Het Nederlandse ‘no-nonsense’-neoliberalisme is inderdaad onzin

Al decennia lang geldt het Nederlandse ‘no-nonsense’-model van het neoliberalisme als het toonbeeld van vrijemarkthervormingen. Maar ondanks alle retoriek over nationale eenheid heeft dat model geleid tot langdurige bezuinigingsperiodes en de georganiseerde plundering van openbare diensten.

Recensie van No Nonsense: A History of the Dutch Neoliberal Turn door Merijn Oudenampsen (Verso Books, 2026)

'Het gaat over hoe Nederlandse politici aan beide kanten van het politieke spectrum tussen de jaren tachtig en nu neoliberale hervormingen en bezuinigingsmaatregelen hebben doorgevoerd', vertel ik een vriend die vraagt welk boek ik aan het lezen ben. Hoewel hij een universitaire opleiding heeft genoten en voor een vastgoedbedrijf in het financiële district van Amsterdam werkt, zie ik aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij niet helemaal begrijpt waar ik het over heb. Ik noem nog wat namen en details die hij misschien wel herkent – Wim Kok, corporatisme, het Wassenaar-akkoord, de eurocrisis – totdat hij uiteindelijk knikt. 'Juist,' zegt hij, 'het poldermodel.'

Die korte uitwisseling is op zichzelf al een bevestiging van wat het boek — No Nonsense: A History of the Dutch Neoliberal Turn, geschreven door Merijn Oudenampsen, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam — probeert te zeggen. Het boek, dat oorspronkelijk in 2022 verscheen en onlangs in het Engels is vertaald, vormt de tweede helft van een uitgebreidere geschiedenis van de Nederlandse politieke economie, geschreven in samenwerking met historicus Bram Mellink. Het beschrijft op inzichtelijke wijze hoe Nederland zich ontwikkelde van een van Europa’s meest robuuste en ideologisch geëngageerde verzorgingsstaten tot wat de Franse auteur Michel Houellebecq treffend (en niet geheel ten onrechte) omschreef als meer een bedrijf dan een land.

Net als andere kritische teksten over dit onderwerp – zoals The Chile Project van Sebastián Edwards – toont het onderzoek van Oudenampsen aan dat het neoliberalisme in een vrije en eerlijke democratie politiek alleen kan overleven door zich te vermommen als juist datgene wat het tracht te ondermijnen: gedeelde welvaart. Hij legt ook uit waarom, in Nederland net als elders in de wereld, de diverse extreemrechtse bewegingen die in het kielzog van het neoliberalisme zijn ontstaan (de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders, MAGA, enzovoort.) niet zozeer een reactie zijn op het neoliberale project, maar er veeleer een voortzetting van vormen.

Uniek aan No Nonsense is het onderzoek naar hoe, in tegenstelling tot het Amerika van Ronald Reagan of het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher, privatisering en bezuinigingen op de een of andere manier werden gezien als volledig gedepolitiseerde kwesties, die zowel door conservatieven als progressieven actief werden nagestreefd. Onder het mom van het overstijgen van partijgrenzen en het achter zich laten van de geschiedenis hebben verschillende generaties Nederlandse politici het neoliberalisme niet als een ideologisch wapen behandeld, maar als een pragmatische, technocratische, 'no-nonsense'-oplossing voor puur economische kwesties.

Ironisch genoeg hebben ze dat inderdaad gedaan – en blijven ze dat doen, ondanks sommige economische indicatoren die ze zeggen na te streven, zoals het verhogen van het bbp. Zoals Oudenampsen benadrukt, berust het vertrouwen en de steun van de Nederlandse samenleving voor het neoliberalisme, zowel in het parlement als op straat, niet op onderbouwde feiten, maar op gemakzuchtige en hardnekkige mythevorming. Het berust met name op valse herinneringen aan een vruchtbare, wederzijds voordelige alliantie tussen overheid, bedrijfsleven en vakbonden, waar maar al te veel mensen trots naar verwijzen als het ‘poldermodel’. Dat model heeft Nederland inderdaad opnieuw gedefinieerd, maar niet – zoals velen nog steeds veronderstellen – ten goede.

Een geruststellende mythe

Het verhaal van No Nonsense begint min of meer in de jaren zeventig, toen Nederlandse economen — geïnspireerd door de Chicago School van Milton Friedman — kritiek hadden op de pogingen van de regering om de hoge inflatie, de stijgende werkloosheid en de vertragende economische groei te bestrijden door middel van overheidsuitgaven, wat sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog de gangbare aanpak was geweest. Aangemoedigd door de presidentsoverwinning van Reagan stelde een adviesgroep van het Ministerie van Economische Zaken, onder leiding van een voormalig CEO van Royal Dutch Shell, voor om de tegenovergestelde koers te varen: deregulering van de arbeidsmarkt, bezuinigingen op de sociale uitgaven en privatisering van 'niet-essentiële' onderdelen van de publieke sector.

