Borderless

17 October 2017

Het neoliberaal bedrog

Al zo’n kwart eeuw wordt de economische politiek in de wereld gedomineerd door het neoliberalisme. In navolging van Reagan en Thatcher werd overal het staatsapparaat afgeslankt, gemeenschapsvoorzieningen geprivatiseerd en de marktwerking versterkt. Het neoliberalisme wordt aangeprezen als middel tegen de crisis, maar al decennia lang blijkt dat het vooral tot gevolg heeft dat de rijken rijker en de armen armer worden. Daarbij is er geen enkele reden om aan te nemen dat deze politiek de economische problemen op zal lossen.

‘We bevinden ons eigenlijk in een historisch unieke situatie, die nog nooit eerder is gezien in de geschiedenis van het kapitalisme: de winstvoeten zijn hoog, zonder dat dit gepaard gaat met een sterke economische groei. (…) De toegenomen winsten worden niet opnieuw geïnvesteerd. Er worden dus ook geen nieuwe jobs (banen) gecreëerd. In plaats daarvan verdwijnt een steeds groter deel van de winsten in de zakken van de aandeelhouders’, schrijft Matthias Lievens in zijn, door de Belgische SAP, uitgegeven boek: ‘Het neoliberale bedrog’.
In tegenstelling tot veel andere critici van het neoliberalisme beperkt Lievens zich niet tot de opvattingen (de ideologie) van het neoliberalisme. Om het neoliberalisme te begrijpen en te plaatsen start hij vanuit een algemene analyse van de economische ontwikkeling van het kapitalisme. Daarbij leunt hij sterkt op de theorie van de lange golven, zoals die met name door de Belgische marxistische econoom Mandel is uitgewerkt.

Lange Golven
Deze theorie gaat ervan uit dat de kapitalistische economie behalve de bekende conjunctuur cyclus van enkele jaren: heropleving, hoogconjunctuur, crisis en neergang ook een veel langere golfbeweging kent. Deze golven die naar de Russische econoom Kondratieff vaak met Kondratieffs worden aangeduid strekken zich uit over verschillende decennia.
De korte golven zitten als het ware ingebakken in het kapitalistische systeem waar de beslissingen over de productie in afzonderlijke bedrijven worden genomen. In een periode van opgang en groei wordt er steeds meer geproduceerd, omdat iedere ondernemer zo veel mogelijk van de groeiende markt wil profiteren. Dat leidt tot overproductie, met als gevolg dat de producenten een deel van hun waren niet meer kunnen verkopen. Saneringen, faillissementen en massaontslagen zijn het gevolg. Als de crisis is uitgewoed kan er een nieuwe periode van opgang volgen. Zo schept een crisis steeds weer de voorwaarde voor een nieuwe periode van opgang.
Bij de lange golven ligt dit anders. In navolging van Mandel benadrukt Lievens dat er steeds een belangrijke ontwikkeling van buiten de economie noodzakelijk is om van een fase van neergang in een nieuwe fase van opgang terecht te komen. Er is geen enkele automatisme dat ervoor zorgt dat een lange neergaande fase gevolgd wordt door een opgaande.
In geschiedenis van het kapitalisme worden vier golven onderscheiden, te beginnen met de opgaande fase van 1789 tot 1816, gevolgd door een neergaande tot 1848. Dan weer een opgang tot 1873. De tweede neergaande fase duurde tot 1896 waarna er van opgang sprake was tot 1919-1920 gevolgd door de neergang tot aan 1945.
Na de tweede wereldoorlog vond een nieuwe periode van opgang plaats. De drastisch veranderde krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal, als gevolg van fascisme en wereldoorlog, alsmede de toepassing van nieuwe in de oorlogsindustrie ontwikkelde technieken leidde tot een dusdanig herstel van de winstvoet dat er een nieuwe periode van opgang mogelijk was.

Neergaande golf
Met de economische crises in de jaren zeventig kwam er een einde aan deze periode en trad een langdurige periode van stagnatie en neergang in. Er is nog wel van enige economische groei sprake, maar beduidend minder dan in de vorige periode. Lievens analyseert het neoliberale beleid als een poging om op die ontwikkeling een antwoord te geven.
Tot dan werd er in de ontwikkelde kapitalistische landen in Europa, maar ook in de VS een economische politiek gevoerd gericht op het stimuleren van de vraag en de uitbouw van de sociale zekerheid. In de loop van de jaren zeventig werd dit - op de Engelse econoom Keynes geïnspireerde - beleid vervangen door een politiek gericht op loonmatiging en afbraak van de sociale zekerheid. Op die manier werd geprobeerd de winstvoet weer te verhogen en de economie aan te jagen. Meer winst, meer investeringen, meer banen, was de leus. Ondanks een geweldige toename van de winsten de afgelopen decennia is de heropleving van de economie echter uitgebleven.
De reden daarvoor is eigenlijk eenvoudig. De hogere winsten leidden maar ten dele tot meer investeringen en de investeringen werden niet gebruikt om meer arbeidsplaatsen te creëren, maar vaak om door automatisering en reorganisaties arbeidsplaatsen overbodig te maken.

Parasieten
Lievens wijst op de grotere rol van de aandelenmarkten als gevolg van de liberalisering. Terwijl vroeger bedrijven hun kapitaal vooral bijeen kregen door leningen bij banken zijn het nu de aandelenbeurzen die de belangrijkste kapitaalverstrekkers zijn. In dit aandeelhouderskapitalisme telt maar één ding: een zo hoog mogelijk rendement en wel nu. Investeerders eisen een rendement van vijftien procent op hun inleg. Bedrijven die dat niet halen moeten reorganiseren. Zo gaan er geweldige hoeveelheden arbeidsplaatsen verloren. Niet omdat bedrijven verlies lijden, maar omdat de winst onder de dubbele cijfers komt.
De renteniers zijn, zo benadrukt Lievens, ook de belangrijkste motoren achter de privatisering. Openbare bedrijven zijn een welkom investeringsterrein voor beleggers. Maar dan moet er natuurlijk wel een flinke winst worden gemaakt. Ook speelt het financierskapitaal een cruciale rol in het mechanisme van de staatsschuld. ‘Die staatsschuld geeft de neoliberale regeringen een voorwendsel om een bezuinigingspolitiek te voeren en te privatiseren, om de interestlasten verder af te betalen, waardoor renteniers opnieuw slapend rijk worden’ schrijft Lievens.
Als illustratie van deze ontwikkeling noemt de auteur het feit dat het aandeel van de lonen en uitkeringen in het nationaal inkomen in de laatste 25 jaar in Europa met ongeveer acht procent is gedaald, ten gunste van het inkomen uit kapitaal.

Actieprogramma
Het boek gaat in op vele aspecten van het neoliberalisme en allerlei ontwikkelingen worden met cijfers onderbouwd. Toch is het boek niet in de eerste plaats een analyse van het neoliberalisme. Het is vooral bedoeld als aanzet voor discussie over alternatieven. Daarbij gaat de schrijver uit van drie principes als basis voor een alternatieve politiek: socialisering (het blijven zoeken naar gemeenschappelijke oplossingen), decommodificatie (het tegen gaan van het reduceren van alles - waaronder de arbeidskracht - tot afzonderlijke koopwaar) en arbeiderscontrole (machtsvorming aan de basis).
Na hoofdstukken over arbeid, sociale zekerheid, pensioenen, openbare diensten, belastingen en Europa wordt afgesloten met een pleidooi voor een solidariteitspact voor een ander Europa. Daarin: een pleidooi voor Europese openbare diensten, voor loonstijgingen die de ontwikkeling van de productiviteit volgen; een Europese industriële politiek; harmonisering naar boven van sociale en milieuregels; een rechtvaardig belastingstelsel; de opstart van een democratisch grondwetgevend proces in Europa; een werkweek van 32 uur en gelijke rechten voor immigranten.
Als toegift wordt ten slotte in gegaan op de politiek van het Vlaams Belang (liberaler dan de liberalen), de vakbeweging (voor een democratische en strijdbare vakbond), en de noodzaak van de opbouw van een politiek alternatief (‘100% links’).

Complex
Zoals uit bovenstaande al blijkt bevat het boek geen makkelijke materie. De kracht ervan is dat het zich niet beperkt tot één of een aantal aspecten van de neoliberale politiek, maar juist de samenhang wil laten zien. Omdat het zich daarbij niet beperkt tot een analyse, maar ook polemiseert met de neoliberale opvattingen, en aanzetten voor alternatieven aandraagt komt de lezer soms in ademnood. Niet een boek om in een keer uit te lezen. Meer iets om in behapbare brokken tot je te nemen.
Voor de Nederlandse lezer is het natuurlijk een beetje een handicap dat het een Vlaams boek is. Vele termen en uitdrukkingen moet je even in je hoofd vertalen, en ook het cijfermateriaal en de voorbeelden zijn natuurlijk Belgisch.
Toch is dat nadeel soms ook een voordeel. Wij zijn in Nederland gewend dat ons wordt voorgehouden dat we harder moeten werken omdat men dat elders in Europa ook doet en ‘we’ anders de concurrentieslag missen. Bij Lievens valt te lezen dat in België wordt uitgelegd dat de arbeidsparticipatie omhoog moet omdat die met 63,5 procent toch een stuk lager ligt dan de 74,1 procent in Nederland. Vervolgens legt hij uit dat dat een scheve vergelijking is omdat in Nederland veel meer in deeltijd wordt gewerkt. In voltijdsequivalenten gaat het in België om 66,1 procent en in Nederland om 63,5 procent. Dan zijn we weer thuis. Die laatste percentages zijn de cijfers die ons worden voorgehouden als argument om harder te werken.

Over het algemeen zijn het juist de overeenkomsten en niet de verschillen die opvallen. Al met al een nuttig boek om te lezen en daarna nog af en toe eens ter hand te nemen. Daarom is het jammer dat het boek beperkt blijf tot de kale 216 pagina’s tekst. Het bevat een serieus notenapparaat, maar daar blijft het bij. Geen literatuurlijst, geen index, geen verklaring van gebruikte termen. Persoonlijk had ik er best iets meer dan de huidige prijs van 7 euro voor over gehad om dat er ook bij te krijgen.

Matthias Lievens: Het neoliberaal bedrog, tegen extreem rechts en het neoliberalisme is een andere politiek mogelijk. Uitgave Formation Léon Lesoil Brussel. Te bestellen via onze webwinkel.

Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.

Reageren