Het Revolutionair Volksalternatief en de huidige situatie in Venezuela

16.08.2021
Zuleika Matamoros: Marea Socialista

In 2020, te midden van de covid-19 pandemie, werden in Venezuela verkiezingen gehouden voor een nieuwe Nationale Assemblee [parlement]. Deze verkiezingen werden gehouden onder bijzonder moeilijke omstandigheden. De misdadige boycotmaatregelen tegen de internationale handel van Venezuela troffen alle gebieden van het nationale leven en veroorzaakten een ongekende verslechtering van de levensstandaard van de arbeidersklasse. Ondertussen stond het steeds minder revolutionaire karakter van het overheidsbeleid in sherp contrast met de eisen van het volk. Lonen van minder dan vijf dollar per maand, opschorting van collectieve onderhandelingen, een hyperinflatie van meer dan vier cijfers, mega-devaluatie van de nationale munt, een explosieve groei van economisch gemotiveerde migratie en een aanzienlijke verslechtering van openbare diensten waren slechts enkele van de elementen die het leven van arbeiders, ambtenaren en informele werkers beïnvloedden. (leestijd: 19 minuten)

Paradoxaal genoeg nam het volksprotest af terwijl de regering, steunend op een verhaal van nationale eenheid om de imperialistische agressie het hoofd te bieden, steeds autoritairder werd. De arrestatie en vervolging van vakbondsleiders, veel van hen met een lange geschiedenis van klassenstrijd, vormen een donker hoofdstuk in het Bolivariaanse proces. Deze gebeurtenissen hadden een weerslag op de betrekkingen tussen de partijen van de zogenaamde Gran Polo Patriótico (Grote Patriottische Pool - GPP). De Partido Socialista Unido de Venezuela (Verenigde Socialistische Partij van Venezuela - PSUV), een organisatie opgericht door Hugo Chávez, had altijd een gespannen relatie met de andere politieke partijen van de GPP. Om de eenheid te bewaren werden deze spanningen bijna altijd opgelost met bureaucratische overeenkomsten. Sinds 2018 waren de verhoudingen binnen de GPP echter bijzonder gespannen, vanwege de steeds sterkere eis van de basis van de verschillende politieke partijen in deze (alternatieve) alliantie. De basis wil een terugkeer naar de socialistische, revolutionaire en op het volk gerichte weg van het Bolivariaanse proces, wil een einde aan de draai naar klassenverzoening en een rem op de groeiende afhankelijkheid van de internationale machtspolitiek van Rusland en China. Het ontbreken van een constructieve dialoog heeft de kloof doen groeien en leidde tot het ontstaan van twee blokken binnen het Bolivariaanse proces.

Daarmee wordt niet ontkend dat er een sociale beweging bestaat die vecht om aan deze polarisatie te ontsnappen of dat er kortstondige oproepen tot de vorming van een derde pool bestaan. Binnen het Chavista-kamp bestaat sinds 2020 een nieuwe politieke situatie.

De nieuwe politieke situatie in Venezuela vraagt om een diepgaande discussie door Latijns-Amerikaans en wereldwijd links. Links moet hierin streven naar revolutionaire eenheid, een eenheid die pleit voor een terugkeer naar de weg van een grondwetgevende vergadering, van antikapitalisme en die met een progressief discours pleit voor afstand nemen van het neoliberalisme. Dit is niet het moment voor discussies die klassenverraad of ultralinkse avonturen rechtvaardigen.
 

1. Overzicht van actoren

Het is belangrijk een inventaris op te maken van de spanningen in het Bolivariaanse proces om zo te begrijpen waarom het Alternativa Popular Revolucionaria 9Revolutionair Volksalternatief - APR) is ontstaan en waarom het wordt beschouwd als het huidige progressieve referentiepunt. De krachtsverhoudingen en de onderlinge verhoudingen zijn in de afgelopen twee jaar sterk veranderd. Een herziening en evaluatie van de politieke actoren is dringend nodig. Alleen zo kunnen we een inschatting maken van de kans dat het Bolivariaanse proces nieuwe betekenis krijgt, of juist de verschrikkelijke mogelijkheid van nieuwe, neoliberale posities werkelijkheid wordt.

