vinden dat hier gesproken wordt over een tekort aan arbeidskracht, terwijl er in hun landen al meer dan een decennium een sterke werkloosheid is, in het bijzonder onder de jeugd. Maar in de zogenoemde Visegrád-landen (Tsjechië, Hongarije, Polen, Slowakije) die het economische hinterland van Duitsland vormen stelt het omgekeerde probleem zich: er is een tekort aan arbeidskracht. Een van de belangrijkste redenen daarvoor is dat veel arbeiders uitgeweken zijn naar de meer ‘ontwikkelde’ kapitalistische landen in West-Europa, op zoek naar betere levensomstandigheden. Deze trend kwam reeds op gang na de verandering van regime in 1989, maar versterkte zich na het begin van de wereldwijde economische crisis in 2008, die harder toesloeg in de post-socialistische economieën dan in de rest van de wereld. Wat Hongarije betreft verhuisden in de voorbije jaren zo’n 350.000 arbeidskrachten (8% van het totaal) naar het Westen, in het bijzonder naar Oostenrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Het geld dat ze naar hun thuisland sturen (‘remittances’) bedraagt nu 3% van het BBP, een netto geldstroom die samen met de 6% van het BBP ten gevolge van EU-subsidies van het cohesiefonds het Hongaars economisch ‘herstel’ onder het Orbán-regime heeft helpen tot stand brengen. Men kan het moeilijk een succes noemen als Hongarije een gemiddelde economische groei van 2,2% heeft terwijl er een inwaartse geldstroom is van 9% van het BBP uit externe bronnen. Maar de immigratie van Hongaarse arbeidskracht naar het Westen leidde ook tot een toenemende druk op de arbeidsmarkt, in het bijzonder voor geschoolde arbeidskrachten. In een recensie van Eurostat in juni 2018 kloeg 86,6% van de Hongaarse werkgevers in de industrie over tekorten aan geschoolde arbeiders. Een tweede reden voor het arbeidskrachttekort in Hongarije is het tewerkstellingeffect van de transfers in het kader van het EU- cohesiebeleid. Er wordt geschat dat in Hongarije deze arbeidsintensieve investeringen in de infrastructuur goed zijn voor 170.000 jobs. Daar bovenop heeft de regering grootschalige openbare arbeidsprogramma’s gelanceerd, die 200.000 à 220.000 mensen tewerkstellen. Deze programma’s hebben weliswaar de werkloosheidsstatistieken opgeschoond, maar een betrouwbare studie door de Hongaarse Academie van Wetenschappen stelt dat veel van deze jobs nutteloos zijn, en arbeiders van de ene vorm van werkloosheid naar de andere sturen. Daar komen nog de structurele ongelijkheden bij veroorzaakt door buitenlandse investeringen. De autoindustrie is daar een mooi voorbeeld van, een sector waar Hongarije een soort regionale voorbeeldleerling is geworden. Sinds 1981 is de autoindustrie een van de pijlers geworden van de Hongaarse economie. Tegen 2007 bedroegen de inkomsten uit deze sector 15,4 miljard € (meer dan 15% van het BBP). De grootste buitenlandse investeerder is Audi, in het land aanwezig sinds 1993 met een van de grootste Europese industriebedrijven in de noordwestelijke stad Györ, terwijl Mercedes in 2016 een nieuwe fabriek opende in de zuidoostelijke stad Kecskemét. En verleden jaar kondigde BMW de beslissing aan om een miljard euro te investeren in een nieuwe fabriek bij de noordoostelijke stad Debrecen. Samen met de toevoerbedrijven stelt de autoindustrie 270.000 mensen tewerk in het land. Op die manier zit Hongarije Slowakije op de hielen, de grootste per capita autoproducent ter wereld, en we komen ook in de buurt van de Tsjechische Republiek. In deze landen gaat het vooral over assemblagewerk met lage lonen, als uitbestede schakel van de vooral Duitse transnationale productieketens. Duitsland heeft sinds 1989 zwaar geïnvesteerd in deze landen omwille van hun geografische nabijheid tot de Europese kernlanden, de zeer zwakke vakbonden en de relatief lage arbeidskosten (een kwart van de Duitse in de Visegrád-landen). Bovendien heeft eerste minister Orbán, die vaak publiek te keer gaat tegen de Duitse ‘economische kolonisatie’, meer overheidssubsidies toegekend aan Duitse bedrijven (van Audi tot Mercedes en BMW en nog andere) dan alle voorgaande Hongaarse regeringen. Hij heeft ook ‘strategische partnerships’ getekend met multinationals als Coca Cola, General Electric en Microsoft, maar de inhoud ervan is een staatsgeheim. Deze buitenlandse investeringen hebben de resterende geschoolde arbeidskracht opgeslorpt in het centrum en het oosten van het land, en velen denken dat er nog een tekort zal zijn. Vandaar de overtuiging van de vakbonden dat het de Duitse automakers waren die vragende partij waren voor de slavenwet. Ze kunnen best een punt hebben. Alhoewel neoliberale commentatoren vaak beweren dat kapitalisme en democratie hand in hand gaan trekken investeerders zich niets aan van de autoritaire verglijding in het Hongarije van Orbán of het Brazilië van Bolsonaro (om twee van de sprekendste voorbeelden te noemen), zolang hun winst maar niet in het gedrang komt. Waarschijnlijk klinkt Orbáns slavenwet