Borderless

25 April 2018

Ander Europa

Abonneren op feed Ander Europa
www.andereuropa.org
Bijgewerkt: 17 min 42 sec geleden

Solidariteit aan de ketting

6 uur 51 min geleden

In december 2016 lanceerde de Europese Commissie het idee van een Europese vrijwilligersbrigade, of European Solidarity Corps. Jongeren tot 30 jaar kunnen vrijwilligerswerk doen of “meewerken aan projecten die mensen en gemeenschappen helpen”.

Een groep Duitse jongeren had de Europese Commissie niet nodig om vanaf 2015 te werken aan een ambitieus project om mensen te helpen, sterker zelfs: om het leven van duizenden te redden. Om vluchtelingen voor de verdrinkingsdood op de Middellandse Zee te behoeden bracht de groep Jugend rettet  voldoende fondsen bijeen om een Nederlandse vissersboot aan te kopen en als reddingsschip te laten ombouwen. De IUVENTA voerde in 2016 en 2017 vijftien reddingsoperaties uit en redde naar eigen zeggen 14.000  mensen het leven.

Dit soort vrijwilligerswerk was echter niet naar de zin van de Italiaanse autoriteiten, en in bepaalde media werden de vrijwilligers als criminelen voorgesteld die hand- en spandiensten verleenden aan mensensmokkelaars. Italië eiste dat Jugend Rettet en andere gelijkaardige teams, zoals dat van Artsen zonder Grenzen, een ‘gedragscode’ ondertekenden, met o.a. de verplichting om gewapende politiemannen aan boord van het schip te laten.  Bij de weigering hierop in te gaan werd de IUVENTA in augustus 2017 door Italië aan de ketting gelegd.

Jugend rettet tekende hiertegen beroep aan, maar dat werd gisteren door het Hof van Cassatie in Rome verworpen. In een perscommuniqué kondigt de organisatie aan het hierbij niet te zullen laten, en te zullen nagaan of de zaak op Europees niveau kan gevoerd worden. (hm)

 

Waar zijn de tegenstanders van het militair Europa?

24/04/2018 - 15:39

In januari suggereerde Ander Europa een ‘goed voornemen’ om 2018 mee in te zetten: weet welk vlees je in de electorale kuip hebt!  Weet waar partijen voor staan, niet zozeer in hun propagandabrochures, maar in de feiten. We hadden het toen over de houding van Belgische en Nederlandse partijen bij de intenties van de EU om zich als militaire grootmacht te gaan uitbouwen. Specifiek ging het over een resolutie van het Europees Parlement waarin gepleit wordt voor een Europees budget voor militair onderzoek, waarin de uitvoer van wapens en munitie door EU-lidstaten benoemd wordt als “een onlosmakelijk bestanddeel van het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid van de EU“, en met de onvermijdelijke lofzang op het “strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO“.

Toen bleek dat alleen radicaal links en Groenen tegen dit militaristisch pamflet stemden; zoals de meesten van hun partijpolitieke familie stemden zowel de Vlaamse, Waalse als Nederlandse sociaaldemocraten voor…

In een recent artikel, Europees militair onderzoek leidt tot verdere militarisering van Europese grenzen, analyseert  Vredesactie  de belangenvermenging, het gebrek aan transparantie en het wanbestuur dat de Europese militaire plannen tekent. Dit belet niet dat de sociaaldemocraten geen enkele gêne voelen om met de rechtse krachten mee te stemmen en een nieuwe enveloppe van een half miljard euro aan de wapenindustrie ter beschikking te stellen. Zo steunde Kathleen van Brempt, sp.a en ondervoorzitter van de sociaaldemocratische fractie in het Europees Parlement, in de Commissie Industrie dit programma 1.

Het meeste vlees in de electorale kuip is dus sterk militaristisch gekruid, en ook de sociaaldemocraten willen de wapenindustrie met Europees geld stimuleren. Aan u de keus, kiezer! (hm)

En de Commissie, die vrijhandelde voort

19/04/2018 - 11:50

Wat burgers, vakbonden of consumentenorganisaties ook mogen inbrengen tegen het Europese vrijhandelsbeleid, de Commissie gaat onverstoord verder. Gisteren (18 april) meldde ze op een persconferentie de afronding van de vrijhandelsbesprekingen met Japan 1 en met Singapore.  Zoals men kon vermoeden bieden deze weer buitengewone voordelen “voor onze bedrijven en voor onze burgers”, en zullen duurzame ontwikkeling en strijd tegen klimaatopwarming er beter van worden…

Foto Campact

Het akkoord met Japan (JEFTA) is een “EU-only” overeenkomst, die enkel door de Raad en door het Europees Parlement moet goedgekeurd worden, niet door de lidstaten apart. De Commissie heeft haar les geleerd uit het (tijdelijk) “Waals verzet” tegen CETA, het handelsakkoord met Canada. Dit bevatte ook een investeringsgedeelte, dat via een uitzonderingsrechtbank (“ISDS”) buitengewone privileges toekent aan buitenlandse investeerders. Omdat dit ook onder de nationale bevoegdheid valt moest het akkoord ook door alle nationale parlementen, en in België ook door de regionale,  goedgekeurd worden. De Waalse PS heeft daar onder leiding van Paul Magnette een paar dagen spanning rond opgebouwd door te dreigen CETA niet goed te keuren. “Dat nooit meer!” heeft men bij de Commissie gezegd; het akkoord met Japan werd dus in twee delen gesplitst, het ene over de vrijhandel als dusdanig, een bevoegdheid van de EU alleen waar geen instemming van de lidstaten voor nodig is, en het andere over investeringsbescherming. Dit laatste wordt nu verder onderhandeld en zal nationaal moeten voorgelegd worden; maar het eigenlijk vrijhandelsakkoord kan nu aan de veilige handen van Raad en Parlement toevertrouwd worden. De Commissie hoopt op een spoedige afhandeling, zodat het reeds in 2019 van toepassing wordt en nog als trofee van haar huidig mandaat dient.
Een analyse door de linkse fractie (GUE) in het Europees Parlement vindt men hier.

Het akkoord met Singapore, dat over een heel wat kleinere markt gaat dan dat met Japan (maar ook gezien wordt als een toegang tot de ASEAN, waar Singapore met de Filipijnen, Indonesië, Maleisië en Thailand deel van uitmaakt), bevat wel een ISDS-clausule, en zal dus door de nationale (en eventueel regionale  parlementen van de EU-lidstaten moeten goedgekeurd worden.  (hm)

De permanente draaideur tussen Europese Commissie en de banksector

12/04/2018 - 13:04

Corporate Europe Observatory (CEO), de bekende ngo die onderzoek doet naar de invloed van bedrijfslobbys op het beleid van de Europese Unie (EU), publiceert vandaag (12 april) een rapport dat het drukke ‘verkeer’ in kaart brengt tussen de private financiële sector en het departement van de Europese Commissie dat toezicht moet houden op de financiële sector, het directoraat-generaal Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie (DG FISMA).

Het rapport, Financial regulators and the private sector: permanent revolving door at DG FISMA, is gebaseerd op doctoraal onderzoekswerk van Yiorgos Vassalos en opzoekingen door CEO zelf, en beslaat de cruciale periode 2008-2017 waarin de financiële crisis uitbrak en maatregelen moesten genomen worden. De studie illustreert dat men terecht kan spreken van een ‘permanente draaideur’ tussen de financiële sector en hooggeplaatste verantwoordelijken in de Europese Commissie. Het geval van gewezen commissievoorzitter Barroso die in 2016 zijn diensten aanbood bij Goldman Sachs is maar het topje van de ijsberg; voor het beramen van hun financiële spitstechnologie en om de reguleringen te vlug af te zijn, zijn banken vooral aangewezen op ‘technici’, en die vinden ze kant en klaar in het Berlaymontgebouw.

Zo stelt de studie vast dat een derde van het kaderpersoneel van DG FISMA voor de financiële industrie werkte alvorens Europees ambtenaar te worden, of naar deze industrie trok na DG FISMA te hebben verlaten. Vier van de vijf directeurs stapten over naar bedrijven of lobbyfirma’s ermee verbonden die ze voorheen moesten onder toezicht houden. 92% van de vergaderingen bij DG FISMA was met vertegenwoordigers van de financiële industrie. CEO stelt zich hierbij voorzichtig de vraag of hooggeplaatste ambtenaren al niet tijdens hun Brusselse periode rekening houden met hun verdere carrièreplanning, en geen maatregelen gaan voorstellen die een toekomstige werkgever zouden kunnen misnoegen.

Men hoeft niet noodzakelijk grote kennis van de financiële machinerie te hebben om een lucratieve functie te krijgen bij een bank. We vermeldden reeds Barroso’s overstap naar Goldman Sachs, maar een  hoop andere commissarissen vielen ook in de gratie van een of andere grote bank:

De ever closer union van het EU-propagandaboekje lijkt minstens op het vlak van de steeds nauwere banden tussen financiële en politieke elite een realiteit te zijn. (hm)

Boekvoorstelling: R. Schwok, “La construction européenne, contribue-t-elle à la paix? “