Rechts

In Venezuela is politiek rechts, dat wil zeggen politieke projecten die verbonden zijn met de neoliberale agenda, verworden tot òf de eenvoudige uitvoerder van de dictaten van het Noord-Amerikaanse imperium en de Europese imperialistische naties, òf tot pragmatische sectoren die, in afwachting van een nieuwe kans in een 'nieuwe politieke situatie', overleven dankzij de welwillendheid van de Venezolaanse regering. De rechtse partijen hebben alle banden met de massabeweging verloren en beschikken over slechts een geringe mobilisatiecapaciteit die beperkt is tot honderden zeer ideologische, sektarische en militante activisten.

De vier rechtse blokken worden geleid door Juan Guaidó, Capriles Radonski, Henry Ramos Allup en María Corina Machado. Deze groepen zijn onderling structureel verdeeld als gevolg van hun ondoorzichtige financiering door de Limagroep en de gevolgen van de aanval op de Venezolaanse oliefinanciën in het buitenland. De groeiende rol van juridische procedures en de introductie van ad hoc richtlijnen door het Hooggerechtshof heeft de [oude rechtse] politieke partijen Acción Democrática (Democratische Actie AD), Primero Justicia (Rechtvaardigheid Eerst) en Voluntad Popular (Volkswil) in wezen illegaal gemaakt. Dit leidt tot grotere versnippering en een groeiend onvermogen tot politieke actie.

De opkomst van nieuw rechts lijkt afhankelijk van de nationale uitvoerende macht, met vertegenwoordiging in het parlement. De sociale basis van rechts is in toenemende mate in verwarring. De regering Maduro is erin geslaagd om politiek rechts tot het minimum terug te brengen. Rechts kan alleen nog maar oproepen tot een buitenlandse imperialistische invasie of een ingrijpen van het leger. In die zin zijn de overblijfselen van Venezolaans rechts geneigd tot militair avonturisme. Dit sluit natuurlijk niet uit dat de rechtervleugel niet opnieuw een reële mobilisatiecapaciteit kan verwerven, maar dat is in de onmiddellijke toekomst niet te voorzien.

De PSUV en de GPP

De PSUV is nooit een politieke partij geweest in de klassieke zin. Het was eerder een politieke machine van de regering, zowel in de Chávez- als in de Maduro-periode. Hoewel ze congressen houdt en leiders kiest, is de PSUV in werkelijkheid een verkiezingsmachine voor het organiseren van de sociale agenda van de regering en voor het controleren van de sociale beweging. De PSUV is echter de grootste partij in Venezuela en heeft een zeer belangrijke sociale basis onder de bevolking. Ze is erin geslaagd op basis van de uitgangspunten van de oorspronkelijke Bolivariaanse sociale agenda en van eenheid tegen de Amerikaanse interventie sociale wortels op te bouwen. Niettemin doen er zich steeds meer neoliberale neigingen voor terwijl ondertussen kritiek onderdrukt wordt met het argument dat de interventie van de VS aanhoudt. Dit legde de grondslag voor een op meerdere klassen gebaseerde aanpak, een aanpak die de partij bij haar oorsprong niet had.

De PSUV heeft uitdrukking gegeven aan de interne verhoudingen in de regering, zowel in het verleden als in het heden. Chávez' visie op een civiel-militaire alliantie bepaalde jarenlang de samenstelling van de PSUV en in de nieuwe periode van Maduro's civiel-militaire alliantie leidde dit tot nieuwe verhoudingen, waarbij actoren die geen echte invloed hadden of die het niet eens waren met het streven naar klassenverzoening, werden uitgesloten. De PSUV ging van een model met Chávez als centrum, naar een model van wisselende, voorwaardelijke banden in de stijl van Latijns-Amerikaanse bureaucratische vakbonden.