als muziek in de oren van vele buitenlandse investeerders, want ze weten dat dergelijke wetten nooit zouden aanvaard worden in meer ontwikkelde welvaartstaten zoals Duitsland. Men moet ook noteren dat de Hongaarse economie niet eens zou te maken gehad hebben met een gebrek aan arbeidskrachten indien Orbán’s regime gezorgd had voor een degelijke financiering van de onderwijs- en gezondheidssector. In de plaats daarvan opteerde hij voor het neoliberaal soberheidsbeleid voor de massa’s en de verrijking van een kleine loyale klasse van inlandse kapitalisten. Sinds 2010 zijn de overheidsbestedingen in onderwijs en gezondheidszorg aanzienlijk gedaald; die in de sociale bescherming lagen al onder het EU-gemiddelde vooraleer Orbán terug aan de macht kwam [hij was ook al premier van 1998 tot 2002] en die zijn sindsdien nog verminderd. Het gevolg is een ontzettende ontwaarding van het menselijk kapitaal in een land dat ooit prat ging op zijn intellect en vaardigheden.   Slapende reuzen   De parlementaire oppositie, gaande van het vroeger fascistische en nu nationaal-conservatieve Jobbik, de socialisten van de MSZP, tot de kleine groene (LMP, Párbeszéd) en liberale partijen (DK, Momentum), zijn verenigd in hun pogingen om de slavenwet te blokkeren. Temidden chaotische scènes in het Parlement werd het debat het zwijgen opgelegd, waarop parlementsleden van de oppositie het gebouw verlieten en opriepen voor straatbetogingen. In Boedapest kwamen er tienduizenden op straat, elders waren er kleinere betogingen. Die zijn nu wat op hun retour, maar de protesteerders roepen op voor een nationale staking. Daardoor ontstond een enorme druk op de vakbonden, die aangaven te voelen voor een nationale staking. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het lidmaatschap van de bonden is gedaald van 44% in 1995 naar 9% vandaag, een stuk lager dan het West-Europees gemiddelde van 34%, in dezelfde periode komend van 45%. In de Scandinavische landen liggen de cijfers wel hoger, maar in Hongarije zijn ze vergelijkbaar met de andere Visegrádlanden. Er is in vergelijking ook een gebrek aan ervaring met stakingen. In Hongarije was er geen algemene staking sinds de revolutie van 1956. Het hoeft dan misschien ook niet te verbazen dat een groot aantal werknemers zelfs niet vertrouwd zijn met het idee van een dergelijke actie. In scherp contrast met Zuid-Europa hebben de post-socialistische landen van de EU geen verleden van militante efficiënte vakbonden. Na Wereldoorlog Twee werden de vakbonden verlengstukken van de lokale communistische partijen, en sinds de neoliberale transformatie zijn ze er niet in geslaagd een echte maatschappelijke kracht te worden. Soms wordt gegrapt dat bonden lijken op de navel van de bijbelse Adam: niemand weet waarvoor die precies dient, maar je zou hem wel missen als ie er niet was... Maar in de voorbije jaren hebben de bonden wel aan kracht gewonnen. Veel vakbonden hebben hun corrupte leiders vervangen door nieuwe. Deze nieuwe generatie heeft een golf aan geslaagde stakingen georganiseerd, met aanzienlijke loonsverhogingen tot gevolg. Aldus stegen de gemiddelde reële lonen in Hongarije gedurende jaren al aan een tempo van 4 à 5% per jaar, en het minimumloon steeg verleden jaar met 15%. Deze ontwikkelingen hebben aangetoond hoe fout de mainstream neoliberale economen van het land waren, met hun eeuwige bezorgdheid over de mogelijke tewerkstellingseffecten van de permanente loonsverhogingen. Maar de toestand op de arbeidsmarkt verbeterde zelfs, met een toegenomen binnenlandse vraag waar de hogere lonen voor veel tussen zitten. Op weg naar een nationale staking zijn er in Hongarije ook veel lokale acties. De werknemers van de Mercedesfabriek hebben al een loonsverhoging binnengehaald van 35%, terwijl die bij Audi momenteel staken voor een verhoging van 18% en andere voordelen. De bonden in de openbare sector hebben ook aangekondigd dat ze nationaal zullen staken als de regering niet terugkomt op de slavenwet (maar die staking zou er pas zijn op 14 maart). De vakbondsleiders zijn het erover eens dat de ledenaantallen stijgen telkens er actie aangekondigd wordt. Hun collega’s in de Tsjechische Republiek hebben een gelijkaardige ervaring. Passieve bonden verliezen leden, actieve winnen er. Misschien dient Adams navel toch wel voor iets? (*) Dit artikel verscheen op 2 februari 2019 op de website van Jacobin onder de titel Viktor Orbán is finally under siege.De Nederlandse vertaling is van Ander Europa. Zoltán Pogátsa staat aan het hoofd van het Economisch Instituut aan de Universiteit van West-Hongarije. Hij is gespecialiseerd in de politieke economie van de Europese integratie. Zie ook zijn website. We publiceerden van hem eerder De oplossing voor Brexit ligt in Oost-Europa. Adam Fabry behaalde een doctoraat aan de Brunel Universiteit (UK). Hij is lid van de redactieraad van Journal of Contemporary Central and Eastern Europe en van Historical Materialism.