09/04/2018 - 00:07

Door Herman Michiel 8 april 2018   Sinds jaren vraag ik me af of het echt zou kunnen dat nog geen enkele professor, historicus, polemoloog [vredesonderzoeker] of europavorser nagegaan heeft wat er aan is van het ultieme argument ter verdediging van de Europese constructie: reeds 70 jaar vrede! Vrede is zo een kostbaar goed dat alle andere Europese mankementen, een democratisch ‘deficit’, teveel aandacht voor bankiers en ondernemers, te weinig sociale politiek, in het niets verdwijnen tegenover deze ultieme realisatie; helaas hebben de meeste Europeanen de Oorlog niet meer meegemaakt en kunnen ze dit onvoldoende naar waarde schatten. Hoe zeer ik de vrede ook koester, het argument heeft me om verschillende redenen nooit overtuigd, zoals ik hier en daar al aangaf [note] Zie bv. Vredesprijs voor een nobele Unie? (2012). [/note]. Kort samengevat zijn er twee vaststellingen die m.i. de vredesthese ondergraven. Enerzijds zijn er andere regio's in de wereld die niet of weinig aan 'integratie' doen, maar waar er ook al minstens 70 jaar geen onderlinge oorlogen meer voorkomen. Latijns-Amerika bijvoorbeeld; het ontbreekt er niet aan legers, ook niet aan wapens en militairen die niet aarzelen ze te gebruiken, maar het is dan in burgeroorlogen en militaire putschen tegen de eigen bevolking. Ja, er was de Falklandoorlog (1982), maar dat was tussen Argentinië en het Verenigd Koninkrijk, dat toen nota bene al 10 jaar lid was van de EEG. Of neem het weinig geïntegreerde Afrika van de 20e eeuw. Er is zeer veel bloed vergoten, maar niet in pprlogen tussen staten. Het was in het overgrote gedeelte van de gevallen door toedoen van een Europese koloniale aanwezigheid, of door interne conflicten waarin de koloniale erfenis een min of meer belangrijke rol in speelde. En daarmee heb ik eigenlijk al mijn tweede vaststelling aangestipt: de afschuwelijke ervaring van de Tweede Wereldoorlog, waaruit zogezegd de Europese integratie als vredesproject zou gevolgd zijn, heeft dezelfde generatie van politici die de ‘integratie’ op gang brachten er niet van weerhouden buitengewoon wreedaardige militaire operaties en regelrechte oorlogen te (laten) voeren. Het kan niet symbolischer: op 8 mei 1945, het eind van de wereldoorlog, doen Franse militairen in Algerije een betoging voor onafhankelijkheid uitmonden in een bloedbad, dat aan duizenden Algerijnen het leven kost; dat is maar het voorspel van de buitengewoon wrede Sétif-oorlog die nog tot 1962 zou duren en nog honderdduizenden Algerijnse doden zou eisen. Daarvóór, tot 1954, was het ook allesbehalve voor een vredesmissie dat het Franse leger in Vietnam opereerde alvorens het afdroop en de (napalm-)fakkel doorgaf aan de Amerikanen. De weerzin voor wapengeweld was ook niet sterk genoeg om Fransen en Britten ervan te weerhouden met de Israëli’s samen te spannen in een militaire operatie tegen Nasser, die het aangedurfd had het Suezkanaal te nationaliseren (1956). Troepen uit West-Europa ook  voor de Koreaanse “oorlog tegen het communisme” (1950-1953). De thesis dat de Europese leiders uit de Tweede Wereldoorlog kwamen met een sterke wil om oorlogen voortaan uit te bannen moet dus minstens gepreciseerd worden. Het motto was blijkbaar niet “Nooit meer oorlog!” maar “Nooit meer oorlog in West-Europa”. Belangrijk verschil! Ook de meest oorlogszuchtige regimes hebben van oudsher geprobeerd zoveel mogelijk hun eigen grondgebied van vernielingen te vrijwaren. Maar zelfs als het er alleen om te doen is je thuisland van calamiteiten te vrijwaren, moet je uitkijken naar wat er in je omgeving gebeurt. In de geglobaliseerde wereld van vandaag is je omgeving héél ruim, de oorsprong van de vluchtelingen op de Middellandse Zee is daar getuige van. Je kunt er  dus moeilijk buiten:  zelfs voor een ‘egoïstisch’ vredesproject gericht op het vrijwaren van de eigen omgeving is een globale vredespolitiek nodig. In deze optiek kan men zich vragen stellen bij de verantwoording voor het toekennen van de Nobelprijs van de vrede in 2012 aan de Europese Unie. Het luidde toen dat de EU de prijs kreeg “om reeds meer dan 60 jaar bijgedragen te hebben aan het vooruithelpen van vrede, verzoening, democratie en mensenrechten in Europa”. Men kan hier een impliciete erkenning in zien van de vaststelling dat de EU een verwaarloosbare rol speelt voor de vrede in de wereld buiten het continent, voor het oplossen van het Israëlisch-Palestijns conflict bijvoorbeeld, bij de permanente oorlogsdreiging in het Midden-Oosten, de blijvende ontwrichting van het Afrikaans continent, enzovoort. Het grote succes van de Europese integratie zou dus geweest zijn dat de twee ‘aartsvijanden’ Frankrijk en Duitsland na de Frans-Duitse oorlog (1870 – 1871) en de twee wereldoorlogen sindsdien op voet van vrede naast elkaar leven. Om hierin de prestatie van titanische dimensies te zien die men er van maakt  zou men aan de twee landen een uitzonderlijke wederzijdse vijandigheid moeten toeschrijven zonder weerga in de wereldgeschiedenis. Neem bijvoorbeeld Japan en China, waar tot op de dag van vandaag het wrede oorlogsverleden blijft opgerakeld worden en xenofobe gevoelens onder de bevolking blijft uitlokken. Maar er is al meer dan 60 jaar geen oorlog meer tussen de twee, er is een vredesverdrag, er zijn intense handelsbetrekkingen … maar geen ‘integratie’.   [caption id="" align="alignleft" width="215"] Presses polytechniques et universitaires
romandes, Lausanne, oktober 2016, 14,20€.[/caption] De vredestichtende rol van de EU lijkt me dus veel minder vanzelfsprekend dan meestal voorgesteld. Maar ik ben geen polemoloog, studeerde geen internationale betrekkingen en heb maar een beperkte kennis van de wereldgeschiedenis; misschien zie ik essentiële dingen over het hoofd? Ik voelde me dus meteen aangesproken toen ik op de recente Foire du Livre in Brussel een boekje zag met de titel La construction européenne – contrribue-t-elle à la paix? [Draagt de Europese constructie bij tot de vrede?] Een Zwitserse universitaire uitgever en een Zwitserse auteur, garandeert dat geen objectievere benadering dan wat al te vaak uit de departementen voor  European Studies  aan onze universiteiten komt ?  Prof. René Schwok, “co-director of the Master of Advanced Studies in European and International Security Studies” aan de Universiteit van Genève, 20 boeken op zijn naam, daar heb ik toch wel 15 € voor over! Ook de titel van het eerste hoofdstuk klinkt al veelbelovend: "Een afgezaagd thema, maar nog nooit bestudeerd" [note] Hier en verder, mijn vertaling uit het Frans. [/note], en hier staat het zwart op wit, uit de pen van een autoriteit (p. 9): "Iedereen benadrukt dat er een dialectisch verband is tussen de Europese constructie en de vrede. Maar al is dit thema alomtegenwoordig, geen enkele studie ontwikkelt een kritische reflectie hierover, toch niet in het Engels, Frans, Duits, Spaans of Italiaans." Aha, deze man schrikt er niet voor terug heilige huisjes in te trappen! Het eerste hoofdstuk kondigt ook aan hoe de auteur zal tewerkgaan. Hij onderscheidt twee kampen, de 'Europagezinden' (européistes) en de eurosceptici; het onderscheid moet in het kader van dit boek, in verband met de relatie Europese constructie/vrede, niet in de algemene betekenis begrepen worden (appreciatie van de Europese integratie, de Europese Unie als veelomvattend politiek project). Over vier kwesties zal hij in vier hoofdstukken het Europagezind en het eurosceptische standpunt uiteenzetten, en er telkens ook een persoonlijk oordeel aan toevoegen. In de volgende vier paragrafen synthetiseren we de belangrijkste argumenten die hierin voorkomen.   Was het verwerpen van de oorlog doorslaggevend voor het Europees project? Zoals men wel zal vermoeden antwoorden de Europagezinden volmondig ja op deze vraag; de Tweede Wereldoorlog was immers het bloedigste conflict ooit, en het is dus 'logisch' dat de Europese leiders het Oude Continent op een nieuwe basis wilden opbouwen. Ze waren er ook van overtuigd dat het nationalisme en protectionisme van de jaren '30 mee aan de basis lagen van de oorlog, vandaar hun voorkeur voor vrijhandel, maar ook voor herverdeling, met als synthese de 'sociale markteconomie', het Europees model. De eurosceptici merken vooreerst op dat de Europese stichtingsteksten het thema oorlog niet vermelden, en dat het pas met het verdrag van Maastricht in 1992 summier aan bod komt. Auteurs als Alan Milward en Tony Judt zien achter het integratieproject vooral een economische drijfveer; de 'realistische school' binnen de discipline van de internationale betrekkingen anderzijds ziet vooral de confrontatie tussen Oost en West, de beginnende Koude Oorlog, als achtergrond, wat een vlugge herintegratie van Duitsland in het Westers militair kamp veronderstelde. Het (mislukte) project van een Europese Defensiegemeenschap in 1950 toont ook al aan dat afschuw van de oorlog geen motivatie kon zijn voor de Europese plannen; integendeel, de Europese constructie moest de oorlog beter voorbereiden… Gesterkt met deze tegenstrijdige interpretaties geeft de auteur nu zijn visie. Laat het mij maar onmiddellijk zeggen: Schwok probeert in zijn eigen stellingnames de kool en de geit te sparen, en draagt weinig bij tot opheldering. Over de hier besproken kwestie zegt hij bijvoorbeeld (p. 32): De Europese integratie voorstellen als het exclusieve resultaat van het weigeren van de oorlog neigt soms naar een quasi-religieus propagandadiscours en moet genuanceerd worden. Maar ook (p.33): Vrees voor oorlogen en het nastreven van de vrede waren wel degelijk doorslaggevende factoren, maar ze mogen niet op een deterministische manier beschouwd worden. Met andere woorden, de Tweede Wereldoorlog heeft wel degelijk een rol speelt, maar er was geen enkel automatisme om de Europese integratie te lanceren. Dit neigt naar een spel met de woorden als 'exclusief', 'doorslaggevend', 'deterministisch', 'automatisme'… Ook in zijn verdere argumentatie blijft de auteur erg op de vlakte. "Als het enkel om een economisch project ging, waarom nam het dan deze vorm aan", vraagt hij zich af, en meent hiermee het economisch argument weerlegd te hebben. Enerzijds neemt hij de stelling over van de traumatische ervaring van de wereldoorlog als motivatie voor een anti-oorlogshouding, weliswaar met alleen retorische argumenten (" Het zou verkeerd zijn de impact ervan te relativeren"), maar dit blijkt dan toch weer verzoenbaar te zijn met de herbewapening en de reintegratie van Duitsland in het kader van de Koude Oorlog. Jean Monnet zou in de creatie van een supranationale controle de 'magische formule' gevonden hebben om uit het dilemma 'sterk of zwak Duitsland' te geraken. Schwok meent een synthese gevonden te hebben tussen de tegenstrijdige argumenten van Europagezinden en eurosceptici bij deze eerste onderzochte kwestie, maar zeer overtuigend is dit niet. Als we er toch iets bruikbaars moeten uit halen, is het misschien als volgt. De auteur nuanceert wel een beetje het vredesargument (het is niet het enige, het leidde niet automatisch tot Europese integratie, enz.) maar hij onderschrijft het wel. Maar voor dit laatste voert hij alleen maar de zeer traditionele, weinig wetenschappelijk onderbouwde argumenten aan over het oorlogstraumatisme. Mag men hieruit misschien besluiten dat er geen betere argumenten bestaan? Ik blijf dus op mijn honger zitten met allerlei vragen. Wilden de stichters van Europa de oorlog bannen uit de wereld of alleen uit hun eigen contreien? Hoe valt hun oorlogsweerzin te rijmen met de naoorlogse militaire uitbouw, die in het geval van Frankrijk en Groot-Brittannië zelfs met kernwapens gepaard ging? Kan men een breuk zien in hun diplomatiek optreden vóór en na de oorlog? Zagen ze in hun deelname aan de NATO ook een bijdrage aan de vrede?   Is de EU een waarborg voor de vrede in Europa? Op de oorlogen in ex-Joegoslavië van de jaren '90 na is er sinds meer dan 70 jaar vrede in Europa. Kan men dit op het conto van het Europees integratieproject schrijven? Ja, zeggende Europagezinden. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) plaatste de mogelijkheid voor wapenproductie onder toezicht, en lag aan de basis van een toenemende sfeer van vertrouwen tussen de gewezen Franse en Duitse aartsvijanden. Duitsland kon geleidelijk zijn plaats terug innemen op het internationale toneel, zonder angstreacties uit te lokken in de rest van Europa. Dit dreigde in het gedrang te komen bij de Duitse hereniging, maar Duitsland bleek bereid zijn Deutsche Mark op te geven en deel te nemen aan de eenheidsmunt, de euro. Er was ook de politieke integratie, voorzichtig op gang gebracht met de 'functionalistische' inzichten van Jean Monnet: geslaagde samenwerking in een beperkt domein leidt tot gunstige effecten ('spill overs') in andere, en zo geraakt de bal aan het rollen. Een deel van de Europagezinden ziet ook in de Europees gepromote vrijhandel een bijdrage tot de vrede, want ze verhoogt de algemene welstand door verlaagde prijzen, meer investeringen, meer competitie en dus meer innovatie. Vrede is gediend met verhoogde koopkracht, en marktwerking staat haaks op overheidsinterventies, die in het teken staan van particuliere belangen en gevaarlijke rancunes kunnen uitlokken. Daar brengen de eurosceptici tegenin dat de EGKS nooit echt gefunctioneerd heeft, en dat staal gaandeweg zijn belang verloor voor wat betreft de wapenproductie. Het heeft ook nooit verhinderd dat de grote Europese landen een belangrijke wapensector gingen ontwikkelen. Een gekende overweging is ook die van de zogenoemde 'realisten' onder de theoretici van de internationale betrekkingen: de vrede in Europa na de Tweede Wereldoorlog is te danken aan de NATO en de Amerikaanse 'paraplu'. Wat de rol van de euro betreft: die stond reeds op stapel vóór er sprake was van Duitse hereniging, en de stempel die Berlijn-Frankfurt drukt op het Europees monetair en fiscaal beleid geeft niet de indruk dat de euro een enorme toegeving was voor Duitsland. Wat de hoge mate van politieke integratie betreft, die kan weliswaar niet ontkend worden, maar het Europees recht handelt niet over kwesties van oorlog en vrede tussen de lidstaten, noch over die tussen de Unie en de buitenwereld. Die Unie hoedde en hoedt er zich voor tussen te komen in conflictzwangere dossiers zoals Noord-Ierland, Cyprus, het Baskenland of  Catalonië. Dat linkse eurosceptici in de vrijhandel zoals nagestreefd door de EU geen vredesproject zien is genoegzaam bekend. Welke conclusie trekt auteur Schwok nu uit deze tegengestelde standpunten? Geen enkel van de argumenten van de twee kampen is ongegrond, zegt hij, maar deze moeten genuanceerd worden. Wat de EGKS betreft bevestigt hij dat dit verdrag de lidstaten niet belette te produceren wat ze wilden, ook op militair gebied; een rol kan het wel gespeeld hebben bij het stimuleren van de integratie. Ook het eurosceptisch argument van een EEG als essentieel economisch project onderschrijft hij, maar voegt eraan toe dat het ook politieke dimensies had. Wellicht, alle economische projecten hebben politieke dimensies, en ook het omgekeerde is waar... In verband met het opgeven van de Deutsche Mark erkent Schwonk dat de chronologie niet toelaat er een Duitse toegeving in te zien in ruil voor de hereniging, maar hij stelt dat de steun van Helmut Kohl toch essentieel was om Delors' plannen te laten doorgaan. Over de politieke integratie zegt Schwonk dat de eurosceptici gelijk hebben om in de ontwikkeling van het Europees recht geen toepassing te zien van Immanuel Kant's kosmopolitische vredestheorie, maar dat bijvoorbeeld de haast spreekwoordelijke Europese 'kunst van het compromis' wel een gevolg is van deze politieke integratie. Hoe gunstig deze kunst van het compromis is wordt in het boek verder niet besproken. Over de pacificerende rol van vrijhandelsbetrekkingen stelt de auteur dat meer dan twee eeuwen debat daarover niet hebben kunnen uitmaken of zulke relaties de vrede bevorderen dan wel de ene Staat tegen de andere opzetten. Als we, op een misschien te summiere manier, Schwonks inzichten moeten samenvatten, lijkt hij te zeggen: nee, de EU is geen waarborg voor de vrede in Europa, maar al die initiatieven hebben op andere vlakken toch wel vruchten afgeworpen. Zoals de Duitsers zeggen: Aber das steht auf einem anderen Blatt…   Leverde de uitbreiding van de EU een essentiële bijdrage tot de vrede? De Europese integratie begon als EGKS met 6 landen in 1950 en groeide als EU uit tot een blok van 28 landen na de opname van Kroatië in 2013; daarbij ook nog de absorptie van de gewezen DDR door de Duitse hereniging. In hoeverre draagt dit bij tot stabilisering, veiligheid en vrede [note]De uitbreiding van de vraagstelling door ook stabiliteit en veiligheid erin te betrekken kan wel zinvol zijn, maar wordt door de auteur niet verantwoord. We komen hierop nog terug. [/note] ? De aandacht gaat daarbij vooral naar gewezen dictaturen (kolonelsregime in Griekenland, franquistisch Spanje, Portugal onder Salazar) en gewezen 'Oostbloklanden'. Deze landen vormden misschien niet direct een bedreiging voor de vrede, maar wel voor de stabiliteit in Europa. Wie de uitbreiding met deze landen positief inschat, wijst op de Europese financiële hulp  (cohesiefondsen, structuurfondsen) waarmee de gematigde krachten en de uitbouw van een liberale democratie konden gesteund worden en de extremistische krachten, zoals nostalgische communisten of extreemrechtse nationalisten, bestreden. De auteur gaat wat dieper in op de toestand in de diverse nieuwe lidstaten en belicht de spanningen en conflicten die er waren (populariteit van links in Griekenland, het conflict met Turkije over Cyprus, pogingen tot staatsgreep in Portugal en Spanje, de gespannen verhoudingen tussen Polen en de Baltische staten enerzijds en Rusland anderzijds, of tussen Kroatië en Slovenië, gediscrimineerde minderheden zoals Rom in Bulgarije en Roemenië of Russischsprekenden in de Baltische staten). Vanuit het eurosceptische kamp wordt opgemerkt dat (met uitzondering van Griekenland) de overgang naar een markteconomie en een liberale democratie reeds plaats had meer dan 10 jaar vóór het lidmaatschap van de EU. En volgens de 'realistische' school was het niet zozeer de aansluiting bij de EU, maar bij de NATO die stabiliteit en veiligheid bood. De auteur vermeldt geen tegenstanders van de NATO in het eurosceptische kamp die in een versterking van het Noord-Atlantisch Bondgenootschap een mogelijks toegenomen  gevaar voor de vrede zien. Hij verwijst wel naar linkse 'sceptici'  die de weinig sociale en vooral bedrijfsgerichte politiek van de EU als voedingsbodem zien voor reactionaire, nationalistische, racistische politieke stromingen, zoals in Hongarije, of het neo-nazistische Gouden Dageraad in Griekenland. Volgt dan weer het salomonsoordeel van Prof. Schwok. De slechte situatie in Griekenland mag men niet enkel afschuiven op het lidmaatschap van de euro, want veel mistoestanden in dit land hebben interne oorzaken. En de 'solidariteit' vanwege de Europese Centrale Bank en het IMF is een uiting van wat Robert Schuman in zijn Verklaring van 1950 bestempelde als "concrete realisaties die een feitelijke solidariteit creëren". De nieuwe lidstaten boekten ook wel goede economische resultaten, althans tot het uitbreken van de financiële crisis. De auteur lijkt hier een beetje te vergeten dat het onderzoeksobject de vrede betreft; hij moet ook een zekere kunstgreep uithalen om in de politieke spanningen die een land als Hongarije veroorzaakt toch een positieve noot te zien: dergelijke spanningen zijn niet ontaard op een manier die de vrede in Europa zou in gevaar brengen… Het komt mij voor dat Schwok tot een eerder positieve appreciatie van de uitbreiding komt door af te wijken van de vooropgestelde problematiek, namelijk de vrede, en het eerder over stabiliteit te hebben. Die lijn doortrekken zou wel verrassende resultaten kunnen opleveren. Franquistisch Spanje was lange tijd intern een voorbeeld van stabiliteit, de onmetelijke Volksrepubliek China met zijn tientallen etnische groepen is het nog steeds. Hetzelfde kan gezegd worden over de onderlinge verhoudingen binnen het hele Oostblok zolang het vanuit Moskou gedirigeerd werd. De auteur heeft wel een punt als hij verwijst naar de ex-Sovjetrepublieken Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië, Armenië , Azerbeidzjan, Georgië, waar talrijke oorlogshaarden broeien, en mensenrechten zwaar in het gedrang komen. Maar impliciet wordt hier aangenomen dat het in Oost-Europa ook die weg zou zijn opgegaan als deze landen de EU niet vervoegd hadden, wat verre van bewezen is. De vraag is eigenlijk: heeft de EU bijgedragen tot het verminderen van het risico op uitslaande conflicten in haar omgeving ? Dit is het onderwerp van de volgende paragraaf.   Gaat er een vredestichtende actie uit van de EU naar haar buren? Bij deze vraagstelling blijken de beperkingen van het formaat dat de auteur gekozen heeft nog het sterkst. Hij vertrekt niet van een visie hoe een Europese vredespolitiek naar haar omgeving toe er zou moeten uitzien, maar geeft standpunten van verdedigers en critici van specifieke EU-initiatieven. Die critici zijn dan een amalgaam van enerzijds realpolitici die als belangrijkste bezwaar hebben dat de EU een militair pluimgewicht is en zondigt door naïviteit, anderzijds (ik citeer, p. 116) "milieus die vijandig staan tegen de Amerikaanse buitenlandse politiek waar de EU zich volgens hen veel te veel naartoe richt". Maar het is veelzeggend dat zelfs met dit verwrongen perspectief de eindconclusie over de EU-politiek naar haar omgeving toe veeleer negatief uitvalt. Zo concludeert Schwok dat "iedereen, zelfs de hevigste verdediger van de Europese constructie, het erover eens is dat het bilan van de actie van de EU in de oorlogen van de jaren '90 in ex-Joegoslavië ondermaats, zelfs negatief was." Een ander ambitieus EU project was de halfslachtige poging, gestart in 1995, om iets te ondernemen met de buren in het Middellandse Zeegebied, het Euro-mediterraan Partnerschap (EUROMED), ook gekend als het Barcelona Proces. Het richtte zich naar 10 'partners', gaande van Algerije tot Turkije, van Israël tot de Palestijnse Autoriteit. Schwok's eindoordeel is duidelijk: "Het is effectief moeilijk er positieve resultaten van terug te vinden". Helaas wordt in dit bilan voorbijgegaan aan de meeste kernkwesties. Tegenover de onvoorwaardelijke steun van Washington aan Israel zou de EU het verschil kunnen uitmaken, maar ze doet dit niet. Als er nochtans één conflict is dat de vrede in onze omgeving sinds meer dan een halve eeuw blijft bedreigen, en het toneel is van enorme schendingen van mensenrechten, dan is het wel dat tussen de Palestijnen en de staat Israël. Een andere kwestie van nabuurschap zijn de vluchtelingen die hopen in Europa een betere toekomst te vinden. Het onderwerp wordt niet behandeld, al was het al volop aan de orde van de dag toen het boek werd afgesloten. Men zou, eerder koeltjes, kunnen beweren dat dit de vrede niet in het gedrang brengt, maar de houding van de EU hierin ontneemt haar veel gezag om op het internationale forum de rol van vredestichter en verdediger van de mensenrechten te kunnen spelen.  Bovendien zijn deze vluchtelingen wel het gevolg van enerzijds oorlogen, anderzijds, vooral wat Afrika betreft, van nadelige economische verhoudingen. In dit perspectief zou een discussie over de neoliberale vrijhandelspolitiek die de EU aan deze landen probeert op te dringen (EPA's) wel degelijk haar plaats gehad hebben in het kader van de vredesproblematiek. Al bij al heeft dit boekje de verwachtingen die het wekte niet ingelost. De auteur ging uit van vier belangwekkende vragen, maar ontwikkelt geen eigen visie om die te beantwoorden. In plaats daarvan laat hij 'Europagezinden' en 'eurosceptici' de revue passeren en maakt daarvan dan telkens een summiere 'genuanceerde synthese'. Dat blijkt toch maar weinig bij te dragen tot beter inzicht in deze belangrijke problematiek.  

LONG READ: Hoe samenhangend is het economisch en sociaal beleid van de Europese Unie?

05/04/2018 - 21:24

We hebben de voorbije weken in drie afleveringen een studie gebracht van de hand van Jean-Christophe Defraigne, met als thema het sociaaleconomisch beleid van de Europese Unie. Dit gecommentarieerd overzicht loopt van de stichtingsperiode in de jaren 1950 tot vandaag. We hebben de drie afleveringen samengebracht in een netjes geëditeerde ‘long read’  in pdf-formaat (15 blz). Om nu te lezen of te bewaren. Downloaden hier of door op de afbeelding te klikken.

Actie nodig na Israëlische executie van Palestijnse burgers!

04/04/2018 - 00:55

Het volgend bericht nemen we over van de website van Vrede v.z.w. Het is van de hand van Ludo De Brabander en verscheen op 1/4/18. Het sluit helaas perfect aan bij wat we enkele dagen geleden schreven i.v.m. de ‘grote anti-Poetin coalitie’:  Israel kan rustig een volk elimineren zonder dat een Europese coalitie over sancties rept.

 

Het Israëlische leger heeft 16 Palestijnen vermoord en 1400 verwond tijdens de ‘Grote Mars voor de Terugkeer’ in Gaza. In de meeste gevallen ging het om kille executies van ongewapende burgers. Een gevraagd onderzoek naar misdaden is nodig, maar moet eindelijk gevolgd worden door sancties.

De verslagen, fotoreportages en videofragmenten van het Israëlische optreden tegen de ‘Grote Mars voor de Terugkeer’ in Gaza, gaan de wereld rond. In een videofragment wordt een ongewapende, vreedzaam wandelende Palestijnse burger koudweg geëxecuteerd (zie onderaan dit artikel). In een ander filmbeeld [hier niet weergegeven] zien we hoe een man met een autoband in de hand, weglopend van de afsluiting rond Gaza, in de rug wordt geschoten. Hij zou later overlijden. In een derde video [niet weergegeven] zien we hoe een man die geknield aan het bidden is met een aantal geloofsgenoten langs achter in zijn been wordt geschoten. Het gaat duidelijk om executies of pogingen daartoe. Soldaten met een ‘license to kill’. “Bravo voor onze soldaten” zo prijst premier Netanyahu deze vorm van “ordehandhaving” waarbij het leger naar eigen zeggen 100 snipers heeft ingezet. 16 Palestijnen zijn gedood en 1416 geraakten gewond. Assad of Poetin zouden dat eens moeten zeggen. Het kot is te klein. Nochtans is het duidelijk. De Gazastrook fungeert als schietkraam, waar mensen als beesten worden neergemaaid tijdens een mars die het – nooit eerder uitgevoerde – recht op terugkeer eist (cfr VN-AV-resolutie 194). Het overgrote deel van de twee miljoen Gazanen zijn mensen die op de vlucht zijn gedreven van dorpen en steden die grotendeels van de kaart zijn geveegd na de oprichting van Israël 70 jaar geleden. Hun terugkeer, noch hun recht op compensatie voor de geleden schade is ooit gerespecteerd geweest.

Net als de VN, eist de EU een ‘onafhankelijk’ onderzoek, terwijl ze al meer dan een decennium niets onderneemt om een einde te maken aan de moordende Israëlische blokkade tegen Gaza. Brussel heeft verschillende bombardementen op de Gazastrook met vele honderden burgerdoden zelfs ‘verdediging’ genoemd. Nooit heeft de EU ernstig actie ondernomen tegen de jaarlijkse moordpartijen op Palestijnse minderjarigen tijdens manifestaties of hun opsluiting, tegen het afknallen van mensen in de zogenaamde ‘Access Restricted Areas’ in Gaza. Het Europees Parlement is onderhand te klein om er de vele duizenden verslagen, rapporten, onderzoeken met misdaden, vastgelegde feiten, getuigenissen, etc. mee te vullen. De VN documenteert de Israëlische mensenrechtenschendingen dag na dag. Maar er gebeurt niets. Decennialange straffeloosheid geeft de Israëlische regering en het leger een defacto ‘Carte Blanche’ om naar believen het internationaal recht met de voeten te treden. De internationale weigering om op te treden zorgt er voor dat de Israëlische oorlogsmisdaden zich kunnen blijven opstapelen.

De Europese regeringsleiders gebruiken graag grote woorden, maar dat weerhoudt hen niet om het zionistische regime in de watten te leggen. Hoe komt het überhaupt dat de handelsrelaties met Israël opperbest zijn, ondanks de snel groeiende Israëlische illegale kolonisatiepolitiek, de huizenvernietigingen en een VN-rapport dat Israël in de hoek van Apartheidsysteem plaatst? Israël strijkt probleemloos tientallen miljoen op via de deelname aan het Europees onderzoeksprogramma ‘Horizon 2020’ en heeft een permanente vertegenwoordiging in het NAVO-hoofdkwartier.

Waar zijn de economische sancties zoals dat anders blijkbaar makkelijk kan tegen Rusland als gevolg van de bezetting van de Krim?

Wanneer zullen Israëlische diplomaten worden teruggestuurd zoals dat op amper enkele dagen beslist geraakt in de affaire Skripal, hoewel er de afgelopen decenniatientallen buitenrechtelijke executies plaatsvonden van Palestijnse militanten in Europa en elders in de wereld met talloze aanwijzingen en bewijzen richting Mossad?

Wanneer zal de EU een vuist maken tegen de oorlogsmisdaden van de Israëlische bezettingsmacht?

Wanneer zullen de EU en haar lidstaten ophouden met lippendienst te bewijzen aan de ‘twee-staten-oplossing’, terwijl ze in de praktijk de Israëlische annexatie- en kolonisatiepolitiek tolereren en ontwikkelingsprojecten (die overbodig zouden zijn zonder bezetting) met Europees belastingsgeld laten vernietigen en daarvoor niet eens compensatie verlangen?

Er zijn al tientallen onderzoeken geweest, ontelbare bewijzen verzameld. Genoeg om de hele racistische Apartheidskliek rond Netanyahu levenslang achter tralies te zetten wegens oorlogsmisdaden.

Het wordt tijd dat er eind komt aan de Europese spreidstand en op de vele woorden ook de daden volgen.