Veel van de politieke partijen van de GPP hebben hun oorsprong in het Bolivariaanse proces, hetzij als eerdere splitsingen, hetzij als organisatie tijdens de periode-Chávez. Andere partijen, zoals de Communistische Partij van Venezuela (PCV), hebben echter een lange traditie, die teruggaat tot de eerste decennia van de 20e eeuw, net zoals de MRT en de Tupamaros teruggaan tot de jaren tachtig van de vorige eeuw. De partij Patria para Todos (PPT) komt voort uit een breuk met Causa R, een breuk die voortkwam juist uit onenigheid over steun aan Chávez, terwijl partijen als die van Lina Ron of Nuevo Camino Revolucionario (NCR) tijdens het Bolivariaanse proces zijn ontstaan. De logica van het functioneren van deze partijen, die veel organischer, maar niet altijd democratischer waren, stond ver af van het functioneren van de PSUV. Bijgevolg was het nooit mogelijk om de werking en de besluitvormingsmechanismen van de GPP te harmoniseren; om ideologische redenen en uit bureaucratisch pragmatisme werd de eenheid echter steeds gehandhaafd.

Omdat de PSUV hoofdzakelijk wordt geleid door overheidsfunctionarissen en activisten die banden hebben met regeringsstructuren, is de druk van de bevolking om de koers van de regering van de afgelopen zes jaar te corrigeren er minder aanwezig dan bij de PPT, de PCV of de Tupamaros. In de ogen van sommigen wordt deze druk tot zwijgen gebracht door ondemocratische debatmethoden. De intensiteit van het verzet van onderop tegen de politieke wending die de huidige politieke leiding doorvoert, legt een onevenredige druk op de verschillende partijen in de GPP.

De dramatische situatie van werkende mensen is het gevolg van de grootste hyperinflatie op het continent en de historisch ongekende devaluatie van de nationale munt. Een dollar kost nu meer dan twee miljoen bolivar. Ondertussen bedraagt het maandloon van een arbeider minder dan tien dollar, waardoor miljoenen mensen in slechts enkele jaren tot extreme armoede zijn vervallen. Dit alles brengt een dynamiek op gang van ongekende twijfel en distantiëring van de volksmassa’s van de huidige regering. In de periode 2014-2018 werd deze druk van onderop door de politieke leiders van PPT, PCV, Tupamaros en anderen in bedwang gehouden, maar ze werd onhoudbaar tussen 2018-2020. Het akkoord dat de PCV en de PSUV in 2018 ondertekenden, waarin de regering beloofde de door haar doorgevoerde herstelmaatregelen te stoppen en terug te draaien, werd feitelijk onmogelijk gemaakt door de koers van de regering.

Om deze reden zijn de PCV, de PPT, de Tupamaros en andere organisaties binnen en buiten de Patriottische Pool dichter bij de vorming van een sociale electorale alliantie gekomen. Een dergelijke alliantie moet de aspiraties van hun achterban tot uitdrukking brengen. Dit heeft geleid tot juridische bemoeienis en inmenging in partijen als de PPT, Tupamaros en anderen, iets wat met de PCV niet mogelijk was. In de praktijk is de GPP als eenheids- en overlegorgaan verdwenen; haar bestaan is beperkt tot een formaliteit van de PSUV-leiding en de ad hoc vertegenwoordiging van de andere organisaties.

Het APR

Het besluit om het APR te vormen als een electoraal eenheidsinitiatief zonder de PSUV, een initiatief dat verder ging dan de parlementaire verkiezingen, versnelde de crisis van de GPP. Ondanks de juridische obstakels van veel partijen, presenteerde het Revolutionair Volksalternatief kandidaten van verschillende organisaties.

Bij zulke bijzondere verkiezingen als die van 2020, die werden gehouden te midden van de pandemie, de internationale economische sancties en een verschrikkelijke materiële crisis van de arbeidersklasse, was de motivatie om te gaan stemmen zeer gering. De aantallen mensen die toch gingen stemmen waren volgens de definitieve verkiezingsuitslagen van de Nationale Kiesraad verrassend. Uit de resultaten bleek dat de PSUV-alliantie met meer dan 70% de overwinning behaalde, terwijl op straat het gevoel heerste dat het APR meer stemmen had gekregen dan uit de eindtelling bleek.