Voor Spaanse christendemocraten is extreemrechts salonfähig

11/02/2019 - 18:45

Ons pas gepubliceerde overzichtsartikel over extreemrechts in de EU heeft het onder andere over de vervagende grens tussen rechts en extreemrechts. De christendemocratische  Europese Volkspartij biedt onderdak aan het Hongaarse Fidesz van Viktor Orban, de Britse Conservatieven zetelen in dezelfde fractie als Alternative für Deutschland (AfD) en andere zeer rechtse partijen. Een nieuwe illustratie van de toenadering tussen rechts en extreemrechts was gisteren (10 feb) te zien in Madrid. Opgetrommeld door de PP (Partido Popular, christendemocraten), Ciudadanos (rechts liberaal, lid van Verhofstadts ALDE) en het extreemrechtse VOX kwamen 45.000 demonstranten (politiecijfer) protesteren tegen het 'verraad' van de sociaaldemocratische premier Pedro Sánchez (PSOE) die met de Catalaanse onafhankelijksbeweging wil onderhandelen.  VOX werd eind 2013 opgericht door misnoegde PPers, die hun partij te links vonden. De partij is tegen moslims, immigranten, feministen en abortus maar voor stierengevechten, deportatie van 'illegalen', herstel van de 'Spaanse eenheid door afschaffing van de autonome gemeenschappen etc. Sociaaleconomisch is VOX voor gespierd neoliberalisme, het programma van Marine Le Pen wordt zelfs te ‘links’ gevonden [note] Zie het (gratis beschikbaar) artikel van Vincent Scheltiens in Appache, [/note]. De drie genoemde partijen vinden elkaar ook in het bestuur van de autonome gemeenschap Andalusië. In deze traditioneel socialistische regio werd op 16 januari een nieuwe regering gevormd door PP en Ciudadanos, die in het regionaal parlement gesteund wordt door VOX. Een trieste 'primeur', want het is voor de eerste keer sinds de dood van dictator Franco (1975) dat extreemrechts weer een sleutelrol kan spelen in een regionaal parlement. (hm)  

De EU en Brexit: Project Angst

11/02/2019 - 13:41

door Gerrit Zeilemaker 11 februari 2019   Alom wordt de Brexit als een economische ramp gepresenteerd die werkloosheid en lege winkels zal opleveren, maar is dat eigenlijk wel waar? Zowel de Remain-aanhangers als de bureaucraten in Brussel schetsen een economisch armageddon. Foto’s van kinderen voor lege winkelschappen,  bezorgde ondernemers die aan beide zijden van het Kanaal pakhuizen huren om voor de Brexit over voldoende voorraad te beschikken. Ondertussen wachten de bureaucraten in Brussel hooghartig af en laten ter afschrikking van eventuele andere  afscheidingskandidaten premier May verder strompelen. Anderzijds probeert May de regie te houden en tijd te winnen, alles beter dan vervroegde verkiezingen. Zal er een economische ramp plaatsvinden? Ik denk dat het wel mee zal vallen. Laten we eens een aantal feiten op een rijtje zetten. Eén van mijn favoriete economen, de Britse marxist Michael Roberts, concludeerde al vlak voor het referendum in 2016 waarin de Britten leave stemden  eenvoudigweg: “Of de Britten al dan niet (uit de EU, GZ) willen vertrekken, is relatief klein bier in vergelijking met het groeiende risico van een nieuwe economische wereldcrisis. Dat heeft veel grotere gevolgen voor het Britse volk dan een Groot-Brittannië dat de EU verlaat.” [note] https://thenextrecession.wordpress.com/2016/03/24/brexit-stay-or-leave/ [/note] Inderdaad het verlies van inkomen per persoon als gevolg van de crisis van 2008 en zijn nasleep was voor de Britten in 2016 al zo’n 14%. De economische gevolgen van de Brexit worden in een onderzoek tussen een afname van 2,2% bruto binnenlands product (BBP) en een toename van 1,6% geschat. Het meest realistische scenario wordt tussen de -0,8% en +0,6% BBP geschat. In 2030! [note] https://openeurope.org.uk/intelligence/britain-and-the-eu/what-if-there-were-a-brexit/ [/note] Wel is het zo dat de aanhoudende onzekerheid leidt tot aarzeling bij Britse ondernemer om te investeren en voor buitenlandse investeerders om Britse financiële activa aan te houden, waardoor de waarde van de Britse pond met meer dan 20% daalde. Dit betekent dat de Britse export wel goedkoper is, maar de import duurder wat de inflatie aanjaagt. Ondertussen daalt het reële BBP van 2% per jaar naar 1,5% per jaar en kruipt de industriële productie voort met 1%. De reële loongroei verdween en is nu zeer zwak. Hoewel Roberts zich niet uitlaat over de verschillende mogelijke ‘deals’,  zoals ‘hard’, ‘soft’ of ‘no deal’ spreekt hij in zijn analyses van een ‘managed’ no-deal, scenario waarin de twee kanten zoeken naar een zo minimaal mogelijke ontwrichting van de economie. Nieuwe onderzoeken voorspellen dat zo’n scenario slechts zal leiden tot een pauze in de economische groei in 2019 en een korte daling van het BBP van 1% in 2020. Lange termijnonderzoeken van reguliere economische instituten als de Bank of England en de overheid rekenen met een geaccumuleerd verlies van het reële Britse BBP voor de komende vijftien jaar tussen de 4 tot 10% door het verlaten van de EU. Dat is een verlies van 3% van het BBP per persoon, wat overeenkomt met ongeveer £ 1.000 per persoon per jaar. “Maar welke ‘deal’ ook gemaakt wordt, het betekent niet dat het Britse BBP de komende tien á vijftien jaar ook daadwerkelijk zal dalen. De Britse economie zal over tien jaar niet kleiner zijn als het de EU verlaat, maar ze zal langzamer groeien,” concludeert Roberts.  

