‘Kijk nou wat ze met onze blanke leider hebben gedaan,’ zegt een rouwende vader tegen zijn zoontje. Samen staan ze te kijken naar de bloemenzee bij het huis van Fortuyn in Rotterdam. De camera registreert hoe vader, zoon en duizenden anderen de tranen de vrije loop laten. Fortuyn is vermoord en de schok is groot. Nederland, zo wordt gezegd, zal nooit meer hetzelfde zijn. Het land heeft zijn onschuld verloren.
Die typeringen wekken verbazing in een tijd waarin zoveel mensen zo pathetisch voor een arrogante, rijke politicus de straat op gaan. Het moet gezegd, dat zijn geen hoopgevende taferelen. Wat we in de uren en dagen na de dood van Fortuyn hebben gezien mag met recht een volksopstand worden genoemd. De tienduizenden die in peilingen al voor schokkende cijfers zorgden lieten nu ook op straat zien dat ‘Pim’ echt hun man was. Fortuyn was al voor zijn dood geen gewone politicus, maar de mythische held van die mensen die zich ‘eindelijk’ vertegenwoordigd wisten, die hun teleurstelling in de traditionele politiek – en zeker de PvdA – onder woorden wist te brengen. Die wist wat er werd besproken op verjaardagsfeestjes en in buurtkroegen. ‘Jij zei wat wij dachten,’ stond er geschreven op de spandoeken. En ‘Pim - een soldaat van ons volk.’ Fortuyn representeerde een gevoel, een groep mensen, een deel van de samenleving dat zich verweesd en vervreemd voelt. Maar na zijn dood ging de fantasie pas echt met de mensen op de loop. Voor het Rotterdamse stadhuis zegt een kind tegen zijn vader: ‘Papa, ik ben vergeten wat ik geschreven heb!’ Het antwoord van pa: ‘Geeft niet hoor, jongen, hij begrijpt het wel.’
De verweesde natie
In de jaren van Lubbers en Kok is een samenleving ontstaan waarin mensen de grip op hun eigen leven verloren. Waar de regenten in Den Haag beslisten over de hoofden van mensen, groeide in de dorpen en steden van Nederland het gevoel van machteloosheid, maar ook het inzicht dat wat zich in Den Haag afspeelde weinig met hun werkelijkheid te maken had. Ondanks de voortdurende belofte van vernieuwing, die de parlementaire democratie steeds weer moet redden, veranderde er weinig aan deze situatie. De politiek beleefde geen renaissance, paars betekende geen democratisering en maakte geen einde aan de nu befaamde ‘achterkamertjes’ – de onvrede met de gebrekkig functionerende democratie bleef bestaan. Die onvrede is nu voor de voeten van ‘de linkse kerk’ geworpen. Deels omdat ‘links’ – de PvdA voorop – niet in staat is geweest een geloofwaardig progressief programma te verdedigen. Maar ook omdat veel mensen nu eenmaal een rechts programma willen.
Nederland is een geatomiseerde samenleving waarin in steeds mindere mate plek is voor solidariteit, saamhorigheidsgevoel, waarin gezamenlijke ervaringen niet meer gezamenlijk worden gedeeld. Natuurlijk, individualisering is niet iets van de laatste twintig jaar. Maar de vorm die het onder het ijskoude neoliberale regime heeft aangenomen is hard en meedogenloos. Het is een individualisme dat zegt dat iedereen het zelf maar moet redden, dat niet de samenleving als geheel maar het individu zelf verantwoordelijk is voor het eigen leven. In zo’n samenleving is weinig ruimte voor solidariteit en ligt de rancune voor het oprapen.