De plannen van de groep werden gedeeltelijk verwezenlijkt met het Wassenaar-akkoord van 1982, toen de vakbonden instemden met loonsverlagingen en — uiteindelijk — een geleidelijke decentralisatie van de Nederlandse arbeidsmarkt. Het beleid van deregulering, bezuinigingen en privatisering dat onder de centrumrechtse premier Ruud Lubbers (1982–1994) werd ingevoerd, werd voortgezet door de kabinetten van Lubbers’ opvolger en voormalige rivaal Wim Kok, die na een carrière als trouwe vakbondsleider aan het hoofd kwam te staan van de Nederlandse Partij van de Arbeid (PvdA).

Kok sloeg, net als Tony Blair en Bill Clinton, de Derde Weg in. Tijdens zijn ambtstermijn als premier (1994–2002) probeerde de PvdA sociale rechtvaardigheid te verzoenen met begrotingsdiscipline, waarbij de nadruk op het laatste lag. Maar waar de resultaten van Lubbers gemengd waren – het herstel van de winstgevendheid van het bedrijfsleven ging gepaard met het uitblijven van een daling van de werkloosheid – vielen de zogenaamde paarse regeringen van Kok – waarin de PvdA samen met de conservatieve Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) regeerde – samen met een economische groei die in decennia niet meer was voorgekomen.

De mythe van het poldermodel — in 1995 bedacht door een voormalig president van chemiegigant DSM — koppelde de corporatistische relaties tussen kapitaal en arbeid volgens de Derde Weg 'terug aan de roemrijke Nederlandse Gouden Eeuw', toen burgers en boeren 'een werkbare consensus moesten bereiken' om hun laaggelegen land tegen overstromingen te beschermen. In Nederland heeft die metafoor het neoliberalisme verder afgezwakt en geïnstitutionaliseerd door uit te groeien tot een kernonderdeel van de nationale identiteit: tot op de dag van vandaag omschrijven Nederlanders zichzelf vaak als direct, nuchter en zuinig. Hun land, zo denken ze graag, is veel te klein voor grote ideeën, waaronder socialisme en neoliberalisme.

In werkelijkheid weerspiegelt het poldermodel – dat nog steeds regelmatig opduikt in alledaagse gesprekken en middelbare schoolboeken – de werkelijkheid niet meer dan de Efteling, een Nederlands pretpark met sprookjesthema’s. Om te beginnen is de metafoor een product van historisch revisionisme. In reactie op economische historici die het verleden te veel generaliseerden en selectief benaderden, hebben academische specialisten al lang geleden erop gewezen dat het waterbeheer in de zeventiende-eeuwse 'Gouden Eeuw' niet egalitair was, maar 'zeer oligarchisch en vaak conflictueus'.

Hetzelfde geldt voor de jaren tachtig. De vakbonden hebben het zogenaamd harmonieuze Wassennaar-akkoord niet uit eigen beweging omarmd. Ze hadden in die kwestie juist weinig keuze, nadat de conservatieve premier Lubbers hen had gedreigd met door de staat opgelegde loonmaatregelen. Hoewel Kok sindsdien wordt afgeschilderd als een verzoenende figuur, stond ook hij aanvankelijk sceptisch tegenover het akkoord en merkte hij later op dat 'de risico’s zeker niet gelijkelijk werden verdeeld' tussen ondernemers en werkenden. Het is ook de moeite waard om te herhalen, zoals Oudenampsen doet, dat de eerste besprekingen die uiteindelijk tot het akkoord leidden – die van de Commissie-Wagner – plaatsvonden in de privéwoning van een van ’s werelds grootste oliemagnaten.

Het belangrijkste van alles is dat het poldermodel de economische bloei van de jaren negentig aan de verkeerde oorzaken toeschrijft. Het waren niet de loonsverlagingen of bezuinigingen die het 'Nederlandse wonder' teweegbrachten — die waren al een decennium eerder van kracht en hadden in die periode weinig bijgedragen aan het stimuleren van de groei. Zoals No Nonsense betoogt, was de belangrijkste factor juist de toenemende (en aanvankelijk grotendeels deeltijdse) deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt, wat zowel het aanbod als de vraag sterk stimuleerde. In feite werd die verschuiving zelf beperkt door neoliberale markthervormingen, waarbij voltijdbanen werden vervangen door deeltijd- en flexibele contracten.