In de aanloop naar de Europese verkiezingen – Deel 4: Extreemrechts in de EU

10/02/2019 - 16:57

door Herman Michiel 10 februari 2019   In deze reeks “In de aanloop naar ...”  brengen we een beknopt overzicht van wat in de voorbije 4 à 5 jaar gebeurde in de Europese Unie op een aantal belangrijke gebieden. Het relaas is in de eerste plaats beschrijvend, bedoeld om ons geheugen wat op te frissen. Het moet ons beter toelaten de standpunten te beoordelen die partijen innemen tijdens de Europese verkiezingen. In deel 4 gaat het over extreemrechts, vanuit het vrij enge perspectief van verkiezingsresultaten bij de Europese verkiezingen, zetels in het Europees Parlement, samenwerking in Europese fracties. Zeker, de macht in de EU ligt niet in de handen van het Europees Parlement, maar successen bij de Europese verkiezingen zijn niet alleen een barometer, maar versterken ook de slagkracht van extreemrechts in de nationale arena, leiden meestal tot een verrechtsing van het centrum, leveren prestige, contacten en ... Europese subsidies op. Redenen genoeg dus om het beest in de ogen te zien.   [caption id="attachment_16271" align="alignleft" width="450"] V.l.n.r.: Salvini (Lega Nord), Vilimsky (FPÖ), Le Pen (FN), Wilders (PVV) en Vanhecke (VB) op 28 mei 2014, vlak na de Europese verkiezingen.(Foto Flickr, CC licentie )[/caption] Het lijdt weinig twijfel dat extreemrechts er de voorbije vijf jaar op vooruit gegaan is in de Europes Unie, en de kans is groot dat die vooruitgang ook zal blijken bij de Europese verkiezingen van mei. Maar om niet in het ijle te praten zouden we eerst nader moeten omschrijven wat we in de EU onder ‘extreemrechts’ verstaan. Dat is vandaag minder eenvoudig dan twintig, zelfs tien jaar geleden. Toen twijfelde er niemand aan dat het Franse Front National of het Vlaams Blok extreemrechts was. Ook vandaag weet men meteen waartoe groepen zoals het Griekse Gouden Dageraad behoren, gezelschappen  waarin de Hitlergroet een beleefdheidsformule is. Op Europees vlak vond men dit soort partijen meestal terug onder de ‘Niet Ingeschrevenen’, de Non Inscrits (NI), d.w.z. partijen die samen te zwak waren, of het niet eens werden, om een ’groep’ te vormen in het Europees Parlement en op die manier van financiële en administratieve voordelen te genieten. De ECR daarentegen, de European Conservatives and Reformists was de fractie rond de Britse Conservatieve Partij (Tories), rechts, ongetwijfeld, maar op hun gering enthoesiasme voor de Europese gedachte na niet zo erg verschillend van die andere rechtse groepering, de Europese Volkspartij (EVP, EPP in het Engels). EVP en ECR waren allebei gewoon rechts, punt.   Rechts opent de poorten voor extreemrechts... Maar zie, vandaag (en ... tot 29 maart?) bestaat die ECR niet alleen uit de Britse Tories maar ook de nieuwe formatie Alternative für Deutschland behoort ertoe, de Poolse PiS (‘Recht en Rechtvaardigheid’) van de aartsreactionaire Jaroslaw Kaczynski, de Ware Finnen’ en de Deense Volkspartij, stuk voor stuk xenofobe, ultranationalistische reactionaire partijen die men toch al vlug als uiterst rechts bestempelt. Dat wil niet automatisch zeggen dat de Tories, de partij van Theresa May, nu ook uiterst rechts is, maar er zijn grenzen verlegd, taboes doorbroken. Als extreemrechts zich mag ophouden in het gezelschap van deftig rechts wordt het zelf deftig. De reden voor dergelijke toenadering is niet alleen van ideologische aard, ze is ook zeer praktisch. Daar zijn voor een groot deel de procedures voor verantwoordelijk die het Europees Parlement hanteert om een politieke ‘groep’ of ‘fractie’ als dusdanig te erkennen. Men moet op zijn minst 25 Europarlementsleden (‘MEPs’) bijeenbrengen afkomstig uit minstens een kwart (momenteel dus zeven) verschillende lidstaten. Officieel is de bedoeling van deze regel om tot meer Europese samenwerking te komen, om een Europees bewustzijn te scheppen en een Europees publiek politiek forum. Het resultaat is echter vaak nogal pervers. Zo behoorde de rechtse en allesbehalve ecologistische Vlaamse N-VA tijdens de legislatuur 2009-2014 tot de groene fractie in het Europees Parlement. De reden is simpel: je moet tot een groep behoren om als rapporteur in een parlementscommissie te kunnen optreden, om gesubsidieerd te worden voor de oprichting en werking van een Europese politieke partij, een think tank, een tijdschrift, of om met de fractievoorzitters mee de agenda te bepalen, enzovoort. Voor het goede begrip, de subsidies waarover we het hier hebben betreffen niet de wedden van de Europarlementariërs zelf, hun medewerkers en de administratieve kosten. Over de bedragen die uitgekeerd worden aan de erkende groepen voor hun politieke werking lopen de cijfers nogal uiteen. Een tabel van het Europees Parlement over subsidies aan Europese partijen toont aan dat het in ieder geval over vele miljoenen gaat (bv. bijna 7 miljoen € voor de EVP als politieke partij in 2016).  