Hoe samenhangend is het economisch en sociaal beleid van de Europese Unie? DEEL 3

02/04/2018 - 15:07

Jean-Christophe Defraigne (*) Nederlandse vertaling: Ander Europa   Een eenheidsmarkt van fiscale en sociale concurrentie voor het profijt van de multinationals   Door het achterblijven of totaal ontbreken van convergentie tussen de lidstaten konden de multinationale ondernemingen de diverse sociale en fiscale regimes onderling laten concurreren en tussen hen gaan arbitreren. Patronale organisaties als Eurobusiness of ERT kwam het achterblijven van fiscale en sociale harmonisatie zeer gelegen. Het liet de multinationals toe een sociale en fiscale race to the bottom op gang te brengen zodanig dat de nationale economieën van de oudere lidstaten allengs konden worden omgevormd in een sociaaleconomisch systeem, dat veel dichter stond bij dat van de Verenigde Staten of van het Verenigd Koninkrijk op het gebied van flexibilisatie van de arbeidsmarkt (en dus van lage lonen voor weinig gekwalificeerde jobs), van belasting op kapitaal en van sociale uitkeringen. Het fenomeen van sociale en fiscale concurrentie is dan parallel met de Eenheidsmarkt van 1993 sterk gegroeid. De vroegere verstaatste economieën onder de geopolitieke controle van USSR zijn geëvolueerd naar een kapitalistische economie, open voor directe buitenlandse investeringen, wat hun situatie grondig gewijzigd heeft. De uitbreiding van de EU in 1981 en 1986 met Griekenland en het Iberisch schiereiland had reeds een grote sociaaleconomische kloof geslagen tussen de lidstaten (zie tabel 1 onderaan), maar de gevolgen van de uitbreiding van 2004 en 2007 waren zonder voorgaande, en dat met een bevolking, die bovendien veel talrijker was.  

Tabel 1: Toenemende economische ongelijkheden naarmate de EU uitbreidt[note] Defraigne, J-C., Introduction à l’Economie Européenne, op. cit. [/note]

   

Toetredende lidstaat

% v.h. gemiddelde BBP per inwoner van de EEG-EU

% Aandeel in de bevolking van de EEG-EU

1960

Italië (armste lidstaat in 1960)

68,44

29,16

1973

V.K., Ierland, Denemarken (EEG met 9 leden)

78,2

25,05

1986

Spanje, Portugal, Griekenland (EEG met 12 leden)

50,49

18,13

2005

12 Nieuwe Lidstaten (EU 25-27 lidstaten)

28,23

21,19

  De in 2004 en 2007 toegetreden lidstaten hebben meer kenmerken gemeen met opkomende overgangseconomieën dan met de vergevorderde. De hoge sociale kost van de overgang leidde tot een omvangrijke reserve aan beschikbare arbeidskracht en het werkloosheidspeil in de nieuwe lidstaten werd gemiddeld tweemaal hoger dan in de EU van de 15 oude lidstaten. Het stelsel van sociale bescherming is er veel minder genereus dan in de meeste oude lidstaten en dit dwingt de arbeiders uit de nieuwe lidstaten massaal te emigreren naar West-Europa. Deze massale emigratie is systematisch onderschat, zowel door de regeringen van de lidstaten als door de Europese instellingen. En wel in die mate dat tussen 2004 en 2010 de migratie vanuit de nieuwe lidstaten het drievoudige bedroeg van de schatting die door de Europese Commissie werd gemaakt voor de periode 2004-2014 [note] Ibid., p. 434. [/note]. Deze onderschatting wijst op een slecht beheerste migratiebeweging, die de concurrentie onder de arbeidskracht versterkt voor bepaalde jobs en voor toegang tot bepaalde infrastructuur, vooral van betaalbare woningen en crèches, die door de onderschatting onvoldoende werden ontwikkeld. Op fiscaal vlak gaat de liberalisatie van de kapitaalbewegingen vergezeld van fiscale concurrentie, die feitelijk aanvangt in de jaren 1970-1980 en in de EEG geïnstitutionaliseerd wordt in het begin van de jaren 1990. Staten als Ierland (“double Irish), België (“financiële coördinatiecentra” en “notionele interesten”) of Luxemburg (bankensysteem) trachten van dan af multinationals aan te trekken, ook van buiten de EU. Zij worden daarin gevolgd door de nieuwe lidstaten, die het Ierse model voor het aantrekken van directe buitenlandse investeringen overnemen. Als gevolg daarvan is de fiscale concurrentie in de periode 2000-2010 versneld, zoals het Rapport Monti over de Eenheidsmarkt (2010) ook bevestigt: de gemiddelde belastingaanslag op de ondernemingswinsten is van 50% in 1985 gedaald naar minder dan 30% in 2010 [note] Monti, M., « Een nieuwe strategie voor de eengemaakte markt », Europese Commissie, Brussel, 9 mei 2010, p. 95. [/note]. De praktijk van fiscale concurrentie zet zich ook na de crisis door en vele regeringen in de lidstaten, waaronder die van Juncker (huidig voorzitter van de Commissie) gaan verder met het aanbieden van ontwijkingsmechanismen aan de multinationals. De mobiliteit van het kapitaal binnen een fiscaal niet geharmoniseerde ruimte heeft geleid tot zeer uitgebreide mogelijkheden voor belastingontwijking, waardoor de fiscale last hoofdzakelijk op de werkende bevolking (via de belasting op de inkomens of op het individueel onroerend kapitaal) of de consumenten (via de indirecte belastingen, vooral BTW)  komt te wegen. Op drie decennia heeft de versterkte Europese integratie daardoor het stelsel van fiscale heffingen in de lidstaten grondig gewijzigd in een de jure of de facto veel regressiever fiscaal stelsel [note] Zucman, G., La richesse cachée des nations, Paris, Seuil, 2013. [/note]. De herverdelende capaciteit van de Staat neemt af en de bestaande sociale uitkeringen kunnen niet langer op hetzelfde niveau worden gehouden, zodat het beschikbaar inkomen na belasting van de grote meerderheid van de huishoudens daalt. Op sociaal vlak worden om de sociale concurrentie binnen de perken te houden de amendementen op de Bolkestein-richtlijn en de richtlijn 96/71 over de terbeschikkingstelling van werknemers ['detachering'] geacht de regels van de lidstaat van bestemming op te leggen aan werknemers uit een andere lidstaat. We moeten vaststellen dat deze richtlijn en andere Europese sociale regels makkelijk omzeild worden door het ontbreken van enige Europese controle en door het verzuim van de lidstaten, die de ontduikingen wetens en willens toelaten. Het beginsel van vrijheid van vestiging en van beperkte toepasbaarheid van collectieve arbeidsovereenkomsten op terbeschikkinggestelde werkkrachten is verankerd in de beruchte arresten Laval en Viking van het Europees Hof van Justitie in 2007. Deze uitspraken verzwakken aanzienlijk de onderhandelingspositie van loontrekkenden in de lidstaten met gunstigere collectieve overeenkomsten en sociale stelsels. Bouw, landbouw, toerisme, transport, vele diensten aan ondernemingen: in al deze sectoren stelt men schendingen van de Europese richtlijnen vast. Zo beklaagt de Belgische regering zich in 2013 over de deloyale concurrentie van Duitse ondernemingen wanneer zij Duitsland van “sociale” dumping beschuldigt in de sector van de vleesversnijding, waar Roemeense en Bulgaarse arbeiders 10-urige werkdagen volmaken aan 3 tot 4 Euro per uur, een concurrentie, die voorheen de belangrijkste Franse en Deense producenten al had uitgeschakeld [note] Demonty, B., « Vande Lanotte et De Coninck portent plainte contre l’Allemagne », Le Soir, 19 Mars 2013. [/note].   Het terugplooien op zichzelf en de opkomende xenofobie ondermijnen de Europese integratie De sociale en fiscale concurrentie door delokalisatie, transfer pricing of terbeschikkingstelling van arbeiders uit de armste lidstaten is na het instellen van de Eenheidsmarkt in 1993 en de uitbreiding naar het Oosten sterk toegenomen. Deze evolutie heeft de xenofobe stromingen en partijen in de lidstaten politiek versterkt. De kwestie van de “Poolse loodgieter” en van de inwijking uit de nieuwe lidstaten is een beslissende factor in het mislukken van de Nederlandse en Franse referenda over het Europees Grondwettelijk Verdrag in 2005. De opkomst van uiterst rechtse partijen brengt de centrumrechtse en centrumlinkse partijen ertoe een meer conservatieve en defensieve retoriek te gaan hanteren over de kwestie van het vrij verkeer in Europa. Dit blijkt onder meer uit de standpunten van Cameron (”Free movement within Europe should be less free”, brief aan de Financial Times van 2013), van Sarkozy (over Schengen in 2015), maar ook van de leider van de Partito Democratico (en ex-communist) Veltroni (over het verband tussen Roemeense inwijking en veiligheid in Rome), of nog van Manuel Valls (over de integratie van de Roma's in september 2013). Het is mogelijk dat de EU blijft evolueren naar een “vrij verkeer” van werknemers met twee snelheden, door de mobiliteit voor onderdanen van sommige perifere lidstaten te gaan bemoeilijken. De crisis van 2008 heeft de sociale samenhang in de EU nog zwaarder gehypothekeerd. Vooreerst zijn sommige perifere lidstaten sinds het begin van de crisis sterker gaan afwijken van het gemiddelde in de EU. Deze landen (de mediterrane lidstaten, Ierland, Oost-Europa met uitzondering van Polen en de Tsjechische en de Slovaakse Republiek) werden onderworpen aan een veel draconischer politiek van soberheid en arbeidsflexibilisatie dan de overige lidstaten. Daarbij komt dat er braindrain plaatsgrijpt  uit meerdere perifere lidstaten (Griekenland, Italië, Spanje, Ierland, Baltische staten, de Balkan) naar het noordwestelijke deel van de EU (of buiten de EU, vooral naar de Amerika's), wat de technologiekloof in de EU nog breder maakt. Ten tweede heeft de financiële instabiliteit de lidstaten gedwongen tussen te komen om hun banken te redden en sommige in te hoge schulden stekende staten ter hulp te komen om een ineenstorting van het Europees en mondiaal financieel systeem af te wenden. Deze financiële instabiliteit was het gevolg van de speculatie binnen een Europees gedereguleerd en privaat bankensysteem, dat zich onttrok aan elke controle ter beperking van het risico op een supranationale systeemcrisis. De “hulp” vanwege bepaalde lidstaten aan andere werd doorgaans in de populaire media en door talrijke politici voorgesteld als een gift in plaats van het systeemkarakter van die redding uit te leggen. Zo schijnt een groot deel van de Duitse publieke opinie te denken dat de Europese transfers dienen voor het in stand houden van het Griekse openbaar tekort en van hoge sociale uitgaven aan een “lui en spilziek” volk, en dat terwijl het Griekse primair saldo[note] Primair saldo: begrotingsoverschot zonder de verrekening van de interesten op de schuld bij te tellen [nvdv] [/note] ten gevolge van de draconische soberheid positief en zelfs het hoogste van de EU is. Weinig stemmen zijn in de centrale EU-lidstaten opgegaan om uit te leggen dat de hoofdmotivatie voor de Griekse “bail-out” was een keten van ineenstortingen van het Europese banksysteem, de Duitse banken inbegrepen, te vermijden. De financiële transfers voor de Griekse bail-out dienen hoofdzakelijk om de terugbetaling van de schuld en de herkapitalisatie van de Griekse banken zeker te stellen. Dergelijke retoriek over de “PIGS” [note] PIGS was de benaming voor de eerste maal gebruikt in 2008 om vier landen van de EU aan te duiden die problemen hebben met hun soevereine schuld: Portugal, Italië, Griekenland en Spanje [/note] leidt tot verdeeldheid onder de Europese volkeren en tot vijandigheid tegen de Europese instellingen en het integratieproces. Een objectieve analyse zou aantonen dat de soberheid en de transfers te verklaren zijn door het wanbeheer van de private banken in de jaren 2000. Zij zou benadrukken dat het handelsoverschot en de groei in Duitsland en sommige van zijn buurlanden de keerzijde vormen van de tekorten in de periferie en dat de onderlinge afhankelijkheid en complementariteit tijdens deze crisis de ware reden zijn voor de financiële transfers van het centrum naar de periferie. De machtige lobby van financiële multinationals en de hun toegewijde personen op sleutelposities in de nationale en Europese instellingen zorgden er voor dat de banken het grootste deel van hun verantwoordelijkheid konden ontlopen en de draagwijdte van nieuwe Europese en nationale financiële regulering in de periode na de crisis konden beperken (vooral het mechanisme van de bankenunie en de toepassing ervan), ondanks een zeer ongunstige publieke opinie tegenover de banken.   Besluit De Europese constructie is essentieel economisch gebleven en is finaal uitgelopen op het instellen van een eengemaakte markt met de vier grote vrijheden van verkeer, die het mogelijk maakten dat – vooral de grootste – Europese firma's om de internationale concurrentie aan te kunnen zich een hedendaagse grootschalige  productietechnologie eigen maakten en hun productieprocessen gingen regionaliseren. Maar deze beweging van economische liberalisering heeft niet de door sommige economische modellen voorspelde automatische convergentie doen ontstaan. De Europese structuurfondsen zijn onvoldoende gebleken om de achterstand van de regio's op te halen, in het bijzonder in het geval van de laatst toegetreden lidstaten. In deze context van een geliberaliseerde eenheidsmarkt hebben de toegenomen heterogeniteit van de lidstaten, vooral na de verbreding van 1986,2004 en 2007 en het uitblijven van een snelle convergentie zich vertaald in een grotere capaciteit van de multinationals om de verschillende sociale en fiscale stelsels in de lidstaten tegen elkaar te laten concurreren. Zo ontstond een grotere ongelijkheid in de lidstaten tussen de meerderheid van de bevolking en de grote eigenaars van mobiel kapitaal. De crisis van 2008 en haar gevolgen hebben de technologische en sociale kloof tussen het centrum en de periferie verbreed. De oorzaak van de economische crisis in 2008 en het beheer ervan zijn door de grote media en de beleidsmakers meestal voorgesteld als een probleem van transfers tussen deugdzame en verkwistende lidstaten. Door de verantwoordelijkheid van de gedereguleerde banken en van de multinationals voor de crisis en voor het ontsporen van de openbare financies te ontkennen, door de complementariteit tussen de groeimodellen van de centrale en perifere lidstaten in de jaren 2000 te negeren heeft die interpretatie van de crisis tenslotte de volkeren in de EU tegen elkaar opgezet en de tegenstand tegen de Europese integratie in de hand gewerkt. De niet bestaande solidariteit en de inefficiënte coördinatie van het personenverkeer en van de financiële transfers tussen lidstaten (vooral binnen de Eurozone) hebben aan de rest van de wereld de limieten van het integratieproject van de EU geopenbaard, dat essentieel gebaseerd blijft op een interne markt ten behoeve van de grootste ondernemingen. Dit falen ondermijnt in hoge mate de rol van de EU als acteur in het mondiale bestuur en zou haar aantrekkingskracht als integratiemodel voor de rest van de wereld verder kunnen doen afnemen.   (*) Jean-Christophe Defraigne is professor internationale economie aan het Institut d’Etudes européennes – Université Saint-Louis, Brussel. De oorspronkelijke titel van de tekst is L’Union européenne : quelle cohésion économique et sociale? Met toelating van de auteur brengt Ander Europa de Nederlandse vertaling. Dit is het derde en laatste deel. Het eerste vindt u hier , het tweede hier. Er volgt nog een volledige versie in pdf-formaat.

Ruim de baan voor militair Europa!

29/03/2018 - 13:14

Op 28 maart maakte de Europese Commissie plannen bekend “om de militaire mobiliteit binnen en buiten de Europese Unie te verbeteren”, want “commissievoorzitter Juncker wil een volwaardige defensie-unie tegen 2025.”  Men wil ervoor zorgen “dat de EU beter is voorbereid op een crisis waarbij binnen en buiten [!] de Unie snel troepen en materieel moeten worden verplaatst.” Men vreest daarbij problemen met bijvoorbeeld bruggen of spoorwegen die niet voorzien zijn op zwaar militair materiaal.   “Wij willen het vervoersnetwerk beter benutten en rekening houden met de militaire behoeften bij de planning van infrastructuurprojecten. Zo wordt overheidsgeld beter besteed en het vervoersnetwerk beter uitgerust”, aldus transportcommissaris Bulc.

Ook andere maatregelen moeten vlugge troepenontplooiing vergemakkelijken: vereenvoudigde douaneprocedures bij grensoverschrijdend militair transport, voorschriften bij het vervoer van gevaarlijke stoffen, enz. Op dergelijke maatregelen wordt reeds langer aangedrongen door de Verenigde Staten en de NATO. Men weet dat deze ook willen dat de lidstaten minstens 2% van hun BBP aan militaire uitgaven besteden; voor veel Europese landen zou dat ongeveer een verdubbeling van het defensiebudget betekenen. Men ziet eens te meer hoe de Europese Unie het handige instrument is om bijna een heel continent in een bepaalde richting te stuwen; helaas is het steeds de richting gewenst door ondernemers, bankiers en generaals.