Tegelijkertijd blijkt dat mensen blijven zoeken naar vormen van collectiviteit en gemeenschappelijke verbeelding. Eerdere uitingen van deze zoektocht naar identiteit in een ontzuilde samenleving waren te zien in de 'stille tochten tegen zinloos geweld' en de collectieve verontwaardiging na de rampen in Enschede en Volendam. Naast een element van verontwaardiging, boden de manifestaties van onvrede die plaats hadden na deze gebeurtenissen vooral een moment van geborgenheid en van identiteit. Een stille tocht, of een minuut van stilte, verbindt mensen en helpt vorm te geven aan een collectieve identiteit. Op dat soort momenten lijken mensen elkaar te vinden, hun gemeenschappelijkheid te hervinden. Juist omdat een samenleving is ontstaan waarin mensen minder met elkaar te maken (willen) hebben, oudere verbanden zijn verdwenen, groeit die behoefte. Vandaar dat velen in de rij stonden bij het condeleanceregister of meeliepen in een stille tocht ondanks het feit dat zij zich geen Fortuyn aanhangers noemden. Zelfs zorg om de democratie is niet voor iedereen doorslaggevend. Het gaat om het moment van samen zijn, van geborgenheid, van een fictieve eendracht. De vergelijking doemt op met de film Fight Club, waarin een eenzame man in een geïndividualiseerde en anonieme samenleving geborgenheid zoekt op allerlei bijeenkomsten voor mensen met dodelijke ziektes, om het moment van onderling begrip en solidariteit te beleven.
Verelendung
Fortuyn begreep deze behoefte en gaf de verweesde natie nieuwe hoop. Het neoliberalisme gaf mensen met succes een vorm van individuele vrijheid en, in ieder geval het uitzicht op, rijkdom, maar wist niet te inspireren. Een sociale, spirituele, culturele Verelendung was het gevolg. De traditionele arbeiderscultuur van weleer, die mensen in soortgelijke sociale posities met elkaar verbond, moest het veld ruimen. De verzuilde samenleving verdween en ervoor in de plaats ontstond een cultuur van individualisme – New Age, nieuwe religieuze bewegingen en een heilig geloof in ‘het consumeren’ moesten de eenzame man en vrouw soelaas bieden. Hier ontstond een cultuur waarin een televisiepersoonlijkheid als Fortuyn een held kon worden waarmee mensen een emotionele band kregen. Niet de buurvrouw of de winkelier aan de overkant, maar een man die tegelijk ver weg als dichtbij was. Juist het feit dat Fortuyn rijk was, elitair en er een exorbitante levensstijl op na hield, maakte hem de ideale kandidaat voor een bijna religieuze persoonsverheerlijking, voor het symbool van een hervonden gemeenschappelijke verbeelding. Fortuyns homoseksualiteit kwam in die zin goed van pas. Dat maakte het mogelijk dat hij zich, ondanks zijn hautaine en bekakte uitstraling, kon positioneren als een straatvechter, als iemand die altijd al ten strijde had moeten trekken tegen het establishment. Fortuyn kon een volksheld worden, niet ondanks maar dankzij zijn status van sociale outcast, van een minderheid, omdat hij zijn ‘missie’ neer kon zetten als iets waarmee gewone mensen zich konden identificeren. Het gaf aan zijn conservatisme het vleugje progressiviteit van de gewone jongen tegen de boze buitenwereld. Niet voor niets doemt de vergelijking op met de dood van Diana en het massale rouwen dat daarop volgde of met de verheerlijking van Evita Péron – ook al zo ver weg en toch zo ‘van het volk’. En niet voor niets werd het feest na de overwinning van Feyenoord gewoon gevierd, maar dan ter ere van Pim Fortuyn. Want niets lijkt zo op de collectieve rouw als de gemeenschappelijke euforie na een overwinning in het voetbal. Feestende supporters op het stadhuisplein namen de tijd het schouwspel aan de overkant, voor het stadhuis, te bekijken. ‘We hebben vandaag voor jou gewonnen, Pim.’
Nederlandse cultuur
De toenemende individualisering en het verdwijnen van gemeenschapsgevoel ontlokte een zoektocht naar compensatie. Fortuyns succes is deels te danken aan het feit dat hij nieuwe inhoud wist te geven aan het Nederlandse nationale gevoel, onder andere door dit tegenover vreemde invloeden als de islam en bepaalde groepen buitenlanders te definiëren. Dit verklaart ook de aanhang die hij had onder allochtone groepen – voor hen was een stem op Fortuyn een toegangskaartje tot de Nederlandse samenleving en cultuur. Ook hier spelen Fortuyns homoseksualiteit en vrijzinnige levenshouding een rol – hij wist ze plek te geven in het ‘nieuwe Nederlandse nationalisme’: de Nederlandse cultuur was open, stond dat allemaal toe, in tegenstelling tot allerlei andere culturen, vooral de islam. Fortuyn vond Nederland opnieuw uit en met zijn dood stierf, in de ogen van zijn fans, inderdaad de democratie, het land zelf.