Euractiv meldde dat door de oprichting van het uiterst rechtse ENF rond Marine Le Pen en Geert Wilders (verder nog besproken) in 2015 er een subsidie gemoeid is van 17,5 miljoen € in de huidige legislatuurperiode. Volgens Le Monde (25 februari 2017) konden 6 rechtsnationalistische partijen in 2017 zeven van de vijftig miljoen euro incasseren die het Parlement jaarlijks voor de Europese partijen veil heeft. Zelfs al gedragen extreemrechtse partijen zich onderling soms als krabben in een krabbenmand, ze vinden elkaar wel degelijk als het op geld aankomt; een typisch extreemrechts fenomeen is dat trouwens niet.   ... en extreemrechts voor, euh, naief (?) rechts UKIP, de United Kingdom Independence Party, opgericht door de rabiate stokebrand Nigel Farage, trekt op Europees vlak samen op met de ‘Zweedse Democraten’, een heel ongepaste naam voor de Zweedse evenknie van het Vlaams Belang. Samen met UKIP behoren ze tot weer een andere groep in het Europees Parlement, de EFDD, ‘Europe of Freedom and Direct Democracy’.  Maar zie, ook de Italiaanse 5-Sterrenbeweging (M5S, ontstaan rond de ‘komiek’ Beppe Grillo) zit bij de EFDD. Naast een hoop antimigrantenretoriek ijvert die partij ook voor een vorm van basisinkomen, voor gratis ziekenzorg, tegen vrijhandelsverdragen. Dat Guy Verhofstadt vóór de toetreding van M5S tot EFDD geprobeerd heeft de 17 MEPs van M5S voor zijn liberale ALDE te winnen bewijst toch ergens dat er een aanzienlijk verschil is tussen de Vijfsterrenbeweging en bv. UKIP of de Zweedse Democraten. Maar die zitten dus nu samen in de EFDD.  Dat Grillo’s beweging een regering vormde samen met de Lega is alleszins een veeg teken.   Vervaagde politieke grenzen Het is dus minder vanzelfsprekend geworden om de vooruitgang van extreemrechts in de EU af te meten aan de stemresultaten van een aantal fracties, zoals de ECR, de EFDD, en het nog niet vermelde ENF (Europe of Nations and Freedom) waartoe het Vlaams Belang, de Nederlandse PVV, het Franse Front National (in juni 2018 herdoopt tot Rassemblement National) en de Italiaanse Lega Nord behoren. Niet alleen herbergen de traditioneel extreemrechtse Europese fracties een aantal partijen waar men dit etiket niet zonder meer kan opkleven (M5S), maar traditionele rechtse fracties zoals ECR bevatten nu ook extreemrechtse partijen; dat geldt ookj voor een ‘gewone’ rechtse fractie als de christendemocratische Europese Volkspartij, die onderdak biedt aan de partij van Viktor Orban, het Hongaarse Fidesz en Berlusconi’s Forza Italia, een partij met zeker ook gedeeltelijk extreemrechtse aanhang. De Beierse zusterpartij van Angela Merkels CDU, de CSU, behoort sinds jaar en dag tot de EVP, maar op het vlak van migratie is ze even rabiaat als Viktor Orban’s Fidesz, waarmee de CSU vriendschappelijke banden onderhoudt.   Wie zit waar? Maar laat ons toch eerst de genoemde partijen en fracties wat overzichtelijker in kaart brengen [note] Wie een gedetailleerder beeld wil verwijzen we naar de brochure Far-right parties and the European Union, a love-hate relationship, uitgegeven door de Rosa Luxemburg Stiftung, februari 2016 (verder aangeduid als “RLS brochure”) en geschreven door de politieke wetenschapper Thilo Janssen, sinds meer dan 10 jaar medewerker van de linkse fractie in het Europees Parlement. We hebben van deze studie dankbaar gebruik gemaakt voor het schrijven van dit artikel. Het aantal hieronder vermelde leden van een groep kan soms een paar eenheden afwijken van wat men elders vindt, dit tengevolge van eventuele latere bij- of uittredingen uit de fractie. [/note]. De hieronder vermelde fracties zijn deze die zonder veel discussie als ‘rechts van de Europese Volkspartij’ kunnen geplaatst worden: de ECR, de EFDD en de ENF. Om zich een idee te vormen over het belang van een fractie kan men hun zetelaantal vergelijken met het totaal aantal zetels in het Europees Parlement (751) en dat van de twee belangrijkste fracties (de EVP met 217 leden en de sociaaldemocratische fractie S&D met 190 zetels). De liberale fractie (ALDE) behaalde 64 zetels in de verkiezingen van 2014 , de Groenen 51, en radicaal links (GUE/NGL) 52. (Na de uittrede van de Britten zullen er nog 705 zitjes zijn.)   