Noteer dat dit ‘mobiliteitsplan’ uitgaat van de Europese Unie als dusdanig, en moet onderscheiden worden van de recente plannen voor een hechtere militaire samenwerking tussen 25 van de 28 lidstaten, het zogenoemde PESCO (Permanent Structured Cooperation).  Binnen PESCO worden aparte plannen opgesteld in verband met militaire mobiliteit. (hm)

 

Hoe samenhangend is het economisch en sociaal beleid van de Europese Unie? DEEL 2

28/03/2018 - 21:56

Jean-Christophe Defraigne (*) Nederlandse vertaling: Ander Europa     Van Gemeenschappelijke Markt (1957) naar Eenheidsmarkt (1993): afbouw van drempels om de vier grote vrijheden van verkeer te verzekeren De eerste twintig jaar in het bestaan van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) blijven de nationale industriële groepen beroep doen op hun nationale staten om hun concurrentiepositie binnen de gemeenschap te versterken. De steun van de lidstaten aan hun zgn. “nationale kampioenen” in de industrie of dienstensector bestaat in het opleggen van technische barrières voor handel en buitenlandse investeringen, van tegemoetkomingen en een voorkeursbehandeling voor “eigen” nationale firma's op de nationale openbare markt. De Gemeenschappelijke Markt blijft gefragmenteerd door een politiek van “nationale kampioenen”, hetgeen de mogelijkheid tot rationalisatie van de productiecapaciteit belemmert. Het ontbreken van economische convergentie tussen de regio's van de EEG wordt dan grotendeels uitgelegd door deze distorsies in de concurrentie en door de hinderpalen voor het vrij economisch verkeer. Het verscherpen van de mondiale en Europese crisis in het begin van de jaren 1980 – men had het over “eurosclerose”, die samenging met de opkomst van nieuwe Japanse en Oost-Aziatische concurrenten – scheppen de voorwaarden voor een nieuwe versmelting van belangen voor een versterking van de economische integratie in de EEG en een wegwerken van de vele hinderpalen. Samen met Wisse Dekker, voorzitter van Philips, met Pehr Gyllenhammer van Volvo en met Umberto Agnelli van Fiat richten Etienne Davignon, commissaris voor de binnenlandse markt en de industrie en François Xavier Ortoli, ex-voorzitter van de Commissie (1973- 1977) de Ronde Tafel van Industriëlen (ERT) op [note] Gillingham, J., op. cit., p. 238. [/note]. Deze lobby van een veertigtal leiders van de grootste Europese multinationals (landen buiten de EEG inbegrepen) verleent steun aan de initiatieven van de Commissie om de Gemeenschappelijke Markt om te vormen tot één sterk geïntegreerde Eenheidsmarkt. De ERT zal zo het Witboek onder het voorzitterschap van Delors (1985) promoten bij hun nationale regeringen. De ERT zet er ook een “waakhond” bij, die moet toekijken of de regeringen van de lidstaten de kalender voor de Eenheidsmarkt wel respecteren [note] Green Cowles, M., « L’ERT : les grands industriels et la promotion du marché européen », Milieux économiques et intégration européenne au xxe siecle : la relance des années quatre- vingt, Paris, Comité pour l’Histoire Économique et Financière de France, 2007, p. 238. [/note]. De Europese Eenheidsmarkt, in werking vanaf 1 januari 1993 herbevestigt de vier grote vrijheden van verkeer (goederen,diensten, kapitaal en arbeid), maar de krachtsverhoudingen zijn nu gewijzigd t.o.v. het Verdrag van Rome. De multinationals drijven nu hun steun aan de Commissie op om de talrijke hinderpalen tussen de lidstaten af te bouwen, vooral technische barrières en subsidies die de intracommunautaire concurrentie vervalsen. In de integratie wordt substantiële vooruitgang geboekt door de wederkerige erkenning en harmonisatie van technische normen en door de integratie van het vervoer en de energie. De invoering van het Europees Monetair Systeem en vervolgens van de Economische en Monetaire Unie met de aanvaarding van de Euro in 1999 versterkt de integratie nog, vooral door het wisselkoersrisico  en de kosten voor wisselkoerstransacties aanzienlijk te doen afnemen. Het elimineren van monetaire belemmeringen vergemakkelijkt het doorstromen van Europese financiële diensten. In het begin van de jaren 1990 is de EU een economisch geheel geworden waar belemmeringen voor de vier vrijheden aanzienlijk zijn verminderd, enkele strategische sectoren uitgezonderd, waar de strategie van de nationale kroonjuwelen (telecom, nutsvoorzieningen, defensie) blijft voorbestaan. Daarop zal een golf van bedrijfsfusies volgen zonder voorgaande in de Europese geschiedenis, van massale directe buitenlandse investeringen, van grondige ruimtelijke reorganisatie van de productieprocessen van de Europese firma's over de verschillende lidstaten van de EU [note] Defraigne, J-C., « From national champions to European champions ? The US competition and the evolution of industrial policy in Europe from the Treaty of Rome to the Lisbon Strategy », in Defraigne J-C., De Moriamé, V., et Franck C. (dir.), Which industrial and social policy models for 21st century Europe ? , Louvain-la-neuve, Academia-Bruylant, 2008, p. 63-97. [/note].    Waarom is de grote economische en sociale ongelijkheid tussen de  lidstaten gebleven, ondanks de Eenheidsmarkt van 1993? Indien men het onderliggende marginalistische argument [note] Zie noot  16 van Deel 1.[/note]van een verband tussen vrije circulatie van economische stromen en economische convergentie onderschrijft, zou men een EU moeten verwachten met grotere sociale samenhang en met een regionale economische ontwikkeling die steeds homogener wordt. Maar dat is niet wat blijkt uit de elementaire indicatoren over de laatste twintig jaar (zie grafiek 1, 2 en 3). Als sommige lidstaten zoals Ierland dan al een flitsende inhaalbeweging mochten kennen door  een overschrijding van het gemiddelde EU-BBP per inwoner (berekend volgens koopkrachtpariteit, KKP) en in salarissen, blijven staten zoals Portugal, Italië, Griekenland of Bulgarije ver achteraan bengelen of geraken zelfs verder achterop. Toch waren de tekortkomingen van deze optimistische analyses over de convergentie op basis van het heersende marginalistische paradigma van meet af aan duidelijk. Welbepaalde empirisch verifieerbare verschijnselen verklaren waarom de kracht van de markt ondanks de vier grote vrijheden van circulatie op zichzelf niet in staat is een logica van convergentie te ontwikkelen, die de sociale samenhang van de EU kan versterken. Toenemend schaalvoordeel en rendement op bepaalde gebieden van onderzoek en ontwikkeling, en het ontstaan van “marshalliaanse districten” vertragen een mogelijke convergentie of zorgen zelfs voor divergentie, zelfs tussen regio's met weinig belemmeringen voor het vrij verkeer.   [caption id="attachment_15118" align="aligncenter" width="700"] Grafiek 1: BBP per inwoner in KKP (Gemiddelde van de EU27= 100 (Eurostat 2015)[/caption]     [caption id="attachment_15119" align="aligncenter" width="700"] Grafiek 2: Gemiddeld salaris in dollar (OESO 2015)[/caption]       [caption id="attachment_15120" align="aligncenter" width="700"] Grafiek 3: Uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling in % van het BBP(OESO 2015)[/caption]     Talrijke werken uit de economische aardrijkskunde bewijzen het bestaan van deze “marshalliaanse districten” [note]Genoemd naar de Britse econoom Alfred Marshall (1842-1924). [Noot van de vertaler] [/note] of industriële agglomeraties, waarbinnen ondernemingen uit een zelfde activiteitssector zich concentreren in een welomschreven geografische zone [note] Dicken, P., Global Shift: reshaping the global economic map in the 21st century, London, Sage publications, 2015 ; Vandermotten, C. et Marissal, P., La production des espaces économiques , Bruxelles, Presses Universitaires de Bruxelles, 2007. [/note]. Dergelijke agglomeraties geven de firma's het voordeel van een grote reserve aan arbeidskracht met een hoge graad aan expertise in een bepaalde sector en leveren hen schaalvoordelen op in de voorziening van grondstoffen en halfafgewerkte producten. Daar komt bij dat deze “Marshall-zones” een verfijnde arbeidsdeling in een activiteitssector toelaten en vaak ook expertise doen ontstaan in de plaatselijke instellingen (universiteiten en onderzoekscentra, bijzondere industriële politiek van de lokale openbare machten). De best gekende voorbeelden zijn Silicon Valley en Route 128 voor de IT-technologie, maar er zijn ook vele voorbeelden van industriële agglomeraties in de EU, zoals de as Bordeaux-Toulouse voor de aeronautica, de Biovalley in de driehoek Mulhouse-Freiburg-Basel voor de farmaceutica en de biomedische industrie, de City van London voor financiële diensten, Stuttgart voor de autonijverheid, Parijs voor de luxe-industrie, … . Bezuiniging in de opleiding van de werkkracht en toenemend schaalvoordeel van de kennis verklaren de veerkracht van dergelijke industriële agglomeraties, zoals o.m. aangetoond de econoom Paul Krugman. Het voordeel van gecumuleerde en geografisch geconcentreerde ervaring maakt een delokalisatie ver van de Marshallzone immers duur. Een van de grootste problemen voor de sociale samenhang in de EU is dat om historische redenen de lidstaten van Noordwest-Europa het vroegst industrialiseerden en ook de sterkste hubs ontwikkelden voor de diensten en commandocentra van grote bedrijven. Het gevolg daarvan is dat deze lidstaten de quasi-totaliteit van hoogtechnologische zones met sterke toegevoegde waarde herbergen. Ook enkele regio's in Zuid- en Oost-Europa hebben Marshallzones ontwikkeld, maar deze zijn veel minder intensief in technologie en menselijk kapitaal en genereren – zie b.v. de autonijverheid - minder toegevoegde waarde. Het gevolg van de sterke vermindering in de belemmeringen voor het kapitaalverkeer en van de creatie van de Eenheidsmarkt in 1993 was de grootste golf van fusies en verwervingen, die Europa ooit heeft gekend, maar ook dat de grote multinationale firma's zich vooral gingen concentreren in de lidstaten van het Noordwesten. Met uitzondering van Spanje, waarvan de ondernemingen een externe groeistrategie naar Latijns-Amerika volgen om zo een opslorping door hun Noord-Europese concurrenten te ontlopen [note] Defraigne, J-C., De l’intégration nationale a l’intégration continentale: Analyse de la dynamique d’intégration européenne des origines à nos jours, Paris, Harmattan, 2004. [/note]. Het resultaat is een Europese Unie, verdeeld tussen enerzijds een economisch centrum met de commandocentra van de grote multinationals, met de sterkst ontwikkelde financiële diensten en met vermogen tot technologische innovatie, en anderzijds een periferie (de oostelijke en mediterrane lidstaten), die zich moet beperken tot arbeidsintensieve activiteiten (assemblage, toerisme, bouw), ten dele gecontroleerd door grote buitenlandse multinationals. De heterogeniteit van de Europese economische ruimte inzake spitstechnologie verklaart eveneens de verplaatsing van gekwalificeerd personeel van de periferie naar het centrum (brain drain). De nationale industriële structuur van heel wat perifere EU-landen is zeer wankel geworden vanwege de blootstelling aan de concurrentie van grote Westeuropese multinationals, die veel nationale ondernemingen hebben doen verdwijnen. Vooral in Oost-Europa heeft de “schoktherapie”, die de snelle privatisering en het invoeren van het model van de "Keltische Tijger"[note] Het Keltische Tijger-model verwijst naar Ierland, dat een zeer proactieve politiek voor het aantrekken van vooral Amerikaanse multinationals heeft gevoerd met een fiscaal regime dat transfer pricing vergemakkelijkt, met een ten laste nemen door de Staat (met hulp van Europese structuurfondsen) van de bouwkosten van productie-eenheden voor multinationals, en met het ter beschikking stellen van gekwalificeerde arbeidskracht in de farma- en informaticasector. Dit laatste was mogelijk door het oprichten van technologie-instituten, die een kort beroepsgericht technologisch onderwijs verstrekten. [/note] voorzag zijn deze lidstaten compleet afhankelijk gemaakt van de directe buitenlandse investeringen door Westerse firma's en van de invoer vanuit de oudere EU-lidstaten. Ten gevolge daarvan werden zij economieën met een chronisch tekort op de betalingsbalans, die gefinancierd werden door kapitaalstromen uit West-Europa. Die directe buitenlandse investeringen hebben de productieprocessen in de economieën van de periferie weliswaar gemoderniseerd en de productiviteit in meerdere sectoren verhoogd, maar de landen, die deze investeringen ontvangen kunnen hun comparatief voordeel van lokalisatie verliezen als de multinationals hun productie-eenheden naar andere landen verhuizen. Dit is herhaaldelijk gebeurd, bijvoorbeeld in het geval van Dell, dat in 2005 besloot in zijn Ierse activiteiten te gaan snoeien wegens te duur en naar Polen verhuisde. Of nog, wanneer de VW-groep zijn Spaanse autoproductie afbouwde ten voordele van een versterking van zijn Oost-Europese productie-eenheden [note] Artus, P. et Gravet, I., La crise de l’Euro, Paris, Armand Colin, 2012, p. 33. [/note]. Veel kapitaal dat van het centrum naar de periferie vloeit wordt ook niet duurzaam geïnvesteerd. De verhoogde integratie van financiële diensten in de EU – vooral, maar niet uitsluitend in de Eurozone – hebben interbancaire leningen van Noordwest-Europa naar de mediterrane of oostelijke periferie bevorderd. Tegelijk werd het daardoor ook makkelijker voor banken uit Noordwest-Europa om staatsobligaties te verwerven in het geheel van de Eurozone en dus ook in de periferie. De instroom van privékapitaal heeft een uitzonderlijk diepe val van de interestvoeten veroorzaakt, wat heeft geleid tot vastgoedzeepbellen in Spanje, Ierland, en in enkele nieuwe lidstaten, ook buiten de Eurozone, en tot een aangroei van de openbare schuld (Griekenland). De stijging van de vastgoedprijzen en van de openbare uitgaven deden een effect van illusoire rijkdom ontstaan en een veralgemeende stijging van de prijzen, die de competitiviteit van vele staten uit de periferie hebben ondermijnd. Dit leidde in sommige gevallen tot relatieve desindustrialisering (Spanje, Ierland), tot specialisaties die op middellange termijn de betalingsbalans fragiel maakten (toerisme, bouw, vastgoed) en het handelstekort van deze perifere staten nog deden aangroeien. De kapitaalstromen van het centrum naar de periferie hebben zich dus niet altijd vertaald in investeringen in duurzame productiecapaciteit, die de convergentie zou mogelijk maken. Zij hebben soms speculatieve plaatsingen in de hand gewerkt en hebben een financiering van commerciële (Spanje, Oost-Europa) of openbare tekorten (Griekenland) mogelijk gemaakt, wat op lange termijn onhoudbaar bleek. De correctie op deze niet duurzame groei van de jaren 2000 zet zich voort sinds 2008 en heeft de afwezigheid van convergentie op middellange termijn van meerdere perifere economieën in de EU duidelijk aan het licht gebracht.   De ontoereikendheid van de structuurfondsen om convergentie te verzekeren De Europese structuurfondsen, die bedoeld zijn voor een inhaalbeweging van de minst ontwikkelde regio's van de EEG/EU en voor economische convergentie, zijn tussen 1975 en het begin van de jaren 1990 gegroeid van 0,08 tot 0,46% van het Europese BBP. Hun aandeel in de Europese begroting is echter gedaald tot ongeveer een derde van het EU-budget in de jaren 2000, hetzij rond de 0,35% van het BBP van de EU. “Agenda 2000” legt in 1999 transferbeperkingen op voor de nieuwe Oost-Europese lidstaten, die er echter het meeste nood aan hebben. Ze hebben slechts recht op 14 miljard euro per jaar, d.i. 2,5% van hun BBP en 137 Euro per inwoner, terwijl Spanje, Griekenland, Portugal en Ierland tussen de 3 en de 5% van hun BBP per jaar ontvingen in het eerste decennium van hun toetreding [note] Michalski, A. « The Enlarging European Union » in Dinan, D. (dir.), Origins and evolution of the European Union, Oxford, Oxford University Press, 2006, p. 284 ; Boillot, J-J., L’Union Européenne élargie : un défi économique pour tous, Paris, La Documentation Française, 2003, p. 162. [/note]. Het onderscheid met de integratie van Oost-Duitsland (toch de verst gevorderde economie van de vroegere USSR-satellieten) kan ons slechts verbazen: over 20 jaar ontving het in het kader van de Duitse hereniging transfers ter waarde van 3% van het BBP van het herenigde Duitsland, gefinancierd door de Westduitse belastingbetaler[note] Duval, G., Made In Germany : le modèle allemand au-delà des mythes, Paris, Seuil, 2013, p. 129. [/note]. Ondanks deze hulp die relatief gesproken aanzienlijk groter was dan de Europese structuurfondsen hebben de oostelijke Länder de levensstandaard van die van het Westen nog steeds niet kunnen bijbenen[note] Deshaies, M., Atlas de l’Allemagne, Paris, Editions Autrement, 2011, p. 33 [/note]. Hoewel de Europese structuurfondsen sommige regio's geholpen hebben bij het ophalen van hun achterstand, is deze hulp niet vergelijkbaar met de transfers die bestaan binnen federale staten als Duitsland of de Verenigde Staten. Bijgevolg laten zij ook niet toe dezelfde effecten in sociale samenhang te bereiken tussen lidstaten of regio's van de EU. (*) Jean-Christophe Defraigne is professor internationale economie aan het Institut d’Etudes européennes – Université Saint-Louis, Brussel. De oorspronkelijke titel van de tekst is L’Union européenne : quelle cohésion économique et sociale? Met toelating van de auteur brengt Ander Europa de Nederlandse vertaling. Dit is het tweede van drie delen; het eerste vindt u hier.

Poetin, bindmiddel voor de Europese samenhorigheid

26/03/2018 - 22:44

Groeiende eensgezindheid onder de Westerse democratieën: Poetin bedreigt de wereldvrede en moet gestraft worden! Al de helft van de Europese lidstaten heeft ingestemd met sancties tegen Moskou! En gelukkig hebben  we de NATO niet ontbonden samen met de Sovjet-Unie, want nu zie je hoe noodzakelijk ons bondgenootschap blijft!

Het is aandoenlijk hoe slecht de would be acteurs in de diverse Europese hoofdsteden hun rolletje spelen. De Britse premier voelt blijkbaar zelf dat de casus van de vergiftigde ex-geheimagent Skripal een beetje licht weegt om er een nieuwe Varkensbaaicrisis mee te openen; het Verenigd Koninkrijk heeft trouwens geen al te beste reputatie bij het onderkennen van chemische wapens.  De verontwaardiging van onze would be acteurs lijdt inderdaad onder een zekere ongeloofwaardigheid aangezien ze weinig gewetensproblemen hebben met de duizenden drenkelingen in de Middellandse Zee, dat ze met regimes in Turkije en Libië waar tegenover Poetin vrij beschaafd lijkt deals afsluiten en dat Israel rustig een volk kan elimineren zonder dat een Europese coalitie over sancties rept. Misschien herinner je je de Israelische raid met 9 doden in 2010 op de Freedom Flotilla naar Gaza, maar je herinnert je niet de sancties van de EU, want die waren er niet. Die waren er ook niet toen de Franse geheime diensten in 1985, tijdens het Mitterrandtijdperk,  een aanslag pleegden op het Greenpeaceschip Rainbow Warrior dat ‘spioneerde’  voor … een kernvrije wereld. Het begint er zelfs steeds meer op te lijken dat Sarkozy niet een aanslag pleegde, maar een oorlog ondersteunde tegen Khadafi met als gunstig resultaat dat een kroongetuige verdween van een miljoenentransactie voor Sarko’s verkiezingscampagne.

Natuurlijk zullen de Europese derderangsacteurs dit allemaal afdoen als koren op de molen van Poetin. Maar wie de verfoeilijke methodes van de Russische autocraat ietwat geloofwaardig wil aan de kaak stellen zal iets minder hypocriet moeten zijn dan onze Europese leiders. (h. michiel)

Al was het sociaal Europa nog zo snel, het asociale achterhaalt haar wel

21/03/2018 - 15:32

Agnes Jongerius, gewezen vakbondsvrouw en nu Europees parlementslid voor de Nederlandse PvdA, deed begin deze maand een vreugdedansje want “het sociaal Europa kwam weer een stap dichterbij”. Reden voor de feestvreugde: de detacheringrichtlijn wordt herzien, het principe ‘gelijk loon voor gelijk werk’ wordt eindelijk werkelijkheid, het schandaal van superuitgebuite ‘gedetacheerde’ Bulgaarse, Roemeense, Poolse, Portugese en andere arbeiders zal ophouden. Ook wie daar veel geloof aan hecht moet echter nog twee jaar wachten opdat de gewijzigde Europese richtlijn in nationale wetgeving zou zijn omgezet. En die is ook niet van toepassing op de transportsector waar de misbruiken spreekwoordelijk zijn. Voor een eventuele Europese inspectiedienst die de wetgeving zou moeten doen naleven moet er minstens tot 2023 gewacht worden, en die dienst zou voor de hele Unie over het indrukwekkend aantal van… 140 agenten beschikken; Nederland heeft er 225, wat de vele inbreuken op de arbeidswetgeving niet belet.

Maar al was het sociaal Europa nog zo snel, het asociale achterhaalt haar wel. Vanuit Bulgaarse vakbonden komt het alarm dat hun land nu als achterpoort dient voor het binnenhalen van nóg goedkopere, nog sterker uitgebuite arbeidskrachten, uit Indië onder andere. Ze worden niet alleen concurrenten voor de Bulgaren zelf, de goedkoopste arbeidskracht in Europa, maar komen ook soms terecht op werven elders in Europa. Dit is geen geval van ‘detachering’, een begrip van toepassing binnen de EU, maar van de import van arbeidskracht uit derde landen.

Vania Grigorova en Atanaska Todorova, verantwoordelijken van de respectieve Bulgaarse vakbonden Podkrepa en KNSB, beschrijven in een Euractiv-bericht een nieuwe trend binnen hun arbeidsmarkt. Ten gevolge van een campagne van de Bulgaarse werkgevers met klachten over een sterk tekort aan arbeidskrachten in het land werd de wetgeving rond de zogenaamde ‘markttest’ herzien. Deze bestond erin dat jobs eerst moesten aangeboden worden aan Bulgaarse en EU-burgers alvorens beroep kon worden gedaan op werkkracht uit derde landen. De regering en Parlement mogen dan de naam hebben in sterke mate ‘nationalistisch’ te zijn, zij keurden een herziening van de markttest goed. De GERB, aangesloten bij de Europese christendemocraten, zit weliswaar in de oppositie maar steunde de herziening. Kon vroeger maar 10% van het laag gekwalificeerd personeel uit derde landen betrokken worden, mag dit nu tot 35% gaan, en zelfs daarboven met toestemming van het ministerie en de sociale partners. De Bulgaarse werkgevers hopen dat de wetswijziging een half miljoen nieuwe arbeidskrachten zal aantrekken.

Bulgarije volgt in zekere zin het Duitse voorbeeld, waar arbeidsvergunningen – zogenoemde blue cards – verleend worden aan hooggekwalificeerde werkkrachten uit derde landen, zoals Indische informatici; ook de Belgische ondernemers hebben trouwens het Indisch talent ontdekt. Maar in Bulgarije betreft het niet alleen hooggeschoolden; ongediplomeerde buitenlanders kunnen er bv. in de toerismesector terecht, tenminste als ze bereid zijn voor een loon te werken dat onder het gangbare ligt, in deze sector gemiddeld 339 € bruto. Tussen haakjes, het bruto minimumloon in Bulgarije bedraagt 261 €; als er al een schaarste is op de arbeidsmarkt is dit ook ten gevolge van deze misèrelonen die Bulgaarse arbeiders in de emigratie drijven.

Maar het ondernemersvernuft kan nog een versnelling hoger schakelen. Naar Bulgaarse normen goedkope arbeiders kunnen, weliswaar illegaal, buiten Bulgarije tewerkgesteld worden. Grigorova en Todorova geven het voorbeeld van het Bulgaarse interimbedrijf Plane Care. Het stelt mensen tewerk voor de firma Vallair op de Franse luchthaven van Montpellier, onder hen zes uit niet-EU landen.

Werkvooruitzichten genoeg dus voor de eventuele 140 Europese arbeidsinspecteurs… (hm)

Hoe samenhangend is het economisch en sociaal beleid van de Europese Unie? DEEL 1

20/03/2018 - 14:12

door Jean-Christophe Defraigne 20 maart 2018   Jean-Christophe Defraigne is professor internationale economie aan het Institut d'Etudes européennes – Université Saint-Louis, Brussel. Hij bestudeert de economie in de Europese Unie, in het bijzonder in het kader van de globalisering en de relaties tussen Europa en de nieuwe opkomende economieën. De oorspronkelijke titel van de tekst is L’Union européenne : quelle cohésion économique et sociale? [note] Beschikbaar op de site van Alter Summit. [/note]. Het was de basis voor een voordracht die Defraigne gaf op de conferentie Rights4All Now! georganiseerd door Alter Summit op 25-26 november 2017 in Brussel. Met toelating van de auteur brengt Ander Europa de Nederlandse vertaling van zijn tekst. Dit is het eerste deel; we zullen ook de volledige tekst in pdf-formaat ter beschikking stellen.   Het project van Europese opbouw, gelanceerd in de jaren 1950, is in de loop van de verlopen decennia sterk geëvolueerd in de richting van groeiende sociale en fiscale ongelijkheid tussen de lidstaten. Deze ongelijkheden hebben geleid tot groeiende spanningen die de Europese instellingen, hun werking, de geloofwaardigheid als actor van een samenhangend beleid en de aantrekkingskracht van het model op internationaal vlak ondergraven.   Een in essentie economische integratie ontstaan in het kader van de Koude Oorlog Na afloop van de Tweede Wereldoorlog slagen de Europese federalistische stromingen er niet in hun staten en nationale economische leiders van hun visie te overtuigen. Het door de oorlog zwaar geteisterde West-Europa blijft gefragmenteerd in vele nationale protectionistische markten en de binnen-Europese handel blijft beneden het peil van 1929 [note] Defraigne, J-C., Introduction à l’Economie Européenne, Bruxelles, De Boeck, 2013, p. 61. [/note]. Milward karakteriseert deze economische politiek van de Westeuropese regeringen als neomercantilistisch [note] Milward, A., The European rescue of the nation state, London, Routledge, 1992. [/note]. Federalistische pogingen om een veelomvattend integratieproces op West-Europees niveau te lanceren door zich te steunen op de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking [note] De voorloper van de OESO. [Noot van de vertaler] [/note] stuiten op weerstand van de Britse regering. De context van de Koude Oorlog zal toelaten om de tegenstellingen tussen protectionistische lobby's binnen de diverse regeringen te overbruggen en geleidelijk aan te evolueren naar de opbouw van een gemeenschappelijke markt in West-Europa. Ten gevolge van de politieke draai in 1947, de zogenoemde Truman doctrine van 'containment', zal de Amerikaanse regering een politiek-economisch project opzetten voor West-Europa, teneinde het te versterken op industrieel en militair vlak tegenover de USSR en zijn satellietstaten, en de West-Europese communistische partijen te marginaliseren. In 1950 vestigt de Amerikaanse regering een Europese Betalingsunie, die de liquide dollarreserves van de Europese staten doet aangroeien, hetgeen bepalend zal zijn voor het hernemen van de binnen-Europese handel[note] Eichengreen, B., The European Economy since 1945, Princeton, Princeton University Press, 2007, p. 81. [/note] Van 1948 tot 1951 stelt zij het Marshall-plan in, dat aanzienlijke fondsen verleent voor de heropbouw van het Europees industrieel apparaat. Twee voorwaarden: één, dat de economieën van de begunstigde landen zich openstellen voor de handel en twee, dat zij, en vooral Frankrijk, de herindustrialisatie , hermilitarisering en herintegratie van West-Duitsland in Europa aanvaarden. De Amerikaanse regering is van oordeel dat de Europese integratie op economisch vlak een noodzakelijke voorwaarde is opdat Europese firma's de grootschalige en gestandaardiseerde fordistische productietechniek zouden kunnen aannemen. Voor de Amerikaanse regering is dit dan ook noodzakelijk om de Europese firma's toe te laten voldoende productiviteitswinst te boeken zodat het levenspeil van de arbeidende klasse kan verbeteren, zij toegang krijgt tot duurzame consumptiegoederen, de “American Way of Life” kan overnemen, zich kan hechten aan het kapitalisme en zich afwenden van het Sovjet-model.[note] Hogan, M., The Marshall Plan: America, Britain and the reconstruction of Europe, 1947-1952, Cambridge, Cambridge University Press, 1989, p. 39. [/note] Zoals Hoffmann, een Amerikaanse verantwoordelijke voor het Marshall-plan samenvat, moet deze strategie “de Amerikaanse assemblagelijn in stelling brengen tegen de communistische partijlijn” [note] Djelic, M-L., Exporting the American Model: The Postwar Transformation of European Business, Oxford, Oxford University Press, 1998, p. 78. [/note] Het is in dit kader dat we de steun van de Amerikaanse regering voor Europese federalistische organisaties en partijen als de Europese Beweging kunnen begrijpen. De NAVO spreekt zich sinds haar stichting in 1949 uit ten gunste van een Europese politieke integratie, en sinds het begin van de Koreaanse oorlog beogen de Amerikaanse, Duitse en Franse regeringen ook een Europese Defensiegemeenschap. Toch mislukken deze plannen voor een Europese politieke en militaire integratie en blijven enkel de instellingen over die een sterker geïntegreerde economische ruimte in West-Europa willen scheppen. De industriële leiders en politici van de West-Europese landen blijven nationalistisch in hun aanpak en zijn niet uit op een echte fusie van hun economische en diplomatieke belangen. Bedrijfsbeheer en bezit blijven voor de meeste West-Europese industriële groepen nationaal [note] Duménil G & Levy, D., La grande bifurcation, Paris, La Découverte, Geuens G., Tous pouvoirs confondus, Bruxelles, EPO, 2003. [/note]. De leiders van deze groepen en de machtigste families van de nationale burgerijen blijven ervan overtuigd dat hun nationale Staat, waarmee ze sterke historische en sociologische banden hebben, de beste waarborg bieden voor hun voortbestaan en ontwikkeling [note] Defraigne, J-C., De l’intégration nationale à l’intégration continentale, Paris, L’Harmattan, 2004, p40. [/note].Ze zijn argwanend, en meestal gekant tegen mechanismen die macht overdragen aan supranationale instellingen op Europees vlak; ze vrezen voor een verzwakking van de bestaande banden [note] Mandel, E., Le Troisième âge du capitalisme, Paris, Edition de la passion, 1996, p.70.[/note].   Van EGKS naar Gemeenschappelijke Markt: van een visie op supranationale staatsplanning naar een liberaal gefundeerde vrije concurrentie Bij de onderhandelingen over de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) beperkten Schuman en Monnet hun contacten met Franse industriëlen en met nationale politici tot een minimum uit vrees dat protectionistische reflexen hun project zouden doen kantelen. Monnet spreekt zelfs over een “kring van samenzweerders” als hij het ontwerp van een EGKS aanroert.[note] Monnet, J., Mémoires, Paris, Fayard, 1976, p. 354. [/note] Met steun van de Amerikaanse regering en met de hefboom van het Marshall-plan, krijgt de Hoge Autoriteit van de EGKS, geleid door Monnet, op formele wijze de belangrijke supranationale macht toegewezen om de productiecapaciteiten te gaan rationaliseren (macht om aan de verschillende lidstaten de fusie en sluiting van productiesites op te leggen). Maar de eerste maanden al na haar in werking treden leggen de nationale industriëlen, geholpen door hun staatsadministraties, de macht van de Hoge Autoriteit strikte beperkingen op [note] Gillingham, J., European Integration 1950-2003: Superstate or New Market Economy?, Cambridge, Cambridge University Press, 2003, p. 75 [/note]. Tussen de EGKS van het Verdrag van Parijs (1951) en de Gemeenschappelijke Markt van het Verdrag van Rome (1957) merkt men een aanzienlijke vermindering van de formele macht van de Europese supranationale instellingen over de private ondernemingen met een verschillende onderliggende filosofie. Uri en Monnet, de ontwerpers van de EGKS, waren voorstanders van een sterke supranationale staatsinterventionistische planning, wat de basis was voor de sterke formele bevoegdheden van de EGKS.  Maar van daar ging men over naar een liberalere economische visie, die zich concentreert op het verminderen van de nationale obstakels voor intracommunautaire handel in de lidstaten om zo tot een douane-unie te komen en meer intracommunautaire concurrentie. Deze verschuiving in de economische doctrine binnen het Europese bouwwerk is niet alleen het gevolg van de gewijzigde krachtsverhouding tussen een eerder colbertistisch [note] Colbertisme: naar Jean-Baptiste Colbert, Frans politicus onder Lodewijk XIV (17de eeuw). Colbert was voorstander van actieve staatssteun aan ondernemingen en export, en van protectionisme ten gunste van de Franse economie. [nvdv] [/note] en planningsgezind Frankrijk, en een eerder ordoliberaal [note] Het ordoliberalisme is een economische theorie/ideologie, ontstaan in de jaren 1930 in Duitse academische kringen. Als een vorm van liberalisme gelooft het in de vrije markt als regulerend maatschappelijk principe. Maar in tegenstelling tot het laissez-faire liberalisme denken de ordoliberalen dat de Staat een specifieke rol heeft om de vrije markt ongehinderd te laten functioneren, zoniet ontstaan kartels, prijsafspraken etc., wat de vrije concurrentie belemmert. [nvdv] [/note] gezinde Duitse Bondsrepubliek. Deze laatste heeft ondertussen haar centrale rol in de Europese continentale economie teruggevonden, is zich aan het heropbouwen en wordt opnieuw ingeschakeld in de Westerse internationale gemeenschap (in de vrijhandelsorganisatie GATT in 1951 en in de NAVO in 1955). Het komt er ook op aan het functioneren van de kapitalistische economie te normaliseren, want in de periode van naoorlogse heropbouw trad de Staat (of het economisch gezag van de bezettingsmacht in het geval van West-Duitsland) plannend op, om zo de economische en politieke onzekerheid weg te nemen waaronder vele privé-ondernemers in Europa toen gebukt gingen. De EGKS werd economisch uitgedacht in deze heropbouwperiode tussen 1947 en 1949. Dat verklaart haar interventionistische economische doctrine. In 1957, op het moment van de onderhandelingen over het Verdrag van Rome, zijn de private investeerders stabieler geworden en hebben minder behoefte aan een Staat met dito economische doctrine. De economische filosofie van het Verdrag van Rome, dat een economische (en niet: economische en sociale) Europese Gemeenschap instelt is liberaal geïnspireerd, zoals klaar werd aangetoond door Denord en Schwartz [note] Denord, F. et Schwartz, A., L’Europe sociale n’aura pas lieu, Paris, Raison d’Agir, 2009, p. 60. [/note] De politieke leiders en vooraanstaande economen, die de onderhandelingen voerden  en het Verdrag inspireerden, behoren tot liberale  economische stromingen. Ludwig Erhard, Luigi Einaudi, Johan van Beyen, of Jean-Charles Snoy et d'Oppuers, allen zijn lid van de kring 'Mont Pèlerin', één van de meest invloedrijke liberale denktanks van die tijd. Titel III van het Verdrag van Rome is weliswaar gewijd aan de sociale politiek (8 van de 289 pagina's van het verdrag) maar is niet bindend en vermeldt geen enkele becijferde doelstelling. Enkel een Europees Sociaal Fonds (artikelen 123 – 127), dat een budget ter beschikking heeft (420 miljoen rekeneenheden tussen 1960 en 1971), dat onbetekenend is in verhouding tot het BBP van de EEG. Artikel 117 van de bewuste titel III stipuleert dat “De Lidstaten erkennen de noodzaak, verbetering van de levensstandaard en van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te bevorderen, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt. Zij zijn van mening dat een dergelijke ontwikkeling zal voortvloeien, zowel uit de werking van de gemeenschappelijke markt waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd, als uit de in dit Verdrag bepaalde procedures en het nader tot elkaar brengen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen”. Dit artikel gaat ervan uit dat  de “onderlinge aanpassing van de levensstandaard en van de arbeidsvoorwaarden” van de werknemers zal gerealiseerd worden door de spelers op een gemeenschappelijke concurrentiële markt (duidelijk omschreven in het Europees mededingingsrecht) en door een wetgevende, reglementaire en administratieve convergentie, zoals die door de Commissie wordt ingeleid (nochtans zonder bindend effect van “hard law”).   Een geloof in automatische convergentie louter en alleen verzekerd door het ongehinderde spel van krachten op een gemeenschappelijke markt De onderliggende economische redenering van het Verdrag van Rome laat veronderstellen dat de Gemeenschappelijke Markt op velerlei manieren effecten zou genereren die tot een sociale convergentie tussen de lidstaten zouden moeten leiden. Ten eerste, het vrij verkeer van goederen en diensten zal er voor zorgen dat uit de concurrentie de meest efficiënte firma's zullen overblijven, die hun concurrenten zullen uitschakelen, ermee zullen fuseren of hen opslorpen. Dit zal leiden tot de rationalisatie van de Europese productiecapaciteit in firma's van grotere omvang, die ten volle de vruchten kunnen plukken van de schaaleconomie. Net zoals de grote Amerikaanse ondernemingen zullen zij dan kunnen steunen op een grote en geïntegreerde binnenlandse markt. Dat zal de productiviteit verbeteren, noodzakelijke voorwaarde voor aanwas van de lonen. Ten tweede, het vrij verkeer van kapitalen en werknemers leidt niet alleen tot een betere allocatie van de middelen in de Gemeenschappelijke Markt, maar ook tot een convergentie van de salarissen en interestvoeten omdat productiefactoren zich verplaatsen naar de meest winstgevende gewesten tot een punt waarop het spel van vraag en aanbod de winsten zal egaliseren over het geheel van de Gemeenschappelijke markt. Ten derde zouden de kapitalen zich verplaatsen van lidstaten waar zij overvloedig zijn naar waar ze schaars zijn, want volgens de marginalistische theorie van de afnemende productiviteit der productiefactoren [note] Het 'marginalisme' of de 'grensnuttheorie' is de liberale economische theorie die vanaf ca. 1870 ontstond en ook de 'neoklassieke theorie' genoemd wordt. Economische grootheden worden geëvalueerd door te kijken hoe ze zich gedragen 'aan de marge', door het toevoegen van één eenheid. Een voorbeeld:  wie honger heeft is bereid 3€ te betalen voor een broodje, misschien 5€ voor twee, maar aangezien er geen nut is bij een vijfde broodje is de grensnutwaarde ervan nihil. Voor de afnemende productiviteit van de factor arbeid verwijst men bv. naar een bouwwerf waar 4 arbeiders ongeveer wel dubbel zoveel werk verzetten als 2, maar bij het toevoegen van een achtste loopt men mekaar over de voeten en is de marginale productiviteit nul. [nvdv][/note] ligt hun rendement voor de investeerder er hoger. Deze overdracht van kapitalen van de meer naar de minder ontwikkelde lidstaten zou een inhaalbeweging van de laatsten moeten mogelijk maken in verhouding tot de gemiddelde economische ontwikkeling van de E.E.G. Deze liberale en marginalistische redenering neemt aan dat het volstaat de obstakels voor de intracommunautaire handel en voor het vrije verkeer van productiefactoren te elimineren om op middellange termijn te komen tot een convergentie van de diverse lidstaten en gewesten. De sociale samenhang van de Europese constructie zou dan gerealiseerd worden door een sterk geïntegreerde markt, waar de concurrentie tussen de lidstaten vrij is. De eerste veertig jaar van de Europese constructie zullen de Commissie en de Raad regelmatig herhalen dat het verdiepen van de Gemeenschappelijke Markt niet enkel voor economische groei zorgt, maar ook tot sociale cohesie zal leiden en tot convergentie tussen de lidstaten in termen van ontwikkelingsniveau en levensstandaard. Men moet zich toeleggen op het uitschakelen van intracommunautaire belemmeringen (douanetarieven, technische obstakels voor de handel of voor de circulatie van de productiefactoren) ten gevolge van de protectionistische praktijk van de lidstaten, de verhoging en convergentie van de levensstandaard in de EEG en de EU zal dan volgen. Einde Deel 1.

Wat valt te leren van Mélenchon’s ‘opstandige beweging’ ?

16/03/2018 - 00:21

door Herman Michiel 16 maart 2018   Op welke manier moet de strijd voor een betere maatschappij georganiseerd worden? De vraag naar de organisatie van het verzet is altijd belangrijk geweest binnen linkse bewegingen. In het neoliberale tijdperk is ze nog actueler geworden door de teruglopende ledencijfers van vakbonden en arbeiderspartijen, de ineenschrompeling van de historische communistische partijen (ook al vóór het uiteenvallen van de Sovjet-Unie), de spectaculaire electorale afgang in recente jaren van de meeste sociaaldemocratische partijen, een afgang die doorgaans niet gepaard ging met een opgang van radicaal-links, maar eerder die van extreem-rechts. En waar die opgang toch leek te slagen, zoals bij het Griekse SYRIZA, moest hooggespannen hoop al na korte tijd de baan ruimen voor diepe ontgoocheling. De vraag welk soort organisatie we moeten uitbouwen is een acute problematiek geworden binnen links. Naar wie richten we ons en hoe? Hoe organiseren we ons intern? Er wordt hierover niet alleen veel geschreven en gedebatteerd, maar er wordt ook in real life geëxperimenteerd. Het Spaanse Podemos liet zich inspireren door de ideeën over 'links populisme' van Mouffe en Laclau, en werd al kort na zijn oprichting (januari 2014) de derde grootste partij in het land (21.1% van de stemmen in een coalitie met Izquierda Unida bij de parlementsverkiezingen van juni 2016). Ook de beweging La France Insoumise die Jean-Luc Mélenchon in februari 2016 opzette in de aanloop naar zijn campagne voor de Franse presidentsverkiezingen (april-mei 2017) was 'links populistisch' geïnspireerd, en haalde een opmerkelijk succes met bijna 20% van de stemmen in de eerste ronde.   Belangstelling binnen Die Linke voor La France Insoumise Het hoeft dan ook niet te verbazen dat binnen andere Europese linkse organisaties en partijen, die meestal geen spectaculaire successen kunnen voorleggen, de vraag rijst of in de politieke experimenten à la Podemos of France Insoumise de sleutel ligt voor meer succes in de toekomst. Dat zal ongetwijfeld de reden geweest zijn waarom het Duitse Die Linke, via de bij de partij aanleunende vormingsorganisatie Rosa Luxemburg Stiftung opdracht gaf aan onderzoeker Peter Wahl  om een studie te wijden aan het 'fenomeen' Mélenchon en zijn beweging France Insoumise. Het resultaat is een klein essay [note]Rosa Luxemburg Stiftung, januari 2018, Ein aussergewöhnlicher Erfolg der Linken? Frankreich im Wahlzyklus 2017, 54 blz. [/note]. Hierin brengt Wahl geen waardeoordeel uit over de al dan niet verkieslijkheid of deugdelijkheid van Mélenchon's aanpak, maar hij geeft feiten, verduidelijkt begrippen en discussiepunten, en wijst op een aantal problemen waar La France Insoumise nog geen antwoord op gaf. Het leek ons daarom interessant om de belangrijkste bevindingen van deze studie samen te vatten (zie de omkaderde tekst verderop).   [caption id="attachment_15078" align="aligncenter" width="700"] Jean-Luc Mélenchon op een meeting, Toulouse 16 april 2017 (Foto MathieuMD Wikimedia Commons / CC BY-SA 4.0)[/caption]   Binnen Die Linke ligt het organisatiedebat momenteel nogal gevoelig. Dat blijkt onder andere uit het feit dat de Rosa Luxemburg Stiftung Wahl's studie binnenskamers probeerde te houden [note] Zie Junge Welt, 15 februari 2018, Widerspenstige Linke: In der Partei schwelt die Diskussion um eine Sammlungsbewegung . Rosa-Luxemburg-Stiftung hielt Studie zurück. [/note]. Er bestaat binnen de partij inderdaad een controverse rond publieke verklaringen [note] Zie bv. taz, 15 januari 2018, Die rätselhafte Frau W. [/note] van Sahra Wagenknecht, fractieleidster in de Bundestag, daarin gesteund door haar echtgenoot en gewezen Linke-voorzitter Oscar Lafontaine. Ze pleiten voor de oprichting van een 'linkse volkspartij', die ook kan werven binnen de SPD en de Grünen. Over deze kwestie zullen we het hier niet verder hebben, maar men kan niet simpelweg stellen dat Wagenknecht-Lafontaine in Duitsland typische voorstanders zouden zijn van een rood-rood-groene coalitie ("R2G"), zoals een deel van Die Linke ze voorstaat [note] Zie bv. Ander Europa, 15 sept. 2017, Die Linke in de Duitse verkiezingen van 24 september. [/note]. Wagenknechts verzet tegen de NATO wordt door velen zelfs gezien als een van de grootste obstakels voor R2G. Wat volgt is een samenvatting van Wahl's analyse van het succes van Mélenchon en de door hem opgerichte beweging La France Insoumise (LFI). We volgen dezelfde indeling als het artikel, bestaande uit vijf delen (I, II ... V); de vertaling, verwoording en selectie van de samenvatting zijn mijn (h.m.) verantwoordelijkheid. Op het eind volgt nog een persoonlijke nabeschouwing. [su_spacer] [su_note note_color="#cccddd" class=" notitie90procent" ] EEN BUITENGEWOON SUCCES VOOR LINKS? FRANKRIJK IN DE VERKIEZINGEN 2017 Peter Wahl (*) [su_spacer]  I. France Insoumise: een buitengewoon succes voor links Het lijdt geen twijfel dat de ruim zeven miljoen stemmen (19,6% van de uitgebrachte stemmen) voor Mélenchon bij de eerste ronde [note] Peter Wahl verantwoordt ook waarom hij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen, en niet de parlementsverkiezingen een maand later als criterium gebruikt. Hij geeft daarbij ook interessante bemerkingen over het antidemocratisch karakter van het sterk presidentiële systeem van de Franse Vijfde Republiek. [/note] van de Franse presidentsverkiezingen van 2017 een opmerkelijk succes betekenen, met een uitstraling elders in Europa. Ook het Griekse SYRIZA en het Spaanse Podemos behaalden aanzienlijke resultaten, maar in tegenstelling tot Frankrijk was dit niet in een van de leidende mogendheden van het kapitalistisch centrum. Mélenchon kwam met 19,6% weliswaar maar op de vierde plaats, maar winnaar Macron haalde zelf slechts 24%, Marine Le Pen 21,3% en Fillon 20,0%; de ongelukkige kandidaat Hamon van de PS moest zich tevreden stellen met 6,4%. Mélenchon kwam maar 640.000 stemmen tekort om de tegenkandidaat van Macron te worden in de tweede ronde. Men moet teruggaan tot 1969 voor een gelijkaardig succes; toen behaalde Jacques Duclos, de kandidaat van de Parti Communiste, 21,3%. Dat het om een links succes ging, was ook duidelijk uit de reacties van rechts. Le Figaro maakte van de aanvoerder van La France Insoumise een kruising van Robespierre en Lenin ('Maximilien Iljitsch Mélenchon'), ex-bankier Macron sneerde "Mélenchon houdt van Poetins oorlogen" en de markten zelf reageerden met een renteverhoging op Franse staatsleningen. Ook wanneer de kiesresultaten sociologisch en geografisch doorgelicht worden, komen er opvallende dingen aan het licht. Bij de 18-24-jarigen lag Mélenchon op kop met 30% van de uitgebrachte stemmen, gevolgd door Le Pen met 21%. Bij de 25-34-jarigen stonden ze ex aequo voorop met 24%. In Marseille, Avignon, Grenoble, Le Havre, Lille, Montpellier, Nîmes, Saint-Etienne, Toulouse en verschillende steden van de vroegere rode gordel rond Parijs was Mélenchon koploper. Bij de laagste inkomensklassen (gezinsinkomen tot 2000 €) heeft Le Pen weliswaar de leiding, Mélenchon komt daar op de tweede plaats (zie de grafiek verderop). Dit is ook zo bij de arbeiders (Le Pen 37%, gevolgd door Mélenchon met 24%) en de bedienden (32%, respectievelijk 22%). Mélenchon's succes contrasteert fel met de dramatische afgang van de Parti Socialiste (6,4% van de stemmen voor kandidaat Hamon in de eerste ronde). Deze partij is nog maar een schaduw van zichzelf, met nog 40.000 van de 170.000 leden die ze telde als Hollande in 2012 zijn intrek nam in het Elysée. Wegens financiële problemen moet het partijhoofdkwartier verkocht worden. Nog voor de verkiezingen vertrok een deel van de partijnobelen naar Macron, terwijl een deel van de linkervleugel lonkte richting La France Insoumise. Een triomf voor Mélenchon, ongetwijfeld, maar er is ook de schaduw van het ontegensprekelijke succes van Marine Le Pen's Front National. Hierover schrijft P. Wahl: "Een sociologische doorlichting van de stemresultaten bevestigt het klassenkarakter van Le Pen's kiezersbasis. Deze bestaat in hoge mate uit de vroegere sociale basis van links: de ondergeprivilegieerden, de kanslozen, mensen in precaire omstandigheden, arbeiders. Ook de hoge jeugdwerkloosheid verklaart waarom zoveel jongeren voor het FN kozen." De onderstaande grafiek illustreert dit maar al te duidelijk.

Stempercentages (1e ronde presidentsverkiezingen) volgens inkomensklasse (bron: IPSOS)

[su_spacer] [su_spacer] II. Op het snijpunt van basisproblemen voor een linkse politiek Formeel werd Mélenchon's beweging slechts een goed jaar voor de verkiezingscampagne opgericht, maar in feite is ze het resultaat van een bijna tienjarige ontwikkeling. In 2008 verliet hij de Parti Socialiste en richtte in 2009 de Parti de Gauche op. Voor de Europese verkiezingen van dat jaar werd het Front de Gauche opgericht als alliantie tussen de Parti de Gauche, de Parti Communiste (PCF) en kleinere groepen. Het resultaat was ontgoochelend, de 6,1% waren nauwelijks méér dan wat de PCF vroeger reeds behaalde. In dezelfde configuratie, en met Mélenchon als kandidaat, waren de 11% bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen van 2012 een hele stap vooruit. Toch werd het bondgenootschap met de PCF steeds moeilijker; Mélenchon's uitdrukkelijke afwijzing van de neoliberalisering van de PS strookt niet met de afspraken (in het kader van het twee-ronden kiessysteem ) die de communisten plegen te maken met de PS om de zowat 7000 gemeentelijke en regionale  mandaten veilig te stellen. In februari 2016 was met de oprichting van La France Insoumise en de eenzijdige kandidaatstelling van Mélenchon voor de presidentsverkiezingen de knoop doorgehakt; van het traditionele kartel van partijen werd afgestapt, de Front de Gauche werd opgeborgen en La France Insoumise (LFI) uitdrukkelijk als een nieuwsoortige beweging voorgesteld. Het had dus nogal wat voeten in de aarde als de PCF uiteindelijk toch Mélenchon's kandidatuur steunde in 2017. Beweging-partij Wat houdt het onderscheid beweging-partij in, en op welke problemen moet een beweging een beter antwoord zijn dan een partij? In een interview met P. Wahl gaf Mélenchon's campagnedirecteur Manuel Bompard hierover de volgende overwegingen. Klassieke partijen passen in een maatschappelijk kader met duidelijk omschreven klassenstructuren en sociale milieus. Individualisering en urbanisering hebben deze categorieën echter doen vervagen, en anderzijds nieuwe milieus doen ontstaan. Partijen verbruiken ook veel energie naar binnen, ten koste van activiteit naar buiten, en de bureaucratisering ervan werpt een dam op tussen partij en burgers, vooral die van de lagere sociale klassen. De laagdrempeligheid van een beweging kan hierop een antwoord zijn, en meer mensen tot een politiek engagement brengen. Hoe heeft LFI het bewegingsconcept in de praktijk gebracht? Lid van de beweging wordt men door een eenvoudige muisklik, wat een half miljoen Fransen dan ook gedaan hebben. Er wordt geen lidmaatschapsgeld gevraagd. Bij strategische beslissingen (verkiezingsprogramma, eventuele aanbeveling bij de tweede ronde…) wordt er een online stemming onder de leden georganiseerd. Een tweede niveau zijn de 'actiegroepen' (groupes d'action) waarvan er zo 'n 5000 ontstonden bij de verkiezingscampagne van 2017. Ze beslissen zelf over hun initiatieven. Het niveau daarboven is het nationale. Er is dus geen coördinatie op gemeentelijk of regionaal vlak. Op het nationaal vlak zijn er een aantal werkgroepen (espaces); in 2017 waren het er vijf: programma, technisch-organisatorisch, de parlementaire fractie, een overlegcomité tussen organisaties die La France Insoumise ondersteunen, en ten slotte een strijdcomité, espace des luttes. Bij dit organisatieschema stelt Wahl zich vragen over de democratische legitimiteit ervan, in het bijzonder de relatie tussen het eerste en tweede niveau (leden en actiegroepen) en het nationale niveau. Officiële procedures werden niet vastgelegd; sleutelposities in de werkgroepen werden vooral door leden van de Parti de Gauche [note]De PdG werd niet opgedoekt, en speelt een rol wanneer een losse structuur als LFI moeilijk een standpunt kan innemen, zoals over het Catalaans onafhankelijkheidsstreven. Wahl suggereert ook een interpretatie die opnieuw vragen doet rijzen over de democratische legitimiteit: de verhouding LFI-PdG lijkt op die tussen een klassieke partij en een aangesloten massaorganisatie. Alleen worden de rollen omgekeerd en zou de massaorganisatie voorrang hebben op de partij. [/note] ingevuld. Over deze gang van zaken was al enig gegrom te horen; leidende figuren van de beweging zeggen zich hiervan bewust te zijn en bevestigen dat er naar een oplossing gezocht wordt. Wahl maakt ook de interessante kanttekening dat de werkwijze van LFI ontegensprekelijk vruchten afgeworpen heeft bij de campagne voor de presidentsverkiezingen, maar dat men zich vragen kan stellen bij de deugdelijkheid ervan op langere termijn. Zal een structuur die naar eigen zeggen van Mélenchon "noch verticaal, noch horizontaal maar fluïde is" bestand zijn tegen crisissen en conflicten die onvermijdelijk optreden in organisaties? Wahl verwijst expliciet naar het gevaar dat de parlementsfractie van LFI (17 verkozenen in de Assemblée) het eigenlijke strategische centrum wordt, waar de media-aandacht naartoe gaat, waar beroepspolitici over tijd, geld en kennis beschikken. [Wie een beetje de verhoudingen tussen de Britse Labourpartij en haar verkozenen kent (deze laatste bekend als de Parliamentary Labour Party) mag dit gevaar inderdaad niet onderschatten. hm] Grotere vangst door te vissen in een grotere vijver? Bij de argumentatie van La France Insoumise voor de overstap van partij naar beweging vermeldden we reeds de 'vervaagde klassenstructuren en sociale milieus'. Wanneer we het verderop over het 'links populisme' zullen hebben wordt nog duidelijker dat het niet alleen over een organisatorische hervorming gaat, maar ook over een heroriëntering van het politiek project. Tegenover de vroegere strategie van de 'eenheid van links' (cfr. Front de Gauche) is de ambitie nu om ruimere sociale lagen te betrekken. Dit wordt niet als een verkiezingstaktiek voorgesteld, maar als een antwoord op de "fundamenteel nieuwe situatie in de menselijke geschiedenis", een allesomvattende crisis die door de Franse econoom Jacques Généreux, inmiddels adviseur van Mélenchon, bestempeld wordt als de grote regressie. De mensheid staat met haar rug tegen de muur, en alleen een gans nieuwe aanpak en een veel ruimere maatschappelijke constellatie kan de catastrofe voorkomen. Als dit de bedoeling was, is LFI daar toch nog niet in geslaagd, merkt Wahl op. Telt men de stemmen bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen 2017 voor Mélenchon en die voor PS-kandidaat Hamon op, dan krijgt men grosso modo hetzelfde resultaat voor wat traditioneel het 'linker kamp' genoemd wordt, alleen is de leiding in dit kamp nu verschoven. Mediapolitiek Men kan moeilijk ontkennen dat de verhouding tot de media ook een basisprobleem is voor een linkse beweging. Ook de links-liberale media geven geen presentjes aan links; dat bleek weer eens uit de massale steun die Le Monde en Libération vooral in de laatste weken van de campagne gaven aan Macron. La France Insoumise had dan ook een eigen parallel kanaal uitgebouwd om hieraan tegemoet te komen. Met succes; web-activisme kon 120.000 mensen bijeen brengen op de Place de la République in Parijs en 60.000 in Marseille. Een technisch hoogstandje was het gelijktijdig optreden van Mélenchon in meerdere steden via een holografisch beeld. Het Youtube-kanaal kende een groot succes (370.000 abonnees) en het opinie-onderzoeksinstituut IFOP riep Mélenchon uit tot "de grootste 2.0 kandidaat van de presidentsverkiezingen". Wahl's studie werd afgesloten vóór de lancering half januari 2018 van Le Média, een 'web-TV kanaal' dat ontstond in het zog van Mélenchon's verkiezingscampagne. De rol van de persoon Mélenchon De vage bewegingstructuur biedt nog meer dan een partij het risico op de personificatie van het politiek project. Mélenchon's charismatische kwaliteiten en zijn buitengewoon talent als redenaar zijn hierdoor niet alleen troeven, maar houden ook een gevaar in. Wat als de spilfiguur om welke reden dan ook wegvalt? Of als hij zich toch laat verleiden tot autoritaire methodes? Dat zou natuurlijk uitermate ironisch zijn aangezien Mélenchon zelf het presidentieel regime van de Vijfde Republiek bestempelt als een 'presidentiële monarchie' en het wil vervangen door een Zesde Republiek.   III. Programma Het politiek programma van La France Insoumise loopt in veel opzichten gelijk met dat van andere radicaal linkse organisaties en partijen in Europa, en is uitdrukkelijk opgesteld als een regeringsprogramma voor het geval van een echte verkiezingsoverwinning. We vermeldden reeds Mélenchon's ideeën voor een grondwetswijziging ('Zesde Republiek') die de Franse 'presidentiële monarchie' moet vervangen door een parlementair systeem met proportionele vertegenwoordiging. Het sociaal-economisch luik bestempelt Eric Coquerel, volksvertegenwoordiger van de beweging, als eco-keynesiaans. Op het vlak van buitenlandse politiek wordt gepleit voor een onafhankelijke Franse koers, opheffing van de NATO, stopzetting van de militaire inmenging van Frankrijk in Afrika en een ontspanningspolitiek tegenover Rusland. Er moet internationaal meer samengewerkt worden bij het oplossen van conflicten, aan de bewapening moet een halt toegeroepen worden, maar het programma spreekt zich uit tegen een eenzijdige afbouw van het Franse nucleaire arsenaal. Wat vluchtelingen en migratie betreft moeten de Geneefse akkoorden onverkort toegepast worden, en er moet samengewerkt worden binnen de Verenigde Naties. De oorzaken van de vluchtelingenstromen moeten aangepakt worden, maar ook economische overwegingen kunnen aangewend worden bij de aanpak van migratie. LFI beroept zich op het 'ecosocialisme', en door de nu veel lossere band met de Parti Communiste hebben de programmapunten rond milieu en klimaat aan kracht gewonnen. De beweging spreekt zich nu uit voor een uitstap uit de kernenergie (tegen 2050; Frankrijk haalt vandaag 70% van zijn elektriciteit uit kerncentrales); zover was het vroeger niet gekomen, vooral wegens de banden tussen de PCF en de vakbond CGT die sterk staat in deze sector. Als organisatie binnen het linkse kamp in Europa valt LFI het meest op door zijn kritische analyse van de Europese Unie. Ook hierin onderscheidt Mélenchon's beweging zich grondig van de Franse Parti Communiste, die een uitgesproken 'europeanistische' koers vaart. We kunnen ons programma niet binnen het kader van de EU verwezenlijken, stelt Mélenchon, het is onverenigbaar met het 'neoliberaal constitutionalisme' van de EU. De Europese verdragen zouden moeten gewijzigd worden, maar dat is door de unanimiteitsregel praktisch uitgesloten. Om dit standpunt een concrete uitdrukking te geven, sluit La France Insoumise zich aan bij de 'Plan A – Plan B'- strategie. Plan A bestaat erin, voor het geval men zelf de macht uitoefent, te onderhandelen met andere lidstaten van de eurozone om een eind te stellen aan het neoliberaal beleid en de monetaire politiek te wijzigen; een land met het gewicht van Frankrijk kan hierin meer bereiken dan bijvoorbeeld Griekenland. En in tegenstelling tot Tsipras zou men niet 'ongewapend' de strijd aanvatten: van meetaf aan zou duidelijk zijn dat er een Plan B klaar ligt, dat bijvoorbeeld een uitstap uit de euro of het afzeggen van sommige verdragen niet uitsluit. Consequent met deze opstelling was Mélenchon een opgemerkte deelnemer aan een reeks conferenties van het Plan B initiatief (Parijs, Kopenhagen, Lissabon).   IV. Populisme? In het beperkte kader van zijn essay gaat Peter Wahl niet in op de vele polemieken die sinds jaren over het begrip populisme gevoerd worden [note] Voor een aantal positieve zowel als negatieve evaluaties in het Nederlands kunnen we (h.m.) onder andere verwijzen naar Lava, Populisme: een onzinnig begrip voor links; Grenzeloos, Het links populisme is geen geloofwaardig antwoord op rechts populisme;   MO*, Het linkse populisme van Syriza en Podemos; SAP, Theorie en praktijk van Mélenchons populisme;  T. Decreus, Populisme en democratie; A. Jäger, En waarom geen links-populisme, Mark Elchardus? [/note]. Hij vermeldt alleen dat het begrip oorspronkelijk uitgaat van een zichzelf legitimerend politiek centrum, dat daarmee een aantal actoren, zowel aan zijn linker- als aan zijn rechterzijde, wil weren, en zijn verantwoordelijkheid voor de opkomst van nieuwe rechtse krachten en het neoliberaal beleid verdoezelen. Nieuw is dat er nu ook krachten binnen links zijn die het etiket 'populistisch' opeisen en een positieve invulling geven. Men denkt daarbij aan Podemos maar ook aan La France Insoumise; ze beroepen zich vooral op de politieke theoretici Ernesto Laclau en Chantal Mouffe. Wahl belicht wel een aantal aspecten van het links-populisme bij LFI, die we hier ook samenvatten. "Volk" Refereren naar het 'volk' roept in Duitsland onwillekeurig reminiscenties op aan de völkische propaganda rond de bloedgemeenschap van de jaren 30, maar Wahl stelt dat le peuple in Frankrijk deze connotatie niet heeft en veeleer aansluit bij Gramsci's notie van lagere sociale klassen. Mélenchon maakt wel geen expliciete klassenanalyse, maar wanneer hij het heeft over het volk is daarmee bedoeld: zij die de rijkdom produceren. Met een appél aan 'het volk' wil Mélenchon de vele los van elkaar optredende sociale bewegingen, protesten en initiatieven in de civiele maatschappij bundelen en tot een actieve tegenmacht samensmeden. Heersend blok Wie behoort niet tot het volk? Mélenchon spreekt van de kleine oligarchie van rijken en een kaste van politici en 'mediakraten' die hen ten dienste staan. Een eerder vage aanduiding, die misschien ruimer is dan de "1%" van de Occupy-beweging, maar het bekende probleem van links weergeeft om een algemeen aanvaard en populair begrip te vinden (bourgeoisie? heersende klasse? kapitalisten?) voor de maatschappelijke bovenlaag, aldus Wahl. Het verbaast hem ook niet dat in het discours over populisme van het politieke centrum hiervoor de term 'elite'  gebruikt wordt. Er gaat een positieve connotatie van uit, die topprestaties in sport of wetenschap oproept, en het machtaspect verdoezelt. Antagonisme-agonisme La France Insoumise is het eens met de gangbare linkse analyse van een antagonisme (tegenstelling) tussen burgerij en arbeidersklasse, en daardoor met het onderscheidt tussen links en rechts, maar deelt met Chantal Mouffe de mening dat deze tegenstelling haar monopoliepositie verloren heeft; een emancipatorisch project moet vandaag ook ingaan op de verhouding tussen man en vrouw, op de verhouding mens-natuur enzovoort. Wie zegt antagonisme, zegt conflict. Mouffe heeft welbepaalde opvattingen over de wijze waarop maatschappelijke conflicten moeten uitgevochten worden. In het kader van een liberale democratie geeft het conflict aanleiding tot het ontstaan van twee kampen, gescheiden door een politieke grens. De strijd tussen de twee kampen wordt geweldloos gevoerd en volgens de democratische spelregels; Mouffe spreekt in dit verband over agonisme. Peter Wahl ziet in het sterk polariserend discours van La France Insoumise, de duidelijke afwijzing van de politiek van de PS en van de allianties van PCF-PS een uiting van dit agonisme. Bij mijn nabeschouwing op het eind van dit artikel wil ik hier toch een kanttekening bij plaatsen. Soevereiniteit Net zoals bij het begrip 'volk' wijst Wahl erop dat de door Mélenchon vaak gebruikte aanspraak op soevereiniteit in links Duitsland al te vlug geïdentificeerd wordt met nationalisme of met de beperkte notie staatssoevereiniteit van het volkerenrecht. Maar sinds Rousseau kennen we het begrip volkssoevereiniteit met de invulling van 'democratische zelfbeschikking'. Het werd niet alleen een strijdpunt in de Franse Revolutie, maar kan ook ingeroepen worden bij het verzet tegen bijvoorbeeld de NATO of een Duits gedomineerde Europese Unie. Het verzet tegen de Trojkapolitiek in Griekenland beriep zich ook vaak op soevereiniteit; Wahl verwijst ook naar het boek Reclaiming the State van Mitchell en Fazi [note] W. Mitchell en T. Fazi, Reclaiming the State – A progressive vision of sovereignty for a post-neoliberal world, Pluto Press, 2017. [/note]. Emotie en symboliek Links heeft een problematische verhouding met emotionaliteit en het irrationale in de politiek, een erfenis van het rationalisme van de Verlichting, aldus Wahl. La France Insoumise probeert daaraan te verhelpen. De massabijeenkomsten en toespraken van Mélenchon werken ook op het gemoed, en versterken het gevoel van collectieve macht en optimisme. Wat symboliek betreft viel in Mélenchon's campagne het zwaaien met de Franse tricolore op, en het zingen van de Marseillaise. Volksvertegenwoordiger Coquerel zegt hierover dat rode vlaggen en het zingen van de Internationale niet zo veel Fransen meer kippevel bezorgen als vroeger; de Franse vlag en het nationaal volkslied anderzijds worden in hoge mate door de bevolking aanvaard. Peter Wahl wil ook hier wel een 'germanocentristische' reflex vermijden, maar vraagt zich toch af waarom links niet in staat is een eigen geactualiseerde symbooltaal te ontwikkelen en moet teruggrijpen op die van 1789. We komen hier in de nabeschouwing nog op terug.   V. En de relevantie elders? Peter Wahl waarschuwt dat de resultaten van zijn studie niet zonder meer kunnen overgedragen worden naar Duitsland (of elders), omdat de maatschappelijke verhoudingen, ook die van de politieke actoren, van land tot land verschillen. Een inspiratiebron, ja, een te volgen model, neen. Ook betekent het succes bij de campagne voor de presidentsverkiezingen in 2017 nog niet dat La France Insoumise bewezen heeft zich in de komende jaren te kunnen consolideren. De belangrijkste conclusie van Wahl is dat links in Duitsland zonder vooringenomenheid de evolutie van LFI moet volgen, en uitwisseling en samenwerking met deze beweging nastreven. Hij geeft ook de 'praktische' aanbeveling aan links in Europa om zich niet te mengen in het conflict tussen La France Insoumise en de Parti Communiste Français. Als er één ding is dat links elders in Europa van La France Insoumise kan overnemen, aldus Wahl, dan is het het zoeken van een voor de eigen situatie aangepaste linkse strategie. [su_spacer] (*) Peter Wahl is een Duitse linkse onderzoeker en auteur; hij was een van de medestichters van Attac-Duitsland. Hij is bestuursvoorzitter van WEED (World Economy, Ecology & Development), een ngo gewijd aan de impact van globalisering op het vlak van financiën, economie en ecologie. [/su_note] [su_spacer]   Nabeschouwing (H. Michiel)   Ik wil de stimulerende analyse van Peter Wahl niet afsluiten zonder er zelf een paar kanttekeningen bij te plaatsen. Over het algemeen ben ik experimenten aan de linkerzijde gunstig gezind, ook als ze me niet onmiddellijk overtuigen. We zitten in een kritisch tijdsgewricht, waarschijnlijk nog te zeer beïnvloed door formules uitgewerkt in het verleden, en anderzijds te veel geneigd om lessen uit dat verleden overboord te gooien. De vakbonden, arbeiderspartijen, theorieën en strijdvormen uitgewerkt in de 19e eeuw behouden nog steeds een grote actualiteitswaarde, maar mogen geen beletsel zijn om ze aan te passen aan de omstandigheden van de 21e eeuw en om nieuwe oplossingen uit te werken. Er valt waarschijnlijk meer te leren uit de mislukking van een nieuwe aanpak dan uit de vereeuwiging van een oude. Dat wil echter niet zeggen dat alle innovatiepogingen even gelukkig zijn en alle ideeën daaromtrent evenwaardig. Ik ben het ook grondig eens met Wahl dat bij de evaluatie van politieke initiatieven rekening moet gehouden worden met de politieke constellatie waarin ze ondernomen worden. Le peuple roept in Frankrijk inderdaad niet dezelfde herinneringen op als das Völkische in Duitsland. Toch denk ik dat Wahl soms met al te veel goodwill naar een aantal aspecten van La France Insoumise kijkt. Ik zal een aantal punten opnoemen die mij nogal sceptisch stemmen. Wahl maakte de studie in opdracht van Die Linke, en koos daarvoor zelf niet het tijdstip uit. Dit tijdstip is amper een jaar na de oprichting van La France Insoumise, en in die periode heeft de beweging alleen maar een verkiezingscampagne gevoerd. Een zeer succesrijke, akkoord, maar er is een hemelsbreed verschil tussen een verkiezingscampagne en een permanente structuur die mensen blijft mobiliseren voor een strijd waar successen eerder zeldzaam zijn. Over de superioriteit van het bewegingsconcept tegenover dat van een partij kan in feite nog niets gezegd worden, daarvoor zijn de ervaringen nog veel te beperkt. Men zou er minstens een evaluatie van Podemos moeten bij betrekken, dat al langer actief is op basis van gelijkaardige principes. Er is bijvoorbeeld het probleem van de interne democratie, dat door Wahl kort wordt vermeld. Zou men durven beweren dat dit probleem opgelost is door iedereen als lid van de beweging te beschouwen die zich online als 'vriend' meldt? Men hoeft geen lidgeld te betalen, wat natuurlijk zeer laagdrempelig werkt, maar welk gewicht krijgen daardoor de verkozenen die wél voor inkomsten kunnen zorgen? Ook binnen links wordt vaak schamper gedaan over het 'democratisch centralisme' als werkingsprincipe, maar is de muisklikdemocratie een zoveel beter alternatief? [caption id="attachment_15083" align="alignleft" width="200"] Phi, logo van La France Insoumise[/caption] Een tweede punt waar ik het, alle beschouwingen over een verschil in perceptie ten spijt, moeilijk mee heb is de verschijning van Mélenchon en andere LFI-kopstukken omzwachteld met de tricolore, en de massale aanwezigheid van dit nationaal symbool bij manifestaties. Het is een algemeen aanvaard symbool in Frankrijk, zegt Coquerel, en dit klopt ergens wel. Gaullisten, Macronisten, Le Penisten, allen zwaaien ze de tricolore. Waarvan is dit dan eigenlijk een symbool? Wahl verwijst voor meer begrip ook naar La Résistance, het verzet tegen de nazi's, dat bleu-blanc-rouge als eenmakend symbool had. Maar die functie had de Belgische tricolore te dien tijde hier te lande ook, maar dit zou hier nog moeilijk kunnen doorgaan als argument om met Belgische vlaggen te zwaaien in een linkse verkiezingscampagne. De keuze voor de nationale symbolen eerder dan die van de strijdende arbeidersbeweging past in feite in het populistisch denkkader dat 'het volk' wil verenigen in het verzet tegen de parasitaire opperkaste. Maar zoals Wahl opmerkte (zie I.) heeft dit vissen in een grotere vijver voorlopig niet méér vangst opgeleverd. Misschien moet ook de keuze van het nogal weinigzeggende phi-symbool (φ) als logo van  France Insoumise (FI --> phi) ook als poging gezien worden om de vijver zo groot mogelijk te houden.  Het is evenwel minder gevaarlijk dan het behoud van de Franse force de frappe; als een nucleaire afschrikkingsmacht ook deel uitmaakt van het appél aan de nationale trots werpt dit wel een zeer donkere schaduw op het emancipatorisch project van de Insoumis. Ik vermoed dat de bekommernis om de vijver zo groot mogelijk te houden ook aanleiding gaf tot een vrij grote vaagheid over het asielbeleid dat La France Insoumise zou voeren als het aan de macht kwam. Zoals ik elders reeds schreef [note] Ander Europa, 6 april 2017, Immigratie in de Franse verkiezingscampagne. [/note] is het vrij cynisch om in een acute noodsituatie van honderdduizenden mensen vooral het "aanpakken van de problemen aan de wortel" naar voren te schuiven; aan paniekerige bewoners van een brandend pand zegt men niet dat huizen voortaan brandveiliger moeten worden. Tenslotte vraag ik me af of links in Europa (La France Insoumise, Podemos, Die Linke…) er wel goed aan doet om zo eenzijdig bij Chantal Mouffe te rade te gaan. Ook wie in een vorm van links populisme mogelijkheden ziet voor een vernieuwde strategie zal moeten erkennen dat de invulling die Mouffe eraan geeft slechts één van de mogelijke is. Ik beweer niet dat voornoemde partijen van Mouffes werken hun bijbel gemaakt hebben, maar als politologe met praktische adviezen verschijnt ze op wel heel veel podia en blijkbaar ook in verschillende hoofdkwartieren. Een deel van haar boodschap lijkt me terecht en waardevol; democratie draait rond conflict en staat in schril contrast tot een consensuspolitiek waarbij de grenzen tussen links en rechts vervagen. Maar in haar denken hierover vond een evolutie plaats [note] Zie hierover Patrick Braibant, Chantal Mouffe ou les incertitudes de la "radicalistion de la démocratie", deel 1 en deel 2-3. [/note] die ertoe leidt de beslechting van het fundamentele klassenconflict van de kapitalistische samenleving te willen insnoeren in het nauwe keurslijf van het liberaal-democratische spel. Voortgaand op de noties antagonisme en agonisme (zie IV.) stelt ze: "Het einddoel van de democratie is het antagonisme in agonisme te transformeren". [note]Chantal Mouffe, L'illusion du consensus (p.35), Albin Michel 2016 [/note]. Maar ik ben waarschijnlijk niet de enige die de oplossing van het fundamentele sociale conflict tussen Arbeid en Kapitaal niet in een Parlement ziet beslecht worden…  

Professor Roland Erne (University

13/03/2018 - 12:01

Professor Roland Erne (University College Dublin) laat via een aantal netwerken weten dat er drie beurzen voor een doctoraatsonderzoek beschikbaar zijn binnen het project

 

‘Labour Politics & the EU’s New Economic Governance Regime’

 

Application deadline: 10 April 2018

Start date: 10 September 2018

The European Research Council (ERC) project Labour Politics & the EU’s New Economic Governance Regime at the Geary Institute for Public Policy, University College Dublin, invites applications for up to three doctoral fellowships. The PhD fellows will be supervised by Roland Erne (principle investigator and professor of European integration & employment relations) andSabina Stan (senior social scientist and lecturer in sociology & anthropology). Successful candidates will be part of an interdisciplinary, multinational team and must enrol in the joint doctoral programme of the Graduate Schools of Business, Social Sciences and Law.

Voor verdere informatie, zie https://www.erc-europeanunions.eu/open-positions/  

 

Brexit en de krenten uit de pap

11/03/2018 - 22:37

door Frank Slegers 11 maart 2018   Verleden woensdag 7 maart maakte Donald Tusk, de voorzitter van de Europese Raad, een eerste ontwerp bekend van de manier waarop de lidstaten van de Europese Unie de toekomstige relaties zien met het Verenigd Koninkrijk na de Brexit. De Europese leiders (of hun spindoctors) hebben daarbij een beeld bedacht dat tot de verbeelding spreekt: de Britten mogen niet de krenten uit de pap halen (“no cherry picking”). Je ziet het zo voor je: je zit gezellig met 28 aan tafel en er wordt krentenpap opgediend. Maar dan is er, geloof het of geloof het niet, warempel één gast aan tafel die de pap niet lust, maar wel probeert de krenten er uit te pikken: de Britten. Dat kan niet, dat snapt iedereen die een beetje opvoeding heeft genoten! Minder beeldrijk uitgedrukt klinkt het zo: als de Britten uit de Europese Unie willen moeten ze niet proberen toch een aantal voordelen te behouden. Ze kunnen bijvoorbeeld niet hun grenzen dichtgooien voor arbeidsmigranten uit de Europese Unie, maar wel vrije toegang eisen tot de Europese binnenmarkt voor hun financiële dienstensector. Achter het onschuldige beeld van de krentenpap gaat een fundamentele bekommernis van de Europese leiders schuil: de samenhang van de Gemeenschappelijke Markt, met zijn vier fundamentele vrijheden (vrij verkeer van kapitaal, goederen en diensten, en arbeid) moet kost wat kost worden gehandhaafd. Het is het fundament van de Europese Unie. Op dit fundament is een complex geheel gebouwd van regels die worden uitgewerkt en opgelegd door de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie, in naam van de Europese Verdragen. Wanneer de Britten wordt toegestaan krenten uit deze pap te pikken is het hek van de dam, en zullen andere lidstaten volgen. Het bouwwerk stort dan in elkaar. Het is opvallend hoe de Europese Unie vandaag, vergeleken met de situatie in de belangrijkste lidstaten, een anker van stabiliteit lijkt. Ga maar na: Duitsland wordt geleid door een grote coalitie van partijen die van de kiezers een pak slaag kregen; Emmanuel Macron haalde in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen met zijn liberaal pro-EU-programma amper een kwart van de stemmen; de toestand in Italië is bekend… Hiermee vergeleken lijkt de Europese Unie een technocratische machine die onverstoorbaar haar gang gaat, buiten het bereik van vervelende kiezers, haar legitimiteit puttend uit haar eigen regels, met het marktfundamentalisme gebeiteld in de Verdragen. Men zou kunnen zeggen dat wat Xi Jinping is voor China, de Europese Verdragen zijn voor de EU. Dergelijk despotisme houdt risico’s in, want het is weinig flexibel. Daarom pleitte Jean-Claude Juncker toen hij Commissievoorzitter werd voor een meer ‘politieke’ Commissie. Maar de in beton gegoten samenhang van een neoliberaal juridisch systeem bewijst in de troebele tijden vandaag zijn nut. Vandaar dat de boodschap aan de Britten is: handen af! Niet prutsen aan de samenhang van onze regels! Geen avonturen! Binnen of buiten! Deze harde houding van de Europese leiders is niet zonder contradicties. Het is paradoxaal en tegennatuurlijk hoe een marktfundamentalistisch instituut als de EU in botsing komt met Britse leiders die nochtans kampioenen zijn van hetzelfde onversneden marktdenken. Bovendien vrezen de Europese leiders dat de Britten, afgewezen door hun Europese buren, van de weeromstuit gaan kiezen voor een model van fiscale en sociale dumping, ‘oneerlijke concurrentie’ die de continentale economieën behoorlijk pijn kan doen. Vandaar dat de Europese leiders ook belang hebben bij gemeenschappelijke afspraken met de Britten. Maar de samenhang van de Gemeenschappelijke Markt is belangrijker. Daarmee staat of valt de Europese constructie. Het wordt de Britten erg kwalijk genomen dat zij dit in gevaar brengen door krenten uit de pap te willen pikken. De Luxemburgse premier Xavier Bettel liet zich op de persconferentie van Tusk erg laatdunkend uit over de Britten. En wat te denken van Carsten Spohr, de baas van de Duitse luchtvaartmaatschappij Lufthansa, die verklaarde het helemaal niet erg te vinden als de Brexit gepaard zou gaan met chaos in het luchtverkeer: dat zou een goede les zijn voor de Britten. In de Europese linkerzijde heeft iedereen wel een mening over de Britse premier Theresa May of de alternatieven van Labourleider Jeremy Corbyn. Over het optreden van de Europese Unie echter hoort men deze linkerzijde veel minder. Dat is nochtans waar haar eerste verantwoordelijkheid ligt, hier aan deze zijde van het kanaal. Zou het niet logisch zijn te eisen dat een democratisch Europa de keuze van de Britten respecteert, en in die geest handelt? Misschien moet dan ook in de EU een en ander veranderen. Of telt de mening van de mensen aan de overkant van het kanaal niet, want racistisch en xenofoob (of dom)? Allerlei onderzoeken naar de motivatie van de Britse kiezer moeten dan wel worden genegeerd, maar het is een makkelijk voorwendsel. Misschien is the elephant in the room van de Europese linkerzijde deze: ook voor haar is de stabiliteit van het Europese bouwsel belangrijker dan de wil van de Britse kiezer.

Nieuwe munitie tegen vrijhandelsverdragen à la CETA en TTIP?

06/03/2018 - 16:51

Het Europees Hof van Justitie (EHJ) maakte vandaag (6 maart) een uitspraak bekend die ook belangrijk kan zijn voor de strijd tegen de vrijhandels- en investeringsverdragen zoals TTIP, CETA en andere. Zoals bekend zijn de uitzonderingsrechtbanken voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en overheden (bekend als ISDS, in een recentere versie als ICS, zie bv. ref. 1 ) één van de grote bezwaren tegen dit soort verdragen. Het EHJ oordeelde dat het ISDS-mechanisme opgenomen in een bilateraal verdrag tussen Nederland en Slovakije onverenigbaar is met het Europees recht. Daarmee komen ook ongeveer 200 andere bilaterale verdragen tussen EU-lidstaten op de helling te staan. Verre van ons om te beweren dat het EHJ de ultieme legitimiteit vertegenwoordigt in de EU, maar als een uitspraak van dit Hof het verzet tegen het neoliberaal Europa kan versterken juichen we dit natuurlijk toe.

Voor het goede begrip: het gaat om een bilateraal verdrag binnen de EU, tussen twee lidstaten van de Europese Unie, nl. Nederland en Slovakije. Investeerders van het Nederlandse Achmea zijn sinds 1997 actief op de Slovaakse verzekeringsmarkt, vanaf 2006 ook op de private ziekteverzekeringsmarkt. Ze spanden een zaak in tegen de Slovaakse overheid, dit na een aantal hervormingen in de ziekteverzekering. Achmea beriep zich op het investeringsverdrag Nederland-Slovakije. en kreeg gelijk van een geschillentribunaal van het ISDS-type; Slovakije werd veroordeeld tot een boete van 25 miljoen €. Maar de overheid weigerde te betalen. Achmea bracht de zaak voor een Duitse rechtbank, die de vraag stelde aan het Europees Hof van Justitie of het Nederlands-Slovaaks verdrag in overeenstemming is met de Europese verdragen.

Het EHJ maakte vandaag bekend dat het bilateraal Nederlands-Slovaaks verdrag strijdig is met het Europees recht. Slovakije krijgt dus gelijk, maar de logische implicatie is dat ook de zowat 200 andere gelijkaardige bilaterale verdragen tussen Europese lidstaten (meestal tussen een West-Europese ‘kernstaat’ en een Oost-Europese nieuwe lidstaat) dus strijdig zijn met het Europees recht. Bovendien zou dit ook relevant kunnen zijn voor de fel betwiste handels- en investeringsverdragen tussen de EU en derde landen, zoals het CETA-verdrag met Canada. Een uitspraak van het EHJ hierover wordt volgend jaar verwacht. Eventueel dus nieuwe munitie voor de activisten overal in Europa.

Voor een eerste evaluatie van het vonnis, zie het artikel (in het Engels) van Laurens Ankersmit, juridisch expert bij ClienEarth.

Met dank aan Paul-Emile Dupret, adviseur van de linkse fractie (GUE/NGL) in het Europees Parlement, voor zijn snelle mededeling aan het netwerk van Stop-TTIP-CETA activisten. (hm)

(1) ISDS: dood of springlevend? Ander Europa, 19 april 2016.

Europarlementair links en Brexit

05/03/2018 - 11:45

door Herman Michiel 5 maart 2018   Gabi Zimmer, fractieleider van radicaal links in het Europees Parlement (GUE/NGL) en lid van Die Linke, reageerde in een communiqué op de Brexit-speech (2 maart) van de Britse premier Theresa May. Wat me daarbij tegen de borst stuit is dat er nauwelijks enig onderscheid is tussen het standpunt van radicaal links en dat van het Europees establishment. Het gaat over statements als "May had geen samenhangend voorstel over hoe de politieke deal van december concreet te vertalen in een bindend akkoord, zoals geëist in de laatste resolutie van het Europees Parlement [note] Zie de resolutie van 13 december 2017. [/note] en de richtsnoeren van de Raad van 15 december 2017 " of  "Ze droomt van een speciale behandeling van het Verenigd Koninkrijk maar vergeet dat ze haar aanvankelijke beloftes moet waarmaken". Dit druipt van formalisme, van EU-legalisme, maar laat op geen enkele manier verstaan dat radicaal links een andere visie dan Barnier, Tusk, Juncker, Verhofstadt en tutti quanti zou hebben op de eerste uitstap van een lidstaat uit de neoliberale EU. Radicaal links kan zich blijkbaar terugvinden [note] Zoals blijkt uit Votewatch was er bij GUE/NGL geen enkele stem tegen de resolutie, maar een kwart van de afgevaardigden onthield zich. [/note] in de resolutie van het Europees Parlement, opgesteld onder leiding van Guy Verhofstadt.  Hierin leest men o.a. dat het Parlement een "strikte overeenstemming"  eist van de "integriteit van de interne markt en de vier vrijheden", wat dus betekent de vrije circulatie van arbeidskrachten, goederen, diensten en kapitaal. Ook de "rechtsorde van de EU en de rol van het Hof van Justitie van de EU moeten worden gewaarborgd". Natuurlijk, Theresa May is een in-rechtse politica, en geen zinnig mens kan erop betrouwen dat zij en haar Conservatieven de intentie zouden hebben van Brexit een emancipatorisch project te maken. Maar Theresa May is momenteel ook, hoezeer men dit ook mag betreuren, de vertegenwoordigster van de Britse natie, het loket waaraan de EU zich moet richten om te onderhandelen over Brexit. May zal niet eeuwig aan dit loket zitten. Het is niet onmogelijk, en heel links in Europa en omstreken hoopt erop, dat ene Jeremy Corbyn er zit, nog voor 29 maart 2019, de uiterste datum voor een Brexit-akkoord UK-EU. Zal parlementair radicaal links dan nog staan op  "de laatste resolutie van het Europees Parlement" en de "richtsnoeren van de Raad van 15 december 2017", te weten de "integriteit van de interne markt en de vier vrijheden"? De GUE/NGL zal toch weten dat Corbyn  zich enkele dagen geleden uitsprak voor goede handelsverhoudingen tussen Groot-Brittannië en de Europese Unie, maar ook zou onderhandelen over ‘beschermende maatregelen, ophelderingen en uitzonderingen’, zodat de handelsbetrekkingen geen  obstakel zouden vormen voor Labour’s plannen i.v.m. openbare diensten, staatshulp, tegen privatisering, outsourcing en het Europees concurrentiebeleid? Een Labour-kabinet onder Corbyn zou zich m.a.w. niet neerleggen bij de "integriteit van de interne markt en de vier vrijheden", en zou in feite "dromen van een speciale behandeling"… Een echo van Corbyn's Brexit for the many, not for the few zou het minste geweest zijn dat men vanuit de radicale linkerzijde had mogen verwachten. Het is niet de eerste maal [note]Zie Ander Europa, 18 mei 2017, Europees Parlement: sociaaldemocratische pad in linkse korf? [/note] dat er vanuit de radicaal-linkse fractie in het Europees Parlement dubieuze standpunten komen over fundamentele Europese kwesties. Ook de steen in de kikkerpoel, nl. Mélenchons vraag om uitsluiting van Syriza uit de Partij van Europees Links, wijst op een toenemende problematisering van het onbedachte europeïsme binnen Europees links. Men kan veel begrip hebben voor de neteligheid van de problemen waarvoor links zich hierbij geplaatst ziet (zowat alle stemmen tegen de Brexit-resolutie van het Europees Parlement kwamen bijvoorbeeld van uiterst-rechts; commentatoren in de media zouden ongetwijfeld wijzen op het 'extremisme aan beide uiteinden van het politieke spectrum' als ook GUE/NGL de resolutie afwees), maar zich voegen naar de regime-partijen kan zeker niet de oplossing zijn. Al bij al een lastige, maar noodzakelijke fase in een broodnodig politiseringsproces, ook binnen links.  

Loondiefstal van gemiddeld 1764 € per jaar in de EU

01/03/2018 - 17:53

door Herman Michiel 1 maart 2018   Wie de basisinzichten van Marx' Kapitaal begrijpt, ziet zonder meer in waarom de verhouding tussen een 'werknemer' (arbeider in het marxistisch jargon) en een 'werkgever' (kapitalist) een uitbuitingsverhouding is. De kapitalist betaalt de arbeider een loon dat hem in staat stelt hemzelf en zijn gezin te laten overleven, maar de aldus aangekochte arbeidskracht is in staat méér te produceren dan het equivalent van dit loon. De arbeider genereert met andere woorden een meerwaarde die de kapitalist zich kan toe-eigenen, zijn winst, de zogenoemde vergoeding van de arbeidsfactor 'kapitaal', zoals het loon de zogezegde vergoeding is van de arbeidsfactor 'arbeid'. Dat 'de kapitalist' misschien uit een paar duizend grote  aandeelhouders bestaat en enkele rijkelijk betaalde bedrijfsmanagers verandert niets aan de fundamentele verhouding. Misschien vindt u dit een overtrokken voorstelling. Overleven? De moderne werknemer heeft een LED-TV en een smartphone, brengt zijn vakantie door in Zuid-Spanje of in de Dominicaanse Republiek! Maar 'overleven' doet men in de maatschappij van vandaag, niet in die van twee of drie generaties geleden. Wie vandaag niet de middelen heeft om zich aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk of de waterleiding, of om zich een koelkast aan te schaffen, is natuurlijk arm, niettegenstaande dergelijke 'luxe' twee eeuwen geleden zelfs in de rijkste huizen onbekend was. Het duidelijkste bewijs dat het arbeidersloon alleen toelaat te overleven is dat zeer weinig loontrekkenden via hun arbeid in staat zijn grote rijkdommen te verwerven; wat men verdient verbruikt men voor zijn voortbestaan. Men kan de uitbuitingsverhouding van het individuele naar het maatschappelijke niveau vertalen. Tel in een bepaald land alle lonen op, en tel alle winsten op. De twee bedragen samen zijn de 'toegevoegde waarde', of over een jaar gerekend: het nationaal inkomen, of nog het 'bruto binnenlands product' (BBP) [note] De drie begrippen (toegevoegde waarde, nationaal inkomen, BBP) zijn verwant maar geen echte synoniemen; bovendien compliceren allerlei details de berekening ervan.Winsten vloeien naar het buitenland, lonen komen uit het buitenland, er zijn ook inkomsten van zelfstandigen, en de nationale statistieken zijn niet gemaakt om de uitbuitingsverhouding Kapitaal-Arbeid transparant te maken.Maar wie doorheen de bomen het bos nog wil zien laat zich hierdoor niet van de wijs brengen. [/note]. Het aandeel van de lonen in het BBP geeft aan in hoeverre de arbeidskracht uitgebuit wordt; bedraagt dit aandeel bijvoorbeeld 70%, dan heeft de kapitalistenklasse zich grosso modo 30% van de geproduceerde rijkdom toegeëigend. Evolueert dit aandeel van 70% naar 60%, dan kon Kapitaal beslag leggen op nog een tiende méér van de door Arbeid geproduceerde rijkdom. De neoliberalisering van de economie manifesteerde zich wereldwijd door een dalend aandeel van de lonen in het BBP vanaf de jaren 80. De Franse marxistische econoom Michel Husson heeft hier al sinds vele jaren over gepubliceerd [note] Zie bv. M. Husson, Le partage de la valeur ajoutée en Europe, La Revue de l'IRES 64 (januari 2010). Voor een korte uiteenzetting in het Nederlands, zie M. Husson, Aandeel lonen in BBP daalt sterk, Uitpers 94 (2008). [/note]. Interessant is dat nu ook het Europees Vakverbond (EVV, ETUC in het Engels), over het algemeen niet zeer geneigd tot marxistische interpretaties van de economie, uitkomt met cijfers over het dalend aandeel van de lonen in het BBP. "Indien de verhouding van de lonen in het BBP dezelfde gebleven was als in het begin van de jaren 1990, zou de werkende bevolking in de Europese Unie gemiddeld 1764 € méér verdiend hebben in 2017 alleen", berekent de Europese vakbondskoepel [note]EVV, 27 februari 2018, Shareholder greed cost every worker €1764 in lost wages…just in 2017! [/note]. In 1975 maakten lonen 72% uit van het BBP in de Europese Unie, in 2017 was dit minder dan 63%, aldus de berekeningen van het EVV. De cijfers lopen uiteen van land tot land. Voor Tsjechië was dit 4107 €, voor Polen 2777 €, voor Duitsland 2169 €, Spanje 2806 €, Italië 3354 €, Hongarije 2122 € en Portugal 1890 €.       De evolutie over de tijd (1960-2017) van het loonaandeel in het BBP ziet men in onderstaande grafiek (voor de EU in haar geheel, voor de eurozone, etc.)     Het EVV spreekt terecht van loondiefstal, (al zou, in het licht van de uitbuitingsverhouding kapitaal-arbeid, de term bijkomende loondiefstal correcter zijn) en hekelt terecht het eeuwig gezanik van politici en economen over de 'loonkosten'. Eveneens terecht is de oproep tot herstel van de collectieve loononderhandelingen om tot betere lonen te komen. Minder logisch is dat het EVV de zeer matige loonsverhoging die het Duitse IG Metall onlangs bekwam als een 'voorbeeld voor Europa' voorstelde…  

Corbyn’s Brexit

26/02/2018 - 23:10

door Herman Michiel 26 februari 2018   De linkse Labour-leider Jeremy Corbyn gaf vandaag (26 februari) een uiteenzetting over zijn visie op Brexit, de uitstap van Groot-Brittannië uit de Europese Unie, in het geval Labour aan de macht komt. Er werd reeds een tijdje verwacht dat Corbyn zou aandringen op goede handelsverhoudingen tussen Groot-Brittannië en de Europese Unie, en daarvoor het voortbestaan van een douane-unie zou bepleiten. Een 'draai' volgens de meeste media-commentaren, een gevaarlijk pad volgens radicaal-linkse supporters van Corbyn zoals Lindsey German, of volgens sommigen een handig manoeuvre dat premier Theresa May met haar 'harde Brexit' in verlegenheid zal brengen. In ieder geval een belangrijke kwestie, ook voor Links, want handelsbetrekkingen zijn nu eenmaal een essentieel aspect van het economisch bestel, dat op zijn beurt de basis is waarop een sociale politiek kan gevoerd worden.   Als Corbyn naar Downingstreet 10 verhuist … [caption id="attachment_15021" align="alignleft" width="300"] Corbyn tijdens zijn speech in Coventry, 26 februari.[/caption] Corbyn zei echter ook dat Labour zou onderhandelen over 'beschermende maatregelen, ophelderingen en uitzonderingen', zodat de handelsbetrekkingen geen  obstakel zouden vormen voor Labour's plannen i.v.m. openbare diensten, staatshulp, tegen privatisering, outsourcing en het Europees concurrentiebeleid. In zijn eigen woorden: " That new relationship would need to ensure we can deliver our ambitious economic programme, take the essential steps to intervene, upgrade and transform our economy and build an economy for the 21st century that works for the many, not the few."  Als het zover komt, als rechtvaardigheid geschiedt en Theresa May naar de vuilbak van de geschiedenis verwezen wordt en Jeremy Corbyn naar het voorplan, zouden we wel eens een uiterst interessant gevecht kunnen meemaken. In tegenstelling tot de Griekse situatie kan de Europese Centrale Bank geen chantage plegen via de geldkraan, en terwijl Tsipras voor zijn 'trouw aan Europa' zelfs zijn verraad van het OXI-referendum veil had, is Corbyn van plan het Brexit-referendum te respecteren. Maar zou een links Labourkabinet wel de middelen hebben om iets uit de brand te slepen bij onderhandelingen met de machtige EU? De wraakzucht van Brussel tegen linkse rebellen is bekend, op cadeautjes moet Corbyn toch niet rekenen? De EU-onderhandelaars hebben tot nog toe inderdaad de indruk gewekt dat Londen geen andere keuze heeft dan zich te schikken naar de wensen van het machtige eensgezinde Europese blok. Maar achter een façade van eensgezindheid schuilen meer tegenstellingen dan men zou vermoeden. Een recent artikel op de site German-foreign-policy.com [note]Zie The Brexit losers, 7 februari 2018.  De initiatiefnemers van de site stellen zichzelf voor als "a group of independent journalists and social scientists who observe, on an ongoing basis, Germany's renewed attempts to regain great power status in the economic, military and political arena."  [/note] legt er daar enkele van bloot, en we zullen ze kort samenvatten. Vooral Duitsland vreest dat de Europese onderhandelingspositie zou ondergraven worden als de inter-Europese tegenstellingen naar buiten komen; Berlijn zou daarom aandringen om zo lang mogelijk te wachten met het openbaar maken van een Europees standpunt.   De Duitse auto-industrie Handelsbelemmeringen voor de auto-industrie zouden vooral de Duitse bedrijven pijn doen. BMW heeft bijvoorbeeld Rolls Royce en de Mini overgenomen, wagens die nog steeds in Groot-Brittannië geproduceerd worden; 80% van deze Mini's worden naar het continent geëxporteerd. En BMW verkocht in 2016 250.000 wagens in Groot-Brittannië, waarvan 180.000 op het vasteland geproduceerd. Bovendien wordt een groot deel van de motoren voor BMW geproduceerd rond Birmingham; als deze in de toekomst zouden moeten ingevoerd worden naar het continent zouden tolbarrières knagen aan de winstmarges. Ook andere Duitse automakers hebben een aanzienlijk deel van hun productieketen in het Verenigd Koninkrijk; volgens schattingen zou een tolbarrière hen jaarlijks twee miljard euro kunnen kosten. Nog andere problemen kunnen voortkomen uit bepalingen van vrijhandelsverdragen. Europese wagens kunnen duty free geëxporteerd worden naar Zuid-Korea, tenminste als ze voor minstens 55% binnen de EU geproduceerd worden; voor Zwitserland is dit percentage 60%. Maar als Groot-Brittannië niet meer behoort tot de EU zijn deze normen natuurlijk moeilijker te halen; de in Birmingham geproduceerde motor van een BMW bedraagt al vlug 20 à 25 % van de wagenprijs, en de productie van motoren is minder gemakkelijk te delocaliseren dan die van, zeg, koffieautomaten of gsm's.   De Oost-Europese mobiele arbeidskracht Heel andere bekommernissen leven in Oost- en zuidoost-Europa. Momenteel wonen ongeveer een  miljoen Polen in Groot-Brittannië, ze sturen geld naar huis ter waarde van 1,5% van het Poolse BBP. Voor Slowakije bedraagt dit zelfs 3%, en meer nog voor Hongarije, tot zelfs 6% voor Letland. Voor deze landen is tolvrij transporteren van motoren en wagens geen issue, de 'vrije circulatie van de arbeidskracht' daarentegen wel. Ze vrezen ook dat het 'gat' in de Europese begroting, als gevolg van het verdwijnen van Groot-Brittannië uit de Unie, ten koste zal gaan van de al niet zo vrijgevige structuurfondsen die nu aan de arme broertjes van de club gespendeerd worden. In 2016 leverde het Verenigd Koninkrijk de derde grootste netto-contributie aan het Europees budget [note]Germain Foreign Policy spreekt van 14 miljard euro, maar dit lijkt aan de hoge kant. Het zou misschien eerder 8 miljard kunnen zijn, wat natuurlijk nog steeds een aanzienlijk deel is van de Europese begroting van een 140 miljard euro.  [/note]. Er is nog een facet van de Europese Unie dat de gewone burger volledig ontgaat, maar in de hoofdsteden van de lidstaten en de kanselarijen des te gevoeliger ligt. Het Duitse gewicht in de beleidskringen die over Brexit moeten beslissen valt niet te ontkennen. Zo is Martin Selmayr kabinetschef van voorzitter Juncker van de Europese Commissie, of beter gezegd: was, want verleden week werd hij zelfs nog auto-gepromoveerd tot secretaris-generaal van de Europese Commissie, het hoogste ambt binnen het Europese Imperium. De eurocommissaris verantwoordelijk voor Brexit is weliswaar de Fransman Michel Barnier, maar zijn vice is het Duitse zwaargewicht Sabine Weyand. In de Brexit-stuurgroep van het Europees Parlement vinden we dan weer CDU-er Elmar Brok. Men kan licht vermoeden dat er in de Oost-Europese hoofdsteden weinig vertrouwen bestaat in de behartiging van hun belangen bij de Brexit-onderhandelingen.   Goede moed, Jeremy! De plannen voor een "Brexit for the many, not the few" van Corbyn en medestanders zijn ambitieus, niet op voorhand gewonnen, bijna vermetel, maar de enige die vanuit de linkerzijde kunnen nagestreefd worden. De tegenstellingen tussen de diverse Europese belangen kunnen daarbij behulpzaam zijn. In zijn lange militante leven heeft Jeremy Corbyn al herhaald bewezen uit het goede hout gesneden te zijn om te volharden in 'hopeloze' zaken. Tegen elk beter weten in heeft hij de Labour party uit de Blairse neoliberale beerput gehesen en er nieuw leven ingeblazen. Kan hij de Britse linkerzijde nu ook laveren tussen de o zo vervaarlijke klippen van Brexit? Niets is zeker, maar een betere kapitein voor deze operatie kan Brits en Europees Links zich moeilijk voorstellen. Goede moed, Jeremy!  

Pagina's