Nog meer bezuinigingen

Verstrikt in de mythe van het poldermodel bleef de PvdA tijdens de regeringen van Jan Peter Balkenende (2002–2010) en Mark Rutte (2010–2024) het no-nonsense-neoliberalisme steunen, waarbij de partij soms zelfs vooruitliep op haar conservatieve coalitiepartners. In navolging van het advies van Rahm Emanuel, stafchef van Obama, om 'een ernstige crisis nooit onbenut te laten', stelde PvdA-leider en minister van Financiën Wouter Bos dat de financiële crisis van 2008, waarin hij toezicht hield op de reddingsoperatie van Nederlandse banken, niet veel meer vereiste dan een 'welwillende heroverweging' van het eerdere begrotingsbeleid.

Een duizelingwekkende bezuiniging van 20 procent werd toegevoegd aan de lijst met mogelijke maatregelen en hoewel die bezuiniging uiteindelijk niet werd gekozen, zeiden de verantwoordelijken later dat het diende om de besluitvorming in die algemene richting te sturen. Ondertussen klaagde een minderheid van critici dat — wederom — ideologische kwesties werden behandeld alsof ze puur praktisch waren, 'om door ambtenaren te worden opgelost' in plaats van in het parlement te worden besproken.

Rutte, die Frits Bolkestein – eveneens een topman van Shell – opvolgde als leider van de VVD, zag natuurlijk evenmin de noodzaak van een koerswijziging. 'We moeten ons een weg naar groei bezuinigen', verklaarde hij in een beleidsverklaring bij de vorming van zijn eerste kabinet. Rutte, voorheen personeelsmanager bij Unilever, tilde tijdens zijn ambtsperiode de benadering van ‘politiek als bedrijfsleven’ en ‘het bedrijfsleven als Nederlandsheid’ naar nieuwe hoogten. In wat misschien wel de meest beknopte uitdrukking van die mentaliteit is, rechtvaardigde minister van Financiën Jan Kees de Jager ooit zijn assertieve pleidooi voor EU-brede begrotingsdiscipline met de woorden: 'Ik ben Nederlands, dus ik mag bot zijn.'

Tot verbazing van toeschouwers leidde de financiële crisis niet tot een terugkeer naar de Keynesiaanse verzorgingsstaat, maar tot een verdubbeling van de bezuinigingen. Oudenampsen schrijft het onwaarschijnlijke voortbestaan van het neoliberalisme toe aan de komst van een geschikte zondebok in de vorm van de daaropvolgende crisis in de eurozone. Net zoals de generatie van Kok het Nederlandse wonder ten onrechte had toegeschreven aan het poldermodel, gaven Rutte en veel van zijn tijdgenoten de schuld van het dreigende faillissement van Griekenland aan de verspilling van middelen door die staat zelf, in plaats van aan de eenzijdige monetaire beperkingen waaraan het gebonden was:

Vanwege de ‘no-bailout’-clausule en het verbod op monetaire financiering in het Verdrag van Maastricht kon de Europese Centrale Bank niet optreden als kredietverstrekker in laatste instantie en dit ontbreken van een vangnet ondermijnde het vertrouwen van beleggers... De crisis werd nu door Europese politici en economische beleidsmakers geherdefinieerd als een 'staatsschuldencrisis'. Hoewel de stijgende overheidsschuld een gevolg was van de crisis, werd die nu gepresenteerd als de hoofdoorzaak ervan.

De EU-leiding reageerde op de crisis door haar lidstaten aan te sporen tot bezuinigingen. 'Stimulate No More', luidde de kop van een opiniestuk van de voormalige president van de Europese Centrale Bank, Jean-Claude Trichet, dat kort na de G20-top van 2010 in Toronto werd gepubliceerd: 'It is Now Time for All to Tighten.' In Nederland beriepen zowel de VVD als de PvdA zich op eerdere successen van het poldermodel. Hoewel de huidige situatie, zoals Oudenampsen opmerkt, heel anders was – deze keer waren de lonen en de inflatie al laag – was het kabinet ervan overtuigd dat de strategieën die in de jaren tachtig waren toegepast, vandaag de dag opnieuw zouden werken. Toen net als nu waarschuwden ze de bevolking echter dat hun medicijn bitter zou smaken.

Net als voorheen ontsloeg de coalitie ambtenaren, verlaagde ze de werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, verhoogde ze de eigen bijdragen in de gezondheidszorg en verkocht ze delen van haar sociale woningvoorraad aan de particuliere sector. Het kabinet verlaagde ook de hypotheekrenteaftrek, verhoogde de btw en schrapte zelfs de financiering voor huishoudelijke hulp, jeugdzorg en ouderenzorg. En, net als voorheen, 'bleken de bezuinigingen een dramatische vorm van zelfbeschadiging te zijn, die de Nederlandse economie in een double-dip-recessie sleepten.' Op dit moment 'lopen de schattingen van de economische schade van de bezuinigingen onder Rutte uiteen van 7,5 procent tot 10 procent van het Nederlandse bbp, met 365.000 extra werklozen en langdurige schade aan de publieke sector.'