ECR: European Conservatives and Reformists De Britse conservatieven (‘Tories’) waren aanvankelijk lid van de ‘christendemocratische’ EVP, maar gewezen Brits premier en partijleider David Cameron kon zich niet langer vinden in het Europees enthousiasme van de EVP, en richtte voor de Europese verkiezingen van 2009 een nieuwe groepering binnen het Europees Parlement op, de ECR. Aanvankelijke partners waren het Poolse PiS (Recht en Rechtvaardigheid), hetTsjechische ODS (Vaclav Klaus) en kleinere partijtjes, maar vlak voor de Europese verkiezingen van 2014 traden andere rechtse krachten toe, waaronder de Deense Volkspartij, Alternative für Deutschland, de Ware Finnen, de N-VA van Bart De Wever (die twijfelde tussen ECR en de liberale ALDE van Verhofstadt), en de Onafhankelijke Grieken (ANEL, coalitiepartner van SYRIZA).Ook de Nederlandse ChristenUnie en de SGP maken er nu deel van uit [note] Zie de volledige lijst op Europa Nu. [/note]. De ECR werd aldus plots met 74 europarlementariërs de derde grootste fractie in het Europees Parlement.  Brexit zal voor de ECR wel een probleem stellen, want de Britse conservatieven leveren momenteel 19 zetels.   EFDD: Europe of Freedom and Direct Democracy  De voorloper van de EFDD was de EFD, met als kern Farages UKIP en de Italiaanse Lega Nord. In de periode 2009-2014, met 32 leden, hoorden daar ook nog de Nederlandse SGP, de Ware Finnen en de Deense Volkspartij bij. Rond de verkiezingen van 2014 leek deze fractie uit elkaar te vallen door het vertrek van een aantal partijen naar de ECR, maar uiteindelijk besloot de Italiaanse Vijfsterrenbeweging, M5S, haar 17 verkozenen bij de EFD te voegen, die omgedoopt werd tot EFDD. Nog in hetzelfde verkiezingsjaar 2014 beleefde de fractie een aantal wisselvalligheden door de terugtrekking van een enkele (Letse) verkozene, waardoor de groep minder dan zeven nationaliteiten telde en volgens de reglementering niet meer als groep kon erkend worden. Maar dan trad een enkele Poolse verkozene toe, en de voorwaarden waren opnieuw vervuld, het politiek vehikel kon opnieuw Europese subsidies krijgen… Latere uittredingen deden de groep krimpen tot de huidige 41 verkozenen. Ook de ene verkozene van Alternative für Deutschland hoort erbij; voor de volledige lijst, zie Europa nu. Het werkelijk politiek belang van een partij mag men natuurlijk niet alleen afmeten aan zijn vertegenwoordiging in het Europees Parlement. UKIP haalde bij de Europese verkiezingen van 2014 bijna 27% van de stemmen, M5S 21%, de Zweedse democraten bijna 10%.   ENF: Europe of Nations and Freedom Hier vinden we de bekendste vertegenwoordigers van extreemrechts terug: het Vlaams Belang, het Front National (nu Rassemblement National), de Lega Nord (omwille van zijn nationale ambities herdoopt tot Lega tout court), de Oostenrijkse FPÖ, samen goed voor 36 zetels. De helft ervan wordt bezet door leden van Marine Le Pen’s Rassemblement National, de Lega levert er vijf, Wilders PVV vier, het Vlaams Belang één. Voor de volledige lijst, zie Europa nu. ENF kon slechts het jaar na de verkiezingen van 2014 aan de subsidiëringsvoorwaarden  voldoen, als de Poolse KNP en een afvallig UKIP-lid zich bij de club aansloten; daar kwam naderhand nog een verlopen Roemeens lid van S&D bij.   NI: Niet Ingeschrevenen Zo worden Europarlementariërs genoemd die niet tot een of andere groep horen. Dat was vroeger meestal het geval voor extreemrechtse verkozenen, maar die hebben zich nu in diverse erkende parlementsgroepen kunnen groeperen, wat de vooruitgang van deze stroming illustreert. Het aantal NI’s vermeld door het Europees Parlement is 22, maar daar zijn zowel Jean-Marie Le Pen bij (door dochter Marine uit het FN geweerd), de ene verkozene van het neonazistische Duitse NPD als een verkozene van de Griekse communistische partij KKE.   Een kwart van de zetels   Als we nu het aantal zetels in het Europees Parlement behaald door ECR, EFDD, ENF en de extreemrechtse NI’s als indicator nemen voor de evolutie van deze stroming [note] Dus met inbegrip van de Vijfsterrenbeweging, maar zonder Fidesz of Forza Italia. [/note] kunnen we alleen vaststellen dat die er in de voorbije 20 jaar systematisch op vooruit gegaan is, zie Grafiek 1. In het huidig Europees Parlement bezetten ze 171 zetels, bijna een kwart van het totaal. [su_spacer] [caption id="attachment_16267" align="aligncenter" width="600"] Grafiek 1 : Percentage zetels behaald door extreemrechtse kandidaten in het Europees Parlement tijdens de 4 voorbije legislaturen. (uit de RLS-brochure blz. 8. )[/caption] [su_spacer] Men moet wel opmerken dat extreemrechts bij de Europese verkiezingen meestal een stuk beter scoort dan in nationale, o.a. als gevolg van het proportioneel stelsel dat meestal voor de Europese zetels gebruikt wordt. Dat is bijvoorbeeld te zien in Grafiek 2, waar de resultaten voor de nationale en de Europese verkiezingen van het Britse UKIP met elkaar vergeleken worden. [su_spacer] [caption id="attachment_16268" align="aligncenter" width="600"] Grafiek 2: Verkiezingsresultaten (%) van UKIP bij nationale (zwart) en Europese (rood) verkiezingen (RLS-brochure blz 33).