Hier raken we toch wel aan de kern van Fortuyns vertoog. Hij zei niet alleen ‘vol is vol’, hij stelde dat de Nederlandse cultuur bescherming verdiende. Dat deze alleen kon voortbestaan als de grenzen dicht gingen. Daaraan had hij ook zijn populariteit te danken; daarom vonden mensen ook dat hij ‘hun taal’ sprak, hun woorden uitlegde. Fortuyn legde uit waarom Nederlanders ‘trots’ mogen zijn op hun cultuur, waarom het diep gewortelde racisme onder een deel van de Nederlandse bevolking niets is om je voor te schamen, maar een gewone, menselijke reactie op dreiging. En door Fortuyn is het vandaag in Nederland inderdaad bon ton een hekel te hebben aan arabieren, buitenlanders en anderen die de Nederlandse cultuur bedreigen.
Rechtse doorbraak
Het is langs de lijnen van de renaissance van de Nederlandse cultuur, gecombineerd met pleidooien voor democratisering van het openbaar bestuur en een hard rechts beleid op sociaal-economisch gebied dat Fortuyn probeerde een rechtse breuk met het poldermodel te forceren. Dat is hem postuum gelukt.
Rechts is echt doorgebroken. René Zwaap stelt in de Groene Amsterdammer (1 juni) terecht dat de huidige situatie doet denken aan het begin van de jaren tachtig. Ook toen was er sprake van een breuk met linkse idealen, weerklonk er een nieuwe zakelijkheid die we vandaag zien bij informateur Donner en zijn kornuiten en werd gesteld dat de samenleving aan progressiviteit (‘het gedogen’) ten onder ging. En net als in de jaren tachtig klinkt de roep om een harder beleid en sociaal-economische sanering. De tien miljard euro aan ‘ombuigingen’ die ons zo cynisch in het vooruitzicht zijn gesteld kondigen een nieuwe etappe aan in het afbreken van wat links na de oorlog heeft binnengehaald, om uiteindelijk te komen tot een samenleving waarin ondernemers, corpsballen en rancuneuze blanke burgers het ritme van de tamboer bepalen.
De mobilisaties kort na de dood van Fortuyn hebben vrij duidelijk laten zien hoe groot de ruimte is voor een hard-rechtse, populistische beweging met massa-aanhang. De vraag is echter of en hoe die beweging verder vorm gaat krijgen. Want wat ten eerste opvalt is de grote discrepantie tussen de Fortuynaanhang en de parlementariërs van de LPF. Illustratief is het feit dat ook Mat Herben nu onder vuur ligt vanuit zijn eigen aanhang. Hij had het genoegen een envelop met een kogel te ontvangen uit protest tegen de eventuele legalisering van een aantal illegalen. De begeleidende tekst was duidelijk. Schik je in het Woord van onze grote Godheid Pim, of we weten je te vinden.
Het ligt voor de hand dat de fractie van LPF binnen de kortste keren hetzelfde taalgebruik, dezelfde gewoontes en dezelfde grijze kleur zal krijgen als de vadsige politieke elite in Den Haag. De vraag is daarom of ze in staat is het gat op uiterst rechts te vullen of dat anderen dat zullen doen. Het is niet onvoorstelbaar dat het CDA en de VVD hun kans schoon zien om verder naar rechts te schuiven, maar de vraag is of de harde kern van de Fortuynbeweging zich daarmee tevreden stelt. Traditioneel rechts beschikt vooralsnog niet over demagogen als Fortuyn, of schuift ze niet naar voren. Bovendien hechten ook deze mensen nog te veel aan de traditionele politieke verhoudingen om daar nu snel mee te breken. Wil een hard-rechtse politieke beweging succes hebben, moet ze vorm willen geven aan een ‘nieuwe politiek’ – wat dat dan ook is. En dus wordt duidelijk dat terwijl we binnenkort de meest rechtse regering sinds de oorlog hebben, de rechtervleugel van het politieke speelveld open ligt voor een ieder die weet te scoren. Dat ook fascisten en ander extreemrechts tuig – die in de Rotterdamse deelgemeente Feyenoord nu al twee deelraadszetels bezetten – op die opening loeren, is duidelijk.
Reactie toevoegen