Het officiële blok, bestaande uit de PSUV, Tupamaros, PPT, Somos Venezuela, Podemos, MEP, Alianza para el Cambio (APC) en ORA, behaalde 68 procent van de stemmen, terwijl de oude burgerlijke partijen AD en COPEI ongeveer 20 procent van de stemmen behaalden. Het APR behaalde met ongeveer drie procent van de stemmen één enkele zetel. Het zwakke verkiezingsresultaat van het APR vertraagde het eenheidsproces. Sinds december 2020 en tot op de datum van het schrijven van dit artikel [22 apil 2021], heeft het APR het initiatief niet teruggewonnen. De PCV heeft zichzelf ondertussen opnieuw gelanceerd als de de partij van de arbeidersklasse en niet altijd met eenheidspropaganda.

De oproep voor het oprichtingscongres van het APR staat voor de uitdaging om te beslissen of het een simepele alliantie van partijen voor electorale doeleinden is, of dat het een breed platform wordt van de sociale beweging, van individuen, politieke partijen en politieke groeperingen met activiteiten buiten de grenzen van de parlementaire democratie. Alleen in het laatste geval kan het een dynamische factor worden in de revolutionaire geest van het Bolivariaanse proces, in samenwerking met verschillende Chavistische basisgroepen.

Het APR is de meest progressieve factor in het land en daarom is het van essentieel belang om deel te nemen aan de debatten voor haar oprichtingscongres, aan de debatten omtrent de tactiek en strategie van de strijd van arbeiders tegen het kapitaal.

Naar mijn mening zou het APR een debat moeten openen over de afbouw van het mondiale op olie gebaseerde productiemodel en de gevolgen daarvan voor een alternatieve nationale economie, en over de ecologische crisis en de gevolgen daarvan op nationaal vlak. Andere dringende thema’s zijn onder meer het wereldwijde neoliberale offensief in het onderwijs met zeer concrete uitingen van neoprivatisering en sociale ongelijkheid, feministische en anti-patriarchale strategie, het migratieprobleem en de noodzakelijke terugkeer van miljoenen staatsburgers, iets dat het herstel van de nationale economie vereist. Het APR moet de ideologische propaganda overwinnen en met antikapitalistische concepten aansluiten bij het derde decennium van de 21ste eeuw.

Venezolaans links is aan het vergrijzen, met een crisis van opstandige identiteit en tekenen van Alzheimer. De bijeenroeping voor dit Oprichtingscongres van het APR moet de hoop en de socialistische visie nieuw leven inblazen en brede sectoren van de sociale beweging opnieuw de antikapitalistische weg doen inslaan. De Bolivariaanse revolutie is niet dood, het APR verzamelt het beste van de onvervulde dromen van 27 februari 1989.

De sociale beweging

Een aanzienlijk deel van links beschouwt de partij als de synthese van de revolutionaire waarheid en ziet de sociale beweging als het massafront. Dit leidt tot coöptatie en het verlies van de autonomie van de arbeiders- en sociale beweging in het algemeen.

In het geval van Venezuela heeft deze traditie, naast andere factoren, de opbouw van een krachtige en revolutionaire coördinatie van sociale bewegingen verhinderd. Er bestaat geen boerenconfederatie of een vakbondsfederatie van klassebewuste arbeiders. De ervaring leert dat een sterke autonome sociale beweging nodig is, een die voortdurend in dialoog is met politieke organisaties, maar niet ondergeschikt is aan hun logica van onderhandeling en coöptatie.

De Central Socialista Bolivariana de Trabajadores (Centrale Unie van Bolivariaanse Socialistische Arbeiders CSBT) is een enorm bureaucratisch apparaat voor de beheersing en controle van de strijd geworden, het tegendeel van een epicentrum van arbeidersstrijd en verzet tegen de logica van het kapitaal.

Niets is echter zwart-wit. Net zoals er binnen de CSBT op klassenstrijd gerichte minderheidsstromingen bestaan, ontstaan er op straat belangrijke opstandige netwerken. De communale beweging, vooral in de deelstaat Lara, is daar een voorbeeld van, evenals de beginnende volksbeweging van leraren. Linkse feministen beginnen een autonome weg te volgen en verrichten ook gemeenschapswerk in de grote steden.

Op dit moment broeit er heimelijk een beweging die zich onttrekt aan het controleapparaat van de regering en die een dynamiek van solidariteit en verzet ontwikkelt die doet vermoeden dat er op middellange termijn een krachtige sociale beweging kan ontstaan.

Slechts een deel van deze opkomende sociale beweging is momenteel verbonden met het APR, waardoor haar werkelijke aansluiting bij deze nieuwe structuren onzeker is. Dat zal afhangen van de breedte en de manier van werken om bruggen te bouwen tussen de een en de ander. De huidige sociale bewegingen zijn grotendeels links, de rechtse studentenbeweging is de afgelopen jaren sterk in de marge gedrongen.

De FANB

De Bolivariaanse Nationale Strijdkrachten [FANB] vormen vandaag de dag de hegemonische georganiseerde sector van het Bolivariaanse proces. Er is geen regeringskwestie waarin het leger niet doorslaggevend is. Dat is onbetwistbaar een kracht in de strijd tegen imperialistische militaire agressie, ondanks het feit dat de Bolivariaanse militaire strategie van verzet er niet in is geslaagd te breken met de logica van de kazerne. De handhaving van de klassieke hiërarchische structuur voedt een autoritaire visie op afwijkende meningen en kritiek.

Anderzijds komt het militaire discours dat de alliantie met China en Rusland rechtvaardigt, als onderdeel van het proces om het imperialisme in te dammen, neer op een verlies van soevereiniteit en houdt het de radicalisering van het proces tegen, aangezien de strijdkrachten geen verzetsstrategie ontwikkelen die gebaseerd is op de bewapening van de bevolking en de ontbinding van de kazernes in de wijken en gemeenschappen.

Terwijl de commandanten in het middenkader en de gewone militairen te lijden hebben onder de huidige materiële situatie, profiteert de hogere hiërarchie van banden met de bureaucratie, die op haar beurt een factor is in het waarborgen van de bevelsstructuur.

De groeiende rol van het leger en de verschuiving in de richting van een militair-civiele alliantie voedt een visie op politiek die gedreven wordt door afspraken tussen hiërarchische structuren. In de komende maanden en jaren kan dit van doorslaggevend belang zijn. De fundamentele tegenstelling op dit gebied wordt bepaald door de volkse afkomst van militaire commandanten en hun mogelijkheden van snelle maatschappelijke vooruitgang die voortvloeien uit de uitoefening van de macht in wat nog steeds een burgerlijke staat is.

De politisering van de strijdkrachten is historisch gezien echter een kwalitatieve sprong, een die elk politiek initiatief dwingt tot dialoog en samenwerking met de militaire sector.

Dissidente oud-functionarissen

De burgerlijke pers en delen van internationaal links hebben een overdreven aandacht gegeven aan het dissidente gedrag van voormalige hoge functionarissen van de Bolivariaanse regering. Deze functionarissen ontbreekt het nagenoeg volledig aan invloed op sociaal- en nationaal vlak. Zoals bekend is, betekende het aan de macht komen van Nicolás Maduro na de dood van Hugo Chávez de verdringing van een sector van hoge bekende functionarissen die al een reeks van hoge functies vervuld hadden.

Sommigen van hen vertegenwoordigden de oorspronkelijke eenheidsgeest van het revolutionaire proces, terwijl anderen juist op verschillende momenten een conservatieve rol speelden. Sommigen sloten zich aan bij verdachtmakingen tijdens het debat dat in 2009 in het Internationaal Centrum Miranda plaatsvond. Hier spraken deelnemers over de positieve en negatieve kanten van het Bolivariaanse proces en spraken zich uit tegen overdreven, gecentraliseerd leiderschap. Sommige functionarissen die toen de debatdeelnemers demoniseerden werpen zich nu op als voorvechters van kritisch denken. Anderen die kritiek hebben op de bureaucratisering van het Bolivariaanse proces zijn juist dissidente voormalige regeringsfunctionarissen die zich duidelijk inzetten voor het oorspronkelijke Bolivariaanse project. De overgrote meerderheid van deze critici is eerlijk en ethisch onomstreden en onderscheidt zich duidelijk van degenen die nu alleen kritisch zijn omdat ze hun banden met staatsbedrijven, vooral in de oliesector, hebben verloren.

Deze voormalige functionarissen hebben echter feitelijk weinig of geen mogelijkheden om zich met de sociale beweging te verbinden. Daarom hebben hun acties slechts een beperkte impact op de opbouw van alternatieve krachtsverhoudingen. Dat kan alleen veranderen als er een toenadering is met het APR-proces; sommigen van hen hebben opgeroepen om in december 2020 voor het APR te stemmen.

Emigranten

De sector die in de analyse misschien het minst wordt gewaardeerd en die doorslaggevend zou kunnen zijn, is die van de emigranten, de honderdduizenden staatsburgers die het land hebben moeten verlaten als gevolg van de economische situatie en de verslechtering van de materiële levensomstandigheden. Terwijl de oppositie spreekt over zes miljoen en de regering over twee miljoen, is er feitelijk nauwelijks een huishouden in het land te vinden waarvan niet enkele leden het land hebben verlaten, vooral jongeren. In Venezuela zijn mensen er niet aan gewend dat kinderen het huis verlaten om op zoek te gaan naar overlevingsmogelijkheden. Dat ze hier nu toe gedwongen zijn, roept niet alleen vrees op maar ook woede tegen wat als de oorzaken hiervan gezien kan worden.

Sommige emigranten keren verslagen terug, maar de overgrote meerderheid overleeft in het buitenland in omstandigheden die slechter zijn dan die van de arbeidersklasse in die landen. Latijns-Amerikaans links heeft geen brede campagne van solidariteit en steun voor de Venezolaanse migratie ontwikkeld, een gebrek dat bijdraagt aan de rechtse dynamiek. Het discours over emigranten als ‘verraders’ terwijl ze in feite vertrekken omdat ze op zoek zijn naar loon om in hun basisbehoeften te voorzien, heeft op verschillende niveaus zijn weerslag gehad op regionaal links. Internationaal is er een gebrek aan begrip voor wat er in Venezuela gebeurt.

In een land met ongeveer 32 miljoen inwoners en zes miljoen huishoudens heeft een gemiddeld aantal van vier miljoen migranten een directe invloed op de beeldvorming en het politieke bewustzijn van meer dan de helft van de gezinnen in het land. Sinds het begin van het Bolivariaanse proces is geen revolutionair perspectief op het verschijnsel geformuleerd. Migratie kan op korte termijn de voedingsbodem worden voor de opbouw van een rechts discours en een sociale basis voor autoritaire projecten vormen. Daarom is het dringend noodzakelijk een debat over deze kwestie te openen. Latijns-Amerikaans links dient een permanente campagne voor de eerbiediging van de rechten van Venezolaanse migranten te ontwikkelen en moet hun integratie in de arbeidersbeweging van de verschillende landen ondersteunen. Deze jonge mensen moeten klassebewustzijn bereiken vanuit de directe link met hun eigen strijd en niet alleen via slogans en ideologie.

Depolitisering

De depolitisering is gegroeid sinds de crisis die in 2014 begon met de daling van de olieprijzen, de verlamming van het revolutionaire perspectief van het proces en de conservatieve draai. Net als eind jaren tachtig en in de jaren negentig beginnen miljoenen burgers politiek te zien als een probleem en niet als een oplossing. De terugkeer naar anti-politiek vertaalt zich in stille afkeer van politiek engagement, iets dat op elk moment kan opkomen en verandering in elke richting kan drijven.

Anti-politiek heeft verschillende gezichten, van het uit pragmatische overwegingen formeel accepteren van een willekeurig narratief, tot apathie en onderlinge wedijver. Depolitisering als in 'ieder voor zich' dreigt de vooruitgang van de laatste twee decennia in de opbouw van een sociaal weefsel van solidariteit te overschaduwen.

In een land waar de sociale beweging heel zwak en versnipperd is, waar links vooral ideologisch is en er niet in geslaagd is met de massabeweging samen te smelten, wordt depolitisering de opmaat tot het collectief zoeken naar nieuwe leiders, leiders die zelfs de tegenpool kunnen zijn van wat de huidige leiding is geweest.

Breken met deze nieuwe depolitisering betekent dat we ons als organisaties moeten reconstrueren, niet op activistische basis maar ons moeten oriënteren op de sociale beweging. Het gaat niet om een terugkeer naar het zalig verklaren van sociale bewegingen ten koste van de politiek. Het gaat om het principe dat elke militant actief deel uit moet maken van een voortdurende sociale beweging en niet alleen de partij-vlag wil planten. Dat houdt in dat oude routines en de logica van massafronten geleid door partijen moeten worden overwonnen, iets wat moeilijker gezegd dan gedaan is

Uiterst links

Uiterst links is sterk in de minderheid en het ontbreekt haar aan sociale wortels en eigen kracht. Uiterst links, dat in de jaren '80 en '90 voortkwam uit een belangrijke politieke diaspora, heeft de revolutionaire situatie die in 1998 ontstond niet kunnen benutten om organisaties, sociale wortels, een pers en alternatieve media op te bouwen. De invloed van dit links in bewegingen en vakbonden is zwak en vrijwel onbestaand in de inheemse en boerenbeweging. Ze begint nog slechts te leren van de ecologische en feministische beweging.

Met uitzondering van aporrea.org (2002-2021), otrosvoceseneducacion.org (2016-2021) en insisto-resisto.org (2021), zijn er geen webpagina's met de capaciteit om hun eigen inhoud te genereren en een specifieke beweging uit te drukken. Zelfs deze ervaringen zijn zeer beperkt wat betreft hun invloedssfeer. Marea Socialista, PSL en LUCHAS, naast andere uiterst linkse organisaties, zijn zeer zwak en gefragmenteerd. Andere linkse groepen uit de guevaristische of links-nationalistische tradities verkeren in dezelfde toestand.

Het standpunt van uiterst links over het APR zal van fundamenteel belang zijn om uit het isolement en de versplintering te komen, maar het is nog niet duidelijk wat het standpunt van de meeste van hen zal zijn. Alleen LUCHAS heeft openlijk te kennen gegeven dat ze deel wil uitmaken van het APR.

De arbeidersklasse

De situatie van de arbeidersklasse is dramatisch omdat ze er niet in is geslaagd een autonoom referentiepunt op te bouwen. Momenteel bevindt de arbeidersklasse zich in de slechtste situatie sinds de strijd in de jaren dertig, zonder klasse-organisaties en met een steeds meer gesloten institutioneel kader. Autoritaire praktijken, vervolging en de onderdrukking van klassebewust vakbondswerk door het Ministerie van Arbeid belemmeren het streven naar autonome organisatie.

Ondanks de vernietiging van de reële lonen en de slechtst denkbare arbeidsomstandigheden, is de arbeidersbeweging niet doorgebroken op het politieke toneel.

Geïsoleerde pogingen (aardolie, gezondheidszorg, onderwijs, ijzerwinning) vormen een organisatiebeweging in wording die deze situatie zou kunnen keren. De strijd voor een minimumloon van 300 dollar per maand, het recht op autonome vakbondsvorming, op collectieve onderhandelingen, rechtspraak en vrijheid van vereniging kunnen bijdragen aan activering van de arbeidersbeweging. Een combinatie van angst en berusting in een situatie van slechts overleven maakt deze taak moeilijk.

2. De politieke wereldvreemdheid van Latijns-Amerikaans links

Ondertussen is er een grote terugval in de steun voor de Bolivariaanse regering. Antikapitalistische linkse krachten die tot voor kort de Bolivariaanse revolutie steunden, beginnen afstand te nemen en zich aan te sluiten bij de nieuwe vormen van verzet. Belangrijk is dat veel van deze sympathieën een actief politiek verband vinden in het APR, waardoor de steun voor het Bolivariaanse revolutionaire proces behouden blijft.

Er blijft echter een onkritisch links bestaan dat besloten heeft alles te steunen wat de regering doet, zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan voor de arbeiders. Dit links, dat niets te maken heeft met wat er in Venezuela gebeurt, zou veel meer kunnen bijdragen als het de positieve punten zou blijven steunen en kritiek zou leveren op de toenemende negatieve kanten van het regeringsoptreden. Het zou zelfs kunnen bijdragen aan de vorming van een Latijns-Amerikaans revolutionair front om de dwangmaatregelen van het VS-imperialisme, de Europese imperialisten en de Limagroep te bestrijden en zodoende de steun aan het antikapitalistische Venezolaanse revolutionaire proces te verdiepen.

Het werk van het APR op internationaal vlak is in dit opzicht van cruciaal belang. Dat vereist een internationaal beleid van het APR dat rekening houdt met de pluraliteit van de delen van links die hen steunen. Een grotere eenheid van actie zal het APR nationaal en internationaal versterken als een dynamische factor in het Bolivariaanse revolutionaire proces. Het is in de eerste plaats de PCV die sektarische reflexen moet overwinnen om te streven naar brede eenheid.

3. Het APR in het post-electorale scenario

Het APR heeft een zware verantwoordelijkheid en de mogelijkheid om een nieuwe pluralistische, antikapitalistische en revolutionaire kracht te worden Maar gezien het samenstel van krachten dat aanwezig is, kan dit geen organisatie zijn die gericht is tegen het Madurisme en zijn capitulaties, maar moet het veeleer een organisatie zijn die het Chavisme in zijn geheel in een radicale, revolutionaire richting duwt. In die zin moet ze in staat zijn instinctmatige reflexen te weerstaan en de strategische horizon te herstellen. Het APR kan in de Venezolaanse politiek een nieuwe revolutionaire stootkracht creëren.

De PSUV wil echter geen einde aan de groeiende politieke apathie en zal proberen allerlei obstakels op te werpen. Dit mag er niet toe leiden dat het APR zich alleen maar concentreert op de confrontatie met het Madurisme en de opbouw van eenheid in de landelijke gebieden verwaarloost. De centrale taak van het APR is te werken aan de eenheid van het Bolivariaanse kamp. Geen romantische eenheid, maar een streven naar een waarlijk anti-kapitalistische agenda.

Daarom moet de strijd tegen de imperialistische sancties en de economische blokkade centraal staan in de herschikking van de eenheid. Dat betekent niet dat de kritiek op de bureaucratisering, de klassenverzoening en het autoritaire optreden tegen de volks- en revolutionaire sectoren door de regering, verwaarloosd moet worden. De noodzaak van het opbouwen van organisaties, van mechanismen en een logica van klasse-onafhankelijkheid spreekt voor zich.

Dit is geen gemakkelijke taak in de huidige conjunctuur van de klassenstrijd.

4. De weg van autonome organisatie van de sociale beweging

De centrale taak van het APR is het verzamelen van krachten in het complexe samenstel van krachten dat we beschreven hebben. Je verzamelt geen kracht met verzoening, maar ook niet met blinde confrontatie. Elke strijd moet worden opgebouwd op basis van duidelijke uitgangspunten en voortdurende organisatie.

Tot slot is het noodzakelijk de nadruk te leggen op de taak om elke antikapitalistische activist op te leiden tot een architect van nieuwe ervaringen van volks-, gemeenschaps-, feministische en ecologische organisatie van arbeiders. Dit betekent dat de politieke cultuur van Venezolaans links nieuwe vormen moet krijgen.

Het APR kan geen optelsom van letters, slogans of persoonlijkheden zijn, maar moet veeleer het organisatorische samenkomen van het antikapitalistische verzet in de huidige situatie zijn. Als ze slaagt, wordt de toekomst van de Bolivariaanse revolutie veiliggesteld.

Dit is een uitdaging die alleen begrepen en aangegaan kan worden als deel van een antikapitalistische visie op de 21e eeuw.
 

Dit artikel stond op Fourth International. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.