[/caption] [su_spacer] Over wie hebben we het eigenlijk? We zegden het al: de grenzen tussen rechts en extreemrechts zijn vandaag minder gemakkelijk te trekken dan een jaar of 20 geleden. Traditioneel rechts (‘centrum rechts’) schoof naar rechts op en kwam zo deels op terrein dat voorheen als extreemrechts bestempeld werd. De verschuivingen zijn niet tot Europa beperkt [note] Zie bv. Michael Löwy, Uiterst rechts: Een wereldwijd fenomeen, in Grenzeloos, 10 januari 2019.   [/note], en een aantal recente ontwikkelingen zouden tien jaar geleden op ongeloof onthaald zijn. Steve Bannon, gewezen adviseur van de Amerikaanse president, verschijnt nu zij aan zij met Marine Le Pen en adviseert Europees extreemrechts om zich continentaal te verstevigen. Een aantal grote landen worden bestuurd door extreemrechtse fascistoïde regimes (Brazilië – 200 miljoen inwoners ­ onder Bolsonaro, de Filipijnen met 100 miljoen inwoners onder Duterte ...) . Een heldere analyse van wat er aan de hand is op het politieke terrein wordt ook bemoeilijkt doordat een aantal termen gemeengoed geworden zijn maar meer verhullen dan onthullen. Zo wordt er in de media en in politieke babbels vlot over populisme gesproken, dat dan in twee uitvoeringen bestaat, een rechts en een links; het is hetzelfde luie, ideologisch verre van neutrale samengooien van extreemrechts en radicaal links op de hoop van het extremisme. In de Europese Unie is daar nog een specifieke categorie aan toegevoegd: het euroscepticisme ; om het even of men de EU verwijt de markt boven het sociale te stellen, of dat Brussel de nationale identiteit vernietigt door de grenzen open te stellen voor volksvreemde elementen, men is ‘eurosceptisch’ [note] Het is jammer dat de term eurosceptic (en euro-hostile) herhaald voorkomt in de RLS brochure, zonder één maal te vermelden dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de noodzaak van samenwerking in Europees verband en de erkenning van de EU als geslaagde belichaming van zulke samenwerking. Zowel Nigel Farage als Costas Lapavitsas zijn ‘eurosceptisch’, maar er is een wereld van verschil tussen de twee. [/note]. De al dan niet gewilde begripsverwarring rond links en rechts extremisme, radicalisme, populisme of euroscepticisme wordt al heel wat opgehelderd als men zijn termen ietwat zorgvuldig definieert. Kijken we bijvoorbeeld bij Cas Mudde, een Nederlandse politoloog die zich toelegt op de studie van radicaal rechts [note] Mudde maakt ook een onderscheid tussen extreem rechts en radicaal rechts, maar we houden het hier bij een eerste begripsafbakening. Zie Public Seminar, 7 augustus 2018, The Electoral Success of the Radical Right in Europe. Voor het al dan niet fascistisch karakter van extreem rechts, zie Enzo Traverso, Fascisme en postfascisme in Grenzeloos, 5 februari 2019, [/note]. Radicaal rechts onderscheidt zich volgens Mudde van andere politieke families door drie karakteristieken: een nativistische ideologie, een visie op de maatschappij als bestaande uit het ‘volk’ enerzijds en een elite anderzijds, en ten derde een hang naar autoriteit, law and order. Nativisme betekent in deze context dat de belangen centraal staan van wie ‘hier’ geboren is, een ethnocentrische opvatting waaraan nationalisme en vreemdelingenhaat niet vreemd zijn, kort gezegd: “Eigen volk eerst”, of (Pegida) “Wir sind das Volk”. De tegenstelling volk-elite maakt ook deel uit van het populisme (een begrip dat natuurlijk ook nader omschreven wordt door Mudde, zie bv. Populism in Europe: a primer), en men vindt er bijvoorbeeld een linkse versie van in het beeld van de 99% versus de 1% zoals gelanceerd door de Occupy Wall-Street-beweging. Radicaal links daarentegen verzet zich tegen de ongelijke economische verhoudingen, die ze radicaal wil gewijzigd zien en komt op voor internationalistische solidariteit. Met het begrippenkader van Mudde (die nog een onderscheid maakt tussen extreem links en radicaal links op basis van de houding tegenover de liberale democratie) kan men het eens zijn of niet, maar het brengt ons toch al verder dan de tweedeling Europagetrouwen-eurosceptici. Maar ook dan blijft eigenlijk nog duidelijk dat een fenomeen als de Italiaanse Vijfsterrenbeweging zich niet gemakkelijk in een politologisch vakje laat stoppen; zie hierover een interview met Mudde in MO*.   Vooruitzichten?   Alhoewel deze reeks “In de aanloop naar de Europese verkiezingen” in de eerste plaats een terugblik wil zijn op de voorbije vijf jaar, toch iets over de vooruitzichten voor de komende jaren. Hoe ver zal extreem rechts doordringen in Europa? Wat de Europese verkiezingen en het Europees Parlement betreft is hun vooruitgang bijna een zekerheid, ook al zal UKIP na Brexit de scene verlaten (maar het Spaanse VOX is dan weer een nieuwe opkomende  extreemrechtse partij). Het sociaal-economisch beleid van de EU is verre van populair, en het verzet daartegen klonk nog het luidst vanuit de uiterst rechterzijde. Demagogie, kan men zeggen, de Lega-M5S regering in Rome heeft haar ‘foute’ begroting herschreven op bevel van Brussel. Maar de concurrentie aan de linkerzijde is beperkt; het beetje mea culpa dat nu soms vanuit sociaaldemocratische kant opgaat is weinig geloofwaardig, en ook radicaal links is er niet in geslaagd om zich als belichaming van een echt alternatief voor te stellen. De krachtsverhoudingen in het Europees Parlement zijn eigenlijk nog het minst belangrijk; extreemrechts zal ook na de verkiezingen niet in staat zijn de globale consensus van christendemocraten, sociaaldemocraten en liberalen te doorbreken, en op sociaal-economisch vlak zijn ze het fundamenteel eens met het neoliberaal beleid, getuige daarvan de meest rabiate rechtse ‘euroscepticus’ Viktor Orban met zijn ‘slavenwetten’. Ook Thilo Janssen meent in de RLS brochure (pag. 24) dat ENF, EFDD en consoorten gemarginaliseerd zullen blijven op belangrijke posities, zoals die binnen de parlementaire commissies. Ze kunnen wel van belang zijn op nationaal vlak, aldus Janssen, en het is via dat niveau dat de Raad van ministers en de Europese Raad bijeenkomen, de cenakels van het ‘intergouvernementeel’ Europa. Enzo Traverso denkt niet dat de EU kan overleven als extreemrechtse bewegingen in West- en Midden-Europese landen de volgende verkiezingen in de EU winnen; de EU zou “waarschijnlijk niet van de ene op de andere dag verdwijnen, maar de ineenstorting van de EU zou op de middellange termijn onvermijdelijk worden.”. Men kan daaraan twijfelen. Een consequent verzet tegen het economisch beleid is, zoals we reeds vermeldden, niet te verwachten. Het verzet tegen het (zeer bescheiden) Europees spreidingsplan voor asielzoekers zou toenemen, maar de steun voor het huidig beleid, versterking en militarisering van Frontex, zou alleen maar toenemen. Op het gebied van sociale rechten heeft de EU nu eenmaal ook geen voortrekkersrol die door een grotere invloed van extreemrechts in het gedrang zou komen. Wat betreft de rechtsstaat heeft de EU in Hongarije, Polen of Spanje ook niet bewezen orde op zaken te kunnen stellen. En de sterke regimes in Oost-Europa zijn de hevigste adepten van een versterking van de NATO en een anti-Russische politiek. Dat alles wijst eerder op een versterking van het EU-beleid dan van een bestrijding ervan. Het is vooral indirect dat een vooruitgang van extreemrechts zich op het Europese niveau zal laten gevoelen. In de betrokken lidstaten kunnen de gevolgen aanzienlijk zijn, op het gebied van werkersrechten, rechten van minderheden en immigranten, eventueel ook op het gebied van een ‘soevereine’ klimaatpolitiek met behoud van kolencentrales, uitbouw van kernenergie, enzovoort. De politieke conclusie van dit alles is dat de linkerzijde in Europa haar verantwoordelijkheid moet opnemen om een geloofwaardig alternatief te bieden. Of daar aanstalten toe genomen worden moeten we misschien in een andere bijdrage bespreken.  

Brochure over vrijhandels- en investeringsakkoorden

07/02/2019 - 13:20

transform! europe, het tijdschrift van de Partij van Europees Links, brengt een brochure uit over vrijhandels- en investeringsakkoorden. Er verschenen al veel brochures over specifieke akkoorden (TTIP, CETA ...) maar hier is het opzet om  een globaal inzicht te krijgen in de problematiek van dergelijke overeenkomsten, de politieke achtergrond ervan, de gevolgen voor democratie en sociaal beleid, de vele vrijhandelsonderhandelingen waarmee de EU nu bezig is. Er wordt bovendien aandacht besteed aan het verzet tegen dit soort akkoorden, en de successen die hier konden geboekt worden. De brochure bestaat in het Duits, Engels, Frans en Spaans (zie hier). De engelstalige versie kunt u downloaden door op de figuur te klikken (2,7 MB, PDF, 41 blz.)      

Pagina's