De gevolgen van de Nederlandse neoliberale ommezwaai zijn over de hele wereld zichtbaar. Al decennia lang is het poldermodel het klompdragende boegbeeld van de vrijemarkthervormingen – een ontwapenende vermomming die de dragers ervan in staat stelt door te dringen op plaatsen waar ze anders niet welkom zouden zijn. Als Europa’s felste begrotingshavik speelde Nederland ook een integrale rol bij het verweven van neoliberale idealen in het DNA van de EU en steunde het onwrikbaar schadelijke bezuinigingsmaatregelen in landen als Duitsland en Griekenland.

Echo’s van de Nederlandse no-nonsense-retoriek zijn te horen in de uitspraken van veel wereldleiders, van Angela Merkels veelvuldig gebruik van het woord 'alternativlos' (zonder alternatief) tot Blairs poëtische uitspraken over het 'bevrijdende effect van het afwerpen van je ideologische veren'. Hoewel de Amerikaanse politiek ideologisch zeker verdeeld is, heeft de commercialisering van het bestuur in Donald Trump een waardige gastheer gevonden. Sinds zijn eerste verkiezing in 2016 heeft hij zowel zijn recht-voor-zijn-raap-houding als zijn status als miljardair gepresenteerd als iets wat hem een voorsprong geeft op het politieke establishment.

Meer voor het leger, minder voor jou

Als huidige secretaris-generaal van de NAVO pleit Rutte – na jarenlang te hebben bezuinigd op het eigen militaire budget van zijn land – nu voor hogere defensie-uitgaven in de hele EU, een eis die in Nederland wordt gebruikt om het afbreken van het weinige dat nog over is van de oorspronkelijke verzorgingsstaat te rechtvaardigen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat het regeerakkoord van het huidige kabinet — waarin wordt voorgesteld de zorgpremies te verhogen, de werkloosheidsuitkeringen te halveren en de pensioengerechtigde leeftijd te koppelen aan de gemiddelde levensverwachting, terwijl tegelijkertijd een nieuwe 'vrijheidsbijdrage'-belasting wordt ingevoerd — het woord 'polder' noemt als het land wordt opgeroepen 'de kunst van de samenwerking opnieuw te leren', die het in het verleden zo goed van pas is gekomen.

Net als bij de ondertekening van het Wassenaar-akkoord doen de opstellers van het akkoord het voorkomen alsof de hiërarchie horizontaal is en alle betrokken partijen op gelijke voet staan. Maar zoals Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam, eerder dit jaar opmerkte, zal naar verwachting tweederde van de 'vrijheidsbijdragen' afkomstig zijn van burgers, niet van bedrijven. Neoliberale hervormingen en bezuinigingen werken altijd niet op één, maar op twee manieren: bezuinigingen voor de werkenden en een ‘feest voor het kapitaal’.

Terwijl dit alles gebeurt, bereiden de grootste linkse partijen van het land, de PvdA en GroenLinks, zich voor op een fusie tot één partij: Pro, voor Progressief Nederland. Cruciaal is dat de nieuwe naam niet gepaard gaat met een koerswijziging. In een gesprek met het Nederlandse tijdschrift De Groene Amsterdammer eind 2025 zeiden beleidsadviseurs dat ze hun best doen om 'grote woorden als neoliberalisme te vermijden' in hun campagneboodschappen — een regel die ook geldt voor socialisme.

Na dit alles te hebben gelezen, zouden dergelijke opmerkingen onmiddellijk alarmbellen moeten doen rinkelen. Zoals No Nonsense aantoont, is de Nederlandse ommezwaai evenzeer een triomf van het kapitaal als een mislukking van de vakbeweging, die haar historische socialistische ideeën heeft losgelaten.

Bovendien suggereert het werk van Oudenampsen dat het neoliberalisme in Nederland grotendeels heeft standgehouden en floreert omdat mensen weigeren het bij zijn naam te noemen. In tegenstelling tot wat de officiële poldermentaliteit haar burgers wil doen geloven, zijn grote woorden niet altijd betekenisloos; als je niet weet wat neoliberalisme is, zul je het niet herkennen als het in verschillende gedaanten wordt opgediend, zoals authentiek Nederlandsheid of technocratische penicilline.

Tim Brinkhof is een Nederlandse journalist die in Atlanta woont. Hij studeerde vergelijkende literatuurwetenschap aan de New York University en heeft geschreven voor Vulture, JSTOR Daily en New Lines.

Dit artikel stond op Jacobin. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop